Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BR1634

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
14-07-2011
Datum publicatie
14-07-2011
Zaaknummer
11/898 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Ontheffing uit functie van wijkagent. in Ugchelen. Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Voorzieningenrechter

Reg.nr.: 11/898 AW

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:

[verzoeker]

te Apeldoorn,

verzoeker,

en

Korpsbeheerder van de Regionale Politie Noord- en Oost Gelderland

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 maart 2011 heeft verweerder besloten verzoeker met ingang van 1 januari 2011 te ontheffen uit de functie van wijkagent en te plaatsen in de functie van Medewerker Basispolitiezorg B met als tijdelijke plaats van tewerkstelling het team Verkeershandhaving.

Verzoeker heeft daartegen bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 11 juli 2011, waar verzoeker is verschenen, bijgestaan door M.H. Mulhof LLM, werkzaam bij de ACP Politievakbond. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M.A.C. Theunissen.

2. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist.

Verzoeker is werkzaam als politieambtenaar en is door verweerder met ingang van 9 augustus 2008 aangesteld als wijkagent in Ugchelen. In de loop van 2008 en 2009 hebben diverse functionerings- en voortgangsgesprekken plaats gevonden en op 8 februari 2010 is een beoordeling vastgesteld met als beoordelingstijdvak 7 december 2007 tot 25 september 2009. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder verzoeker op grond van artikel 64 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) uit de functie van wijkagent ontheven en hem aangesteld in de functie van Medewerker Basispolitiezorg B.

Ingevolge artikel 64 van het Barp is de ambtenaar, indien het belang van de dienst dit in bijzondere gevallen vordert, verplicht zijn functie op een andere dan de hem aangewezen plaats van tewerkstelling of binnen een ander dan het hem aangewezen werkgebied uit te oefenen, mits dit redelijk is in verband met zijn persoonlijkheid, omstandigheden en vooruitzichten.

Verweerder heeft aan het thans bestreden besluit verzoekers disfunctioneren als wijkagent in Ugchelen ten grondslag gelegd. Verweerder heeft daartoe verwezen naar het functioneringsgesprek formulier van 23 oktober 2008 en de verslagen van voortgangsgesprekken welke hebben plaatsgevonden op 26 januari 2009, 3 maart 2009, 24 september 2009, 15 oktober 2009 en 10 november 2009. Tot slot is op 8 februari 2010 een beoordeling vastgesteld met als beoordelingstijdvak 7 december 2007 tot 25 september 2009. In de beoordeling is de functievervulling als geheel als matig beoordeeld.

Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat hij niet goed heeft gefunctioneerd als wijkagent in Ugchelen. De daaraan ten grondslag gelegde beoordeling berust, volgens verzoeker, op onjuiste en onvolledige informatie. Hij is van mening dat zijn functioneren aanzienlijk is verbeterd en stelt zich op het standpunt dat hem nog een verbeterkans moet worden geboden.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de beoordeling van 8 februari 2010 inmiddels in rechte vaststaat. Hieruit blijkt dat het functioneren van verzoeker op drie hoofdbestanddelen onvoldoende scoort, op drie andere hoofdbestanddelen matig en alleen op het hoofdbestanddeel “bezwarende omstandigheden” is verzoekers functioneren als voldoende beoordeeld.

Naar voorlopig oordeel heeft verweerder zich, onder verwijzing naar deze beoordeling en gelet op de daaraan voorafgaande functionerings- en voortgangsgesprekken, terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 64 van het Barp en dat het dienstbelang vordert dat verzoeker in een andere functie wordt geplaatst.

Al vanaf het eerste relevante functioneringsgesprek op 23 oktober 2008 is er van de zijde van verweerder kritiek geuit op het functioneren van verzoeker, zijn er concrete verbeterpunten benoemd en afspraken gemaakt. Verweerder heeft verzoeker derhalve voldoende verbeterkansen geboden, waarvan verzoeker geen dan wel onvoldoende gebruik heeft gemaakt, gelet op de omstandigheid dat zijn functioneren op 8 februari 2010 als geheel als matig is gewaardeerd.

Verzoeker heeft zijn standpunt, dat zijn functioneren in de loop van 2010 is verbeterd, met het overleggen van verklaringen van collega’s, de voorzitter van de dorpsraad en andere betrokkenen uit Ugchelen onderbouwd. Het ligt naar het oordeel van de voorzieningenrechter op de weg van verweerder om naar aanleiding van deze stelling van verzoeker hangende bezwaar nader te onderzoeken en te motiveren of en in hoeverre verzoekers functioneren daadwerkelijk is verbeterd. Vooralsnog wordt hierin echter geen aanleiding gezien om een voorlopige voorziening te treffen, gelet op het schrijven van verweerder van 29 juni 2011, waarin verweerder stelt dat bij gegrondverklaring van het bezwaar terugplaatsing in de functie van wijkagent uitvoerbaar is. In dit verband acht de voorzieningenrechter voorts van belang dat het verzoek om een voorlopige voorziening pas is ingediend, nadat de termijn voor het reageren op de inmiddels opengestelde functie van wijkagent in Ugchelen, was verstreken.

Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Gerbranda. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2011.