Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BR1530

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
13-07-2011
Datum publicatie
13-07-2011
Zaaknummer
06/940145-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het medeplegen van een overval op een kledingzaak in Apeldoorn op 19 maart 2011 onder bedreiging van een imitatiewapen levert op een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Met oplegging van bijzondere voorwaarden daarbij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/940145-11

Uitspraak d.d. 13 juli 2011

tegenspraak / dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte], geboren te Polen op [1991]

wonende te [plaats],

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring Doetinchem, te Doetinchem.

Raadsman: mr. W. Van Vliet, advocaat te Amsterdam.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 juni 2011.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 19 maart 2011 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan [kledingzaak], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd

voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met

geweld tegen [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] en/of [slachtoffer C] en/of

[slachtoffer D] en/of [slachtoffer E], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor

te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad

aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de

vlucht mogelijk te maken, en/of het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat dat

verdachte en/of één of meer van zijn mededader(s)

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die

[slachtoffer A] heeft/hebben gericht en/of dat vuurwapen, althans een op een

vuurwapen gelijkend voorwerp, heen en weer heeft/hebben bewogen en/of

- die [slachtoffer A] en/of die [slachtoffer B] de woorden: "Dit is geen geintje"

en/of "Ik wil geld" heeft/hebben toegevoegd en/of

- geld uit de kassalade heeft/hebben genomen en/of

- tijdens hun vlucht op voornoemde [slachtoffer C] en/of [slachtoffer D] en/of [slachtoffer E] een

vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft/hebben

gericht, althans voornoemde [slachtoffer C] en/of [slachtoffer D] en/of [slachtoffer E] heeft/hebben

bedreigd met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp

en/of die [slachtoffer C] en/of [slachtoffer D] en/of [slachtoffer E] daarbij de woorden: "Ik ga

schieten, ik ga schieten" en/of "Omdraaien en weglopen" heeft/hebben

toegevoegd

EN/OF

hij op of omstreeks 19 maart 2011 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een)

ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met

geweld [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] heeft gedwongen tot de afgifte

van een geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [kledingzaak], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met

geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of één of meer van zijn

mededader(s)

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die

[slachtoffer A] heeft/hebben gericht en/of dat vuurwapen, althans een op een

vuurwapen gelijkend voorwerp, heen en weer heeft/hebben bewogen en/of

- die [slachtoffer A] en/of die [slachtoffer B] de woorden: "Dit is geen geintje" en/of

"Ik wil geld" heeft/hebben toegevoegd en/of

- geld uit de kassalade heeft/hebben genomen en/of

- tijdens hun vlucht op [slachtoffer C] en/of [slachtoffer D] en/of [slachtoffer E]

een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft/hebben

gericht, althans die [slachtoffer C] en/of [slachtoffer D] en/of [slachtoffer E] heeft/hebben bedreigd

met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of

die [slachtoffer C] en/of [slachtoffer D] en/of [slachtoffer E] daarbij de woorden: "Ik ga schieten,

ik ga schieten" en/of "Omdraaien en weglopen" heeft/hebben toegevoegd;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Aanleiding van het onderzoek

Op zaterdag 19 maart 2011 vond er bij de kledingzaak '[kledingzaak]' te Apeldoorn een gewapende overval plaats. Naar aanleiding van het daarop opgestarte onderzoek werd verdachte aangehouden.

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan afpersing. Zij heeft zich hierbij gebaseerd op de bekentenis van verdachte, de aangifte en de verklaringen van getuigen. Tevens heeft zij hierbij de omstandigheden meegenomen dat verdachte een vuurwapen gehanteerd heeft en dat het geld is afgegeven, aldus de officier van justitie.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

Door de verdachte is verklaard dat hij de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de ten laste gelegde feiten uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De verdachte heeft ter terechtzitting een bekennende verklaring afgelegd. 2

Naast deze bekennende verklaring zijn voor het bewijs voorhanden de aangifte door [slachtoffer A] 3, de verklaring van getuige [slachtoffer B] 4, de aangifte van [slachtoffer C] 5, de aangifte van [slachtoffer E] 6, de aangifte van [slachtoffer D] 7 en het proces-verbaal WWM 8.

De rechtbank komt tot de conclusie dat verdachte samen met een ander de ten laste gelegde diefstal vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld heeft gepleegd, en tevens de ten laste gelegde afpersing. Uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen volgt immers dat de medeverdachte geld uit de kassalade heeft gepakt en dat aangeefster [slachtoffer A] onder bedreiging van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp geld aan de medeverdachte heeft afgegeven. Om verdachte en medeverdachte de vlucht makkelijk te maken, zijn vervolgens [slachtoffer C], [slachtoffer D] en [slachtoffer E] bedreigd.9

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op 19 maart 2011 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag, toebehorende aan [kledingzaak], welke diefstal werd vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer A] en [slachtoffer B] en [slachtoffer C] en [slachtoffer D] en [slachtoffer E], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan een andere deelnemer aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en zijn mededader;

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer A] hebben gericht en dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heen en weer hebben bewogen en;

- die [slachtoffer A] en die [slachtoffer B] de woorden: "Dit is geen geintje" en "Ik wil geld" hebben toegevoegd en;

- geld uit de kassalade hebben genomen en;

- tijdens hun vlucht op voornoemde [slachtoffer C], [slachtoffer D] en [slachtoffer E] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, hebben gericht, althans voornoemde [slachtoffer C] en [slachtoffer D] en [slachtoffer E] hebben bedreigd met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en die [slachtoffer C], [slachtoffer D] en [slachtoffer E] daarbij de woorden: "Ik ga schieten, ik ga schieten" en "Omdraaien en weglopen" hebben toegevoegd.

EN

hij op 19 maart 2011 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer A] en [slachtoffer B] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag toebehorende aan [kledingzaak], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en zijn mededader

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer A] hebben gericht en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heen en weer hebben bewogen en;

- die [slachtoffer A] en die [slachtoffer B] de woorden: "Dit is geen geintje" en "Ik wil geld" hebben toegevoegd.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

diefstal door twee of meer verenigde personen, vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan de andere deelnemer aan het misdrijf de vlucht mogelijk te maken

en

medeplegen van afpersing.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, met als bijzondere voorwaarde reclasseringscontact, waarbij de aanwijzingen opgevolgd dienen te worden, ook als dat een Cognitieve Vaardigheidstraining (CoVa) inhoudt. Zij heeft hierbij in aanmerking genomen dat het feit overdag is gepleegd, enkel gericht op het eigen gewin, en dat verdachte zich heeft bediend van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, hetgeen een enorme impact heeft op de slachtoffers en de maatschappij. Voorts heeft zij hierbij in aanmerking genomen dat verdachte een bekennende verdachte is, hij zijn verantwoordelijkheid heeft genomen en spijt heeft betuigd, waarbij verdachte mogelijk de slachtoffers schadeloos zal stellen. Tevens acht zij van belang de jonge leeftijd van verdachte en de omstandigheid dat hij geen justitiële documentatie heeft, aldus de officier van justitie.

De raadsman heeft in het kader van de strafmaatbepaling aangevoerd dat de eis van de officier van justitie te fors is en heeft verzocht een groter deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Hij heeft hiertoe naar voren gebracht dat verdachte heeft gehandeld uit radeloosheid in verband met openstaande schulden, als gevolg waarvan hij dreigde op straat te komen te staan. Voorts heeft hij betoogd dat er geen sprake was van werkelijk gevaar nu verdachte zich heeft bediend van een nepwapen. Verdachte is gemotiveerd iets van zijn toekomst te maken. Hij heeft spijt betuigd over wat hij gedaan heeft en hij heeft geen justitiële documentatie, aldus de raadsman.

Door de reclassering is op 22 juni 2011 een rapport over verdachte uitgebracht. Geadviseerd wordt een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met daarbij als bijzondere voorwaarden een meldingsgebod en deelname aan een gedragsinterventie, te weten cognitieve vaardigheidstraining. Indien deze training ontoereikend is zal betrokkene zich in het kader van verder onderzoek dienen te laten verwijzen naar een daarvoor geëigende instelling en zich dienen te laten behandelen indien geïndiceerd. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag gemiddeld. Tevens wordt ingeschat dat er een laag/gemiddeld risico is op ontrekken aan voorwaarden. Betrokkene is gemotiveerd zich te laten begeleiden, aldus de reclassering.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstige vorm van vermogenscriminaliteit en heeft daarbij een leidende rol aangenomen. Verdachte en zijn mededader hebben volgens een van tevoren beraamd plan, met gebruikmaking van een op een echt wapen gelijkend imitatievuurwapen, een winkel overvallen om het daar aanwezige geld uit de kassa in handen te krijgen. De in de winkel aanwezige personeelsleden zijn daarbij bedreigd met het imitatiewapen en één van hen is onder bedreiging gedwongen tot afgifte van het geld uit de kassa. Vervolgens hebben de daders in hun vlucht hun achtervolgers bedreigd met het imitatiewapen. Deze daad heeft grote impact op de slachtoffers. De omstandigheid dat het geen echt vuurwapen betrof, doet aan de impact niet af, temeer nu het imitatiewapen niet van echt te onderscheiden was door de slachtoffers. Verdachte heeft zich er voorts geen rekenschap van gegeven dat er op het moment van de overval ook klanten in de winkel konden komen, die in dat geval met de bedreigende situatie zouden worden geconfronteerd. Delicten als de onderhavige dragen ook daarom in hoge mate bij tot de in de maatschappij levende gevoelens van onveiligheid. Dat het delict een wanhoopsdaad zou betreffen, zoals door de raadsman is betoogd, acht de rechtbank niet van betekenis. Ook al omdat er voor verdachte alternatieven waren om zijn geldnood op te lossen. Dat verdachte heeft gekozen voor een op dat moment wellicht voor hem makkelijke oplossing, dient verdachte te worden aangerekend.

In het voordeel van verdachte weegt dat hij, gezien het hem betreffende Uitreksel uit de justitiële documentatie van 2 juni 2011, niet eerder is veroordeeld ter zake van dit soort delicten. Tevens weegt de rechtbank in het voordeel van verdachte mee dat hij zijn verantwoordelijkheid heeft genomen en jegens de slachtoffers van de overval spijt heeft betuigd.

Gelet op de ernst van het strafbare feit en voornoemde omstandigheden in onderlinge samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat een straf gelijk aan de eis van de officier van justitie passend en geboden is. Het voorwaardelijk deel van de straf en de bijzondere voorwaarden dienen verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer B], [adres], heeft zich gevoegd in het onderhavige strafgeding ten aanzien van het tenlastegelegde.

De officier van justitie en de raadsman concluderen beiden tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voornoemd. De rechtbank zal, de officier van justitie en de raadsman gehoord hebbende, daartoe overgaan nu niet gebleken is dat door de benadeelde partij vergoeding van mogelijk geleden schade is gevorderd.

In beslag genomen voorwerpen

De officier van justitie heeft verklaard dat de volgende onder verdachte in beslag genomen goederen, te weten de telefoon, simkaart, Nike Air Max en de auto, kunnen worden teruggegeven aan verdachte en dat het door verdachte buitgemaakte geld dient te worden teruggegeven aan de rechthebbende. Voorts heeft de officier van justitie verklaard dat de onder verdachte in beslag genomen muts, petten, bril, vest en tas verbeurd verklaard dienen te worden nu deze goederen zijn gebruikt bij het plegen van de overval. Het in beslag genomen nepvuurwapen en de klewang dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aldus de officier van justitie.

De raadsman heeft zich ten aanzien van de in beslag genomen goederen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank gelast allereerst de teruggave van het buitgemaakte geld door verdachte aan de rechthebbende. Voorts gelast de rechtbank de teruggave aan verdachte van de telefoon, de simkaart, een paar Nike Air Max en de auto nu geen strafvorderlijk belang zich daartegen verzet. De rechtbank verklaart verbeurd de aan verdachte toebehorende muts, petten, bril, vest en tas nu deze goederen gebruikt zijn bij het plegen van de overval. Het namaakwapen en de klewang worden onttrokken aan het verkeer nu het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet. De rechtbank zal de goederen voornoemd hieronder nader specificeren.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 14a,14b,14c, 14d, 27, 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 47, 57, 310, 311, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

diefstal door twee of meer verenigde personen, vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan de andere deelnemer aan het misdrijf de vlucht mogelijk te maken

en

medeplegen van afpersing.

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;

* bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

* stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de reclassering, ook indien dit inhoudt dat verdachte deelneemt aan een gedragsinterventie, te weten cognitieve vaardigheidstraining, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt;

* beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

* beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: een Taurus Pt99af imitatievuurwapen en een klewang;

* verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: een groene muts, een muts van het merk Dickies, een zwarte pet, een camouflage pet, een zwarte skibril, een blauw vest van het merk Chief en een tas;

* gelast de teruggave van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen aan veroordeelde, te weten: een telefoon van het merk Lg Viewty, een Vodafone simkaart, een paar Nike Air Max en een rode auto van het merk BMW 3-serie met kenteken [kenteken];

* gelast de teruggave van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven geld aan de rechthebbende, te weten: een bedrag van € 115,- (honderd en vijftien euro);

* verklaart de benadeelde partij [slachtoffer B], [adres] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Aldus gewezen door mrs. Van der Mei, voorzitter, Heenk en Troost, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Banga, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 juli 2011.

De voorzitter en mr. Heenk zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer PL0620 2011036789-48, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Apeldoorn, gesloten en ondertekend op 26 april 2011.

2. Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 29 juni 2011.

3 Aangifte [slachtoffer A], doorgenummerd dossierpagina 96-99.

4 Verklaring [slachtoffer B], doorgenummerd dossierpagina 102-104.

5 Aangifte [slachtoffer C], doorgenummerd dossierpagina 106-109.

6 Aangifte [slachtoffer E], doorgenummerd dossierpagina 111-115.

7 Aangifte [slachtoffer D], doorgenummerd dossierpagina 117-120.

8 Proces-verbaal WWM, doorgenummerd dossierpagina 230.

9 Aangifte [slachtoffer A], doorgenummerd dossierpagina 97 en de verklaring van [slachtoffer B], doorgenummerd dossierpagina 103.