Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BQ9135

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
20-06-2011
Datum publicatie
23-06-2011
Zaaknummer
06/865053-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen vrijstelling op grond van artikel 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet 1969, verdachte veroordeeld tot een geldboete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Kantonrechter

Parketnummer: 06/865053-11

Uitspraak d.d. 20 juni 2011

Tegenspraak / dip

Gemachtigde: Drs. P.J. van Zuidam

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats op 1960],

wonende te [plaats, adres].

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van de in het openbaar gehouden onderzoek op de terechtzitting van 6 juni 2011.

De tenlastelegging

Aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 01 augustus 2010 tot en met 02 november 2010 in de

gemeente Apeldoorn, terwijl zij (telkens) het gezag uitoefende over de jongere

[dochter verdachte], geboren op [1995], althans terwijl zij zich (telkens)

met de feitelijke verzorging van die jongere had belast, (telkens) niet heeft

voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de

Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere, als leerling van een

school, was ingeschreven;

art 2 lid 1 Leerplichtwet 1969

2.

zij op of omstreeks 03 november 2010 tot en met 15 februari 2011 in de

gemeente Montferland, terwijl zij (telkens) het gezag uitoefende over de

jongere [dochter verdachte], geboren op [1995], althans terwijl zij zich

(telkens) met de feitelijke verzorging van die jongere had belast, (telkens)

niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de

Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere, als leerling van een

school, was ingeschreven;

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

A. Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

B. Standpunt van de verdachte

Door en namens verdachte is vrijspraak bepleit van het haar tenlastegelegde. Verdachte betoogt strijdigheid tussen artikel 8 lid 2 Leerplichtwet en het ouderrecht in artikel 9 en P1-2 EVRM in samenhang met artikel 14 EVRM, om een in de loop van de tijd ontwikkelde levensovertuiging te uiten in de onderwijskeuze voor haar dochter. Artikel 8 Leerplichtwet 1969 is in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Verdachte heeft overwegende bedenkingen tegen de richting van het onderwijs op bijna alle binnen redelijke afstand van de woning gelegen scholen. Verdachte heeft geen overwegende bedenkingen tegen de school [school A]. Haar dochter liep bij die school tegen problemen aan met betrekking tot haar hoogsensiviteit en de financiële regeling waarmee het schoolgeld werd voldaan was niet meer vol te houden. Daarom kan zij ook niet meer naar die school.

C. Beoordeling door de kantonrechter1

Vaststaande feiten:

De dochter van verdachte, [dochter verdachte], heeft in het jaar voorafgaande aan het beroep op vrijstelling onderwijs gevolgd bij [school B te plaats] en zij heeft vervolgens bij [school A in plaats] (vanaf 12 oktober 2009) ingeschreven gestaan en onderwijs gevolgd.2

Bij brief van 22 juni 2010 heeft verdachte onder verwijzing naar artikel 5 sub b van de Leerplichtwet de gemeente Apeldoorn in kennis gesteld van het feit dat zij voor [dochter verdachte] aanspraak maakt op vrijstelling van de verplichting tot inschrijving van [dochter verdachte] als leerling op een school onderscheidenlijk een instelling. In de brief verklaart verdachte dat tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van hun woning gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop [dochter verdachte] geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen bestaan.3

Op een telefonische uitnodiging van de gemeente Apeldoorn voor een gesprek op 13 juli 2010 is verdachte zonder tegenbericht niet verschenen.

Bij brief van 19 augustus 2010 heeft verdachte aan de leerplichtambtenaar van de gemeente Apeldoorn laten weten dat zijn het afgelopen schooljaar de sjamanistische levensovertuiging heeft aangenomen, dat zij wil dat haar dochter (school)onderwijs krijgt dat deze levensovertuiging uitdraagt of tenminste bevordert alsmede dat zij in Apeldoorn en omgeving geen school heeft gevonden die haar levensovertuiging uitdraagt of bevordert.4

Op 4 november 2010 is moeder met haar dochter vertrokken naar de gemeente Montferland waar zij ook ingeschreven staan.5

Op 17 januari 2011 heeft verdachte in een antwoordformulier aan de gemeente Montferland laten weten dat [dochter verdachte] thuisonderwijs volgde.6

In een brief van 8 februari 2011 heeft verdachte per brief aan mevrouw Lenting, leerplichtambtenaar, meegedeeld dat niet haar dochter maar verdachte de verantwoordelijkheid draagt voor het feit dat haar dochter geen school bezoekt. Zij wil dat haar dochter (school)onderwijs krijgt die deze levensovertuiging bevordert. Er zijn geen reguliere scholen die deze levensovertuiging hebben. Dat is alleen mogelijk middels thuisonderwijs.7

Op 21 februari 2011 heeft leerplichtambtenaar mevrouw Jurriëns van de gemeente Apeldoorn bij proces-verbaal vermeld dat de dochter van verdachte, [dochter verdachte] gedurende de periode van 1 augustus 2010 tot en met heden niet ingeschreven heeft gestaan op een school/onderwijsinstelling. Voor genoemde leerplichtige minderjarige leerling waren geen vrijstellingsgronden aanwezig.8

Op 15 februari 2011 heeft leerplichtambtenaar M.M. Lenting- van Londen van de gemeente Montferland bij proces-verbaal vermeld dat in een schrijven aan verdachte is verzocht, aan te geven waar haar dochter op school was ingeschreven. Verdachte heeft hierop aangegeven dat haar dochter vanaf mei 2010 thuisonderwijs volgt. Verdachte heeft in de gemeente Montferland geen verzoek om vrijstelling gedaan en haar dochter heeft geen vrijstelling van de gemeente Montferland.

Naar aanleiding van een telefonisch gesprek waarin verbalisant aan verdachte heeft gevraagd welke organisatie haar dochter onderwijs geeft draaide verdachte daar telkens omheen, waarop ze op het laatst zei dat haar dochter in staat was om haarzelf onderwijs te geven.9

De kantonrechter grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De overweging

Tijdens de zitting heeft verdachte een lijst overgelegd van scholen binnen redelijke afstand waarop [dochter verdachte] geplaatst had kunnen worden als daartegen geen richtingbedenkingen bestonden. In deze lijst is [school A] doorgehaald. Desgevraagd heeft zij verklaard dat tegen de richting van deze school bij haar weliswaar enkele, maar geen overwegende, bedenkingen bestaan en voorts dat deze school zich binnen redelijke afstand van haar woning/verblijfsadres bevindt. Van de zijde van de school bestaan er volgens verdachte geen belemmeringen om [dochter verdachte] daar onderwijs te laten volgen.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat [dochter verdachte] niet meer naar [school A] terug kan keren vanwege problemen die zij daar heeft gehad in verband met haar hoge sensiviteit en vanwege de hoge kosten die het onderwijs aan die school met zich mee brengt. Voor het volgend jaar zal [dochter verdachte] worden ingeschreven voor een MBO dansopleiding bij het [naam te plaats]. Deze school draagt de levensovertuiging van verdachte niet uit, noch bevordert deze.

Uit het voorgaande blijkt dat bij verdachte in elk geval tegen de richting van één van de binnen redelijke afstand van haar woning/verblijfsadres gelegen scholen, te weten [school A], geen overwegende bezwaren bestaan. De overige door verdachte aangevoerde bezwaren tegen schoolgang aldaar betreffen niet de richting van het onderwijs. Aan verdachte komt dan ook geen rechtsgeldig beroep toe op de vrijstelling van artikel 5 aanhef en sub b van de Leerplichtwet 1969. Verdachte had [dochter verdachte] voor het schooljaar 2010-2011 als leerling dienen in te schrijven bij een school. Door dat na te laten heeft zij gehandeld in strijd met de verplichting die zij op grond van het bepaalde in artikel 2 lid 1 van de Leerplichtwet 1969 als gezagsdrager en feitelijk verzorger van [dochter verdachte] had.

Gelet op vorenstaande behoeven de overige gevoerde verweren thans geen bespreking meer.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de kantonrechter is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

zij op 01 augustus 2010 tot en met 02 november 2010 in de

gemeente Apeldoorn, terwijl zij (telkens) het gezag uitoefende over de jongere

[dochter verdachte], geboren op [1995], (telkens) niet heeft

voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de

Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere, als leerling van een

school, was ingeschreven;

2.

zij op 03 november 2010 tot en met 15 februari 2011 in de

gemeente Montferland, terwijl zij (telkens) het gezag uitoefende over de

jongere [dochter verdachte], geboren op [1995], (telkens) niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere, als leerling van een school, was ingeschreven;

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel

van de kantonrechter niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de overtreding:

Feit 1:

Als degene die het gezag over een jongere uitoefent, de in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 opgelegde verplichtingen niet nakomen, meermalen gepleegd.

Feit 2:

De voortgezette handeling van als degene die het gezag over een jongere uitoefent, de in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 opgelegde verplichtingen niet nakomen, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Voor zover in het beroep van de moeder op de verhindering van [dochter verdachte] om onderwijs te (blijven) volgen vanwege haar hoge sensitiviteit en verdachtes gebrek aan financiële mogelijkheden om de kosten van het onderwijs van [school A] te betalen een beroep op overmacht moet worden gelezen, gaat dat beroep reeds niet op vanwege het feit dat deze stellingen door verdachte niet nader zijn onderbouwd.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft voor het eerste feit een geldboete van € 200,-- en voor het tweede feit een geldboete van € 200,-- gevorderd.

De kantonrechter houdt bij het bepalen van de aard en hoogte van de straf rekening met de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten overweegt de kantonrechter dat de Leerplichtwet 1969 het wettelijke kader biedt om te garanderen dat kinderen het onderwijs genieten waar zij recht op hebben.

De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikel 24, 24c, 56 en 91 Wetboek van Strafrecht

en op de artikelen 2 en 26 van de Leerplichtwet 1969.

Beslissing

De kantonrechter beslist als volgt:

* verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit als:

feit 1:

Als degene die het gezag over een jongere uitoefent, de in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 opgelegde verplichtingen niet nakomen, meermalen gepleegd.

feit 2:

Voortgezette handeling van, als degene die het gezag over een jongere uitoefent, de in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 opgelegde verplichtingen niet nakomen, meermalen gepleegd.

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 250,-- (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 5 dagen;

Aldus gewezen door mr. Weijers- van der Marck, kantonrechter, in tegenwoordigheid van Heebink, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 juni 2011.

Voetnoten:

1 Wanneer hierna wordt verwezen wordt naar dossierpagina's betreft dit delen van de in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nr. 018/2011, Regiopolitie Noord en Oost Gelderland, Dienst samenleving, gesloten en ondertekend op 22 februari 2011, en naar delen van de in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nr.2011/02 gemeente Montferland leerplichtambtenaar M.M. Lenting- van Londen.

2 Ambtelijk verslag pag 1.

3 Brief verd. Aan B&W Apeldoorn dd. 22 juni.

4 Bijlage bij pv (LpA gemeente Apeldoorn) brief van verdachte aan Leerplichtambtenaar dd. 19 aug. 2010

5 Bijlage nr. 4 bij proces-verbaal (LpA gemeente Montferland)

6 Bijlage nr. 1 bij proces-verbaal (LpA gemeente Montferland)

7 Bijlage nr. 2 bij proces-verbaal (LpA gemeente Montferland)

8 Stam proces-verbaal (LpA gemeente Apeldoorn) pag. 2

9 Stam proces-verbaal (LpA gemeente Montferland) pag 1