Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BQ8719

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
21-06-2011
Datum publicatie
21-06-2011
Zaaknummer
06/940419-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Minderjarige verdachte, wegens seksueel misbruik van een jongen die de leeftijd van 12 jaren nog niet had bereikt, veroordeeld tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, alsmede gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/940419-10

Uitspraak d.d.: 21 juni 2011

tegenspraak / dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats op 1994],

wonende te [plaats, adres]

Raadsman: mr. P.R. Hogerbrugge, advocaat te Ermelo.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 juni 2011.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij (op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2009 tot en met 15 oktober 2010 te Klarenbeek (gemeente Apeldoorn) en/of te Loenen, in ieder geval in plaatsen in Nederland en/of in (één of meerdere) plaatsen in België, met [slachtoffer], geboortedatum [2002], (ontuchtige) handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer],

te weten

- het brengen van zijn, verdachtes penis in de anus van die [slachtoffer] en/of

- het die [slachtoffer] laten brengen van zijn, [slachtoffer], penis in verdachtes anus en/of

- het door verdachte in zijn mond nemen van de penis van die [slachtoffer] en/of

- het aftrekken van die [slachtoffer] en het zich door die [slachtoffer] laten aftrekken,

terwijl die [slachtoffer] toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt;

art 244 Wetboek van Strafrecht.

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Aanleiding van het onderzoek

Op 18 oktober 2010 heeft [moeder slachtoffer], de moeder van [slachtoffer], aangifte gedaan van seksueel misbruik van haar toentertijd zevenjarige zoon [slachtoffer]. Na gesprekken met [slachtoffer] en verdachte ontstond het beeld dat het seksueel misbruik gedurende langere tijd had plaatsgevonden.

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten. Dit volgt, aldus de officier van justitie, uit de aangifte van [moeder slachtoffer], het proces-verbaal van het studioverhoor van [slachtoffer] (waarvan audiovisuele opnames zijn gemaakt), de bekennende verklaringen van verdachte bij de politie en die ter terechtzitting en de verklaring van de moeder van verdachte, [moeder verdachte].

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft aangevoerd dat er voldoende bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de aangifte van [moeder slachtoffer]2, de bekennende verklaringen van verdachte bij de politie3 en ter terechtzitting en de verklaring van [slachtoffer]4 tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten kan worden gekomen, te weten dat verdachte vanaf 1-6-2009 tot en met 15-10-2010 in België en Klarenbeek met [slachtoffer] ontuchtige handelingen heeft gepleegd die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer].

Gelet op de omstandigheid dat verdachte het aan hem tenlastegelegde feit gaaf en onomwonden heeft erkend, is volstaan met een opgave van bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op tijdstippen in de periode van 1 juni 2009 tot en met 15 oktober 2010 te Klarenbeek (gemeente Apeldoorn) en te Loenen, en in plaatsen in België, met [slachtoffer], geboortedatum [2002], ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te weten

- het brengen van zijn, verdachtes penis in de anus van die [slachtoffer] en

- het die [slachtoffer] laten brengen van zijn, [slachtoffer], penis in verdachtes anus en

- het door verdachte in zijn mond nemen van de penis van die [slachtoffer] en

- het aftrekken van die [slachtoffer] en het zich door die [slachtoffer] laten aftrekken,

terwijl die [slachtoffer] toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Naar de persoon van verdachte is psychologisch en psychiatrisch onderzoek verricht, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van M. van Heteren (gezondheidszorgpsycholoog) van 25 februari 2011 en een rapport van G.C.G.M. Broekman (kinder- en jeugdpsychiater) van 3 februari 2011.

Van Heteren heeft aangegeven dat bij verdachte sprake is van onwil voortkomend uit een gedragsstoornis en van onmacht voortkomend uit ASS. Verdachte is zelf misbruikt en lijkt het zelf doorgemaakte 'verhaald' te hebben op het in zijn omgeving beschikbare jongetje. Onderliggend heeft verdachte last van sterk preoccupatieve gedachten over seks, mede veroorzaakt door PDD-NOS. Daarnaast heeft hij zich op grond van de vroeg ontstane gedragsstoornis aangewend lijdensdruk om te zetten in gedrag. Doordat verdachte al jong uit huis is geplaatst heeft hij een zekere competentie voor 'overleven' ontwikkeld, bestaande uit stiekem gedrag en afspraakjes met zijn slachtoffer en mogelijk ook andere jongeren op het terrein. Van Heteren adviseert verdachte op grond van de op elkaar ingrijpende stoornissen, gecombineerd met de deprivatie van al jong uithuis geplaatst te zijn, als sterk verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Broekman heeft het advies van Van Heteren onderschreven. Hij heeft daarbij nog opgemerkt dat verdachtes impulsiviteit, inhibitieproblemen, gebrekkige empathische vermogens en zijn afstemmingsproblematiek een belangrijke rol hebben gespeeld ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde. Verdachte heeft de gevolgen voor het slachtoffer niet goed kunnen overzien. Dit leidt in samenhang met de gebrekkige en ziekelijke persoonlijkheidsontwikkeling van verdachte tot de conclusie dat verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

Met de conclusie van de psycholoog en de psychiater dat verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit sterk verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd, kan de rechtbank zich verenigen en zij neemt deze conclusie over.

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot oplegging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor de duur van twee jaar. De officier van justitie heeft daarbij aangevoerd dat er maar één passende maatregel is voor het plegen van een dergelijk ernstig delict. Het delict is een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen eist het opleggen van de maatregel, die verder in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte.

De raadsman heeft zich met betrekking tot de straf gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het is van belang dat een setting wordt gevonden die past bij de beperkingen van verdachte.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf of maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van verdachte, zoals van één en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstig zedenmisdrijf, waarbij een jongetje slachtoffer is geworden. Verdachte heeft - ter bevrediging van zijn eigen seksuele behoeftes - inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer [slachtoffer]. Het misbruik is begonnen toen die [slachtoffer] nog slechts zes jaar was. Het is algemeen bekend dat dergelijke (verregaande) seksuele handelingen schadelijke gevolgen voor het slachtoffer kunnen hebben en dat zij de (seksuele) ontwikkeling van het slachtoffer ernstig kunnen verstoren. Het slachtoffer kan hiervan ook op latere leeftijd nog psychische problemen ondervinden.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de op te leggen straf of maatregel ermee rekening gehouden dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest en dat hij nog een langdurige behandeling dient te ondergaan, aan welke behandeling de rechtbank grote waarde hecht. Verder is er rekening mee gehouden dat het bewezen verklaarde slechts in sterk verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in aanmerking genomen de inhoud van de over verdachte uitgebrachte rapporten, waaruit het volgende naar voren komt:

De gezondheidszorgpsycholoog5 stelt dat verdachte gebaat is bij een integraal zedenprogramma, wat zich over zowel de 24-uurssituatie als de groep uitstrekt, gecombineerd met individuele therapieën. Verdachte scoort verbaal laag en lijdt aan PDD-NOS, doch onderzoekster neigt ertoe verdachte in een normaal begaafden categoraal zedenprogramma te laten behandelen, bijvoorbeeld in Den Hey-Acker in Breda. Geadviseerd wordt verdachte een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen, omdat alleen in dat kader afdoende maatschappelijke beveiliging kan worden gerealiseerd. Bij het advies is ook gelet op het recidiverisico tegen de achtergrond van de stoornis van verdachte, de gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens en het belang van een gesloten residentiële behandeling.

De kinder- en jeugdpsychiater6 adviseert ook een (onvoorwaardelijke) PIJ-maatregel. De termijn voor de behandeling van verdachtes gebreken bedraagt een jaar, zo niet langer, zeker als het resocialisatieproces erbij betrokken wordt.

De William Schrikker Jeugdreclassering7 conformeert zich aan het advies van het NIFP, met dien verstande dat zij niet uitsluit, gezien verdachtes beperkte intelligentie, dat de PIJ-maatregel ook in een andere instelling dan de geadviseerde Den Hey-Acker ten uitvoer kan worden gelegd.

Ook de Raad voor de Kinderbescherming8 acht intensieve behandeling noodzakelijk, zowel ter voorkoming van verdere scheefgroei in de seksuele ontwikkeling van verdachte als ter beveiliging van de maatschappij. Gezien het profiel van verdachte is een intensieve, langdurige behandeling in het kader van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel in een integraal 24-uurszedenprogramma geïndiceerd.

Met de inhoud van de rapporten en de adviezen kan de rechtbank zich verenigen. Zij zal verdachte de PIJ-maatregel opleggen. De rechtbank gaat er van uit dat de maatregel ten uitvoer zal worden gelegd in een instelling voor licht verstandelijk gehandicapte jongeren, zoals de raadsman ter zitting heeft betoogd en de William Schrikker Jeugdreclassering heeft geadviseerd, zo mogelijk in Den Hey-Acker en anders in een andere instelling die is toegespitst op de behandeling van licht verstandelijk gehandicapte jongeren.

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich via zijn gemachtigde [gemachtigde] met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 3.054,48 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het tenlastegelegde.

De verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht aansprakelijk.

De door de benadeelde partij gevorderde materiële schade is niet betwist en deze ligt dan ook voor toewijzing gereed.

Met betrekking tot de immateriële schade is naar het oordeel van de rechtbank, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en wat verder ter terechtzitting over de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. Vanwege de onzekerheid over de gevolgen van het bewezen verklaarde handelen voor de nog zeer jonge [slachtoffer], zal de rechtbank de immateriële schadevergoeding ten dele, tot een bedrag van € 2.000,--, toewijzen. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering. Zij zal het restant van haar vordering bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 15 oktober 2010.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som gelds ten behoeve van genoemd slachtoffer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77h, 77s en 244 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd

* verklaart verdachte strafbaar;

* legt aan veroordeelde op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;

* veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], [plaats, adres], [rekeningnummer], van een bedrag van € 2.054,48, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 oktober 2010 en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op vandaag begroot op nihil;

* legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 2.054,48 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 oktober 2010, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 30 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

* verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

* heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis;

Aldus gewezen door mrs. Prisse, voorzitter, tevens kinderrechter, Van Lookeren Campagne en Ouweneel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Oosting, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 juni 2011.

Voetnoten:

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, genummerd PL0620 2010153126-10, gesloten en getekend op 1 november 2010, door [brigadier], brigadier van politie en [hoofdagent], hoofdagent van politie.

2 Proces-verbaal van aangifte [moeder slachtoffer], p. 18-26

3 Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 107-115

4 Proces-verbaal studioverhoor [slachtoffer], p. 32-70

5 Pro Justitia psychologisch rapport, gedateerd 25 februari 2011, van M. van Heteren, gezondheidszorgpsycholoog.

6 Pro Justitia psychiatrisch rapport, gedateerd 3 februari 2011, van G.C.G.M. Broekman, kinder- en jeugdpsychiater.

7 Plan van aanpak, William Schrikker Jeugdreclassering, van 18 mei 2011.

8 Advies van de Raad voor de Kinderbescherming van 31 mei 2011.