Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BQ8711

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
21-06-2011
Datum publicatie
21-06-2011
Zaaknummer
06/940177-10, 06/940377-10 en 06/820708-09 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld voor meerdere feiten, waaronder een poging tot straatroof op de openbare weg en mishandelingen. Hij is veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk. De vordering TUL wordt afgewezen. Verdachte moet één van de slachtoffers € 1.086,51 betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummers: 06/940177-10, 06/940377-10 en 06/820708-09 (tul)

Uitspraak d.d. 21 juni 2011

Tegenspraak / dip / oip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats op 1991],

wonende te [plaats]

thans verblijvende in PI Arnhem - De Berg, Arnhem Noord te Arnhem.

Raadsman: mr. drs. J.W. Schouten, advocaat te Arnhem.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

7 juni 2011.

Voeging meerdere dagvaardingen

Ter terechtzitting heeft de rechtbank in het belang van het onderzoek de voeging bevolen van de bij afzonderlijke dagvaardingen onder de parketnummers 06/940177-10 en 06/940377-10 tegen verdachte aangebrachte zaken.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Inzake parketnummer 06/940177-10

1.

hij op of omstreeks 12 mei 2010 te Doetinchem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om op of aan de openbare weg, de Oude IJsselbrug en/of de Gaswal en/of de Kapoeniestraat, in elk geval een openbare weg, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer A] te dwingen tot de afgifte van een mobiele telefoon, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan supermarkt [slachtoffer A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, bestaande dat geweld en/of die bedreiging met geweld hierin/-uit, dat verdachte:

-die [slachtoffer A] is gevolgd, en/of

-die [slachtoffer A] tegen de reling van een brug heeft geduwd, en/of

-(met kracht) een mes op de keel/hals van die [slachtoffer A] heeft gezet en/of gezet gehouden;

-een of meermalen een steekbeweging heeft gemaakt in de richting van de buik/zij, in elk geval het lichaam, van die [slachtoffer A], en/of

-daarbij een of meermalen tegen die [slachtoffer A] heeft gezegd: "geef mij je mobiel", althans woorden van gelijke strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 12 mei 2010 te Doetinchem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om op of aan de openbare weg, de Oude IJsselbrug en/of de Gaswal en/of de Kapoeniestraat, in elk geval een openbare weg, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een mobiele telefoon, althans een goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, terwijl de welke poging tot diefstal werd vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer A] en/of (een) ander(en), gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat verdachte:

-die [slachtoffer A] is gevolgd, en/of

-die [slachtoffer A] tegen de reling van een brug heeft geduwd, en/of

-(met kracht) een mes op de keel/hals van die [slachtoffer A] heeft gezet en/of gezet gehouden;

-een of meermalen een steekbeweging heeft gemaakt in de richting van de buik/zij, in elk geval het lichaam, van die [slachtoffer A], en/of

-daarbij een of meermalen tegen die [slachtoffer A] heeft gezegd: "geef mij je mobiel", althans woorden van gelijke strekking, uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in de periode 26 maart 2010 tot en met 9 april 2010 te Doetinchem, opzettelijk mishandelend een persoon genaamd [slachtoffer B]

-van een bank heeft getrokken, tengevolge waarvan deze [slachtoffer B] ten val is gekomen, en/of

-een of meermalen in/tegen het gezicht, althans het lichaam, heeft geslagen, en/of

-bij de nek, althans het hoofd, heeft gepakt en ten val gebracht, althans opzettelijk met die [slachtoffer B] ten val is gekomen,

waardoor deze [slachtoffer B] (telkens) letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Inzake parketnummer 06/940377-10

1.

hij op of omstreeks 19 september 2010 te Silvolde, gemeente Oude IJsselstreek, met een ander of anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten in een tent (op een kermis-/feestterrein), openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer C], welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal, slaan en/of stompen op/tegen de kaak en/of elders op/tegen het gezicht/hoofd van die [slachtoffer C];

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 19 september 2010 te Silvolde, gemeente Oude IJsselstreek, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend [slachtoffer C], meermalen, althans eenmaal, op/tegen de kaak en/of elders op/tegen het gezicht/hoofd heeft gestompt en/of geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer C] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de nacht van 18 september 2010 op 19 september 2010 te Silvolde, gemeente Oude IJsselstreek, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend [slachtoffer D] (met kracht en/of met gebalde vuist) in/tegen diens gezicht/hoofd heeft geslagen/gestompt, waardoor voornoemde [slachtoffer D] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 01 januari 2011 in de gemeente Doetinchem wederrechtelijk heeft vertoefd in (een) besloten lokaal, gelegen aan de [adres] en in gebruik bij [horecagelegenheid], althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, welke wederrechtelijkheid hieruit bestond dat hem, verdachte, op 17 april 2010 (schriftelijk) middels een horecaverbod de toegang (onder meer) tot voornoemd lokaal voor één jaar is ontzegd;

(parketnummer 06.850103/11)

art 138 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 1 januari 2011 te Wehl, gemeente Doetinchem, toen (een) aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtena(a)r(en) [brigadier], brigadier Team Doetinchem en/of [inspecteur], inspecteur Team Doeticnhem verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van één of meer op heterdaad ontdekt(e) strafba(a)r(e) feit(en) had(den) aangehouden en had(den) vastgegrepen, althans vast had(den) teneinde verdachte, ter geleiding voor een hulpofficier van justitie, over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen die eerstgenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun/zijn bediening, heeft verzet door te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die, waarin die ambtena(a)r(en) verdachte trachtte(n) te geleiden;

(parketnummer 06.850103/11)

art 180 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 14 februari 2011 in de gemeente Doetinchem opzettelijk mishandelend [slachtoffer E] (met) een waxinelichtje, althans een hard voorwerp tegen het hoofd heeft gegooid en/of geslagen, waardoor deze [slachtoffer E] letsel (bloedende wond bij/boven wenkbrauw) heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(parketnummer 06.850180/11; incident 1, pag. 20)

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

6.

hij op of omstreeks 14 februari 2011 in de gemeente Doetinchem opzettelijk en wederrechtelijk

- een fiets, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer F], in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of

onbruikbaar gemaakt (incident 2, pag. 44), en/of

- een (dames)fiets (merk Gazelle), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer G], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of

beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt (incident 2, pag. 44), en/of

- een of meer raamkozijn(en) en/of een deurkozijn en/of een bloembak (met boompje), in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer E] en/of [café A],

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of

onbruikbaar gemaakt (incident 1, pag. 20)

(parketnummer 06.850180/11)

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

7.

hij op of omstreeks 14 februari 2011 in de gemeente Doetinchem wederrechtelijk heeft vertoefd in (een) besloten lokaal, gelegen aan de [adres] en in gebruik bij [café A] en/of [slachtoffer E], althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, welke wederrechtelijkheid hieruit bestond dat hem, verdachte, op 15 januari 2011 (schriftelijk) middels een horecaverbod de toegang (onder meer) tot voornoemd lokaal voor één jaar is

ontzegd; (parketnummer 06.850180/11; incident 4, pag. 74)

art 138 lid 1 Wetboek van Strafrecht.

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Ten aanzien van parketnummer 06/940177-101

Feit 1

Aanleiding van het onderzoek

Op 12 mei 2010 omstreeks 01.50 uur kreeg de politie een melding dat verdachte vanaf zijn woonadres was vertrokken met de mededeling dat hij met behulp van een mes iemand zou gaan beroven. Een agent trof enige tijd later verdachte aan. Vlak daarna kwam de melding dat iemand met een mes was bedreigd en dat de dader had geprobeerd het slachtoffer een mobiele telefoon afhandig te maken. Het signalement kwam overeen met het signalement van verdachte. Hierop werd verdachte aangehouden.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder feit 1 primair tenlastegelegde poging tot afpersing wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en baseert zich hierbij op de redengevende feiten en omstandigheden die zijn ontleend aan de volgende bewijsmiddelen:

- de aangifte van [slachtoffer A]2;

- de verklaring van [getuige A]3;

- de verklaring van [getuige B]4;

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting.

Feit 2

Aanleiding van het onderzoek

Op 9 april 2010, omstreeks 23.45 uur, kreeg de politie een melding van huiselijk geweld op het adres [adres te plaats]. Ter plaatse werden [slachtoffer B] en verdachte aangetroffen.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder feit 2 tenlastegelegde mishandeling wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, met dien verstande dat verdachte van het 3e gedachtestreepje dient te worden vrijgesproken.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en baseert zich hierbij op de redengevende feiten en omstandigheden die zijn ontleend aan de volgende bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen5;

- de verklaring van getuige [slachtoffer B]6;

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting (met uitzondering van het 3e gedachtestreepje).

De rechtbank is op grond van voormelde bewijsmiddelen van oordeel dat de onder 2 ten laste gelegde mishandeling kan worden bewezen verklaard met dien verstande dat verdachte van het onder 3e gedachtestreepje ten laste gelegde, te weten "bij de nek, althans het hoofd, heeft gepakt en ten val gebracht, althans opzettelijk met die [slachtoffer B] ten val is gekomen" dient te worden vrijgesproken. De rechtbank heeft namelijk niet de overtuiging gekregen dat verdachte ook dit onderdeel van het tenlastegelegde heeft gepleegd, nu hij dit ten stelligste heeft ontkend en daartegenover alleen de verklaring van aangeefster staat.

Ten aanzien van parketnummer 06/940377-10

Feiten 1 en 27

Aanleiding van het onderzoek

Op 19 september 2010 hebben [slachtoffer C] en [slachtoffer D] zich bij de politie gemeld omdat zij ieder afzonderlijk aangifte wilden doen van mishandeling door verdachte tijdens hun bezoek aan de kermis in Silvolde.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte van de onder 1 primair ten laste gelegde openlijke geweldpleging dient te worden vrijgesproken nu in het dossier geen bewijs voorhanden is dat verdachte met een ander openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer C]. De officier van justitie acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 subsidiair ten laste gelegde mishandeling van aangever [slachtoffer C] heeft gepleegd. Van medeplegen dient verdachte te worden vrijgesproken nu geen bewijs is voor het in vereniging plegen.

De officier van justitie heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de onder 2 ten laste gelegde mishandeling wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 primair ten laste gelegde openlijke geweldpleging. De raadsman heeft daartoe verwezen naar de verklaringen van aangever [slachtoffer C] op pagina 136 en van de getuige [getuige 1] op pagina 141 van het dossier, waaruit blijkt dat er geen tweede persoon openlijk geweld heeft gepleegd.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde medeplegen van mishandeling heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het medeplegen, nu de getuigen [getuige D] en [getuige E] onvoldoende hebben gezien wat er is gebeurd.

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde.

Feiten 3 en 48

Aanleiding van het onderzoek

Op 1 januari 2011 te 03.30 uur kreeg de surveillance-eenheid van het team Doetinchem de opdracht om naar de [horecagelegenheid te plaats] te gaan. Aldaar werden de verbalisanten geïnformeerd door de hoofdportier die vertelde dat verdachte zich in de horecagelegenheid bevond en dat hij onder invloed van alcohol meerdere bezoekers mishandeld zou hebben. Het was de verbalisanten ambtshalve bekend dat verdachte een horecaverbod had tot 17 april 2011, geldende voor de gehele gemeente Doetinchem. Hierop is verdachte aangehouden.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 3 en 4 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Feiten 5, 6 en 79

Aanleiding van het onderzoek

Op 14 februari 2011, omstreeks 00.47 uur, kreeg de politie Doetinchem de melding dat er gevochten werd en spullen werden vernield aan de Grutstraat te Doetinchem ter hoogte van [café A]. Ter plaatse werd op aanwijzing van [slachtoffer E] verdachte aangehouden. Diezelfde dag hebben [slachtoffer E] en [slachtoffer F] aangifte tegen verdachte gedaan. Op 21 februari 2011 heeft [slachtoffer G] aangifte tegen verdachte gedaan.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 5, 6 en 7 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1

De rechtbank is van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 primair tenlastegelegde openlijke geweldpleging tegen personen. Op grond van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen kan niet worden vastgesteld dat verdachte met een ander of anderen geweld tegen aangever [slachtoffer C] heeft gebruikt. Verdachte zal reeds daarom van het onder 1 primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

De rechtbank is wel van oordeel dat verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan (de mishandeling) en baseert zich hierbij op de redengevende feiten en omstandigheden die zijn ontleend aan de volgende bewijsmiddelen:

- de aangifte van [slachtoffer C]10;

- de verklaring van getuige [slachtoffer C]11;

- de verklaring van getuige [getuige D]12;

- de verklaring van getuige [getuige E]13;

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting.

Gelet op het hiervoor overwogene kan echter niet worden bewezen verklaard dat er sprake is van medeplegen. Verdachte zal daarom van het onderdeel medeplegen worden vrijgesproken.

Feit 2

De rechtbank is van oordeel dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en baseert zich hierbij op de redengevende feiten en omstandigheden die zijn ontleend aan de volgende bewijsmiddelen:

- de aangifte van [slachtoffer D]14;

- de verklaring van getuige [getuige F]15;

- de verklaring van getuige [getuige D]16;

- de verklaring van getuige [getuige G]17;

- de verklaring van getuige [getuige H]18

- de bekennende verklaring van verdachte bij de politie19, welke hij ter terechtzitting heeft

bevestigd.

Feit 3

Uit de schriftelijke ontzegging horeca Doetinchem blijkt dat verdachte een ontzegging heeft voor alle in de gemeente Doetinchem deelnemende horeca-inrichtingen voor de periode van 17 april 2010 tot en met 17 april 2011.20

In het proces-verbaal van bevindingen21 is gerelateerd dat verbalisanten op 1 januari 2011 omstreeks 03.30 uur bij horecagelegenheid [horecagelegenheid], gelegen aan de [adres] te Wehl, gemeente Doetinchem waren. Het was de verbalisanten ambtshalve bekend dat verdachte een horecaverbod had tot 17 april 2011. Horecagelegenheid [horecagelegenheid] is aangesloten bij het horecaconvenant van de gemeente Doetinchem. Horecagelegenheid [horecagelegenheid] heeft naast de toegangsdeur een sticker geplakt waarop duidelijk zichtbaar is dat [horecagelegenheid] is aangesloten bij het Horecaconvenant Doetinchem. Verbalisant is naar verdachte gelopen.22 Verbalisant hoorde dat verdachte naar een van de portiers van [horecagelegenheid] keek en zei: "ben ik toch mooi binnen gekomen he? Jullie hebben me mooi niet gezien toen ik naar binnen kwam" en dat verdachte zei dat hij wel wist dat hij een horecaverbod had.23

Verdachte heeft op 1 januari 2011 bij de politie verklaard dat hij die nacht in de horecagelegenheid [horecagelegenheid] in Wehl is geweest. Hij heeft verklaard dat hij wist dat hij een horecaverbod voor de gemeente Doetinchem had.24

De rechtbank is op grond van de voormelde bewijsmiddelen van oordeel dat verdachte de onder feit 3 ten laste gelegde lokaalvredebreuk heeft begaan. De verklaring van verdachte dat hij niet wist dat Wehl onder de gemeente Doetinchem valt en dat hij niet wist dat [horecagelegenheid] is aangesloten bij het horecaconvenant brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Daargelaten dat de rechtbank deze verklaring van verdachte niet aannemelijk acht gezien de hiervoor door verbalisant aangehaalde uitlatingen van verdachte, had verdachte - minstgenomen door middel van algemene kennis - bekend kunnen zijn dat Wehl onder de gemeente Doetinchem valt en voorts dat [horecagelegenheid] onder het bereik van de ontzegging viel, onder meer gelet op de inhoud en strekking van de ontzegging en de aanwezigheid van de bewuste sticker op de deur van [horecagelegenheid].

Feit 4

De rechtbank is van oordeel dat verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan en baseert zich hierbij op de redengevende feiten en omstandigheden die zijn ontleend aan de volgende bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen25;

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting.

Feit 5

Aangever [slachtoffer E] heeft op 14 februari 2011 aangifte tegen verdachte gedaan. Aangever heeft verklaard dat hij eigenaar is van het [café A] aan de [adres te plaats]. Op 14 februari 2011 omstreeks 00.30 uur kwamen twee mannen het café binnen. Hij zag dat man 1 op een gegeven moment een waxinelichthouder pakte. Hij zag en voelde dat de man hem met de waxinelichthouder met kracht tegen zijn gezicht sloeg. Aangever voelde een stekende pijn boven zijn linker wenkbrauw en hij zag dat er bloed over zijn gezicht stroomde. Het bloedde behoorlijk.26

Verbalisant zag bij aangever hechtingen boven zijn linker wenkbrauw.27

Aangever heeft bij een spiegelconfrontatie verdachte herkend.28

Getuige [getuige I] heeft op 14 februari 2011 bij de politie verklaard dat hij op 14 februari 2011 omstreeks 00.30 uur als gast in [café A] te Doetinchem was. Hij zag dat twee jongens binnenkwamen.29 Hij zag dat één jongen een waxinelichthouder van de bar pakte en deze met kracht tegen het hoofd van de eigenaar [café A] van [slachtoffer E] sloeg. Hij zag vervolgens dat [café A] bloedde in zijn gezicht. Hij zag dat de wenkbrauw van [café A] gespleten was en bloedde.30

Getuige [slachtoffer F] heeft op 14 februari 2011 bij de politie verklaard dat zij op 14 februari 2011 omstreeks 00.30 uur in [café A] in Doetinchem was. Zij zag dat een jongen van de bar sprong en "[café A]", de eigenaar, aanvloog. Zij zag dat de jongen een waxinelichtjeshouder van glas vastpakte. Zij zag dat [café A] werd geraakt door de waxinelichtjeshouder met daarin het brandende waxinelichtje. Zij zag dat [café A] in zijn gezicht werd geraakt en een hele glip boven zijn oog had.31

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zijn vriend, met wie hij die avond in [café A] in Doetinchem was, hem nadien heeft verteld wat hij, verdachte, in het café heeft gedaan en dat dit klopt met de hem voorgehouden verklaringen.

De rechtbank is op grond van de voormelde bewijsmiddelen van oordeel dat verdachte de onder feit 5 tenlastegelegde mishandeling heeft begaan.

Feit 6

Aangeefster [slachtoffer F] heeft op 14 februari 2011 bij de politie verklaard dat zij tussen 01.00 uur en 02.00 uur in café [adres te plaats] was. Haar fiets stond op slot voor het café. De fiets stond naast die van haar man. De man die uit het café was gezet begon met fietsen te gooien.32 Deze fietsen gooide hij tegen de pui van het café. Hij gooide ook een bloempot tegen de pui. Toen aangeefster later met haar fiets naar huis wilde gaan zag zij dat het achterwiel geheel ontzet was. Zij kon niet meer op de fiets rijden. Ook het stuur stond scheef. Het achterwiel moest worden vernieuwd.33

Aangeefster [slachtoffer G] heeft op 21 februari 2011 bij de politie verklaard dat zij op 13 februari 2011 omstreeks 21.30 uur in [café A] aan [adres te plaats] was. Omstreeks 00.15 uur kwamen twee jongens het café binnen.34 Op een gegeven moment waren de jongens weer buiten het café en liepen zij weer naar het café toe. Zij zag dat de grote jongen haar Gazelle damesfiets oppakte en richting de pui gooide. Zij zag dat hij meerdere keren de fiets boven zijn hoofd tilde en omhoog gooide tegen de ramen van [café A]. De grote jongen deed daarna hetzelfde met de fiets van aangeefster [slachtoffer F]. Zij zag ook dat de grote jongen de plantenbak optilde en tegen de pui aan gooide. Zij hoorde dat deze tegen de deurpost aankwam. Later heeft aangeefster gezien dat de standaard van de fiets eraf hing, het fietsmandje was afgebroken, het pinnetje van de handversnelling eraf was en de lak van de fiets was beschadigd.35

Aangever [slachtoffer E] heeft op 14 februari 2011 bij de politie verklaard dat hij eigenaar is van [café A] aan [adres te plaats]. Op 14 februari 2011 omstreeks 00.30 uur kwamen twee jonge mannen binnen. Op een gegeven moment waren de twee mannen weer buiten en stonden zij weer voor het café. Man 1 pakte een fiets die voor het café stond. Hij zag dat deze man deze fiets tegen de voorgevel van het café aan gooide. Ditzelfde deed hij met nog vier andere fietsen. De fietsen kwamen ook tegen de ramen aan. De kozijnen van de ruiten werden beschadigd en ook een bloembak.36

Aangever [slachtoffer E] heeft bij een spiegelconfrontatie verdachte herkend.37

Getuige [getuige J] heeft op 14 februari 2010 bij de politie verklaard dat hij op 14 februari 2011 vanaf 00.00 uur in [café B] in Doetinchem was. Dit café ligt tegenover [café A].38 Hij zag dat een onbekende jongen voor het [café A] stond en een fiets voor zich neergooide. De jongen stond ongeveer twee à drie meter van het café. De getuige zag dat de fiets tegen een rode bloembak werd gegooid.39

Getuige [getuige K] heeft op 19 februari 2011 bij de politie verklaard dat hij op 14 februari 2011 om 00.00 uur naar [café B] in Doetinchem is gegaan. Op een gegeven moment zag hij dat man 1 buiten voor het [café A] stond. Hij zag dat de man een bruin/rode ronde bloempot in zijn handen had en deze in de richting van de voordeur van [café A] gooide. De man pakte de pot nog een keer op en gooide deze weer tegen de voordeur van het [café A] gooide. In totaal heeft de man de pot wel drie keer opgepakt en voor zich neer gegooid. De voordeur werd ook een keer geraakt. De man heeft de pot ook een keer tegen de ruit in de voordeur gegooid. De pot was op een gegeven moment kapot. Even later pakte man 1 een fiets die naast het pand van [café A] stond. Man 1 gooide de fiets tegen de voorgevel van [café A]. Man 1 pakte weer een nieuwe fiets en deed weer hetzelfde.40

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zijn vriend, met wie hij die avond in [café A] in Doetinchem was, hem nadien heeft verteld wat hij, verdachte, in en buiten het café heeft gedaan en dat dit klopt met de hem voorgehouden verklaringen.

De rechtbank is op grond van de voormelde bewijsmiddelen van oordeel dat verdachte het onder feit 6 ten laste gelegde heeft begaan.

Feit 7

De rechtbank is van oordeel dat verdachte het onder 7 ten laste gelegde heeft begaan en baseert zich hierbij op de redengevende feiten en omstandigheden die zijn ontleend aan de volgende bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen41;

- de schriftelijke ontzegging horeca Doetinchem42;

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

Inzake parketnummer 06/940177-10

1. primair

hij op 12 mei 2010 te Doetinchem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om op of aan de openbare weg, de Oude IJsselbrug en/of de Gaswal en/of de Kapoeniestraat met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld [slachtoffer A] te dwingen tot de afgifte van een mobiele telefoon toebehorende aan [slachtoffer A] bestaande dat geweld hierin/-uit, dat verdachte:

-die [slachtoffer A] is gevolgd, en

-die [slachtoffer A] tegen de reling van een brug heeft geduwd, en

-(met kracht) een mes op de keel/hals van die [slachtoffer A] heeft gezet en gezet gehouden;

-meermalen een steekbeweging heeft gemaakt in de richting van de buik/zij van die Van

Ommen, en

-daarbij meermalen tegen die [slachtoffer A] heeft gezegd: "geef mij je mobiel", terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 9 april 2010 te Doetinchem, opzettelijk mishandelend een persoon genaamd [slachtoffer B]

-van een bank heeft getrokken, tengevolge waarvan deze [slachtoffer B] ten val is gekomen, en

-in/tegen het gezicht heeft geslagen, waardoor deze [slachtoffer B] (telkens) letsel heeft bekomen en

pijn heeft ondervonden;

Inzake parketnummer 06/940377-10

1. subsidiair

hij op 19 september 2010 te Silvolde, gemeente Oude IJsselstreek, opzettelijk mishandelend [slachtoffer C], eenmaal op/tegen het gezicht/hoofd heeft gestompt en/of geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer C] pijn heeft ondervonden;

2.

hij de nacht van 18 september 2010 op 19 september 2010 te Silvolde, gemeente Oude IJsselstreek, opzettelijk mishandelend [slachtoffer D] (met kracht en/of met gebalde vuist) in diens gezicht heeft geslagen/gestompt, waardoor voornoemde [slachtoffer D] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

3.

hij omstreeks 01 januari 2011 in de gemeente Doetinchem wederrechtelijk heeft vertoefd in (een) besloten lokaal, gelegen aan de [adres] en in gebruik bij [horecagelegenheid], welke wederrechtelijkheid hieruit bestond dat hem, verdachte, op 17 april 2010 (schriftelijk) middels een horecaverbod de toegang (onder meer) tot voornoemd lokaal voor één jaar is ontzegd;

4.

hij op 1 januari 2011 te Wehl, gemeente Doetinchem, toen aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtenaren [brigadier], brigadier Team Doetinchem en [inspecteur], inspecteur Team Doetinchem verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben op heterdaad ontdekte strafbare feiten hadden aangehouden en hadden vastgegrepen, althans vast had(den) teneinde verdachte, ter geleiding voor een hulpofficier van justitie, over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen die eerstgenoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, heeft verzet door te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die, waarin die ambtenaren verdachte trachtten te geleiden;

5.

hij op 14 februari 2011 in de gemeente Doetinchem opzettelijk mishandelend [slachtoffer E] met een waxinelichtje, althans een hard voorwerp tegen het hoofd heeft geslagen, waardoor deze [slachtoffer E] letsel (bloedende wond bij/boven wenkbrauw) heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

6.

hij op 14 februari 2011 in de gemeente Doetinchem opzettelijk en wederrechtelijk

- een fiets toebehorende aan [slachtoffer F] heeft vernield en/of beschadigd en/of

onbruikbaar gemaakt, en

- een damesfiets (merk Gazelle) toebehorende aan [slachtoffer G] heeft vernield en/of

beschadigd, en

- een of meer raamkozijn(en) en/of een deurkozijn en een bloembak (met boompje)

toebehorende aan [slachtoffer E] en/of [café A] heeft vernield en/of beschadigd;

7.

hij omstreeks 14 februari 2011 in de gemeente Doetinchem wederrechtelijk heeft vertoefd in (een) besloten lokaal, gelegen aan de [adres] en in gebruik bij [café A] en/of [slachtoffer E], welke wederrechtelijkheid hieruit bestond dat hem, verdachte, op 15 januari 2011 (schriftelijk) middels een horecaverbod de toegang (onder meer) tot voornoemd lokaal voor één jaar is ontzegd.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

Parketnummer 06/940177-10:

Feit 1 primair: Poging tot afpersing;

Feit 2: Mishandeling;

Parketnummer 06/9410377-10:

Feit 1 subsidiair: Mishandeling;

Feit 2: Mishandeling;

Feit 3: Het wederrechtelijk in een besloten lokaal vertoevende, zich niet op de

vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijderen;

Feit 4: Wederspannigheid;

Feit 5: Mishandeling;

Feit 6: Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een

ander toebehoort, vernielen of beschadigen, meermalen gepleegd;

Feit 7: Het wederrechtelijk in een besloten lokaal vertoevende, zich niet op de

vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijderen.

Strafbaarheid van de verdachte

Met betrekking tot parketnummer 06/940177-10 is omtrent de persoon van verdachte onder meer een psychologisch onderzoek verricht, waarvan de resultaten zijn opgenomen in een Pro Justitia rapport van H.R.J. ter Borg, gezondheidszorgpsycholoog, van 19 november 2010. In dit rapport wordt - onder meer - het volgende geconstateerd:

Er is bij betrokkene sprake van een ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een gedragsstoornis. Daarnaast is sprake van ernstig drugsgebruik. De sociale en emotionele ontwikkeling verlopen vanwege verwaarlozing in de voorgeschiedenis deviant, de gewetensfunctie is nog onrijp, terwijl sprake is van gebrekkige impulsbeheersing bij gemakkelijke beïnvloeding. Er kan worden gesproken van een borderline persoonlijkheidsontwikkeling. De psychische problematiek is ernstig. Tijdens het plegen van het ten laste gelegde was hiervan sprake.

De afgelopen periode van vier jaar kan worden gesproken van een ernstig ontsporende jongere met drank- en drugsafhankelijkheid. Iemand die in toenemende mate "junkgedrag" laat zien en levend in een roes, steeds verder afglijdt. Omdat hij zich niet bewust is van zijn minimale bestaanswijze kon hij zichzelf niet afremmen tijdens de delictpleging. Hij weet echter dat door drugsgebruik hij minder wilskrachtig en zelfkritisch is en het daardoor een drempelverlagend effect heeft op zijn gedrag. Hij was bovendien al eerder duidelijk gewaarschuwd voor geweldsovertredingen. Er is echter een sterk element dat zijn vrije wil negatief heeft beïnvloed en dat is het onvermogen in sociale situaties adequaat te handelen.

Geadviseerd wordt om verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt die tot de hare.

Verdachte is strafbaar, nu ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, met een proeftijd van twee jaren. Bij de strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, de verminderde toerekeningsvatbaarheid, de ernst van de feiten en de justitiële documentatie.

De raadsman heeft bepleit verdachte een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat een voorwaardelijke straf met een proeftijd van twee of drie jaren kan worden opgelegd als stok achter de deur. De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, met name de omstandigheid dat verdachtes moeder is overleden toen hij twaalf jaar oud was en de omstandigheid dat de detentie grote indruk op hem heeft gemaakt. Ten slotte heeft de raadsman betoogd dat verdachte geen klinische behandeling wil ondergaan maar wel een ambulante behandeling zou willen. Van het volgen van deze behandeling gaat in zoverre dwang uit dat bij overtreding van de bijzondere voorwaarden de voorwaardelijke straf alsnog zal moeten worden uitgezeten, aldus de raadsman.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte zich onder meer schuldig heeft gemaakt aan een poging tot straatroof op de openbare weg bij een willekeurig uitgekozen slachtoffer, waarbij verdachte een mes op de keel van het slachtoffer gezet. Met een dergelijk gruwelijk plan heeft verdachte zijn huis verlaten, onder medeneming van een groot mes. De inmiddels gewaarschuwde politie is onmiddellijk naar verdachte gaan uitkijken, maar kon niet voorkomen dat in de korte tijd tussen de melding en het aantreffen van verdachte het feit werd gepleegd.

Verdachte heeft het 17-jarige slachtoffer doodsangsten bezorgd. Het slachtoffer heeft het grote mes vastgepakt om het uit de weg te krijgen; daardoor heeft hij snijwonden aan zijn handen opgelopen. Daarna zag het slachtoffer zich bedreigd door verdachte die met het mes stekende bewegingen maakte. Fors intimiderend geweld om een mobieltje buit te maken.

Het gevoel van veiligheid van het 17-jarige slachtoffer is door verdachtes toedoen in ernstige mate aangetast. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke overvallen veelal langdurige en ernstige psychische gevolgen daarvan ondervinden. Dat de gedragingen voor het slachtoffer nadelige psychische gevolgen heeft gehad en nog altijd heeft, is gebleken uit de schriftelijke verklaring van het slachtoffer. Ook op de ouders van het minderjarige slachtoffer, belast met de zorg en begeleiding van hun kind, heeft het feit een grote impact gehad. Straatroven veroorzaken ook in de maatschappij in het algemeen gevoelens van onrust en onveiligheid.

De verdachte heeft zich laten leiden door zijn zucht naar financieel gewin zonder stil te staan bij de mogelijke ernstige gevolgen van zijn gewapend handelen voor het slachtoffer. Op een dergelijke feit kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Daarnaast heeft verdachte zich onder meer schuldig gemaakt aan meerdere mishandelingen en feiten die de openbare orde raken.

De rechtbank houdt ten nadele van verdachte rekening met het de verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie van 20 mei 2011, waaruit blijkt dat hij reeds meermalen is veroordeeld voor geweldsdelicten.

De rechtbank houdt ten voordele van verdachte rekening met de hiervoor vastgestelde verminderde toerekeningsvatbaarheid.

De rechtbank heeft verder bij de strafoplegging rekening gehouden met het hiervoor vermelde psychologisch rapport. Door de psycholoog is naar voren gebracht dat de kans op recidive als hoog moet worden ingeschat. Het wordt door de psycholoog van belang geacht dat betrokkene zelf leert inzien dat hij veel hulp nodig heeft vanwege zijn beperkingen. Behandeling (en eventuele medicatie) wordt noodzakelijk geacht om een positieve verandering te bewerkstelligen en de recidivekans te doen afnemen. In weerwil van betrokkenes goede voornemens, zijn de feiten dat hij werk niet vasthoudt en dat hij de training "zelfstandig wonen" niet heeft afgemaakt.

Bij betrokkene is sprake van psychische problematiek, waaronder vervormde cognities waarvoor hij een behandeling nodig heeft om uit het psychische conflict te komen. Dit is de belangrijkste reden om voor betrokkene te kiezen voor een meer fundamentele behandeling, waarin wordt gewerkt aan zijn vermijdings- en vluchtgedrag. Een instelling waar hij een dergelijke behandeling kan krijgen is Groot Batelaar; een residentiële voorziening in Lunteren.

De psycholoog is van mening dat een degelijk juridisch kader nodig is waarin betrokkene zich laat behandelen. Er zal een langer durend toeziende en begeleidende functie van de reclassering moeten zijn.

Door de reclassering is op 29 november 2010 een reclasseringsadvies opgesteld. Hierin wordt naar voren gebracht dat het grootste risico op delictgedrag bij betrokkene het alcoholgebruik is. Dit werkt bij hem grensoverschrijdend en roept agressief gedrag op. De ander criminogene factoren liggen in de woonsituatie, in zijn denkpatronen, gedrag en vaardigheden. De reclassering acht het wenselijk dat betrokkene eigen woonruimte heeft, (beter nog plaatsing binnen een begeleid wonen traject of een woon/werktraject bij Groot Batelaar), een reclasseringstoezicht en een behandelcontact bij forensische polikliniek JusTact voor alcohol- en persoonlijkheidsproblematiek. Het recidive risico wordt ingeschat als hoog gemiddeld. Wanneer betrokkene niet wordt behandeld voor alcohol en persoonlijkheidsproblematiek lijkt de kans niet laag gemiddeld maar hoog gemiddeld. Door de reclassering is geadviseerd aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf, eventueel aangevuld met een werkstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldingsgebod en een behandelingverplichting inhoudende een ambulante behandeling bij Verslavingszorg Tactus (op indicatie naar de forensische polikliniek Justact).

De rechtbank merkt hierbij nog op dat verdachte ter terechtzitting heeft aangegeven, dat hij is gemotiveerd voor een ambulante behandeling, naast een goede dagbesteding, zoals het volgen van een opleiding en werken. Verdachte heeft voorts aangegeven niet gemotiveerd en bereid te zijn een klinische behandeling te ondergaan.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het voor het voorkomen van herhaling noodzakelijk is dat verdachte een (ambulante) behandeling volgt en (daarbij) door de reclassering verder zal worden begeleid.

Alles overwegende zal de rechtbank verdachte een gevangenisstraf voor de duur 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk opleggen met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf wordt als bijzondere voorwaarde gekoppeld een meldingsgebod en dat verdachte zich dient te gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften van de reclassering, ook als dat inhoudt het volgen van een ambulante behandeling.

De rechtbank merkt daarbij op dat zij een hogere voorwaardelijke gevangenisstraf oplegt dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank komt daartoe omdat verdachte nog een (ambulante) behandeling moet ondergaan en hij bereid en gemotiveerd is om aan een dergelijke behandeling mee te werken. De rechtbank is van oordeel dat in het belang van verdachte en van de maatschappij een goede behandeling geboden is, zodat zij daarmee rekening heeft gehouden bij de op te leggen straf. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf is gekoppeld een door de rechtbank op te leggen proeftijd van twee jaren.

Vordering tot schadevergoeding

Ten aanzien van parketnummer 06/940177-10

De benadeelde partij [slachtoffer A] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 1.086,51 (€ 86,51 materiële schade en € 1.000,00 immateriële schade), vermeerderd met de wettelijke rente gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder parketnummer 06/940177-10 onder 1 ten laste gelegde. Daarnaast is verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting geconcludeerd tot gehele toewijzing van vordering, nu deze redelijk is en goed is onderbouwd. De officier van justitie heeft verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel van 36f van het Wetboek van Strafvordering.

De raadsman heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de kosten van de nieuwe ID-kaart van [slachtoffer A] onvoldoende is onderbouwd. De raadsman heeft aangevoerd dat het hem bevreemdt dat de ID-kaart eerst op 2 juli 2010 is aangeschaft, terwijl het delict op 12 mei 2010 heeft plaatsgevonden. De raadsman heeft voorts betoogd dat het verzochte bedrag voor de immateriële schade te hoog is.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder parketnummer 06/940177-10 onder 1 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks tot het gevorderde bedrag schade heeft geleden.

Ten aanzien van de materiële schade acht de rechtbank de volgende posten alleszins redelijk te weten de reiskosten, telefoonkosten en het abonnementsgeld voor de sportschool, vanwege het tijdelijk niet kunnen sporten door het letsel aan de hand van [slachtoffer A], zodat deze - door de verdediging niet betwiste - posten voor toewijzing in aanmerking komen..

Ten aanzien van de gevorderde kosten van de nieuwe ID-kaart van [slachtoffer A] overweegt de rechtbank dat deze kosten eveneens voor vergoeding in aanmerking komen, gelet op de daaromtrent ter terechtzitting afgelegde verklaring namens de benadeelde partij. Uit de toelichting op het voegingingsformulier blijkt dat de ID-kaart is gebroken toen verdachte de benadeelde partij tegen de reling van de brug drukte. Uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de nieuwe ID-kaart niet direct is aangevraagd omdat de benadeelde partij eerst andere zaken moest regelen. Aangezien dit enige tijd duurde is later de nieuwe ID-kaart aangevraagd. De rechtbank acht deze gang van zaken niet onbegrijpelijk en zal daarom de verzochte vergoeding voor de kosten van de ID-kaart toewijzen.

De rechtbank overweegt voorts dat vast staat dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden. De rechtbank zal de verzochte immateriële schade van € 1.000,00 toewijzen, nu zij dit bedrag alleszins redelijk en billijk acht.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het gevorderde bedrag van € 1.086,51 aan de benadeelde partij toewijzen

Daarnaast zal de wettelijke rente vanaf 12 mei 2010 over voormeld bedrag worden toegewezen en zal de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd.

De verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Ten aanzien van parketnummer 06/940377-10

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 313,18 (immateriële schade) gevoegd in het strafproces.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering, nu de vordering niet ziet op een tenlastegelegd feit.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som gelds ten behoeve van genoemd slachtoffer.

Vordering tenuitvoerlegging

Door de officier van justitie is een vordering na voorwaardelijke veroordeling ingediend, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank van 22 oktober 2009 voorwaardelijk aan verdachte opgelegde werkstraf voor de duur van 50 uren (parketnummer 06/820708-09). Veroordeelde had zich niet gehouden aan de algemene voorwaarden die hem bij voormeld vonnis waren opgelegd.

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht, gelet op de in de hoofdzaak gevorderde straf, de vordering af te wijzen.

De vordering tot tenuitvoerlegging betreffende de algemene voorwaarde van de voorwaardelijke gevangenisstraf dient naar het oordeel van de rechtbank te worden afgewezen. Gelet op de straf die de rechtbank zal gaan opleggen in de hoofdzaak acht de rechtbank het evenals de officier van justitie niet opportuun dat de 50 uren werkstraf alsnog ten uitvoer wordt gelegd. De vordering dient dan ook te worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 45, 57, 138, 180, 300, 317 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder parketnummer 06/940377-10 onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten, onder parketnummer

06/940177-10: feiten 1 primair en 2, alsmede onder parketnummer

06/940377-10: feiten 1 subsidiair, 2, 3, 4, 5, 6 en 7, heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

Parketnummer 06/940177-10:

Feit 1 primair: Poging tot afpersing;

Feit 2: Mishandeling;

Parketnummer 06/940377-10:

Feit 1 subsidiair: Mishandeling;

Feit 2: Mishandeling

* Feit 3: Het wederrechtelijk in een besloten lokaal vertoevende, zich niet

op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds

verwijderen;

Feit 4: Wederspannigheid;

Feit 5: Mishandeling;

Feit 6: Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele

aan een ander toebehoort, vernielen of beschadigen of

onbruikbaar maken, meermalen gepleegd;

Feit 7: Het wederrechtelijk in een besloten lokaal vertoevende, zich niet

op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds

verwijderen.

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;

* bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 10 (tien) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd;

*

stelt als bijzondere voorwaarden dat:

- veroordeelde zich moet melden bij de reclassering en zich gedurende twee jaren

blijft melden op de afgesproken tijdstippen en locaties zo frequent als en zolang de

reclassering dit noodzakelijk acht;

- dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en

voorschriften die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de

reclassering, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt, ook als dit inhoudt dat

veroordeelde zich ambulant zal laten behandelen door Verslavingszorg Tactus (op

indicatie naar de forensische polikliniek JusTact) of een soortgelijke instelling. De

veroordeelde zal zich dan houden aan de regels die door of namens de leiding van

Verslavingszorg Tactus of soortgelijke instelling zullen worden gegeven;

- veroordeelde op verzoek van de reclassering ten behoeve van het vaststellen van zijn

identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken

of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht

ter inzage aanbieden;

- en voorts dat veroordeelde zich dient te gedragen naar de hiermee verband houdende

(nadere) aanwijzingen van de reclassering, voor zover en voor zolang dat door de

reclassering noodzakelijk wordt geacht.

* geeft genoemde reclasseringsinstelling opdracht de veroordeelde bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen.

* beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

* wijst af de vordering van de officier van justitie van 2 juli 2010, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank van 22 oktober 2009 voorwaardelijk opgelegde 50 (vijftig) uren werkstraf;

* veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij

[slachtoffer A], [adres te plaats], van een bedrag van € 1.086,51 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2010, met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer A], een bedrag te betalen van € 1.086,51 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2010, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 20 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

* bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

* verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in haar vordering;

* veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde partij] in de door verdachte gemaakte kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door mrs. Van der Mei, voorzitter, Van der Hooft en Gilhuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Buitenhuis, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 juni 2011.

Voetnoten:

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer PL0641 2010068540-21, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Achterhoek, Team Doetinchem, gesloten en ondertekend op 14 mei 2010.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer A], pagina 42-45 en 47 - 48.

3 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige L], p. 58-59 en 61.

4 Proces-verbaal van verhoor van getuige S. [getuige B], p. 63 - 64 en 66.

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 22-24.

6 Proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer B], p. 27-29.

7 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer PL0642 2010138886-20, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Achterhoek, Team Oude IJsselstreek, gesloten en ondertekend op 18 oktober 2010.

8 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer PL0640 2011004135, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Achterhoek, Team Doetinchem, gesloten en ondertekend op 10 januari 2011.

9 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer PL0641 2011020552-18, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Achterhoek, Team Doetinchem, gesloten en ondertekend op 4 maart 2011.

10 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer C], p. 135-138 en 141.

11 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1], p. 140-141.

12 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige D], p. 143-144.

13 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige E], p. 146-148.

14 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer D], p. 105-106.

15 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige F], p. 113-115.

16 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige D], p. 143-144.

17 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige C], p. 118-119.

18 Proces-verbaal van verhoor van getuige D. van Aalst, p. 121-122.

19 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 125-127.

20 De schriftelijke ontzegging horeca Doetinchem (schriftelijk bescheid), p. 14

21 Proces-verbaal van bevindingen van 4 januari 2011, 11-13.

22 Proces-verbaal van bevindingen van 4 januari 2011, p. 11.

23 Proces-verbaal van bevindingen van 4 januari 2011, p. 12.

24 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 16.

25 Proces-verbaal van bevindingen, p. 19-21.

26 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer E], p. 20-21.

27 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer E], p. 22.

28 Proces-verbaal spiegelconfrontatie van 14 februari 2011, p. 28-30.

29 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige I], p. 35.

30 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige I], p. 36.

31 Proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer F], p. 38-39

32 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer F], p. 44-45

33 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer F], p. 45.

34 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer G], p. 67.

35 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer G], p. 68.

36 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer E], p. 22.

37 Proces-verbaal spiegelconfrontatie van 14 februari 2011, p. 28-30.

38 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige J], p. 51.

39 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige J], p. 52.

40 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige J], p. 60.

41 Proces-verbaal van bevindingen, p. 74-75.

42 de schriftelijke ontzegging horeca Doetinchem van 15 januari 2011 (schriftelijk bescheid), p, 76-77.