Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BQ6885

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
01-06-2011
Zaaknummer
06/940085-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt man wegens mishandeling van zijn oma en het vernielen van een deurraam te Lochem tot een voorwaardelijke werkstraf van 50 uur, met een proeftijd van twee jaar, en bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/940085-11

Uitspraak d.d.: 1 juni 2011

Tegenspraak / dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [plaats, 1984],

wonende te [adres],

thans verblijvende Dimence Psychiatrisch Centrum Rielerenk, Nico Bolkesteinlaan 65, 7416 SE Deventer.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 mei 2011.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 15 februari 2011 te Harfsen, gemeente Lochem, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit/raam van een (achter)deur (van een woning, [adres]) en/of een raam van een auto (Seat Inca), in elk geval (telkens) enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer A] en/of aan zijn vrouw, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

2.

hij op of omstreeks 15 februari 2011 te Lochem, althans in Nederland, opzettelijk in strijd heeft gehandeld met een (met toepassing van artikel 2, eerste lid, of artikel 9, eerste lid van de Wet Tijdelijk Huisverbod) op of omstreeks 19 januari 2011, door de burgemeester van Lochem, voor een periode van tien dagen opgelegd (tijdelijk) huisverbod, welk huisverbod op 29 januari 2011 door genoemde burgemeester met 18 dagen werd verlengd, tot 16 februari 2011 te 23.28 uur, immers heeft hij, verdachte, op 15 februari 2011 een raam/ruit van de (achter)deur van de woning ([adres], aldaar), waarvoor eerdergenoemd huisverbod was afgegeven, ingeslagen en/of is hij (vervolgens) genoemde woning binnengegaan/ binnengedrongen;

3.

hij op of omstreeks 19 januari 2011 te Harfsen, gemeente Lochem, opzettelijk (met kracht) een (keuken)deur tegen [slachtoffer B] heeft aan geduwd, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden; (Pnr. 850177/11)

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Standpunt van het openbaar ministerie

Door de officier van justitie is gesteld dat het openbaar ministerie partieel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging van verdachte, voor wat betreft de vernieling van de auto in feit 1. Vernieling is immers een klachtdelict indien het is gepleegd met betrekking tot het goed van een bepaald persoon, zoals in casu een moeder. En moeder, als eigenaar van de auto, heeft geen klacht tot vervolging ingediend.

Beoordeling door de rechtbank

Vernieling is een klachtdelict indien het is gepleegd met betrekking tot het goed van een bepaald persoon. Wat betekent dat naast een aangifte, ook een klacht met het verzoek tot vervolging van verdachte moet worden ingediend, voordat tot vervolging overgegaan wordt. Nu moeder, als eigenaar van de auto, geen klacht tot vervolging heeft ingediend tegen verdachte, haar zoon, is het openbaar ministerie partieel niet-ontvankelijk en wel voor wat betreft het gedeelte van feit 1 dat de vernieling van de auto inhoudt.

De rechtbank zal de officier van justitie partieel niet-ontvankelijk verklaren, in de vervolging ten aanzien van feit 1, voor wat betreft de vernieling van de auto. Het openbaar ministerie kan voor het overige in de vervolging van verdachte worden ontvangen.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten 1 en 3 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

De officier voert hiertoe het volgende aan:

- Ten aanzien van feit 1 wordt de aangifte ondersteund door een bekennende verklaring van verdachte;

- Ten aanzien van feit 3 verschilt de versie van verdachte, van die van oma en vader. Maar verdachte weerspreekt de versie van oma en vader niet, dan is het gegaan zoals oma en vader het zeggen.

Ten aanzien van feit 2 vordert de officier van justitie vrijspraak. Volgens de officier van justitie had verdachte geen opzet op het overtreden van het huisverbod, nu verdachte aangaf dat hij zich een dag heeft vergist in de termijn van het huisverbod. Waarbij verdachte van mening was dat dit huisverbod een dag was verstreken, terwijl dat juist nog een dag zou duren.

Standpunt verdachte

Over feit 1 heeft verdachte bij de politie verklaard - en ter zitting bevestigd - dat hij de woning van zijn ouders binnen wilde, om zijn autosleutel op te eisen. Daartoe schopte hij de ruit van een deur stuk en opende door het ontstane gat met zijn hand de deur en ging de woning in.2

Ten aanzien van feit 2 geeft verdachte aan dat hij zich een dag heeft vergist in de termijn van het huisverbod. Waarbij verdachte van mening was dat dit huisverbod een dag was verstreken, terwijl dat juist nog een dag zou duren. Daar kwam hij bij de politie pas achter.

Over feit 3 heeft verdachte ter zitting verklaard dat hij ruzie had met zijn ouders. Dat zijn oma toen binnenkwam en hij haar vroeg weg te gaan. Even later stond zij er weer en toen heeft verdachte haar weggeduwd naar haar eigen kant, maar niet omgeduwd. Verdachte wilde de deur dichtdoen.

Beoordeling door de rechtbank

Vrijspraak feit 2

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk het huisverbod overtrad, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1

De rechtbank acht voor het bewijs van het onder 1 ten laste gelegde feit voorhanden de navolgende redengevende feiten en omstandigheden:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting;

- de aangifte van [slachtoffer A].3

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 3

Op 19 januari 2011 heeft [slachtoffer B] aangifte gedaan van mishandeling door haar kleinzoon [verdachte], verdachte, die dag te Harfsen.4 In haar aangifte heeft [slachtoffer B] verklaard, dat zij [verdachte] hoorde schreeuwen en dat zij vanuit de tussengang door het glas van de deur zag dat [verdachte] en haar zoon en schoondochter ruzie hadden in de keuken. Aangeefster opende vervolgens vanuit de doorgang de deur die toegang geeft tot de keuken en zag toen dat [verdachte] heel boos was en op haar afgelopen kwam. Zij wilde daarop de deur weer dichtdoen, maar dat lukte niet, omdat [verdachte] de deur hard openduwde. Aangeefster voelde de deur heel hard tegen haar hoofd klappen en dat deed pijn. Zij voelde dat haar neus bloedde. Later bleek dat zij ook een snee in haar voorhoofd had.

De verbalisant die haar aangifte op heeft genomen, merkt - onderaan deze aangifte - op dat hij bij [slachtoffer B] ten tijde van de aangifte een snee op haar voorhoofd en een wondje op haar neus zag.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de deur heeft opengeduwd terwijl zijn oma erachter stond. Hij heeft verklaard dat dat vrij fors ging.5

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op 15 februari 2011 te Harfsen, gemeente Lochem, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit/raam van een deur van een woning, [adres], toebehorende aan [slachtoffer A], heeft vernield;

3.

hij op 19 januari 2011 te Harfsen, gemeente Lochem, opzettelijk met kracht een deur tegen [slachtoffer B] heeft aan geduwd, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

feit 1: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen;

feit 3: mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie geeft aan dat hij verdachte vanuit het strafproces wil ondersteunen, nu verdachte gedurende de rechterlijke machtiging een stap in de goede richting heeft gezet. Oma en vader geven ook aan dat verdachte hulp nodig heeft, geen straf.

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een werkstraf van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, voorwaardelijk, met aftrek van de dagen door verdachte in verzekering doorgebracht, met een proeftijd van twee jaar. Als bijzondere voorwaarde dient gesteld te worden dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften door of namens de reclassering, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, ook wanneer dit inhoudt dat veroordeelde zich ambulant zal laten behandelen, bij een instelling voor geestelijke gezondheidszorg en/of verslavingszorg.

Desgevraagd heeft verdachte ter zitting aangegeven dat hij sinds hij in de kliniek zit geen softdrugs meer gebruikt, dat hij daar goed is ingesteld op medicatie en dat hij zich kan vinden in de eis van de officier van justitie en mee zal werken aan de begeleiding.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging in het bijzonder rekening gehouden met het trajectconsultrapport van psychiater J.H. Verhoef d.d. 18 april 2011 en met het reclasseringsadviesrapport van D. Gerrits d.d. 13 mei 2011, waarin naar voren wordt gebracht dat verdachte de feiten heeft gepleegd onder invloed van zijn psychische gesteldheid in combinatie met het dagelijks gebruik van cannabis. Voort wordt aangegeven dat verdachte met een rechterlijke machtiging op de afdeling psychotische stoornissen van de Geestelijke Gezondheidszorginstelling Dimence te Deventer verblijft. En dat er volgens Dimence sprake is van een psychose niet anderszins omschreven (NAO) en dat er wordt gedacht aan schizofrenie en mogelijk autisme, maar dat diagnostiek pas volledig kan worden gedaan als verdachte vrij is van middelengebruik. Het recidive risico wordt als hoog ingeschat, maar niet zolang verdachte hulp en medicijnen krijgt. De reclassering raadt aan behandeling en begeleiding te laten prevaleren en adviseert daarom een geheel voorwaardelijke straf op te leggen, met de volgende bijzondere voorwaarden: meldingsgebod bij Reclassering Nederland en een (ambulante) behandelverplichting bij een nader aan te wijzen instelling voor geestelijke gezondheidszorg en/of verslavingszorg.

Gelet op genoemde rapporten en hetgeen verder ter terechtzitting naar voren is gebracht acht de rechtbank een geheel voorwaardelijke werkstraf met na te noemen bijzondere voorwaarden in casu passend en geboden.

Alles overwegende komt de rechtbank tot oplegging van een werkstraf voor de duur van 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis. De rechtbank zal deze werkstraf voorwaardelijk opleggen, om verdachte ervan te doordringen dat hij in de toekomst geen strafbare feiten meer pleegt. Aan deze voorwaardelijke straf zullen na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld, overeenkomstig de eis van de officier van justitie. De proeftijd zal worden gesteld op twee jaren.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 57, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart de officier van justitie partieel niet-ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van feit 1, voor wat betreft de vernieling van de auto;

* verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

feit 1: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen;

feit 3: mishandeling.

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt de verdachte tot een werkstraf van 50 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 25 dagen;

* beveelt dat voor de tijd die door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht, volgens de maatstaf dat per dag in voorarrest doorgebracht, 2 uur in mindering wordt gebracht;

* bepaalt dat de werkstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt en/of de navolgende bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

* stelt als bijzondere voorwaarden dat:

- veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften door of namens de reclassering, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, ook wanneer dit inhoudt dat veroordeelde zich ambulant zal laten behandelen bij een instelling voor geestelijke gezondheidszorg en/of verslavingszorg

- veroordeelde zal op verzoek van de reclassering ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

* geeft de reclassering de opdracht de veroordeelde bij de naleving van de opgelegde voorwaarde hulp en steun te verlenen.

Aldus gewezen door mr. Verheul, voorzitter, mrs. Van der Hooft en Feraaune, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Demmers, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 juni 2011.

Eindnoten

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer 2011021670 (feiten 1 en 2) en bij (stam)proces-verbaal nummer 2011008982 (feit 3), Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district IJsselstreek, gesloten en ondertekend op 17 februari 2011 respectievelijk 27 januari 2011.

2 Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 17 februari 2011, dossierpagina 32 - 33.

3 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer A], d.d. 15 februari 2011, dossierpagina 23 - 26.

4 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer B], d.d. 19 januari 2011, dossierpagina 5 - 9.

5 Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 17 februari 2011, dossierpagina 32 - 35.