Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BQ5991

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
20-05-2011
Datum publicatie
25-05-2011
Zaaknummer
11/519 VEROR
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening over verlening standplaatsvergunning voor snackwagen op de Markt in Zelhem (gemeente Bronckhorst). Rechtbank schorst het bestreden besluit van het verlenen van de vergunning tot en met het tijdstip dat het college van b&w van Bronckorst besluit op het bezwaar van verzoekster. Onvoldoende onderzoek naar de vraag of redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt. Belangen van verzoekster, voor zover daarmee het belang van een redelijk verzorgingsniveau van de consument is gemoeid, weegt naar het oordeel van de voorzieningenrechter zwaarder dan het belang van de derde-partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/1727
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Voorzieningenrechter

Reg.nr.: 11/519 VEROR

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:

[verzoekster] h.o.d.n. Cafetaria De Smulhoek

te Zelhem,

verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bronckhorst

verweerder

V.o.f. De Vlaamse Friet Kot

te Zelhem,

derde-partij

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2011 heeft verweerder op grond van artikel 5.2.3 van de Algemene Plaatselijke Verordening Bronckhorst 2010 een vergunning verleend aan derde-partij voor het innemen van een standplaats met een snackwagen in de periode 15 april 2011 tot en met 31 december 2011 voor de verkoop van snacks op de Markt te Zelhem.

Namens verzoekster heeft mr. J.A.J.M. van Houtum, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand te Tilburg, daartegen bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 19 mei 2011, waar verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

G. Limpers. Voorts is namens de derde-partij verschenen [naam derde partij].

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat het geschil inhoudelijk wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend in de bodemprocedure.

2.2 Aan de derde partij is vergunning verleend voor het innemen van een standplaats met een mobiele snackwagen voor de verkoop van snacks op de Markt te Zelhem. De standplaats mag worden ingenomen wekelijks op zaterdag van 10.00 tot 20.00 uur en op zondag van 13.00 tot 20.00 uur in de periode 15 april 2011 tot en met 31 december 2011.

2.3 Verzoekster exploiteert aan de Ruurloseweg, op korte (loop)afstand van de Markt, een cafetaria. Zij heeft bezwaar ingediend tegen het verlenen van de vergunning. Met betrekking tot het spoedeisend belang heeft zij gesteld dat de standplaats inmiddels wordt ingenomen en zij inkomsten derft en door de komst van een derde snackbar in het centrum van Zelhem de horecamarkt in dit segment totaal ontwricht zal worden. Verzoekster geeft aan dat zij juist in het weekend de omzet draait.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster voldoende spoedeisend belang bij haar verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zodat het verzoek ontvankelijk is.

2.4 Ingevolge artikel 5.2.3, eerste lid, onder a en b, van de Algemene Plaatselijke Verordening Bronckhorst 2010 (hierna: APV) is het verboden zonder vergunning van het college op of aan de weg of aan een openbaar water dan wel op een andere - al dan niet met enige beperking - voor publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats met een voertuig, een kraam, een tafel of enig ander middel een standplaats in te nemen of te hebben teneinde in de uitoefening van de handel goederen te koop aan te bieden, dan wel diensten aan te bieden of anderszins goederen uit te stallen of uitgestald te hebben om deze te koop aan te bieden, te verkopen, of te verstrekken aan publiek.

In het vijfde lid is bepaald dat een vergunning, bedoeld in het eerste lid, kan worden geweigerd:

a. in het belang van de openbare orde;

b. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;

c. indien de standplaats hetzij of zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoen aan redelijke eisen van welstand;

d. in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid;

e. wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel der gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt;

f. vanwege strijd met een geldend bestemmingsplan.

2.5 De in voornoemd artikel neergelegde bevoegdheid van verweerder tot verlening van vergunning is discretionair van aard. Bij de uitoefening van deze bevoegdheid dient verweerder de belangen van de aanvrager van een vergunning af te wegen tegen het belang dat of de belangen die met het vergunningvereiste is of zijn gediend (het zogenoemde specialiteitsbeginsel). Dit brengt mee dat verweerder slechts de bevoegdheid heeft om tot weigering van een vergunning over te gaan, indien een van de in de weigeringsgronden genoemde of daaruit af te leiden belangen in het geding is.

2.6 Verzoekster stelt allereerst dat het besluit tot verlening van een standplaatsvergunning onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd nu niet inhoudelijk is gereageerd op de zienswijze van verzoekster en uit niets blijkt van enige inhoudelijke toetsing aan de APV en/of afweging van belangen. Verder stelt verzoekster dat de standplaatsvergunning moet worden geweigerd omdat te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt en vanwege strijd met bestemmingsplan.

2.7 Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat, nu geen van de in artikel 5.2.3, vijfde lid, van de APV genoemde weigeringsgronden zich voordoet, verweerder gehouden was de vergunning te verlenen. Van strijd met het bestemmingsplan is volgens verweerder geen sprake en ook valt niet in te zien dat door de komst van de thans in geding zijnde snackwagen een of beide in het centrum aanwezige cafetaria’s financieel zozeer in de problemen zal of zullen komen dat een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar zal komen. Hoewel uit de vergunningverlening wellicht niet blijkt van een belangenafweging, heeft deze afweging wel plaats gevonden. De omstandigheid dat verzoekster vreest voor concurrentie heeft echter bij de besluitvorming geen rol gespeeld. Ook heeft verweerder aangegeven dat in de gemeente Bronckhorst (nog) geen beleid wordt gevoerd met betrekking tot het in nemen van vent- of standplaatsen. In de toekomst zal wel een beleid worden vastgesteld maar thans is nog niet duidelijk wat dit beleid zal inhouden en wanneer het zal worden vastgesteld.

2.8 Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van strijd met het vigerende bestemmingsplan Zelhem Dorp. Op de locatie Markt rust de bestemming centrum. De daarvoor aangewezen gronden zijn bestemd voor centrumvoorzieningen in de vorm van onder meer horeca. Voor horeca geldt ingevolge artikel 8.1.2, onder d, van de bestemmingsplanvoorschriften dat uitsluitend horecabedrijven in horecacategorie 1 en 2 zijn toegestaan. Onder horecacategorie 2 vallen vormen van kleinschalige horeca-activiteiten die qua exploitatievorm aansluiten bij winkelvoorzieningen, waar naast kleinere etenswaren in hoofdzaak alcoholvrije dranken worden verstrekt, en waarvan de exploitatie zowel overdag als in de avonduren, zoals een lunchroom, broodjeszaak, ijssalon, cafetaria, snackbar, afhaalhoreca, automatiek plaats vindt.

2.9 Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder echter ten onrechte geen enkel onderzoek gedaan naar de vraag of redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt. De voorzieningenrechter denkt daarbij bijvoorbeeld aan een vergelijking van de producten die de derde-partij verkoopt met de producten die thans in de cafetaria’s worden verkocht en een onderzoek naar het aantal consumenten dat deze producten koopt. Derhalve heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Awb, dat bepaalt dat verweerder als bestuursorgaan gehouden is om bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Nu onzeker is of het besluit waarbij de vergunning is verleend, bij besluit op bezwaar (in deze omvang) gehandhaafd zal kunnen worden, wegen de belangen van verzoekster, voor zover daarmee het belang van een redelijk verzorgingsniveau van de consument is gemoeid, naar het oordeel van de voorzieningenrechter zwaarder dan het belang van de derde-partij. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat het innemen van een standplaats met de snackwagen een recente uitbreiding is van de overige door de derde-partij al langer ontplooide ondernemingsactiviteiten en dat de derde-partij van maandag tot en met vrijdag met de snackwagen standplaats inneemt in de gemeente Doetinchem.

De voorzieningenrechter overweegt daarbij verder dat verweerder ter zitting heeft meegedeeld dat op 14 juni aanstaande de hoorzitting van de bezwarenadviescommissie zal plaatsvinden en dat verweerder daarna spoedig op het bezwaarschrift van verzoekster zal kunnen beslissen.

2.10 Het verzoek zal worden toegewezen voor de periode vanaf heden tot en met de dag van bekendmaking van het besluit op bezwaar.

Er is aanleiding voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten van verzoekster. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden ter zake van rechtsbijstand 2 punten (verzoekschrift en verschijnen ter zitting) toegekend, waarbij een wegingsfactor 1 wordt gehanteerd.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst het bestreden besluit tot en met de dag van de bekendmaking van het besluit op bezwaar;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 152,00 aan verzoekster vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 874,00, te betalen aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Tj. Gerbranda. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2011.