Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BQ5978

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
25-05-2011
Datum publicatie
25-05-2011
Zaaknummer
10/831 GEMWT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak in de zaak tussen eiseres en de gemeente Epe over permanente bewoning van recreatiewoningen. Het college van b & w van de gemeente Epe wordt in de gelegenheid gesteld het gebrek in de motivering ter zake van het niet verlenen van een ontheffing om de recreatiewoning permanent te mogen bewonen in het bestreden besluit te herstellen, of een ander besluit te nemen door het verlenen van een dergelijke ontheffing. De rechtbank heeft gewezen op de totstandkoming van het Bro, waarin de mogelijkheid om een ontheffing te verlenen is opgenomen voor die gevallen waarin de illegale bewoning vóór 31 oktober 2003 is aangevangen en het college niet binnen een redelijke termijn na aanvang van de illegale bewoning handhavend heeft opgetreden. Nu daarvan in dit geval sprake is, na 7 1/2 jaar wordt handhavend opgetreden, zal het college extra goed moeten motiveren waarom hij toch geen ontheffing wil verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: 10/831 GEMWT

Tussenuitspraak als bedoeld in artikel 8:80a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[Eiseres]

te Epe,

eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van Epe

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 november 2009 heeft verweerder eiseres, onder aanzegging van een dwangsom, gelast de permanente bewoning van de recreatiewoning aan de [adres] (hierna: het perceel) te Epe te beëindigen en beëindigd te houden. Tevens heeft verweerder het verzoek om een persoonsgebonden gedoogbeschikking afgewezen.

Bij besluit van 1 april 2010 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 12 mei 2011, waar eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. L.E.A. Gelderman, juridisch adviseur. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door B. Verberk-Jansen en J. van der Sluis.

2. Overwegingen

2.1 Op grond van het ter plaatse van kracht zijnde bestemmingsplan “Wissel 1994” heeft het perceel de bestemming “Bos, logiesverblijven toegestaan”.

Ingevolge artikel 2.8, eerste lid, van de bij het bestemmingsplan behorende voorschriften is de op de plankaart voor “bos, logiesverblijven toegestaan” aangewezen grond bestemd voor doeleinden voor recreatief (nacht)verblijf met de daarbij behorende gebouwen en andere bouwwerken.

Ingevolge artikel 2.8, elfde lid, van de planvoorschriften is permanente bewoning van logiesverblijven en stacaravans niet toegestaan.

2.2 Vast staat en niet in geschil is dat eiseres sinds 1 mei 2002 permanent woont in haar recreatiewoning op het perceel en sinds die datum op dat adres staat ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie. Verder is niet in geschil dat het gebruik van de recreatiewoning voor permanente bewoning in strijd is met de voorschriften van het bestemmingsplan, zodat verweerder daartegen handhavend kon optreden.

2.3 Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4 De rechtbank ziet zich voor de vraag geplaatst of legalisering tot de mogelijkheden behoort. Hiertoe wordt het navolgende overwogen.

Ingevolge artikel 3.23, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), zoals dit luidde ten tijde hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen ontheffing verlenen van het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 4.1.1, eerste lid, onderdeel j, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) komen voor de toepassing van artikel 3.23, eerste lid, van de Wro in aanmerking een wijziging van het gebruik van een recreatiewoning voor bewoning mits:

1e. de recreatiewoning voldoet aan de bij of krachtens de Woningwet aan een bestaande woning gestelde eisen;

2e. bewoning niet in strijd is met de bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij gestelde regels of de Reconstructiewet concentratiegebieden, en

3e. de aanvrager vóór, maar in elk geval op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze sedertdien onafgebroken bewoont.

Aan de Nota van Toelichting bij het Bro (Stb. 2008, 145, p. 41-42) wordt het navolgende ontleend:

“In de huidige lijst van artikel 20 van het Bro 1985 is ook het geval aangegeven van een wijziging in het gebruik van een recreatiewoning voor bewoning. Ook die regeling wordt voortgezet in het onderhavige besluit (onderdeel j). Wel is het artikellid geschrapt volgens welk vrijstelling moet worden geweigerd indien de gemeente op 31 oktober 2003 daadwerkelijk haar handhavingsbeleid uitvoerde. (…) Hoofdlijn is de bestaande bevoegdheid van B&W om al dan niet ontheffing te verlenen van het bestemmingsplan, voor het geval van een wijziging in het gebruik van een recreatiewoning voor bewoning, mits voldaan wordt aan de genoemde drie voorwaarden, waaronder de bewoning op 31 oktober 2003. Daarbij hanteert onderdeel j het volgende uitgangspunt. Een gemeente die aan een bewoner van vóór 31 oktober 2003 een ontheffing weigert, terwijl zij zelf niet binnen redelijke termijn ná aanvang van die onrechtmatige bewoning aantoonbaar uitvoering heeft gegeven aan haar handhavingsbeleid kan formeel nog wel een ontheffing weigeren, maar zij zal dat extra goed moeten motiveren, zeker indien het gaat om langdurig en de facto gedoogde onrechtmatige situaties. “

2.5 Ter zitting is namens verweerder aangegeven dat ten onrechte de weigering om een ontheffing te verlenen (door verweerder aangeduid als een persoonsgebonden gedoogbeschikking) niet uitdrukkelijk in het bestreden besluit aan de orde is gesteld. Verweerder handhaaft echter zijn standpunt als verwoord in het primaire besluit van

18 november 2009, dat het beleid is gericht op het tegengaan van permanente bewoning van recreatiewoningen en dat, nu de gemeente een actief handhavingsbeleid heeft gevoerd, de ontheffing moet worden geweigerd.

De rechtbank stelt vast dat de onrechtmatige bewoning vóór 31 oktober 2003 is aangevangen en dat verweerder eerst op 18 november 2009 handhavend ten aanzien van eiseres is gaan optreden, derhalve 7 ½ jaar na aanvang van de illegale bewoning. Na het oordeel van de rechtbank is verweerder dan ook niet binnen een redelijke termijn na aanvang van de onrechtmatige bewoning hiertegen opgetreden. De enkele verwijzing naar het door de gemeente gevoerde actieve handhavingsbeleid is dan ook, gelet op de aan de Nota van Toelichting beschreven extra motiveringsplicht in situaties als de voorliggende, onvoldoende. Het bestreden besluit ontbeert in zoverre een deugdelijke motivering.

De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:51a van de Awb verweerder in de gelegenheid te stellen dit gebrek in het bestreden besluit te herstellen dan wel een ander besluit te nemen door het verlenen van een ontheffing als bedoeld in artikel 3.23 van de Wro.

3. Beslissing

De rechtbank:

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen dan wel een ander besluit te nemen met in achtneming van hetgeen in deze tussenuitspraak is overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2011.