Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BQ4736

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
18-05-2011
Datum publicatie
19-05-2011
Zaaknummer
116784 FA RK 10-1974
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2012:BW5183, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen grove miskenning wettelijke maatstaven. Bepaling in convenant ziet ook op het aangaan van een huwelijk. Aanwezigheid van een nieuwe partner heeft geen invloed op de hoogte van de door de man te betalen bijdrage. Deze bepaling, noch artikel 1:400 BW is in strijd met artikel 12 EVRM. Het staat de man vrij te trouwen. Artikel 12 EVRM waarborgt niet dat de wetgever het aangaan van een huwelijk financieel mogelijk maakt. Het huweijk is dan ook geen omstandigheid die tot wijziging van de kinderalimentatie kan leiden, het ontstaan van een onderhoudsplicht jegens andere kinderen dan die van partijen wel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Familie

Zaaknummer: 116784 FA RK 10-1974

beschikking van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 17 mei 2011

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [plaats, gemeente],

verzoeker, verder te noemen de man,

advocaat: mr. P.A. Roscam Abbing te Zutphen,

e n

[verweerster],

wonende te [plaats, gemeente],

verweerster, verder te noemen de vrouw,

advocaat: mr. H.J. Scholten te Zutphen.

Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

- het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 19 oktober 2010;

- het verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 12 november 2010;

- de tussenbeschikking van deze rechtbank van 19 november 2010;

- de brief met bijlagen van mr. Roscam Abbing van 10 januari 2011;

- de brief met bijlagen van mr. Scholten van 12 januari 2011;

- de brief met bijlagen van mr. Roscam Abbing van 13 januari 2011;

- het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting op 25 januari 2011.

De feiten

Partijen zijn op 3 mei 1991 in de gemeente Zutphen met elkaar gehuwd. Tussen partijen is de echtscheiding uitgesproken bij beschikking van deze rechtbank van 3 juni 2009. Die beschikking is op 13 juli 2009 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Zutphen.

Partijen hebben de volgende minderjarige kinderen:

- [kind 1], geboren op [1994] in de gemeente [plaats];

- [kind 2], geboren op [1995] te [plaats].

De minderjarige kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw.

Bij echtscheidingsconvenant, door partijen ondertekend op 27 februari 2009, zijn partijen onder meer met elkaar overeengekomen dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding € 241,57 per kind per maand aan de vrouw zal betalen zolang de kinderen minderjarig zijn. Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de bijdrage voor de minderjarigen thans € 247,13 per kind per maand.

Bij voormelde echtscheidingsbeschikking is bepaald dat het tussen partijen gesloten en op 27 februari 2009 ondertekende echtscheidingsconvenant als in de beschikking opgenomen moet worden beschouwd en dat hetgeen tussen hen is overeengekomen als ingelast geldt en van de beslissing deel uitmaakt.

Het verzoek

De man verzoekt - na wijziging en aanvulling - dat de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het echtscheidingsconvenant van 27 februari 2009 en de beschikking van 3 juni 2009 zal wijzigen en de bijdrage voor de beide kinderen zal bepalen op € 84,18 per maand met ingang van 1 maart 2009 en op nihil met ingang van 1 januari 2011, althans op zodanige bijdragen en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank zal vermenen te behoren. De man verzoekt voorts te bepalen dat de vrouw hetgeen zij met ingang van 1 juli 2010 meer heeft ontvangen dan € 84,18 per maand aan de man zal terugbetalen.

De man stelt dat de bij echtscheidingsconvenant van 27 februari 2009 vermelde afspraken zijn gemaakt met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Hij heeft aangevoerd dat de werkelijke behoefte van de kinderen had moeten worden gesteld op € 440,-- per maand.

De man heeft voorts aangevoerd dat zijn draagkracht niet meer bedroeg dan € 84,18 per maand.

De man stelt voorts dat sprake is van een wijziging van omstandigheden, nu hij van plan is te gaan samenwonen met zijn nieuwe partner. Op de terechtzitting heeft de man aangevoerd dat hij en zijn partner hebben besloten te gaan trouwen en dat de huwelijksvoltrekking zal plaatsvinden op 1 april 2011. De man heeft naar voren gebracht dat zijn lasten ten gevolge van zijn huwelijk aanzienlijk zullen toenemen, omdat hij zijn huidige partner en haar drie kinderen dient te onderhouden. De man stelt vast dat, indien onverkort zou worden vastgehouden aan de voorrangsregel van artikel 1:400 Burgerlijk Wetboek, het hem de facto onmogelijk zou worden gemaakt met zijn nieuwe partner een nieuw gezin te stichten, omdat het gezamenlijk gezinsinkomen dan ontoereikend zou zijn om van rond te komen. Daaruit volgt dat het betreffende wetsartikel in strijd is met artikel 12 EVRM. Onverkort vasthouden aan de voorrangsregel zou tot gevolg hebben dat de man en zijn gezin in inkomen zullen terugvallen tot een bedrag dat lager is dan 90% van de toepasselijke bijstandsnorm.

Het verweer

De vrouw verzoekt dat de rechtbank de man in diens verzoek niet-ontvankelijk zal verklaren, danwel dat verzoek zal afwijzen.

De vrouw betwist dat de kinderalimentatie ten behoeve van de beide minderjarige kinderen is vastgesteld met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Zij betwist voorts dat de werkelijke draagkracht van de man niet meer bedroeg dan € 84,18 per maand. Volgens de vrouw was de draagkracht van de man destijds feitelijk hoger dan is berekend.

De vrouw betwist dat sprake is van een wijziging van omstandigheden die maakt dat de vastgestelde kinderalimentatie niet langer in stand kan blijven. In artikel 2.7 van het tussen partijen gesloten echtscheidingsconvenant is opgenomen dat eventueel samenwonen of trouwen van de man of de vrouw niet van invloed zal zijn op de hoogte van de te betalen kinderalimentatie. Om die reden dient de man volgens de vrouw niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn verzoek.

De vrouw stelt dat de huidige partner van de man in staat is in de kosten van haar eigen levensonderhoud te voorzien. Zij stelt voorts dat de man in staat is de destijds door partijen overeengekomen kinderalimentatie te betalen.

De beoordeling

De oudste minderjarige is in de gelegenheid gesteld zijn mening omtrent het verzoek aan de rechtbank kenbaar te maken.

Ingevolge artikel 1:401 lid 1 Burgerlijk Wetboek kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Ingevolge artikel 1:401 lid 5 BW kan een overeenkomst betreffende levensonderhoud ook worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

Aan de rechtbank ligt de vraag voor of het tussen partijen gesloten echtscheidingsconvenant voor wat betreft de daarin overeengekomen kinderalimentatie is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Met grove miskenning wordt bedoeld dat, uitgaande van dezelfde gegevens, geen duidelijke wanverhouding mag bestaan tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en die welke partijen zijn overeengekomen. De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijke wanverhouding niet is gebleken. Waar partijen hebben afgesproken dat de man € 241,57 per kind per maand als bijdrage aan de vrouw zal betalen, heeft de man de behoefte van de minderjarigen thans berekend op € 220,-- per kind per maand. Blijkens het overgelegde rapport van de Scheidingsplanner is het eigen aandeel in de kosten van de kinderen destijds bepaald op € 232,50 per kind per maand. Mede in aanmerking genomen dat partijen ten tijde van de samenleving in gezinsverband (extra) bijzondere kosten voor de kinderen hebben gemaakt, is de tussen partijen overeengekomen kinderalimentatie in die zin in overeenstemming met de wettelijke maatstaven dat deze de behoefte niet overstijgt.

Wat de draagkracht van de man betreft overweegt de rechtbank dat het feit dat geen rekening is gehouden met de aflossing van de lening van [naam] niet kan leiden dat de conclusie dat sprake is van grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Kennelijk heeft de man in het kader van de mediation de noodzaak voor het aangaan van de desbetreffende lening onvoldoende aannemelijk gemaakt.

Gelet op het voorgaande is de kinderalimentatie niet aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. De man heeft zich echter tevens beroepen op een wijziging van omstandigheden, te weten de samenwoning en het voorgenomen huwelijk, dat inmiddels op 1 april 2011 is voltrokken.

Partijen zijn in artikel 2.7 van voormeld echtscheidingsconvenant onder meer overeengekomen dat de man de kinderalimentatie verschuldigd is zolang hij onderhoudsplichtig voor de kinderen is tot het genoemde bedrag, te vermeerderen met de in paragraaf 2.3 genoemde wettelijke indexering, ook in geval hij of de vrouw gaat samenleven met een ander als waren zij gehuwd / als hadden zij hun partnerschap laten registreren.

De rechtbank is van oordeel dat deze bepaling niet alleen ziet op samenwoning, maar tevens op het daadwerkelijk aangaan van een huwelijk, in die zin dat partijen kennelijk hebben beoogd af te spreken dat de aanwezigheid van een nieuwe partner geen invloed dient te hebben op de hoogte van de door de man te betalen bijdrage. Dat zij hebben bedoeld daarbij onderscheid te maken tussen ongehuwd samenwonen en gehuwd samenwonen is niet gebleken.

De rechtbank is voorts van oordeel dat deze bepaling, ook als deze aldus wordt uitgelegd, noch artikel 1:400 BW in strijd is met artikel 12 EVRM. Zoals kan worden afgeleid uit EHRM 18 december 1987, NJ 1989/99 kan van strijd met artikel 12 EVRM sprake zijn wanneer in het algemeen het recht om te trouwen wordt ingeperkt; dit artikel reikt echter niet zo ver dat het ook op ieder concreet huwelijk op dezelfde wijze kan worden toegepast. Het staat de man op zich vrij te hertrouwen. Wel dient hij de afweging te maken of dit in het concrete geval financieel haalbaar is. Artikel 12 EVRM dient naar het oordeel van de rechtbank niet zo ruim te worden uitgelegd dat dit ook waarborgt dat de wetgever het aangaan van een huwelijk financieel mogelijk maakt.

De vraag is wel hoe ruim de bepaling in het echtscheidingsconvenant dient te worden opgevat. Het huwelijk zelf is weliswaar geen omstandigheid die tot wijziging van de kinderalimentatie kan leiden, maar de situatie dat de man onderhoudsplichtig wordt jegens andere kinderen dan die van partijen (ongeacht of dit op grond van biologisch vaderschap is of op grond van een huwelijk met een partner met kinderen) is niet inbegrepen in artikel 2.7. De rechtbank is van oordeel dat een uitleg van deze bepaling in het licht van wat partijen hebben verklaard meebrengt dat de vrouw niet heeft mogen verwachten dat de man ook in die situatie geen wijziging zou kunnen vragen, te meer gezien de op dat moment op handen zijnde wetswijziging op grond waarvan de onderhoudsplicht jegens kinderen en stiefkinderen in artikel 1:400 BW een sterkere positie heeft gekregen.

Het voorgaande brengt mee dat sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden met ingang van 1 april 2011. Met ingang van die datum zal de draagkracht van de man opnieuw berekend worden. De partner en haar schulden zullen daarbij buiten beschouwing blijven, maar voor het overige zal de draagkracht van de man opnieuw worden vastgesteld op basis van de huidige lasten. Deze draagkracht zal verdeeld moeten worden over vier minderjarige kinderen. Bij deze verdeling kan als uitgangspunt worden genomen dat de kinderen uit de verschillende relaties - kinderen en stiefkinderen - in beginsel gelijke aanspraken hebben op een bijdrage van de onderhoudsplichtige. Voldoende staat vast dat de nieuwe partner gelet op haar inkomen en schulden geen bijdrage kan leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van haar kinderen. Wel wordt ervan uitgegaan dat zij in staat is de helft van de netto woonlast voor haar rekening te nemen.

De rechtbank ziet in de te maken berekening van de draagkracht derhalve aanleiding de man als alleenstaande te beschouwen en zijn netto woonlasten te halveren. Daarnaast zal de rechtbank 60% van de draagkrachtruimte bestemmen voor betaling van alimentatie.

Ter beoordeling van de draagkracht van de man rekent de rechtbank op grond van de overgelegde brief van de werkgever van de man d.d. 1 oktober 2010 (prod. 20) met een inkomen van € 1.957,05 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld, de klokurentoeslag van € 356,18 bruto per maand, de PT1 van € 154,12 en de PT2 van € 18,82 bruto per maand. Aldus gerekend bedraagt het bruto jaarinkomen van de man € 31.713,--.

Rekening houdend met alles op jaarbasis – de fiscale bijtelling van de inkomensafhankelijke bijdrage inzake de Zorgverzekeringswet ad € 2.457,--, de algemene heffingskorting ad € 1.987,--, de arbeidskorting ad € 1.574,-- en de inkomensheffing berekent de rechtbank het besteedbare inkomen van de man op € 1.883,-- per maand.

Voor de bepaling van het draagkrachtloze inkomen van de man gaat de rechtbank uit van de bijstandsnorm voor een alleenstaande van € 920,-- per maand minus de wooncomponent van € 210,-- en van de navolgende, door de vrouw niet betwiste lasten op maandbasis:

- de helft van de huur oftewel € 236,29;

- de totale premie Zorgverzekeringswet ad € 60,68, zijnde de basis- en aanvullende premie ad € 125,68 per maand te verminderen met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel premie Zvw ad € 45,-- en de zorgtoeslag waarop de man op basis van zijn inkomen als alleenstaande recht zou hebben, ambtshalve berekend op € 20,--.

Van het doorlopend krediet van de Rabobank ad € 14.000,-- neemt de rechtbank het deel in aanmerking dat de man heeft gebruikt ter aflossing van de schuld aan RVS van € 4.622,64, nu de man de noodzaak voor het aangaan van het resterende deel niet aannemelijk heeft gemaakt. Zij houdt rekening met een evenredig deel van de aflossing van € 150,-- zijnde € 50,-- per maand.

Ten aanzien van de lening van [naam] ad € 8.000,-- houdt de rechtbank rekening met het deel dat de man heeft aangewend voor de financiering van de herinrichting van zijn woonruimte. Zij stelt dat deel in redelijkheid op € 3.500,-- en de aflossing op € 87,50 per maand, nu de man het andere deel van de desbetreffende schuld is aangegaan om een auto te kopen en de man de noodzaak daartoe onvoldoende nader feitelijk heeft onderbouwd.

Van de draagkrachtruimte ad € 738,-- per maand is 70 % oftewel € 516,-- per maand beschikbaar om bij te dragen in de kosten van zowel de beide minderjarige kinderen van partijen als de beide stiefkinderen.

Aldus gerekend en rekening houdend met de persoonsgebonden lastenaftrek van € 116,-- per maand heeft de man draagkracht voor betaling van een bijdrage € 158,-- per kind per maand voor de beide minderjarige kinderen van partijen.

De man stelt dat van de vrouw mag worden verwacht dat zij zich inspant om zoveel mogelijk inkomsten te verwerven dat zij naar vermogen in de behoefte van de kinderen kan voorzien.

De vrouw moet volgens de man geacht worden zelf volledig in de kosten van de kinderen te kunnen voorzien. De vrouw betwist dat.

De vrouw heeft op de terechtzitting naar voren gebracht dat zij 15½ uur per week werkzaam is als thuishulp in de verzorging en dat zij een (gedeeltelijke) WW-uitkering heeft.

Het inkomen van de vrouw bedraagt circa € 900,-- netto per maand. Tegen die achtergrond is niet aannemelijk dat de vrouw inkomsten heeft die hoger zijn dan de bijstandsnorm voor een alleenstaande en wordt geconcludeerd dat de vrouw geen draagkracht heeft om bij te dragen in de behoefte van de kinderen.

De bijdrage van € 158,-- per kind per maand is naar het oordeel van de rechtbank in overeenstemming met de wettelijke maatstaven, zodat als volgt zal worden beslist.

De beslissing

De rechtbank:

wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 3 juni 2009 en het echtscheidingsconvenant, door partijen ondertekend op 27 februari 2009, en bepaalt dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen:

- [kind 1], geboren op [1994] in de gemeente [plaats], en

- [kind 2], geboren op [1995] te [plaats],

met ingang van 1 april 2011 de som van € 158,-- (eenhonderdachtenvijftig euro) per kind per maand aan de vrouw zal betalen, voor de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Eskes en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 mei 2011, in tegenwoordigheid van G.J. van Keulen, griffier.