Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BQ4124

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
18-02-2011
Datum publicatie
11-05-2011
Zaaknummer
06/940299-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging voor het onder 2 ten laste gelegde, nu hem ten aanzien van dit feit een geslaagd beroep op noodweer toekomt. Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde is het beroep op noodweer(exces) verworpen. Verdachte wordt voor dit feit veroordeeld tot een werkstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één jaar. Zie ook uitspraak LJN BQ3373.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/940299-10

Uitspraak d.d.: 18 februari 2011

Tegenspraak / dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te Zutphen op [1989],

wonende te [adres].

Raadsman: mr. M.G. Vos, advocaat te Utrecht.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 4 februari 2011.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in de nacht van 28 juli op 29 juli 2010, te Zutphen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer A] van het leven te beroven, met dat opzet met (een) sabel(s)/zwaard(en) en/of (een) klewang(s), althans met een scherp en metalen voorwerp, en/of een stuk hout en/of houten (honkbal)knuppel(s), althans met (een) voorwerp(en), (meermalen) met kracht op/tegen het hoofd en/of, terwijl die [slachtoffer A] op de grond lag, (meermalen) in de richting van zijn hoofd en/of (meermalen) op/tegen de arm(en) en/of op/tegen het lichaam heeft/hebben geslagen en/of gestoten en/of hem (meermalen) heeft/hebben geschopt/getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij in de nacht van 28 op 29 juli 2010, te Zutphen, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon, (te weten [slachtoffer A]), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een gebroken (onder)arm en/of een of meer gebroken en/of gekneusde ribben en/of een of meer snijwonden in/aan het gezicht), heeft toegebracht, door deze opzettelijk met

(meermalen) met (een) sabel(s)/zwaard(en) en/of (een) klewang(s), althans met een scherp en metalen voorwerp, en/of een stuk hout en/of (een) houten (honkbal)knuppel(s), althans met een voorwerp, (meermalen) met kracht op/tegen het hoofd en/of, terwijl die [slachtoffer A] op de grond lag, (meermalen) in de richting van zijn hoofd en/of (meermalen) op/tegen de arm(en) en/of op/tegen het lichaam te slaan en/of te stoten en/of hem (meermalen) te trappen/schoppen;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij in of omstreeks de nacht van 28 juli op 29 juli 2010, te Zutphen, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer A], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met (een) sabel(s)/zwaard(en) en/of (een) klewang(s), althans met een scherp en metalen voorwerp, en/of een stuk hout en/of houten (honkbal)knuppel(s), althans met (een) voorwerp(en), (meermalen) met kracht op/tegen het hoofd en/of, terwijl die [slachtoffer A] op de grond lag, (meermalen) in de richting van zijn hoofd en/of (meermalen) op/tegen de arm(en) en/of op/tegen het lichaam heeft/hebben geslagen en/of gestoten en/of hem (meermalen) heeft/hebben geschopt/getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 29 juli 2010, te Zutphen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer C] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend duidelijk zichtbaar voor die [slachtoffer C] (een) sabel(s)/zwaard(en) en/of (een) klewang(s) en/of (een) houten (honkbal)knuppel(s), althans een stuk hout, en/of een schede van een sabel/zwaard vastgehouden en/of achter die [slachtoffer C] is/zijn aangerend of gelopen en/of vervolgens in de richting van die [slachtoffer C] heeft geslagen, althans slaande beweging(en) heeft/hebben gemaakt;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Aanleiding van het onderzoek

1. Op 29 juli 2010 omstreeks 00.25 uur werd [slachtoffer A] met een sabel/zwaard en een stok geslagen. [slachtoffer C] was daarbij aanwezig.

Voornoemde [slachtoffer A] werd diezelfde nacht in het ziekenhuis aan zijn verwondingen behandeld en kon (kort) na de behandeling het ziekenhuis verlaten.

Standpunt van het openbaar ministerie

2. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde heeft de officier van justitie nog naar voren gebracht dat het slaan met sabels en trappen van de op de grond liggende [slachtoffer A] naar haar uiterlijke verschijningsvorm een poging doodslag oplevert. Verdachte en zijn broer hebben hierbij bewust en nauw samengewerkt en zijn over en weer verantwoordelijk voor elkaars geweldshandelingen.

Voor zover verdachte ten aanzien van deze feiten een beroep heeft gedaan op noodweer(exces), kan dit beroep volgens de officier van justitie evenmin slagen. Niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding dan wel een dreiging daartoe van de zijde van [slachtoffer A] en [slachtoffer C] in de richting van de familie van verdachte op het moment dat [slachtoffer A] en [slachtoffer C] bij de woning van verdachte komen. Indien de rechtbank er evenwel vanuit gaat dat op dat moment sprake was van een noodweersituatie, was deze situatie beëindigd op het moment dat [slachtoffer A] en [slachtoffer C] op de vlucht sloegen. Voorts heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat - mede gelet op het voorgaande - in ieder geval geen sprake (meer) was van een noodweersituatie op het moment dat het daadwerkelijke geweld op [slachtoffer A] werd uitgeoefend. Het door verdachte en zijn medeverdachte toegepaste geweld op [slachtoffer A] was derhalve niet gerechtvaardigd. Van noodweerexces of verschoonbaar tardief noodweer - ook indien wel zou moeten worden uitgegaan van een eerdere noodweersituatie - is geen sprake geweest. De stelling dat [slachtoffer C] met een mes aan de deur stond, vindt onvoldoende steun in andere verklaringen.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

3. Door en namens verdachte is allereerst naar voren gebracht dat hij van het onder 1 primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Daartoe is - kort samengevat - aangevoerd dat het opzet van verdachte niet was gericht op de dood van [slachtoffer A]. Bewezen kan worden verklaard dat verdachte samen met zijn broer [slachtoffer A] meerdere malen heeft geslagen en geschopt, maar dit kan hooguit gekwalificeerd worden als het medeplegen van een poging tot zware mishandeling.

Voor zover de rechtbank bewezen acht dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, heeft de verdachte aangevoerd dat hem een geslaagd beroep op (putatief) noodweer(exces) toekomt om welke reden hij moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Op het moment dat [slachtoffer A] en [slachtoffer C] bij de woning van verdachte kwamen, was er sprake van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van de zijde van [slachtoffer A] en [slachtoffer C] gericht tegen verdachte, zijn broer, zijn moeder en zijn vriendin, waartegen verdachte zich heeft mogen verdedigen. Deze noodweersituatie bleef ook voortduren nadat [slachtoffer A] en [slachtoffer C] waren weggerend, nu [slachtoffer A] steeds weer terugrende naar de moeder van verdachte. Op geen enkele wijze is bovendien gebleken dat deze situatie door verdachte is geprovoceerd en dat hij uit was op een confrontatie.

Subsidiair is namens verdachte een beroep gedaan op (putatief) noodweerexces. Verdachte heeft de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden als gevolg van een hevige gemoedsbeweging. Deze hevige gemoedsbeweging is het gevolg van de aanranding en het feit dat verdachte eerder die avond door [slachtoffer A] en [slachtoffer C] was geslagen. Het slaan van [slachtoffer A] terwijl deze op de grond lag was het onmiddellijke gevolg van het handelen van [slachtoffer A] en [slachtoffer C]. Bij verdachte bestond de vrees dat zij hem dan wel zijn naasten iets zouden aandoen. Bovendien bleef [slachtoffer A] proberen zijn moeder te pakken te krijgen.

Beoordeling door de rechtbank

4. Na een steekincident in de Lombardsteeg te Zutphen, waarbij het broertje van verdachte betrokken was en [slachtoffer B] het slachtoffer was, zijn aangever [slachtoffer A] (hierna: [slachtoffer A]) en het neefje van [slachtoffer B], aangever [slachtoffer C] (hierna: [slachtoffer C]) naar het woonadres van verdachte gegaan, te weten de [adres] te Zutphen, om naar eigen zeggen verhaal te halen over het steekincident eerder op die avond.2

5. De rechtbank gaat er bij de beoordeling van de feiten 1 en 3 allereerst vanuit dat [slachtoffer A] en [slachtoffer C], anders dan zijzelf hebben verklaard, in opgewonden en boze toestand naar de woning aan de [adres] zijn gegaan. De rechtbank neemt in dit verband onder meer in aanmerking dat [slachtoffer C] in het ziekenhuis meerdere malen riep dat de persoon die dit (het steken van [slachtoffer A]) gedaan had, hier niet mee weg zou komen en er spijt van zou krijgen.3 Voorts heeft getuige [getuige C] verklaard dat er op de deur werd gebonsd en dat - toen zij de deur had opengedaan - door [slachtoffer A] en [slachtoffer C] werd geschreeuwd.4

6. Verder gaat de rechtbank bij de beoordeling van de feiten uit van de volgende feiten en omstandigheden.

7. Op het moment dat [slachtoffer A] en [slachtoffer C] op 29 juli 2010 omstreeks 00.25 uur bij de woning van verdachte en zijn medeverdachte aankwamen, werd de voordeur - na aanbellen of hard bonzen - opengedaan door getuige [getuige C].5 Vanaf dit moment lopen de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachte enerzijds en de verklaringen van [slachtoffer A] en [slachtoffer C] anderzijds uiteen.

De lezing van verdachte en zijn medeverdachte is als volgt.

Op het moment dat [getuige C] de deur open deed, hoorden verdachte - die toen al in bed lag - en medeverdachte [medeverdachte] mensen schreeuwen.6 Medeverdachte [medeverdachte] hoorde dat hij naar buiten moest komen. Toen medeverdachte [medeverdachte] naar buiten keek, zag hij zijn moeder en [getuige C] buiten staan, tegenover [slachtoffer A] en [slachtoffer C].7 Verdachte herkende aan de stemmen dat het dezelfde jongens waren die hem eerder op die avond mishandeld hadden. Hij liep naar beneden, omdat hij het idee had dat het uit de hand ging lopen.8 Medeverdachte [medeverdachte] liep ook richting de voordeur. Medeverdachte [medeverdachte] zag dat [slachtoffer C] een mes in zijn hand hield, hetgeen hij bedreigend vond.9 Voorts verklaart verdachte dat zijn medeverdachte, voordat hij naar beneden ging, een zwaard heeft gepakt.10 Medeverdachte [medeverdachte] is met een zwaard in zijn hand en gekleed in een witte voetbalbroek naar buiten gerend.11 Toen verdachte naar beneden ging en bij de voordeur kwam, zag hij getuige [getuige C] en medeverdachte [medeverdachte] buiten staan.12

Hierop is verdachte ook naar buiten gelopen alwaar hij [slachtoffer A] en [slachtoffer C] zag staan met beiden een fiets in hun hand. Ook de moeder van verdachte stond buiten. Zij werd door [slachtoffer A] aan de kant geduwd op het moment dat zij de fiets wilde pakken.13 Verdachte werd gelijk door [slachtoffer A] aangevallen.14 Vervolgens kwam [slachtoffer A] in de richting van verdachte lopen en wilde de fiets in zijn richting gooien. Hierop is verdachte naar binnen gerend en heeft een stok - een soort Afrikaans siervoorwerp - uit de woonkamer gepakt.15 Met deze stok is hij vervolgens naar buiten gelopen. [slachtoffer A] kwam toen wederom met de fiets op verdachte af. Laatstgenoemde probeerde [slachtoffer A] op afstand te houden met de stok. Hij heeft [slachtoffer A] met de stok op de linkerzijkant van het lichaam geraakt.16 Een fiets werd in de richting van de moeder van verdachte gegooid, waarbij zij geraakt werd. Medeverdachte [medeverdachte] liep toen met het zwaard zichtbaar in de richting van [slachtoffer A] en [slachtoffer C], waarop beiden wegliepen. [slachtoffer C] liep voorop.17

[slachtoffer A] en [slachtoffer C] renden beide weg in de richting van het eind van een doodlopende straat.18 Medeverdachte [medeverdachte] ging achter hen aan. Hij was echt boos en hij heeft [slachtoffer A] toen een aantal maal geslagen.19 Medeverdachte [medeverdachte] zag dat [slachtoffer A] weer in de richting van zijn moeder liep en toen heeft medeverdachte [medeverdachte] hem met de platte kant van het zwaard op de rug geslagen, waardoor [slachtoffer A] op de grond viel.20 Ook verdachte zag dat [slachtoffer A] op een gegeven moment op de grond lag. Medeverdachte [medeverdachte] schopte hem en schold hem uit.21 Voorts werd [slachtoffer A] - terwijl deze op de grond lag - door medeverdachte [medeverdachte] meerdere malen geslagen met het zwaard en de schede en werd hij een paar maal in zijn zij geschopt.22 Medeverdachte [medeverdachte] verklaart dat hij [slachtoffer A] met de platte kant van het zwaard heeft geslagen en niet met volle kracht.23 Hij geeft voorts aan dat [slachtoffer A] steeds probeerde op te staan, maar dat hij hem bleef slaan tot [slachtoffer A] uiteindelijk bleef liggen.24 Verdachte verklaart dat hij [slachtoffer A] eenmaal met de stok geslagen heeft, maar dat hij er niet bij is geweest toen [slachtoffer A] op de grond lag.25 Medeverdachte [medeverdachte] is vervolgens weggerend en heeft het zwaard weggegooid. 26

De lezing van [slachtoffer A] en [slachtoffer C] is als volgt.

Verdachte en zijn medeverdachte trokken, nadat [getuige C] de deur had dichtgedaan, de deur open en renden naar buiten.27 De één had een knuppel in de hand en de ander een zwaard, waarmee ze [slachtoffer A] en [slachtoffer C] gelijk aanvielen.28 Volgens [slachtoffer C] begonnen verdachte en zijn medeverdachte gelijk op hen in te steken.29 Ze stormden achter elkaar op hen af met slaande bewegingen. Degene met het zwaard (zonder hoes) kwam met opgeheven zwaard op [slachtoffer A] af.30 Op het moment dat de twee jongens met de zwaarden op [slachtoffer A] en [slachtoffer C] kwamen afrennen, pakten laatstgenoemden ieder een fiets, welke zij vervolgens van zich af hebben gegooid.31 Met de fietsen wilden zij zich afweren.32 [slachtoffer C] verklaart dat hij de moeder niet heeft gezien aan de deur en dat hij ook niet heeft gezien dat [slachtoffer A] een fiets in haar richting gooide.33 Ze zijn vervolgens weggerend.34 [slachtoffer C] zag dat [slachtoffer A] achter hem liep. Toen [slachtoffer C] vervolgens weer achterom keek, zag hij dat [slachtoffer A] de andere kant op liep en dat hij geslagen werd. Toen [slachtoffer C] [slachtoffer A] wilde gaan helpen, kwam de andere jongen op [slachtoffer C] af. 35 [slachtoffer C] geeft aan dat hij zich door het hele gebeuren ernstig met de dood bedreigd voelde.36

[slachtoffer A] verklaart dat hij op enig moment op zijn hoofd geslagen werd, waardoor hij ten val kwam.37 [slachtoffer A] geeft aan dat hij op zijn zij viel en vervolgens weer een klap op zijn hoofd voelde.38 Terwijl hij op de grond lag, werd hij geslagen met het zwaard. Hij heeft zich afgeweerd met zijn armen, waardoor hij wonden aan zijn armen heeft opgelopen.39 De jongen die hem sloeg had een korte witte broek aan.40 [slachtoffer A] voelde dat er continu op hem in werd geslagen en dat hij op een gegeven moment door meerdere personen geslagen werd. Hij verklaart dat hij wel twintig keer geslagen werd en dat hij door het afweren en slaan zijn armen abnormaal dik opgezwollen waren.41

[slachtoffer C] zag dat beide jongens met het zwaard op [slachtoffer A] insloegen. [slachtoffer A] beschermde zijn hoofd door zijn armen voor zijn hoofd te houden.42 Vervolgens rende de verdachte met de witte korte broek achter [slachtoffer C] aan. [slachtoffer C] is vervolgens de [adres] uitgerend. Toen [slachtoffer C] achterom keek, zag hij dat medeverdachte [medeverdachte] terugliep en hij zag dat hij weer op [slachtoffer A] begon in te slaan. [slachtoffer C] is wederom teruggelopen, maar werd weer door medeverdachte [medeverdachte] achterna gezeten.43 [slachtoffer C] zag dat zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte] op [slachtoffer A] aan het inslaan waren.44 Nadat het slaan was opgehouden, zag [slachtoffer C] dat [slachtoffer A] bloed bij zijn hoofd had.45

8. In het ziekenhuis bleek dat [slachtoffer A] een gebroken onderarm had, mogelijke breuken aan de rechterzijde van zijn ribbenkast had. Voorts was zijn hoofd ter hoogte van zijn rechterslaap gescalpeerd.46

9. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank allereerst wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat hij samen met zijn medeverdachte [slachtoffer C] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door met de wapens - een sabel/zwaard en een houten stok met speerpunt47- in de hand uit de woning te rennen en met die wapens slaande bewegingen te maken in de richting van [slachtoffer C]. Tussen verdachte en zijn medeverdachte was op dat moment sprake van een bewuste, nauwe en volledige medewerking.

10. De rechtbank acht eveneens bewezen dat verdachte samen met zijn medeverdachte [slachtoffer A] met een sabel/zwaard en een houten stok met speerpunt heeft geslagen. Zij hebben [slachtoffer A] hierbij geraakt op het hoofd, de armen en op het lichaam. Voorts hebben zij met hetzelfde zwaard en de stok meermalen op [slachtoffer A] ingeslagen, terwijl deze op de grond lag. De verklaring van verdachte dat hij [slachtoffer A] slechts eenmaal heeft geslagen, acht de rechtbank niet geloofwaardig, gelet op de aangifte, de verklaring van getuige [slachtoffer C] en de hieronder weergegeven verklaringen van getuige [getuige D] en [getuige E]. Getuige [getuige D] zag dat een jongen geslagen werd met het zwaard en dat hij door die klap op de grond viel. Vervolgens zag hij dat beide jongens met de zwaarden op het slachtoffer insloegen. Getuige [getuige D] zag voorts dat verdachte en zijn medeverdachte wegliepen van de jongen die op de grond lag, dat ze vervolgens terugliepen en de jongen nogmaals met de wapens sloegen.48 Beide jongens sloegen met kracht toen het slachtoffer al op de grond lag. Hij werd door beide personen meerdere keren geslagen.49 Uit de verklaring van [getuige D] ter gelegenheid van zijn verhoor als getuige bij de rechter-comissaris strafzaken volgt, dat hij het gebeuren vanachter zijn slaapkamerraam op een afstand van vier meter heeft waargenomen. Ook getuige [getuige E] zag dat verdachte en zijn medeverdachte bleven slaan op de jongen toen die op de grond lag.50

11. Ter beoordeling staat vervolgens de vraag of dit handelen van verdachten als een poging tot doodslag kan worden gekwalificeerd. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald vervolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Voorts is van belang dat naar vaste rechtspraak bepaalde handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg, dat het niet anders kan, dan dat degene die de handeling verricht, de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard.

Het gedrag van verdachte en zijn medeverdachte is naar de uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht geweest op de dood van [slachtoffer A] dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte en zijn medeverdachte de kans op de dood van [slachtoffer A] hebben aanvaard. De stelling van verdachte dat hij [slachtoffer A] bewust niet op het hoofd heeft geslagen acht de rechtbank niet geloofwaardig, gelet op onder meer de verwonding die [slachtoffer A] aan zijn hoofd heeft opgelopen en diens verklaring alsmede de verklaring van getuige [slachtoffer C]. Op grond hiervan acht de rechtbank het voor poging doodslag benodigde opzet, ten minste in voorwaardelijke vorm, bewezen. Het onder 1 primair ten laste gelegde kan dan ook wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1. (primair)

hij in de nacht van 28 juli op 29 juli 2010, te Zutphen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer A] van het leven te beroven, met dat opzet met een sabel/zwaard en met een stuk hout of houten knuppel meermalen met kracht op/tegen het hoofd heeft geslagen en terwijl die [slachtoffer A] op de grond lag, meermalen op/tegen de armen en op/tegen het lichaam hebben geslagen en hem meermalen hebben geschopt/getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 29 juli 2010, te Zutphen, tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer C] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk dreigend duidelijk zichtbaar voor die [slachtoffer C] een sabel/zwaard en een stuk hout vastgehouden en achter die [slachtoffer C] zijn aangerend en vervolgens in de richting van die [slachtoffer C] hebben geslagen.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

12. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

13. Verdachte heeft ten aanzien van de feiten 1 en 2 een beroep gedaan op (putatief) noodweer(exces). Hij heeft daarbij - kort samengevat - aangevoerd dat hij zich diende te verdedigen tegen de wederrechtelijke aanranding van zijn eigen en zijn moeders lijf. Hij is daarbij vervolgens doorgeslagen in zijn verdedigingshandelingen als gevolg van een hevige gemoedsbeweging die werd veroorzaakt door de die avond eerder plaatsgevonden aanrandingen. Verdachte was doodsbang en is in paniek geraakt.

14. De officier van justitie heeft gesteld dat een beroep op noodweer(exces) niet kan slagen.

15. De rechtbank oordeelt als volgt. Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of de begane feiten waren geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.

16. De rechtbank heeft de lezingen van verdachte en zijn medeverdachte enerzijds en [slachtoffer A] en [slachtoffer C] anderzijds getoetst aan de andere zich in het dossier bevindende stukken, in het bijzonder de (onafhankelijke) getuigenverklaringen van de diverse buren, in het bijzonder de eerdergenoemde [getuige D] en [getuige E].

Daaruit leidt de rechtbank af dat verdachte en zijn medeverdachte in de woning waren op het moment dat [slachtoffer A] en [slachtoffer C] aan de deur kwamen. Zoals reeds overwogen gaat de rechtbank er vanuit dat [slachtoffer A] en [slachtoffer C] opgefokt waren op het moment dat zij bij de woning kwamen, dat zij toen op de deur hebben gebonsd en daarbij bedreigingen hebben geuit. Verdachte en zijn medeverdachte zijn derhalve in de nachtelijke uren, voor hun eigen woning, belaagd en bedreigd door [slachtoffer A] en [slachtoffer C]. Laatstgenoemden hebben ook de moeder van verdachte bedreigd. Voorts hebben zij (op enig moment) de moeder geraakt met een fiets. In die situatie, waarin verdachte en zijn medeverdachte in een aanvankelijk niet door hen gezochte confrontatie werden bedreigd, acht de rechtbank aannemelijk dat verdachte en zijn medeverdachte op dat moment gehandeld hebben in een noodweersituatie. Naar het oordeel van de rechtbank mochten verdachte en zijn medeverdachte zich op dat moment tegen deze ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding verdedigen.

17. Het pareren van deze aanranding door met een zwaard en een stok de woning uit te komen, heeft op [slachtoffer C] het beoogde resultaat gehad. Laatstgenoemde is weggerend. Gelet op het voorgaande kan de verdachte verweten bedreiging van [slachtoffer C] wettig en overtuigend bewezen worden verklaard, maar is dit feit niet strafbaar - en derhalve niet kwalificeerbaar - gelet op de door de rechtbank aanwezig geachte noodweersituatie. Verdachte zal daarom voor het onder 2 ten laste gelegde worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

18. Ook [slachtoffer A] rende weg na het zien van de wapens in de handen van verdachte en zijn medeverdachte. De rechtbank is - gelet op het vorenoverwogene - van oordeel dat het handelen van verdachte in aanvang een noodweersituatie opleverde. Op het moment dat [slachtoffer A] en [slachtoffer C] wegvluchtten, was die situatie echter beëindigd zodat verdachte op dat moment geen geslaagd beroep meer kan doen op noodweer. Het is echter, mede gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 18 mei 1993 (NJ 1993,691), nog zeer wel mogelijk dat verdachte handelde onder invloed van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande dreiging van een aanval en hetgeen eerder die avond in de binnenstad van Zutphen had plaatsgevonden.

Echter op het moment dat verdachte en zijn medeverdachte het slachtoffer naar de grond sloegen en op hem insloegen, was naar het oordeel van de rechtbank niet alleen de noodweersituatie reeds beëindigd, maar kon ook een mogelijke hevige gemoedsbeweging niet langer voortduren door de kennelijke weerloosheid van [slachtoffer A]. In dit verband neemt de rechtbank tot slot nog in aanmerking de omstandigheid dat verdachte en zijn medeverdachte op enig moment - nadat [slachtoffer A] reeds op de grond lag - van [slachtoffer A] zijn weggelopen om vervolgens weer naar hem terug te lopen en wederom op hem in slaan. Het verweer van verdachte dat sprake was van noodweerexces wordt derhalve verworpen.

19. Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf

Feit 1 primair: medeplegen van poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

20. Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

21. De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaar, waarvan 2 (twee) jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar en met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Voorts heeft hij gevorderd aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden te koppelen zoals geadviseerd door de reclassering.

22. Door en namens verdachte is geen strafmaatverweer gevoerd.

23. De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

24. De rechtbank neemt in het bijzonder in aanmerking dat verdachte zich samen met zijn broer heeft schuldig gemaakt aan een zeer ernstig geweldsdelict. Verdachte en zijn broer hebben het slachtoffer, terwijl deze op de grond lag, geslagen met een (ongeslepen) zwaard en een houten stok. De omstandigheid dat het slachtoffer daardoor niet is overleden dan wel daaraan niet meer letsel heeft overgehouden, is een gelukkige omstandigheid die geenszins aan verdachte en zijn medeverdachte is te danken. De ervaring leert dat slachtoffers van geweldsmisdrijven daarvan ook nog lange tijd de psychisch nadelige gevolgen kunnen ondervinden.

25. In het voordeel van verdachte neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte blijkens zijn justitiële documentatie niet eerder veroordeeld is voor soortgelijke feiten.

26. De rechtbank neemt in het voordeel van verdachte tevens in ogenschouw de bijzondere omstandigheden waaronder het feit is gepleegd. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het slachtoffer in de nachtelijke uren naar de woning van verdachte is gekomen, om op 'opgefokte' toon met een ander verhaal te komen halen. Doordat het slachtoffer onder deze omstandigheden naar de woning is gegaan, heeft hij kunnen verwachten dat er een reactie van de zijde van verdachte en zijn familie kon komen. Het door verdachte gepleegde geweld is voor een deel te wijten aan het gedrag van het slachtoffer zelf.

27. Tot slot heeft de rechtbank bij de strafoplegging betrokken de over verdachte opgemaakte rapporten van de reclassering, waarin onder meer het volgende is vermeld. Verdachte geeft aan dat hij geen spijt heeft van zijn daad en hij vindt dat hij zijn moeder moest verdedigen. Hij verkeerde onder invloed van alcohol. Verdachte is bereid om mee te werken aan een eventueel op te leggen reclasseringstoezicht en het volgen van gedragsinterventies. Tegelijkertijd geeft hij echter aan dat het niet nodig is om trainingen te volgen. Het recidiverisico wordt door de reclassering ingeschat als laag gemiddeld. Voorts wordt ingeschat dat er een laag/gemiddeld risico is op het onttrekken aan de voorwaarden. Verdachte lijkt gezagsgetrouw, maar hij is niet overtuigd van de noodzaak van het door de reclassering voorgestelde plan van aanpak. Geadviseerd wordt aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften van de reclassering, ook indien dit inhoudt dat hij zich zal melden bij de reclassering gedurende door de reclassering bepaalde perioden en zo frequent als de reclassering nodig acht en ook indien dit inhoudt dat hij zal deelnemen aan gedragsinterventies (een cognitieve vaardigheidstraining en een leefstijltraining).

28. Al het voorgaande in aanmerking nemend, waarbij de rechtbank in het bijzonder rekening houdt met de nog jonge leeftijd van verdachte en de omstandigheden waaronder hij het feit heeft gepleegd, acht de rechtbank een lagere straf geïndiceerd dan door de officier van justitie is gevorderd. Deze lagere straf is mede ingegeven door de beslissing dat verdachte van het onder 2 ten laste gelegde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De rechtbank acht de maximaal op te leggen aantal uren werkstraf passend en geboden. Daarnaast acht de rechtbank een forse voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

29. Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 41, 45, 47 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het onder 2 bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat verdachte voor dit feit van alle rechtsvervolging.

* verklaart het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

feit 1 primair: medeplegen van poging tot doodslag;

en verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) jaar;

* bepaalt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

* stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de reclassering, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt, ook indien dat inhoudt dat:

- hij zich binnen twee werkdagen volgend op de uitspraak zal melden bij de Reclassering Nederland, Houtwal 16d te Zutphen en zich gedurende door de reclassering bepaalde periode zal blijven melden zo frequent als de reclassering gedurende deze periode nodig acht;

- hij zal deelnemen aan de volgende gedragsinterventies, te weten een Cognitieve Vaardigheidstraining en een Leefstijltraining;

* veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;

* beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van die werkstraf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in voorarrest doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;

* heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door mrs. Ouweneel, voorzitter, Feraaune en Follender Grossfeld, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Meerdink, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 februari 2011.

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer PL2010125420, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, Team Recherche IJsselstreek, gesloten en ondertekend op 30 september 2010.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer A] (p.242) en proces-verbaal van verhoor van

[slachtoffer A] (p.250) en proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer C] (p.257) en proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige C] (p.269-271)

3 Proces-verbaal van bevindingen (p. 159)

4 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige C] (p.269-271)

5 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige C] (p. ), proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer C] (p.256-257) en proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer A] (p.250) en proces-verbaal van medeverdachte [verdachte] (p.366)

6 Processen-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] (p.366) en (p.370)

7 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] (p.382

8 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] (p.366) en (p.370)

9 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] (p.382)

10 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] (p.369)

11 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] (p.382)

12 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] (p.366) en (p.370)

13 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] (p.366)

14 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] (p.370)

15 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] (p.366) en (p.370)

16 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] (p.366)

17 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] (p.382)

18 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] (p.366)

19 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] (p.367)

20 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] (p.382)

21 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] (p.367)

22 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] (p.370) en proces-verbaal van verhoor van

verdachte [medeverdachte] (p.382)

23 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] (p.382)

24 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] (p.383)

25 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] (p.375)

26 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] (p.383)

27 Proces-verbaal van verhoor van aangever/getuige [slachtoffer A] (p.250) en processen-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer C] (p.256, 257 en 260)

28 Processen-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer C] (p.256, 257 en 260) en proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer A] (p.250)

29 Proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer C] (p.261)

30 Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer A] (p.250)

31 Processen-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer C] (p.261 en 393-394) en proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer A] (p.242)

32 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer A] (p.242)

33 Processen-verbaal van verhoor van [slachtoffer C] (p.256-257 en 393-394)

34 Processen-verbaal van verhoor van [slachtoffer C] (p.256-257 en 393-394) en proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer A] (p.242)

35 Processen-verbaal van verhoor van [slachtoffer C] (p.256-257 en 393-394)

36 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer C] (p.254)

37 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer A] (p.242 en250)

38 Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer A] (p.250)

39 Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer A] (p.242 en 250)

40 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer A] (p.242)

41 Proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer A] (p.251)

42 Proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer C] (p.261)

43 Proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer C] (p.261)

44 Proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer C] (p.261)

45 Proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer C] (p.256-257)

46 Proces-verbaal van bevindingen (p.322-323)

47 Proces-verbaal van bevindingen (p.177 en 178)

48 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige D] (p.279)

49 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige D] (p.282)

50 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige E] (p.285)