Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BQ3357

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
02-02-2011
Datum publicatie
03-05-2011
Zaaknummer
06/940341-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Daarbij is als bijzondere voorwaarde opgelegd verplicht reclasseringscontact, ook als dat een behandeling inhoudt. Verder is verdachte de bevoegdheid van het besturen van motorvoertuigen ontzegd voor de duur van 5 jaar.

Deze verdachte heeft onder invloed van alcohol in een dollemansrit geprobeerd aan de politie te ontkomen. Tijdens de achtervolging door de straten van Apeldoorn is hij rakelings langs een politieauto met daarin twee verbalisanten gereden en even later op een politieauto, met daarin één verbalisant, ingereden. De achtervolging is gestaakt omdat er sprake was van zeer gevaarlijke situaties, niet alleen voor de politie, maar ook voor de overige weggebruikers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/940341-10

Uitspraak d.d.: 2 februari 2011

Tegenspraak / dip

Na aanhouding: verschenen / oip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats op 1964],

wonende te [plaats],

thans gedetineerd in het huis van bewaring te Doetinchem.

Raadsman: F. Leemans advocaat te Apeldoorn

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 januari 2011.

De tenlastelegging

Nadat de tenlastelegging ter terechtzitting van 19 januari 2011 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 24 augustus 2010 te Apeldoorn (op de Laan van Spitsbergen) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [verbalisant A], politieagent bij het korps Noord-Oost Gelderland, en/of [verbalisant B], politieagent bij het

district Apeldoorn, van het leven te beroven, met dat opzet met zijn auto met hoge snelheid, zonder vaart te verminderen, (recht) op de (opvallende politie) auto waarin deze [verbalisant A] en/of [verbalisant B] zaten heeft ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 24 augustus 2010 te Apeldoorn (op de Laan van Spitsbergen) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een/of meerdere perso(o)n(en) genaamd [verbalisant A], politieagent bij het korps Noord-Oost Gelderland, en/of [verbalisant B], politieagent bij het district Apeldoorn, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met zijn auto met hoge snelheid, zonder vaart te verminderen, (recht) op de (opvallende politie) auto waarin deze [verbalisant A] en/of [verbalisant B] zaten heeft ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 24 augustus 2010 te Apeldoorn (op de Laan van Spitsbergen) [verbalisant A], politieagent bij het korps Noord-Oost Gelderland en/of [verbalisant B], politieagent bij het deistrict Apeldoorn, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met

zijn auto met hoge snelheid, zonder vaart te minderen, (recht) op de (opvallende politie-)auto waarin deze [verbalisant A] en/of [verbalisant B] zaten,ingereden en/of afgereden;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 24 augustus 2010 te Apeldoorn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [verbalisant C], hoofdagent van de politie regio Noord en Oost Gelderland, van het leven te beroven, met dat opzet met zijn auto met hoge snelheid op de (linker) zijkant van de (opvallende politie)auto waarin deze [verbalisant C] (aan de bestuurderskant van deze auto) zat heeft ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 24 augustus 2010 te Apeldoorn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd opzettelijk [verbalisant C], hoofdagent van de politie regio Noord en Oost Gelderland, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met zijn auto met hoge snelheid op de (linker) zijkant van de (opvallende politie)auto waarin deze [verbalisant C] (aan de bestuurderskant van deze auto) zat heeft ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 24 augustus 2010 te Apeldoorn [verbalisant C], hoofdagent van de politie regio Noord en oost Gelderland heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met zijn auto met hoge snelheid op de (linker) zijkant van de (opvallende politie-)auto waarin deze [verbalisant C] (aan de bestuurderskant van de auto) zat, ingereden en/of afgereden ;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 24 augustus 2010 te Apeldoorn als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de Vosselmanstraat te Apeldoorn, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten aan de regiopolitie Noord- en Oost-Gelderland, althans het politiekorps Noord- en Oost-Gelderland) letsel en/of schade was toegebracht (schade aan een paal(tje));

art 7 lid 1 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994

4.

hij op of omstreeks 24 augustus 2010 te Apeldoorn als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 2,1 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn;

art 8 lid 2 ahf/ond b Wegenverkeerswet 1994

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Aanleiding van het onderzoek

Twee politieagenten hebben op 24 augustus 2010 om 20.05 uur een auto achteruit zien rijden bij het politiebureau te Apeldoorn aan de Vosselmanstraat. Daarbij raakte de auto een paaltje. De auto reed weer iets naar voren en reed nogmaals achteruit, waarbij flink gas werd gegeven. De verbalisanten hebben het kenteken van de auto genoteerd, die vervolgens met hoge snelheid wegreed. Verbalisanten hebben de auto kort daarna zien staan en hebben de bestuurder willen aanspreken. Deze reed weg, waarna een achtervolging werd ingezet. Gezien de gevaarlijke situaties tijdens de achtervolging is deze op last van de Officier van Dienst gestaakt. Verdachte is nog dezelfde avond om 22.10 uur thuis aangehouden. Drie verbalisanten die bij de achtervolging betrokken zijn geweest hebben aangifte gedaan.

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van de onder 1 subsidiair, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde feiten. Zij heeft dit gebaseerd op de aangiften van de betrokken politieagenten en de processen-verbaal van bevindingen die door hen zijn opgemaakt.

Zij is van oordeel dat ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde feit er geen sprake van is geweest dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de inzittenden van de politieauto waar verdachte op afreed ten gevolge van zijn handelen zouden verongelukken, omdat de politieauto zich slechts met zijn neus op de weghelft waarop verdachte reed bevond. Risico op zwaar lichamelijk letsel zoals subsidiair ten laste is gelegd was er wel.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit is zij van oordeel dat er wel sprake is geweest dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de inzittende van de politieauto waar verdachte op afreed zou verongelukken. Subsidiair is zij van mening dat er sprake is geweest van poging tot zware mishandeling.

Ten aanzien van feit 3 is er een proces-verbaal van bevindingen en de verklaring van verdachte dat hij ergens tegenaan is gereden en vervolgens is weggereden.

Feit 4 kan bewezen worden verklaard op basis van de rapporten van het NFI waaruit blijkt dat het een gehalte van 1.59 mg/ml betrof en de verklaring van verdachte dat hij alcohol heeft gedronken en daarna is gaan rijden.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij 24 augustus 2010 te Apeldoorn één blikje bier en ongeveer tien glazen bier heeft gedronken en dat hij daarna met zijn auto heeft gereden. Hij heeft gemerkt dat hij bij het politiebureau aan de Vosselmanstraat twee keer ergens tegenaan is gereden. Hij is vervolgens weggereden. Hij heeft zijn auto kort daarna ergens geparkeerd en is, toen hij politieagenten zag naderen, geschrokken en weggereden. Wat er daarna is gebeurd kan hij zich niet herinneren. Hij kan zich pas weer wat herinneren vanaf het moment dat hij de auto ergens heeft geparkeerd en naar huis is gelopen. Hij is niet de persoon om mensen letsel toe te brengen.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit is de raadsman van oordeel dat er objectief gezien geen sprake is geweest dat verdachte is ingereden op de politieauto. Verdachte is op zijn eigen weghelft doorgereden. Er bestond voor verdachte ook geen aanleiding om op de auto in te rijden. Het staat niet vast dat [verbalisant A] de politieauto daadwerkelijk achteruit heeft gereden op de wijze waarop hij daarover heeft verklaard. Er dienen vraagtekens gezet te worden bij de juistheid van de verklaringen van [verbalisant B] en [verbalisant A]. Dit blijkt ondermeer uit de wijze waarop de band lek zou zijn geraakt tijdens het achteruitrijden. De verklaring die daarover gegeven is kan feitelijk gezien niet juist zijn.

Ten aanzien van onder 2 ten laste gelegde feit heeft de raadsman aangevoerd dat [verbalisant C] dingen heeft verklaard die hij hooguit gedacht kan hebben, maar die niet zijn gebaseerd op feiten. De verbalisant [getuige] heeft gesteld dat verdachte met een snelheid van ongeveer 70 tot 80 kilometer per uur heeft gereden, waarmee hij omgerekend ongeveer tweeëntwintig meter per seconde zou hebben gereden. Het betreffende stuk weg dat verdachte volgens de verklaring van [verbalisant C] nog moest overbruggen vanaf het moment dat deze zag dat er een blauwe auto op hem af kwam rijden, bedroeg drie meter. [verbalisant C] zou dus geen tijd hebben gehad om te reageren en achteruit te rijden. Hij verkeerde op een eerder moment in de veronderstelling dat hij zou worden aangereden en heeft de auto waarin hij zich bevond achteruit gereden. Voorts heeft de raadsman aan gevoerd dat, indien [verbalisant C] zijn auto niet zou hebben verplaatst, verdachte de keuze zou hebben gehad om zowel vóór als achter de auto langs te rijden.

De raadsman heeft geconcludeerd tot algehele vrijspraak van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Hij heeft de rechtbank voorgesteld om zonodig een schouw te gaan houden.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit heeft de raadsman aangevoerd dat er formeel sprake is van het doorrijden na een aanrijding, maar dat dit feit - gelet op de geringe schade - anders beoordeeld zou moeten worden.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde feit heeft de raadsman aangevoerd dat het onderzoek niet volgens de wettelijke voorschriften is uitgevoerd, hetgeen niet tot een veroordeling kan leiden. Er zijn fouten gemaakt met de nummering van de monsters en de uitslag van het bloedonderzoek is, ondanks dat er in het proces-verbaal staat vermeld dat deze zo spoedig mogelijk schriftelijk aan verdachte zou worden meegedeeld, ook thans nog niet schriftelijk aan verdachte meegedeeld.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1

[verbalisant A] heeft verklaard2 dat hij werkzaam is als politieagent in het district Apeldoorn. Hij was op 24 augustus 2010 werkzaam in uniform en belast met noodhulp surveillance en reed samen met zijn collega [verbalisant B]. Omstreeks 20.35 uur hoorden zij via de portofoon een urgente oproep. Hij hoorde zeggen dat een verdachte de Laan van Spitsbergen te Apeldoorn opreed, in de richting van Orden. Hij zag dat de verdachte met hoge snelheid de spoorwegovergang over kwam, in hun richting. Hij is met de neus van het voertuig een klein stukje de rijbaan van de verdachte opgereden en seinde meerdere malen met het grote licht om de verdachte tot stoppen te manen. Het optische signaal stond ook aan. Hij zag dat de verdachte met hoge snelheid op hen afkwam en seinde meerdere malen met het grote licht, om aan verdachte aan te geven dat hij moest stoppen. Hij zag dat de verdachte geen vaart minderde en met hoge snelheid rechtop hen afkwam terwijl de politieauto deels op de rijbaan stond om hem tot stoppen te manen. De afstand ten opzichte van de verdachte was zo dat de verdachte met zijn snelheid niet meer zou kunnen stoppen. Hij werd echt bang en dacht bij zichzelf dat, als hij niet zou ingrijpen, de auto tegen het dienstvoertuig aan zou rijden. De bestuurder had gemakkelijk om hen heen kunnen rijden, daar de rijbaan breed genoeg was, maar hij bleef recht op hen afrijden. Hij heeft de auto in de achteruit gezet en is achteruit gereden. De bestuurder passeerde rakelings, met extreem hoge snelheid.

Hij is ontzettend geschrokken van de handeling van de verdachte en schat diens snelheid op 90 a 100 km per uur.

[verbalisant B] heeft verklaard3 dat hij op 24 augustus 2010 werkzaam was als politieagent, gekleed was in uniform en belast met de afhandeling van meldingen in het district Apeldoorn. Hij had dienst met collega [verbalisant A]. Zij verplaatsten zich samen in een opvallend politievoertuig. Hij hoorde omstreeks 20.30 uur dat er een achtervolging plaatsvond. Politievoertuigen achtervolgden een personenauto met het kenteken [kenteken], kleur blauw, merk Honda en het type Accord, op naam gesteld van [verdachte]. Tussen 20.45 uur en 21.00 uur waren zij op de Laan van Spitsbergen te Apeldoorn en waren op zoek naar het voertuig. Op het moment dat zij op de Laan van Spitsbergen reden hoorden zij dat het voertuig van verdachte op de Laan van Spitsbergen zou rijden. Op dat moment zag hij een blauwe personenauto met hoge snelheid tegemoet komen rijden. Hij zag dat zijn collega [verbalisant A] het voertuig iets naar links reed in de richting van het tegemoet komende verkeer. Het blauwe voertuig passeerde zonder uit te wijken of af te remmen. Hij kreeg het gevoel dat de bestuurder niet wilde stoppen. Als zijn collega de auto nog verder had opgereden op de strook voor het tegemoet komend verkeer, dan had er hoogst waarschijnlijk een zware aanrijding plaats gevonden.

De verdachte heeft ter terechtzitting van 19 januari 2011 en tegenover de politie4 verklaard dat hij op 24 augustus te Apeldoorn één blikje bier en ongeveer 10 glazen bier heeft gedronken. Hij is vervolgens in zijn auto, een blauwe Honda Accord, voorzien van het kenteken [kenteken], gestapt en is bij het politiebureau aan de Vosselmanstraat ergens tegenaan gereden. Hij is vervolgens weggereden. Op het moment dat hij politieauto's met sirenes en flikkerende lampen achter zich aan zag komen is hij hard weggereden. Hij heeft bij de politie verklaard5 dat hij weet dat hij twee keer ergens over gras is gereden en dat hij ergens bijna uit de bocht is gevlogen.

Uit voornoemde bewijsmiddelen blijkt dat de verbalisanten met hun opvallende dienstauto een stukje de rijbaan op zijn gereden waarop verdachte hen op dat moment naderde. De rijbaan was echter niet zodanig versperd of geblokkeerd dat verdachte geen vrije doorgang meer had en dat hij de politieauto niet kon passeren zonder deze te raken. Naar het oordeel van de rechtbank valt daarom niet uit te sluiten dat verdachte op het laatste moment, ook indien de politieauto niet achteruit was gereden, alsnog een manoeuvre zou hebben kunnen maken om de politieauto te ontwijken, net zoals verdachte later heeft gemaakt toen hij hetzelfde voertuig met dezelfde inzittenden op de Rembrandtlaan ontweek, toen zij voor hem daar de weg blokkeerden. Naar het oordeel van de rechtbank kan derhalve niet bewezen worden verklaard dat verdachte enigerlei opzet heeft gehad om [verbalisant B] en [verbalisant A] van het leven te beroven danwel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Verdachte dient derhalve van het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde vrijgesproken te worden.

Wel is de rechtbank van oordeel dat het gebeurde onder deze omstandigheden een voor aangevers bedreigende situatie is geweest. Verdachte is immers met een aanzienlijke snelheid in de richting van de auto van [verbalisant A] en [verbalisant B] gereden en daar rakelings langs gereden. Dat dit als zodanig bedreigend ervaren is, blijkt uit de verklaringen van [verbalisant B] en [verbalisant A]. De rechtbank acht de onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde bedreiging met zware mishandeling bewezen. Voor een bewezenverklaring van een bedreiging tegen het leven gericht is onvoldoende bewijs voorhanden, nu de kans op een dodelijk ongeluk naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig aanmerkelijk was. Immers, de politieauto stond slechts met de neus op de weghelft waarop verdachte reed en zou naar alle waarschijnlijkheid bij een botsing tegen de neus gebotst zijn. Daarbij komt dat onvoldoende duidelijk is wat de snelheid van verdachte precies was.

De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de verklaringen van [verbalisant B] en [verbalisant A]. Hetgeen de raadsman over de lekke band naar voren heeft gebracht, maakt dit niet anders. Uit de verklaring van [verbalisant B] lijkt immers te volgen dat deze lekke band evenzeer kan zijn ontstaan bij naar voren rijden (in het kader van het weer achtervolgen van verdachte).

De rechtbank acht het niet noodzakelijk om ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde een schouw te gelasten, aangezien er geen discussie bestaat over de vraag hoe de betreffende wegen ten opzichte van elkaar liggen. De betreffende snelheid en precieze lokatie van de auto's kan uit een schouw niet blijken.

Feit 2

[verbalisant C] heeft verklaard6 dat hij werkzaam is als hoofdagent van politie van de regio Noord en Oost Gelderland, district Apeldoorn. Hij was op 24 augustus 2010 werkzaam in de dienst van 14.30 uur tot en met 23.00 uur. Hij reed in een opvallend politievoertuig en was gekleed in politie-uniform. Hij hoorde via de portofoon dat een blauwe auto, een Honda Accord met kenteken [kenteken], tegen een hek was gereden en is op zoek gegaan naar deze auto. Omstreeks 20.35 uur stond hij stil op de Pieter de Hoochlaan te Apeldoorn met de kruising Laan van Spitsbergen en hoorde over de portofoon dat de collega's achter de blauwe Honda Accord aanreden. Hij wist dat de auto in zijn richting aan kwam rijden. Hij keek naar links en zag met een hele hoge snelheid iets blauws aankomen, dat recht op hem af kwam. Hij reed zo hard als hij kon achteruit en zag dat het blauws een auto was en dat deze vlak voor zijn auto langs schoot. Hij kan zich herinneren dat hij zijn armen voor zijn hoofd hield, kennelijk om de klap op te vangen. De auto reed met enorme snelheid vol de stoep op reed en daarna de berm op. Hij zag direct dat het ging om de blauwe Honda Accord met het eerdergenoemde kenteken.

[getuige] heeft verklaard7 dat hij op 24 augustus 2010 om ongeveer 20.15 uur doorkreeg dat een bestuurder van een blauwe Honda Accord met het kenteken [kenteken] een aanrijding zou hebben veroorzaakt en dat er diverse collega's op zoek waren naar de auto. Hij kreeg omstreeks 20.30 uur de melding dat de auto met hoge snelheid over de Laan van Spitsbergen reed, gaande in de richting van de spoorlijn. Hij zag zijn collega [verbalisant C] voor zich staan in zijn opvallende dienstauto. [verbalisant C] stond stil op de Pieter de Hoochlaan, voor de rijbaan van de Laan van Spitsbergen. Hij zag de Honda met hoge snelheid van links komen, in de richting van het dienstvoertuig van collega [verbalisant C]. De auto remde niet af en verminderde geen snelheid. Hij zag dat collega [verbalisant C] met hoge snelheid achteruit reed teneinde een aanrijding in zijn linkerflank te voorkomen. [verbalisant C] zat links voorin. Als [verbalisant C] niet achteruit gereden was, was de Honda met zijn voorzijde tegen de linkerflank van het dienstvoertuig gereden. Hij schat dat de Honda op het moment van passeren nog zeker een snelheid van 70 a 80 km per uur reed en zag dat deze direct daarna met twee wielen over het trottoir en twee wielen over het fietspad reed. [getuige] heeft ter verduidelijking een schets8 gemaakt van de zijde waaruit hij de situatie heeft waargenomen.

[verbalisant B] heeft verklaard9 dat hij (rijdend op de Laan van Spitsbergen, richting winkelcentrum Orden, zag dat de blauwe personenauto moest remmen voor een auto die voor hem reed. Tevens zag hij dat een collega met een opvallend dienstvoertuig stil stond op de Pieter de Hoochlaan. Hij zag dat de blauwe personenauto moest afremmen en twee kanten op kon rijden. De blauwe personenauto kon linksaf om zijn voorbijganger heen of rechtsaf in de richting van de collega die stil stond op de Pieter de Hoochlaan. Hij zag dat de blauwe personenauto rechtsaf afsloeg en bijna de opvallende politieauto raakte. Hij zag dat dit met een redelijke hoge snelheid ging. Hij zag dat de blauwe auto een fietspad op reed.

De verdachte heeft tegenover de politie10 verklaard dat hij op 24 augustus te Apeldoorn één blikje bier en ongeveer 10 glazen bier heeft gedronken. Hij is vervolgens in zijn auto, een blauwe Honda Accord, voorzien van het kenteken [kenteken], gestapt en is bij het politiebureau aan de Vosselmanstraat ergens tegenaan gereden. Hij is vervolgens weggereden. Op het moment dat hij politieauto's met sirenes en flikkerende lampen achter zich aan zag komen is hij hard weggereden. Hij weet dat hij twee keer ergens over gras is gereden en dat hij ergens bijna uit de bocht is gevlogen.

Gelet op de bovenstaande verklaringen stelt de rechtbank vast dat verdachte met aanzienlijke snelheid op de Laan van Spitsbergen heeft gereden en daar vaart heeft geminderd, omdat een andere auto voor hem reed. Hij had op dat moment twee keuze mogelijkheden, te weten (linksom) de auto die voor hem reed passeren, danwel rechtsaf slaan. Verdachte heeft voor de tweede optie gekozen. Hij heeft daarbij kennelijk die bocht niet weten te houden, want hij is uiteindelijk via het fietspad terechtgekomen op de Paulus Potterstraat, terwijl als hij gewoon rechtsaf was geslagen hij op de Pieter de Hoochlaan was uitgekomen. Om de Paulus Potterstraat via het fietspad te bereiken heeft hij gereden over het weggedeelte tussen het fietspad en de Laan van Spitsbergen. Juist op die plaats stond, volgens eigen verklaring en die van [getuige], de auto van [verbalisant C]. Als [verbalisant C] zijn auto niet achteruit had gezet, zoals is verklaard door hemzelf en [getuige], dan was verdachte op [verbalisant C] ingereden. Met welke snelheid dit zou zijn gebeurd is voor de rechtbank niet meer vast te stellen, maar dat dit met aanzienlijke snelheid zou zijn geweest staat wel vast, gelet op de verklaring van [getuige] (die zicht op de situatie had vanaf de Pieter de Hoochlaan) en [verbalisant C], zelfs als rekening gehouden wordt met het afremmen van verdachte voor de voor hem rijdende auto door [verbalisant B] (die zicht op de situatie had vanaf de Laan van Spitsbergen).

De stelling van de raadsman dat [verbalisant C] de tijd niet heeft kunnen hebben om te reageren door achteruit te rijden, gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op. Gelet op de verklaring van [verbalisant B] heeft de auto van verdachte voor een andere auto moeten remmen. Dat verklaart waarom [verbalisant C] de blauwe auto van verdachte pas op korte afstand van hem heeft zien aankomen en voorts dat verdachte zijn snelheid aan het minderen was, hetgeen [verbalisant C] kennelijk, gelet op de verklaring van [getuige], de gelegenheid heeft gegeven achteruit te rijden.

Verondersteld mag worden dat verdachte geen opzet heeft gehad op het veroorzaken van een aanrijding met de politieauto van [verbalisant C], omdat hij zelf bij een dergelijke botsing ook grote risico's voor zijn eigen veiligheid zou hebben genomen. De verdachte heeft echter naar het oordeel van de rechtbank wel willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij tegen het voertuig van [verbalisant C], met [verbalisant C] als inzittende, kon botsen. De rechtbank overweegt in dit kader voorts dat voor verdachte, net als een ieder die aan het verkeer deelneemt, bekend is dat een dergelijke botsing ernstig letsel kan veroorzaken. Verdachte heeft immers, terwijl hij op de vlucht was voor de politie, terwijl hij verkeerde onder invloed van alcohol, met aanzienlijke snelheid een voor hem rijdende auto ontweken door te kiezen naar rechts rijdend de rijbaan van de Laan van Spitsbergen te verlaten in plaats van linksom de auto in te halen. Daarbij is hij in de richting van de auto van aangever [verbalisant C] gereden en doorgeschoten in de richting van een ventweg, waarbij de auto met twee wielen over het trottoir en met twee wielen over het fietspad reed. Mede omdat aangever alert reageerde en zijn auto achteruit heeft gereden, heeft verdachte hem niet geraakt. Gelet op deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank dat door dit gedrag, ook al minderde verdachte (enigszins) zijn vaart, de aanmerkelijke kans bestond dat verdachte met zijn auto de politieauto van de agent [verbalisant C] aan de bestuurderszijde zou raken en dat [verbalisant C] bij deze aanrijding zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De rechtbank overweegt dat nu de exacte snelheid van de verdachte niet meer vast te stellen is, weliswaar niet ondenkbaar is dat de aanrijding in een ongunstig geval zelfs tot de dood van het slachtoffer had kunnen leiden, maar dat de kans daarop niet zonder meer zo groot is dat deze kan aanmerkelijk moet worden genoemd. Daarom zal verdachte van het primair onder 2 tenlastgelegde worden vrijgesproken. Het onder 2 subsidiair tenlastegelegde is wel wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank acht het niet noodzakelijk om ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde een schouw te gelasten, aangezien aan de hand van de schets van [getuige] de wegsituatie al duidelijk is geworden. De betreffende snelheid en precieze locatie van de auto's kan uit een schouw niet blijken.

Feit 3

[naam] heeft aangifte11 gedaan namens de politie NOG. Er is schade ontstaan aan een paal. Agenten hebben gezien dat de bestuurder van de auto met het kenteken [kenteken] het paaltje twee keer tijdens het achteruitrijden raakte en dat hij daarna is weggereden.

De verdachte heeft ter terechtzitting van 19 januari 2011 en tegenover de politie12 verklaard dat hij op 24 augustus te Apeldoorn met auto, een blauwe Honda Accord, voorzien van het kenteken [kenteken], bij het politiebureau aan de Vosselmanstraat ergens tegenaan gereden. Hij is vervolgens weggereden.

De rechtbank acht het onder 3 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Feit 4

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij 24 augustus 2010 te Apeldoorn één blikje bier en ongeveer tien glazen bier heeft gedronken en dat hij daarna met zijn auto heeft gereden.

Er is onderzoek13 gedaan. Verdachte heeft op 24 augustus 2010 toestemming verleend tot verrichten van een bloedonderzoek en heeft daaraan ook zijn medewerking verleend. Er is bloed afgenomen. Het bloedmonster is voor onderzoek verzonden naar het NFI.

In het betreffende proces-verbaal staat op pagina 2 vermeld dat het bloedmonster is voorzien van het identiteitszegel [identiteitszegel A]. Op het voorblad van het proces-verbaal14 zijn dubbelen van de identiteitszegels geplakt, namelijk [identiteitszegel B] (analyse) en [identiteitszegel A] (Tegen Onderzoek). Gelet op de op het voorblad vermelde nummers gaat de rechtbank er vanuit dat het nummer vermeld op de 2e pagina van dat proces-verbaal een verschrijving betreft, aangezien dit nummer correspondeert met het op naam van verdachte afgenomen bloed voor contra-expertise.

Het bloedblok op naam van verdachte en voorzien van de nummers [identiteitszegel B] (Analysebuis) en [identiteitszegel A] (Tegenonderzoek) zijn op 27 augustus 2010 door het NFI omgenummerd naar [identiteitszegel C] (Analysebuis) en [identiteitszegel D] en vervolgens onderzocht. Uit het deskundigenrapport15 van het NFI van 31 augustus 2010 blijkt dat het op 26 augustus ontvangen bloedblok SIN [identiteitszegel E], bestaande uit een buisje voor analyse met het nummer SIN [identiteitszegel C] en een buisje voor contra-expertise met het nummer SIN [identiteitszegel D], is gebruikt voor analyse. Het resultaat van de analyse bedroeg 1,59 milligram ethanol per milliliter bloed.

Verbalisant [verbalisant D]16 heeft gerelateerd dat hij de verdachte schriftelijk over de uitslag heeft geïnformeerd en hem er tevens op gewezen heeft dat om een contra-expertise gevraagd kon worden.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat het onderzoek volgens de wettelijke voorschriften is uitgevoerd. Ook indien de verdachte niet schriftelijk op de hoogte zou zijn gesteld van de uitslag van het bloedonderzoek, is hij daarmee niet in zijn belangen geschaad. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zijn raadsman de strafzaak aan de hand van het dossier met hem besproken heeft en dat daarbij ook de uitslag van het bloedonderzoek is besproken. Uit dit dossier, dat op 2 december 2010 aan de raadsman is verzonden, blijkt ook dat er een bloedmonster voor contra-expertise beschikbaar is. Hoewel er alsnog om een contra-expertise verzocht had kunnen worden, is dat niet gedaan.

Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van voornoemde bewijsmiddelen niet bewezen worden verklaard dat het alcoholgehalte van verdachte de ten laste gelegde 2,1 milligram alcohol per milliliter bloed bedroeg, maar wel dat het alcoholgehalte hoger was dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed.

De rechtbank acht het onder 4 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

meer subsidiair:

hij op 24 augustus 2010 te Apeldoorn (op de Laan van Spitsbergen) [verbalisant A], politieagent bij het korps Noord-Oost Gelderland en [verbalisant B], politieagent bij het district Apeldoorn, heeft bedreigd met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met zijn auto met hoge snelheid, zonder vaart te minderen, (recht) op de (opvallende politie-)auto waarin deze [verbalisant A] en [verbalisant B] zaten, afgereden;

2.

subsidiair:

hij op 24 augustus 2010 te Apeldoorn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd opzettelijk [verbalisant C], hoofdagent van de politie regio Noord en Oost Gelderland, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met zijn auto met hoge snelheid op de linker zijkant van de opvallende politieauto waarin deze [verbalisant C] aan de bestuurderskant van deze auto zat heeft ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 24 augustus 2010 te Apeldoorn als bestuurder van een motorrijtuig door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de Vosselmanstraat te Apeldoorn, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander, te weten aan de regiopolitie Noord- en Oost-Gelderland, althans het politiekorps Noord- en Oost-Gelderland, schade was toegebracht (schade aan een paaltje);

4.

hij op 24 augustus 2010 te Apeldoorn als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, hoger dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

1. meer subsidiair: bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd;

2. subsidiair: poging tot zware mishandeling;

3. overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

4. overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994;

Strafbaarheid van de verdachte

Over verdachte is een rapport opgemaakt door drs. S. Labrijn, GZ-psycholoog, gedateerd 26 november 2010. De conclusie daarvan is dat er bij verdachte geen sprake is van psychiatrische problematiek en evenmin van een persoonlijkheidsstoornis. Wel is er sprake van alcoholmisbruik, maar niet van een verslavingsziekte. Geadviseerd wordt om verdachte volledig toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank kan zich met deze conclusie van de deskundige verenigen en zij neemt die conclusie over.

Verdachte is strafbaar, nu ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dat een ambulante behandeling en een verbod om alcohol te gebruiken inhoudt;

- een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 jaar.

Ter toelichting heeft de officier van justitie aangevoerd dat zij de verdachte de feiten, ongeacht de juridische kwalificaties die daaraan gegeven worden, erg zwaar aanrekent omdat er veel gevaar is veroorzaakt en dat er van geluk gesproken moet worden dat er geen doden zijn gevallen. Agenten die hun werk moeten doen zijn door verdachte in gevaar gebracht, maar ook andere verkeersdeelnemers liepen gevaar. Voorts heeft de officier van justitie er rekening mee gehouden dat verdachte eerder is veroordeeld voor rijden onder invloed.

De raadsman heeft verzocht om, indien de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf nodig mocht oordelen, geen langere onvoorwaardelijke straf op te leggen dan de duur die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Zonodig zou er een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opgelegd kunnen worden, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden. Verdachte is bereid die voorwaarden na te leven.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft onder invloed van alcohol met zijn auto over de weg gereden en is na een lichte aanrijding voor de politie, die hem kort daarna over die aanrijding wilde aanspreken, weggereden. Hij heeft vervolgens in een dollemansrit geprobeerd om aan de politie te ontkomen. Er volgende een achtervolging door de straten van Apeldoorn, waarbij verdachte zeer gevaarlijk rijgedrag heeft vertoond. Verdachte is rakelings langs een politieauto met daarin twee verbalisanten gereden, die door de wijze waarop hij op hen af leek te rijden, vreesden voor een aanrijding met ernstige gevolgen. Vervolgens is verdachte ingereden op een politieauto met daarin één agent. Deze agent heeft zijn dienstauto snel achteruit kunnen rijden, waardoor hij een aanrijding en zwaar letsel heeft weten te voorkomen. Dat de verbalisant geen letsel heeft opgelopen, is derhalve niet te danken aan het handelen van verdachte. De achtervolging is uiteindelijk gestaakt omdat er door het roekeloze rijgedrag van verdachte sprake was van zeer gevaarlijke situaties, niet allen voor de politie, maar ook voor overige weggebruikers, mede omdat verdachte ook over een fietspad en een trottoir is gereden. Uit de aangiftes blijkt dat het gebeuren enorme indruk heeft gemaakt op de betrokken verbalisanten.

De officier van justitie is bij haar eis uitgegaan van bewezenverklaring van "zwaardere" feiten die de rechtbank bewezen heeft verklaard. De rechtbank zal daarom een lagere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. De ernst van de feiten brengt met zich dat een gevangenisstraf van aanzienlijke duur gerechtvaardigd is. De rechtbank zal verdachte een gevangenisstraf opleggen van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Een langer onvoorwaardelijk deel had, gelet op de ernst van de feiten, niet misstaan. De rechtbank heeft echter tevens in enige mate rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte bij een langduriger gevangenisstraf zijn baan dreigt te verliezen, hetgeen verstrekkende gevolgen voor het gezin van verdachte zou hebben.

Teneinde te voorkomen dat verdachte nogmaals in de fout gaat acht de rechtbank de op te leggen voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats, teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal daarbij de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht opleggen, ook als dit inhoudt dat verdachte zich ambulant laat behandelen of een alcoholverbod.

Voorts zal de rechtbank verdachte een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen voor de duur van vijf jaren, de maximale duur die bij de bewezenverklaarde feiten 2 en 4 kan worden opgelegd. Met deze ontzegging wordt beoogd te voorkomen dat verdachte zich opnieuw op zo onverantwoorde wijze als op 24 augustus 2010 in het verkeer begeeft.

De rechtbank heeft meegewogen dat verdachte zijn rijbewijs niet nodig heeft voor zijn werk en voorts dat zij er bij de duur van het op te leggen onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf al ten voordele van verdachte rekening mee heeft gehouden dat verdachte zijn baan hierdoor (mogelijk) niet zal verliezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 45, 57, 91, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7, 8, 179 en 179a van de Wegenverkeerswet 1994.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 meer subsidiair, 2 subsidiair, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

1 meer subsidiair: bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd;

2 subsidiair: poging tot zware mishandeling;

3 overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

4 overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994;

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

* stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen die hem zullen worden gegeven door of namens de reclassering, zolang als de reclassering zulks nodig oordeelt, ook indien dat inhoudt dat verdachte zich op bepaalde momenten moet melden (meldingsgebod), dat hij moet deelnemen aan een ambulante behandeling en dat hem het gebruik van alcohol verboden wordt; de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

* geeft de reclassering opdracht de veroordeelde bij de naleving van de opgelegde voorwaarde hulp en steun te verlenen;

* beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

* ontzegt verdachte terzake het onder 2 subsidiair en 4 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 (vijf) jaren;

* heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan die van de opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Aldus gewezen door mrs. Van der Hooft, voorzitter, Gilhuis en Knoop, rechters, in tegenwoordigheid van Jansen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting

van 2 februari 2011.

Mr. Van der Hooft is buiten staat mede te ondertekenen.

Voetnoten:

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer 2010159014, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, Recherche Apeldoorn, gesloten en ondertekend op 4 november 2010.

2 Proces-verbaal van aangifte door [verbalisant A], pag. 113-117, en het door hem opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, pag. 118-121

3 Proces-verbaal van aangifte door [verbalisant B], pag. 105-108, en het door hem opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, pag. 109-110

4 Processen-verbaal van verhoor van verdachte, pag. 88-90, 91-95 en het proces-verbaal van de terechtzitting van 19 januari 2011.

5 Processen-verbaal van verhoor van verdachte, pag. 88-90, 91-95

6 Proces-verbaal van aangifte door [verbalisant C], pag. 44-48 en het door hem opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, pag. 49-50

7 Proces-verbaal van bevindingen door [getuige], pag. 52-54

8 Een als bijlage bij het proces-verbaal van bevindingen van [getuige] gevoegde situatieschets, pag. 54

9 Proces-verbaal van aangifte door [verbalisant B], pag. 105-108, en het door hem opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, pag. 109-110

10 Processen-verbaal van verhoor van verdachte, pag. 88-90, 91-95

11 Proces-verbaal van aangifte door [naam], pag. 122-125

12 Processen-verbaal van verhoor van verdachte, pag. 88-90, 91-95

13 Proces-verbaal misdrijf, pag. 168-171

14 Proces-verbaal van misdrijf, pag. 168

15 Deskundigenrapport van het NFI d.d. 31 augustus 2010, pag. 165

16 Proces-verbaal van bevindingen, pag. 171A