Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BQ2763

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
27-04-2011
Datum publicatie
27-04-2011
Zaaknummer
06/850106-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte voor het plegen van ontuchtige handelingen met twee minderjarigen in de gemeente Berkelland, welke ontuchtige handelingen mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam die twee minderjarige slachtoffers. De rechtbank legt hem een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/850106-08

Uitspraak d.d.: 27 april 2011

Tegenspraak / dnip, onip (3x)

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats, 1985],

verblijvende te [plaats] (Duitsland), [adres].

Raadsman: mr. H. Versluis, advocaat te Vriezenveen.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

van 16 juli 2010 en 13 april 2011.

De tenlastelegging

Nadat de tenlastelegging ter terechtzitting van 13 april 2011 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2008 tot en met 1 april 2008 te Neede, gemeente Berkelland, met [slachtoffer A] (geboren op [1994]), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer A], hebbende verdachte meermalen, althans eenmaal met zijn vinger(s) de vagina van die [slachtoffer A] binnengedrongen en/of meermalen, althans eenmaal de borst(en) van die [slachtoffer A] betast;

art 245 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 10 januari 2008 tot en met 19 mei 2008 te Borculo en/of te Neede, gemeente Berkelland, met [slachtoffer B], geboren [1994], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, (telkens) buiten echt een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer B], hebbende verdachte

- meermalen, althans eenmaal met zijn penis de vagina van die [slachtoffer B] binnengedrongen en/of

- meermalen, althans eenmaal met zijn vinger(s) de vagina van die [slachtoffer B] binnengedrongen en/of

- meermalen, althans eenmaal met zijn penis de mond van die [slachtoffer B] is binnengedrongen;

art 245 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Aanleiding van het onderzoek

1. Op 14 april 2008 heeft aangeefster [slachtoffer A] aangifte gedaan tegen verdachte. Op 22 april 2008 heeft [moeder slachtoffer B] namens haar dochter [slachtoffer B] aangifte tegen verdachte gedaan.

Standpunt van het openbaar ministerie

2. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangegeven dat hij uitgaat van de door verdachte bij de politie afgelegde bekennende verklaring.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

3. Namens verdachte is allereerst vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde. Hoewel verdachte dit feit destijds bij de politie heeft erkend, heeft hij die verklaring volgens zijn raadsman afgelegd omdat hij - verdachte - zo snel mogelijk naar huis wilde. Ter terechtzitting van 16 juli 2010 heeft hij ontkend aangeefster [slachtoffer A] te hebben gezoend en gevingerd. De verklaring van verdachte bij de politie kan derhalve niet voor het bewijs worden gebruikt. De verklaring van getuige [getuige A] kan volgens de verdediging evenmin voor het bewijs worden gebruikt, nu zijn verklaring een zogenoemde de-auditu verklaring betreft en de verklaring niet geheel betrouwbaar is. Daartoe is aangevoerd dat deze [getuige A] heeft verklaard dat hij van verdachte gehoord had dat hij met aangeefster [slachtoffer A] geslachtsgemeenschap had gehad en dat verdachte haar gevingerd had, terwijl aangeefster [slachtoffer A] zelf heeft verklaard dat zij geen geslachtsgemeenschap met verdachte heeft gehad.

Indien de rechtbank de door verdachte bij de politie afgelegde verklaring evenwel voor het bewijs gebruikt, dan kan in die verklaring geen bewijs worden gevonden voor het betasten van de borsten van aangeefster [slachtoffer A], aldus de verdediging. Verdachte dient derhalve van dat onderdeel te worden vrijgesproken. Het voorgaande geldt ook voor het meemalen binnendringen met de vinger van de vagina van die [slachtoffer A], nu uit de verklaring van verdachte bij de politie kan worden afgeleid dat dit slechts eenmaal is gebeurd.

Namens verdachte is naar voren gebracht dat hij het onder 2 ten laste erkend, om welke reden dit feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank gaat bij de beoordeling van de ten laste gelegde feiten uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

5. De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde als volgt.

Op 14 april 2008 heeft [slachtoffer A], geboren op [1994], aangifte tegen verdachte gedaan. Zij heeft verklaard dat zij ongeveer 5 of 6 weken geleden naar de woning van [naam A] te Neede was gegaan, alwaar verdachte ook aanwezig was.2 In de slaapkamer heeft verdachte aangeefster [slachtoffer A] aan haar arm mee naar het bed getrokken en heeft hij haar met haar schouders op het bed geduwd.3 Nadat verdachte aangeefster [slachtoffer A] over haar blote buik had gewreven, ging hij met zijn hand achter haar broek en ook achter haar onderbroek. Aangeefster [slachtoffer A] voelde toen dat verdachte met zijn vinger in haar vagina ging en dat hij met zijn vinger heen en weer ging.4 Tot slot heeft zij verklaard dat verdachte ook tussen haar borsten heeft gewreven.5

6. Verdachte heeft bij de politie erkend dat hij aangeefster [slachtoffer A] één keer gevingerd heeft en dat hij wist dat zij jonger dan 16 jaar was.6 Verdachte heeft verder verklaard dat hij aangeefster [slachtoffer A] bij die ene gelegenheid eerst over haar buik heeft gestreeld en haar heeft gekust op haar mond en in haar nek. Het strelen ging eerst over de kleding en daarna onder haar kleding. Hij heeft voorts verklaard dat hij met zijn vinger in haar vagina is geweest.7

7. Voor zover verdachte zijn bij de politie afgelegde verklaring ter terechtzitting van 16 juli 2010 heeft ingetrokken, overweegt de rechtbank als volgt. De verklaring die verdachte bij de politie heeft afgelegd is gedetailleerd en komt op details, waaronder het detail dat hij eerst over de buik heeft gewreven van voornoemde [slachtoffer A], overeen met de verklaring van die [slachtoffer A]. Bovendien wordt de verklaring van aangeefster [slachtoffer A] ondersteund door de verklaring van getuige [getuige A]. Hij heeft op 18 april 2008 bij de politie verklaard dat hij ongeveer drie weken geleden van verdachte had vernomen dat laatstgenoemde aangeefster [slachtoffer A] onder meer had gevingerd.8 De rechtbank zal verdachte gelet op het voorgaande houden aan zijn bij de politie afgelegde verklaring en zal deze dan ook voor het bewijs gebruiken.

8. Al het voorgaande in aanmerking nemend is de rechtbank dan ook van oordeel dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

9. Naar het oordeel van de rechtbank kan ook wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, waarbij zij zich baseert op de volgende bewijsmiddelen:

- de aangifte van [moeder slachtoffer B] namens [slachtoffer B]9;

- de verklaring van [slachtoffer B]10; en

- de bekennende verklaring van verdachte bij de politie11, welke verklaring hij ter terechtzitting van 16 juli 2010 heeft bevestigd.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op één tijdstip in de periode van 1 maart 2008 tot en met 1 april 2008 te Neede, gemeente Berkelland, met [slachtoffer A] (geboren op [1994]), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt ontuchtige handelingen

heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer A], hebbende verdachte eenmaal met zijn vinger de vagina van die [slachtoffer A] binnengedrongen en eenmaal de borsten van die [slachtoffer A] betast;

2.

hij op tijdstippen in de periode van 10 januari 2008 tot en met 19 mei 2008 te Borculo en/of Neede, gemeente Berkelland, met [slachtoffer B], geboren [1994], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer B], hebbende verdachte

- meermalen met zijn penis de vagina van die [slachtoffer B] binnengedrongen en

- meermalen met zijn vingers de vagina van die [slachtoffer B] binnengedrongen en/of

- meermalen met zijn penis de mond van die [slachtoffer B] is binnengedrongen.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

Feit 1: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;

Feit 2: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

10. Voor zover door de verdediging is gewezen op de mogelijke psychologische problemen en de verstandelijke beperking van verdachte en dat hij mogelijk onder invloed daarvan heeft gehandeld, overweegt de rechtbank dat zij deze stelling niet bij haar overwegingen betrekt. Daartoe acht de rechtbank van belang dat verdachte niet heeft meegewerkt aan een onderzoek van de psycholoog en daardoor geen inzicht heeft gegeven in een mogelijk aanwezige verstandelijke beperking dan wel mogelijk aanwezige psychologische problemen.

11. Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

12. De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden, waarvan 6 (zes) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar.

13. De raadsman heeft ten aanzien van een eventuele strafoplegging naar voren gebracht dat verdachte op het moment van de seksuele gedragingen geen besef had van het verboden karakter van die gedragingen. De gedragingen met aangeefster [slachtoffer B] hebben bovendien plaatsgevonden met wederzijdse genegenheid binnen een affectieve relatie. Voorts dient bij de straftoemeting rekening te worden gehouden met het feit dat de redelijke vervolgingstermijn ex artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden. Bepleit is te volstaan met het opleggen van een werkstraf van maximaal 120 (honderdtwintig) uur met eventueel daarnaast een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

14. De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

15. De rechtbank heeft in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte - destijds 23 jaar - gedurende een half jaar durende relatie met de minderjarige [slachtoffer B] frequent op volwassen wijze seks met haar heeft gehad, waarbij hij tevens het lichaam van die [slachtoffer B] is binnengedrongen. Zij was ten tijde van dit seksuele contact slechts 13 jaar oud. Door zijn handelwijze heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de persoonlijke levenssfeer van aangeefster [slachtoffer B]. Dat tussen verdachte en het slachtoffer sprake zou zijn geweest van een wederzijdse affectieve relatie, doet daar niet aan af. Immers, artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht strekt tot bescherming van de seksuele ontwikkeling van jonge mensen. De wetgever heeft daarom het plegen van seksuele handelingen tussen volwassen en kinderen beneden de zestien jaren strafbaar gesteld, ook wanneer dit met wederzijdse goedkeuring gebeurt.

Het voorgaande geldt ook voor aangeefster [slachtoffer A], die ten tijde van het seksuele contact tussen haar en verdachte ook 13 jaar oud was. Verdachte heeft eenmaal seksuele handelingen met haar gepleegd, waardoor hij inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer van aangeefster [slachtoffer A].

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan twee ernstige strafbare feiten en dergelijke strafbare feiten dienen dan ook in beginsel met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf te worden bestraft.

16. Voor zover de raadsman naar voren heeft gebracht dat strafvermindering dient plaats te vinden, nu sprake is van overschrijding van de redelijke termijn ex artikel 6 EVRM, overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van verdachte en/of zijn raadsman op het verloop van de zaak en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

De rechtbank is allereerst van oordeel dat de inverzekeringstelling van verdachte op

19 mei 2008 is aan te merken als een handeling waaraan verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem terzake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De rechtbank neemt de datum van 19 mei 2008 dan ook als aanvang van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn. In het onderhavige geval zou met inachtneming van het uitgangspunt van een duur van de redelijke termijn van twee jaar en het aanvangstijdstip 19 mei 2008, de redelijke termijn verstreken zijn op 19 mei 2010.

Het eindvonnis dateert van heden, te weten 27 april 2011. De rechtbank stelt vast dat de overschrijding van de redelijke termijn ongeveer 11 maanden is. In casu is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van uitzonderlijke omstandigheden, welke de overschrijding van de termijn van minder lange duur doen zijn, waartoe het volgende in aanmerking wordt genomen.

Op 19 mei 2008 is verdachte in verzekering gesteld. De eerste behandeling van de strafzaak ter terechtzitting zou 16 juni 2009 zijn, maar de rechtbank heeft bij vonnis van die datum de dagvaarding nietig verklaard. De dagvaarding voor de terechtzitting van

4 november 2009 is op de juiste wijze aan verdachte betekend, maar verdachte is toen niet verschenen. De rechtbank heeft de behandeling van de strafzaak ter terechtzitting toen aangehouden nu een afschrift van de gerechtelijke brief te laat aan verdachte was verzonden. Vervolgens is verdachte op 23 december 2009 opgeroepen voor een nieuwe zitting, maar deze zitting heeft evenmin doorgang gevonden nu de raadsman wegens ziekte niet kon verschijnen.

Bij brief van 13 april 2010 heeft de raadsman van verdachte aangegeven dat hij de geluidsopnamen van de verhoren van verdachte wil beluisteren en dat verdachte mee wil werken aan het opstellen van een voorlichtingsrapportage. Voorts is aangegeven dat verdachte al enige tijd niet meer op het GBA-adres in Neede woont, maar op dat moment in Duitsland woonde. Op 16 juli 2010 is er wederom een terechtzitting geweest, alwaar verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De zaak is toen inhoudelijk behandeld, maar uiteindelijk aangehouden omdat de raadsman had verzocht om het alsnog laten opmaken van een reclasseringrapport. Op 15 oktober 2010 is het reclasseringsrapport gerealiseerd. In het rapport is onder meer vermeld dat de reclassering verdachte voor het eerst op 20 juli 2010 heeft gesproken en dat nadien nog twee afspraken zijn geweest. Nu verdachte niet reageerde op de schriftelijke uitnodigingen van de reclassering, heeft de reclassering steeds aan het einde van een afspraak een vervolgafspraak gemaakt. Hoewel verdachte nog nadere informatie aan de reclassering zou verstrekken, heeft hij echter geen contact met de reclassering opgenomen. De reclassering heeft herhaaldelijk (meerdere keren per dag, meerdere dagen per week) getracht telefonisch contact met verdachte te krijgen zonder resultaat. Evenmin reageerde hij op de voicemailberichten en sms-berichten en het verzoek om terug te bellen.

Ook gedragsdeskundige Wijga heeft per brief van 13 januari 2011 aangegeven dat zij geen contact kon leggen met verdachte en heeft per brief van 22 februari 2011 aangegeven dat zij verdachte verschillende keren heeft gebeld op de door de raadsman doorgegeven telefoonnummers van verdachte. Voorts heeft zij op 15 februari 2011 een aangetekende brief naar verdachte gestuurd, waarop zij geen antwoord heeft gekregen. Daarnaast is verdachte niet op de uitnodiging om 21 februari 2011 te verschijnen, verschenen.

Uiteindelijk is de zaak op 13 april 2011 wederom op zitting aangebracht.

Uit het voorgaande stelt de rechtbank vast dat op verzoek van de verdediging één maand voor afloop van de zogenoemde redelijke termijn nog verzocht is om het laten opmaken van een reclasseringsrapport. Dat rapport is er uiteindelijk gekomen. Het psychologische onderzoek is echter niet tot stand gekomen, nu verdachte - ondanks vele pogingen van de zijde van de gedragsdeskundige - niet heeft gereageerd en niet is verschenen op de afspraak. Gelet op het voorgaande constateert de rechtbank dat een deel van de vertraging van het verloop van de onderhavige strafzaak te wijten is aan verdachte. De rechtbank zal met de overschrijding van de redelijke termijn dan ook geen rekening houden bij haar straftoemeting.

17. De rechtbank houdt bij haar straftoemeting in het voordeel van verdachte rekening met de omstandigheid dat verdachte blijkens zijn justitiële documentatie niet eerder veroordeeld is voor een soortgelijk feit.

18. De rechtbank heeft voorts in ogenschouw genomen het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 15 oktober 2010, waarin onder meer is vermeld dat verdachte sinds 2008 in Duitsland woont alwaar hij samenwoont met zijn 21-jarige vriendin en hun zoon van één jaar oud. Voorts is vermeld dat verdachte mogelijk verstandelijk beperkt is. De contacten in Nederland heeft hij verbroken toen hij naar Duitsland is vertrokken. Hij rookt regelmatig wiet, ongeveer vier keer per week. Hij geeft aan dat hij ten tijde van het ten laste gelegde ook veel heeft geblowd, ongeveer 10 tot 15 joints per dag. Verder geeft de reclassering aan dat verdachte weinig autonoom, weinig sociaal vaardig en makkelijk te beïnvloeden is. Hij lijkt van belang zijnde zaken te vermijden door niet op afspraken te komen, zijn post niet te openen en geen contact te onderhouden met instanties.

Voorts is vermeld dat verdachte zich niet altijd bewust is van oorzaak en gevolg. Het lijkt hem te overkomen, waarbij hij niet inziet dat er ook slachtoffers betrokken zijn. Door eerst te denken en dan te doen zou schade en delictgedrag kunnen voorkomen. De reclassering geeft voorts aan dat verdachte zich niet altijd bewust is van zijn strafbare handelingen en dat hij zich laat leiden door zijn eigen en vaders (soms pro-criminele) raadgevingen. Het ontbreekt verdachte aan kennis en (sociale) cognitieve vaardigheden. Hij weet inmiddels dat het strafbaar is om een relatie aan te gaan met een 13-jarige, maar hij ontkent zijn aandeel en ziet niet in dat hij als meerderjarige de verstandigste had moeten zijn. Door de reclassering werd geadviseerd om een psychologisch onderzoek uit te laten voeren naar de verstandelijke capaciteiten en de ontwikkelingen van de gewetensfunctie van verdachte. Dit onderzoek is echter niet tot stand gekomen, nu de gedragsdeskundige geen contact met verdachte heeft kunnen krijgen.

19. Al het voorgaande in aanmerking nemende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden passend en geboden is. Van deze gevangenisstraf zal een deel van 5 (vijf) maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaar, worden opgelegd, teneinde verdachte ervan te weerhouden om in de toekomst opnieuw in de fout te gaan.

20. Deze straf is lager dan door de officier van justitie geëist, nu het erop lijkt dat verdachte zijn leven thans - anders dan ten tijde van de bewezenverklaarde feiten - meer op orde heeft. Hij heeft op dit moment een gezin en woont in een andere omgeving. De rechtbank heeft hier hiermee bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf rekening gehouden. Gelet op de ernst van de feiten acht de rechtbank alleen een gevangenisstraf passend. Daarbij komt dat de rechtbank contraïndicaties ziet voor een werkstraf in de wijze van medewerken van verdachte met de voorlichtingsrapportages in het kader van deze strafzaak.

Vordering tot schadevergoeding

21. De benadeelde partij [slachtoffer B], wonende aan de [adres] (bankrekeningnummer: [nummer]) heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 2.878,60, vermeerderd met de wettelijke rente, gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde.

22. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de gehele vordering met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

23. Namens verdachte is bepleit de vordering in zijn geheel af te wijzen. Daartoe is allereerst aangevoerd dat de opgevoerde materiële kosten niet nader zijn onderbouwd met stukken van de behandelaar, waardoor niet op voorhand kan worden aangenomen dat het slachtoffer in behandeling is vanwege hetgeen zij meegemaakt heeft met verdachte. Daarnaast wordt betwist dat de benadeelde partij zoals zij stelt, verschillende verslavingen en psychische problemen heeft gekregen door toedoen van verdachte. Nu er geen bewijs is voor het causale verband tussen de geleden immateriële en de gedragingen van verdachte, dient de vordering te worden afgewezen.

24. De rechtbank overweegt als volgt. De benadeelde partij [slachtoffer B] heeft allereerst

€ 1.128,60 aan geleden materiële schade gevorderd. Dit bedrag zou volgens de toelichting bestaan uit gemaakte reiskosten voor haar therapie in Nijmegen en Neede. De rechtbank zal deze post - gelet op de betwisting daarvan en wegens het ontbreken van enige onderbouwing van de gevolgde therapieën, waardoor voor de rechtbank niet vast te stellen is wat de achterliggende oorzaken voor de therapieën waren - niet-ontvankelijk verklaren.

Voorts is door de benadeelde partij € 1.750,00 gevorderd voor geleden materiële schade. Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de bezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De rechtbank acht het gevorderde bedrag voor geleden immateriële schade redelijk en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2008.

Schadevergoedingsmaatregel

25. Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som geld ten behoeve van genoemd slachtoffer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 36f, 57 en 245 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

Feit 1 : met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;

Feit 2: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd; en verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden;

* bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 5 (vijf) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

* beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

* veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer B], wonende aan de [adres] (rekeningnummer: [nummer]) van een bedrag van € 1.750,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2008 en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* verklaart de benadeelde partij [slachtoffer B], voornoemd, voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

* legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer B] een bedrag te betalen van € 1.750,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2008, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 27 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

* bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door mrs. Gilhuis, voorzitter, Feraaune en De Bie, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Meerdink, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 april 2011.

Eindnoten

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer PL0640/08-204729, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Achterhoek, gesloten en ondertekend

op 9 juni 2008.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer A] (p.19)

3 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer A] (p.20)

4 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer A] (p.21)

5 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer A] (p.24)

6 Proces-verbaal van verhoor van verdachte (p.36)

7 Proces-verbaal van aangifte van verdachte (p.37)

8 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige A] (p.27)

9 Proces-verbaal van aangifte van [moeder slachtoffer B] namens [slachtoffer B] (p.43-47)

10 Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer B] d.d. 12 november 2009 (geen paginanummer)

11 Proces-verbaal van verhoor van verdachte (p.57-60)