Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BQ2555

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
22-02-2011
Datum publicatie
26-04-2011
Zaaknummer
119452 KG RK 11-56
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank wijst het verzoek tot wraking van rechter toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Meervoudige wrakingskamer

Rekestnummer: 119452 KG RK 11-56

Beslissing van 22 februari 2011 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van:

[verzoeker A],

en

[verzoekster B],

wonende te [plaats, adres],

verzoekers,

strekkende tot wraking van:

[rechter],

rechter-plaatsvervanger in deze rechtbank.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de wrakingsprocedure blijkt uit:

- het schriftelijk gedane verzoek van [verzoekers] van 19 januari 2011, strekkende tot wraking van [rechter], op 20 januari 2011 ingekomen bij het Kabinet President;

- de processen-verbaal van de comparitiezittingen van de kantonrechter in de zaak van [naam A] (eiser in conventie en gedaagde in reconventie), gemachtigde mr. Wolters, en [verzoekers] (gedaagde in conventie en eiser in reconventie), bekend onder zaaknummer 410412 CV EXPL 10-1237, van 2 september 2010 en 2 december 2010;

- het verweerschrift van [rechter] van 2 februari 2011;

- de schriftelijke reactie van [verzoekers] van 8 februari 2011 op het verweerschrift van [rechter];

- het proces-verbaal van de behandeling van het wrakingsverzoek ter terechtzitting van

14 februari 2011, waaruit onder meer blijkt van de verschijning van mr. Wolters en de gewraakte rechter.

2. Het wrakingsverzoek

Verzoekers stellen dat [rechter] niet onpartijdig is gebleken in de woninghuurzaak tussen partijen. Zij hebben aan het wrakingsverzoek, voor zover voor de beoordeling relevant, het volgende ten grondslag gelegd.

2.1. Verzoekers stellen dat [rechter] tijdens de eerste comparitie zonder nader onderzoek, is uitgegaan van medische informatie over [naam A] die werd verstrekt door mr. Wolters. [Rechter] zou hierbij hebben aangegeven dat zij blind zou uitgaan van de juistheid van deze informatie omdat deze door een advocaat was verstrekt. Tevens hebben verzoekers aangevoerd dat deze uitlatingen van [rechter] ontbreken in het proces-verbaal van de comparitiezitting van 2 september 2010. Verder hebben verzoekers gesteld dat [rechter] verzoekers in een poging tot verduidelijking van hun standpunt heeft afgekapt, terwijl mr. Wolters alle ruimte is gelaten.

2.2. Daarnaast hebben verzoekers aangevoerd dat [rechter] heeft nagelaten beslissingen te nemen omtrent diverse (geschil)punten. Verzoekers stellen dat [Rechter] onder meer nader onderzoek had moeten (laten) verrichten naar de problematiek van de zoon van de eiser, de stellingen van [naam A] omtrent zijn gezondheid en zorgbehoefte, de oppervlakte van beide woningen, de vervangende woonruimte en de reden voor het weigeren van buurtbemiddeling door [naam A].

2.3. Verzoekers hebben verder aangevoerd dat [rechter], ondanks dat verzoekers nadrukkelijk hadden aangegeven hier geen prijs op te stellen, heeft aangedrongen op een schikking. Het bewust sturen van [rechter] wordt door verzoekers ervaren als een gebrek aan respect voor hun standpunt en komt op verzoekers niet anders over dan het trachten te bereiken van een voor [naam A] gunstige regeling.

3. Standpunt van [rechter]

[Rechter] heeft bij schriftelijke reactie en ter zitting het verzoek tot wraking gemotiveerd weersproken. Op hetgeen zij heeft aangevoerd zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4. Ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek

4.1. De wrakingskamer overweegt dat de gronden van het op 20 januari 2011 binnengekomen wrakingsverzoek betrekking hebben op gebeurtenissen tijdens de comparitie van 2 september 2010 en 2 december 2010. Aan de orde is derhalve eerst de vraag of het wrakingsverzoek op tijd is gedaan. Ingevolge artikel 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient een wrakingsverzoek immers te worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, aan de verzoeker bekend zijn geworden.

4.2. De wrakingskamer constateert dat de onder 2.1. aangevoerde gronden zien op de comparitiezitting van 2 september 2010. Met de aan de gronden ten grondslag liggende feiten en/of omstandigheden zijn verzoekers ten tijde van deze zitting of in ieder geval na het verstrekken van het proces-verbaal hiervan bekend geworden. De wrakingskamer is gebleken dat de gewraakte uitlatingen van [rechter] omtrent de betrouwbaarheid van de door mr. Wolters verstrekte medische informatie niet in het proces-verbaal zijn opgenomen, nog daargelaten dat [rechter] bij verweerschrift en ter zitting van de wrakingskamer heeft aangevoerd dat die uitlatingen een andere inhoud en strekking hadden. Tijdens de behandeling van het wrakingsverzoek is het de wrakingskamer gebleken dat het proces-verbaal van de vorenbedoelde zitting in ieder geval vóór de zitting van 2 december 2010 aan verzoekers is verstrekt.

4.3. Gelet op het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat verzoekers, voorzover het de onder 2.1. weergegeven gronden betreft, in ieder geval vóór 2 december 2010 op de hoogte waren van de feiten of omstandigheden die zij in zoverre aan het wrakingsverzoek ten grondslag hebben gelegd. Verzoekers, die in de huurzaak van rechtskundige bijstand waren voorzien, hebben op dat moment echter geen wrakingsverzoek ingediend, noch hebben zij de thans aangevoerde gronden op de zitting van 2 december 2010 ter sprake gebracht.

4.4. De wrakingskamer is gelet op het voorgaande dan ook van oordeel dat verzoekers het wrakingsverzoek, voor zover het verzoek berust op de gronden zoals onder 2.1. weergegeven, niet tijdig hebben gedaan. De wrakingskamer zal verzoekers dan ook in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in hun wrakingsverzoek. De wrakingskamer ziet evenmin aanleiding deze gronden, die zelfstandig niet tot een geslaagde wraking kunnen leiden, indirect te betrekken bij de beoordeling van de overige wrakingsgronden. Ook om die reden worden de gronden inhoudelijk niet verder besproken

4.5. De overige door verzoekers aangevoerde gronden zien op de comparitiezitting van 2 december 2010. Nu verzoekers op deze zitting aanwezig waren, zijn zij derhalve reeds op die datum bekend geworden met de feiten en/of omstandigheden die zij mede aan het wrakingsverzoek ten grondslag hebben gelegd. Het tijdsverloop tussen die zitting en het indienen van het wrakingsverzoek staat, gezien de bijzondere omstandigheden van het geval, ontvankelijkheid niet in de weg. Gelet op de gang van zaken rondom het proces-verbaal van de zitting van 2 september 2010 zoals hiervoor onder 4.2. beschreven en met name de verschillen van mening over aldaar gedane uitlatingen, mochten verzoekers het proces-verbaal van de comparitie van 2 december 2010 afwachten alvorens hun wrakingsverzoek in te dienen. Dat proces-verbaal is door verzoekers op 17 januari 2011 ontvangen, zodat het wrakingsverzoek in zoverre tijdig is gedaan.

5. Inhoudelijke beoordeling van het wrakingsverzoek

5.1. Ingevolge artikel 36 Rv kan op verzoek van een partij een rechter die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

5.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 14 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.3. Aan het wrakingsverzoek hebben verzoekers onder meer ten grondslag gelegd dat [rechter] heeft nagelaten beslissingen te nemen omtrent diverse (geschil)punten.Tevens hebben verzoekers gesteld dat [rechter], ondanks dat verzoekers nadrukkelijk hadden aangegeven hier geen prijs op te stellen, meermalen heeft aangestuurd op een schikking

5.4. Naar het oordeel van de wrakingskamer is de klacht van verzoekers dat [rechter] tijdens de comparities ten onrechte niet heeft beslist over meerdere (geschil)punten prematuur. Het gaat immers om beslissingen die een rechter, indien en voor zover de rechter dit relevant acht, niet tijdens een comparitie van partijen maar pas bij vonnis neemt.

5.5. De wrakingskamer overweegt verder dat de wet het doel van een comparitie van partijen beschrijft, namelijk het verstrekken van inlichtingen en het beproeven van een schikking. Naar het oordeel van de wrakingskamer is het optreden van [rechter] overeenkomstig haar rol en taak als comparitierechter geweest. Haar kan niet worden verweten dat zij de mogelijkheden van een schikking heeft beproefd, ook niet in een zaak waar de standpunten van partijen ver uiteen liggen of een partij bij aanvang van de comparitie onwillig tegenover een schikking staat; hetgeen ter comparitie naar voren komt, kan verandering in dat standpunt brengen. De wrakingskamer is niet gebleken dat [rechter] daarbij onzorgvuldig heeft gehandeld. Het optreden van [rechter] brengt de wrakingskamer in zoverre dan ook niet tot de conclusie dat [rechter] jegens verzoekers vooringenomen is. Op deze punten kan het wrakingsverzoek derhalve niet slagen.

5.6. De wrakingskamer dient echter ook rekening te houden met relevante feiten of omstandigheden die zich na de indiening van het wrakingsverzoek hebben voorgedaan.

5.7. Tijdens de behandeling van het wrakingsverzoek heeft [rechter] over [verzoeker A] gezegd dat het wrakingsverzoek en de reactie van [verzoeker A] op het verweerschrift gaandeweg hebben verduidelijkt wat voor een man [verzoeker A] is. Zij heeft hierbij aangegeven al tijdens de procedure langzamerhand een indruk te hebben gekregen van [verzoeker A] als een persoon die moeilijk tevreden te stellen is, ongeacht de uitkomst en dat [verzoeker A] een persoon is die moeilijk iets anders laat gebeuren dan wat hij wil.

5.8. Naar het oordeel van de wrakingskamer heeft [rechter] zich met vorenbedoelde bewoordingen in bijzijn van de advocaat van de wederpartij in negatief kwalificerende zin uitgelaten over de persoon van één van de procespartijen. Hoewel het de wrakingskamer niet is gebleken dat [rechter] daadwerkelijk jegens verzoekers vooringenomen is, is de wrakingskamer van oordeel dat - gelet op de door [rechter] gedane uitlatingen bij de behandeling van het wrakingsverzoek zoals onder 5.9. beschreven - bij verzoekers en/of hun wederpartij een objectief gerechtvaardigde indruk kan zijn ontstaan dat [rechter] jegens verzoekers vooringenomen is. Hoewel de door verzoekers aangevoerde gronden een wrakingsverzoek niet rechtvaardigen, doen de vorenbedoelde uitlatingen van [rechter] dat wel. Het wrakingsverzoek zal gelet hierop dan ook worden toegewezen.

5.9. Nu de wrakingskamer niet gebleken is dat tot nu toe ten overstaan van [rechter] bewijs is bijgebracht, kan de behandeling van de zaak door een andere kantonrechter worden voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van het wrakingsverzoek bestond.

Beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot wraking van [rechter] toe;

- bepaalt dat de behandeling van de zaak bij de rechtbank bekend onder het nummer 410412 CV EXPL 10-1237, in de stand waarin deze zich ten tijde van het wrakingsverzoek bestond, wordt voortgezet door een andere kantonrechter.

Deze beslissing is gegeven door mr. G. Vrieze, voorzitter, mrs. C. Kleinrensink en M.C. van der Mei, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.A. Demmers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2011.

Mr. Van der Mei is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.