Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BQ2553

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
15-04-2011
Datum publicatie
26-04-2011
Zaaknummer
121376 KG RK 11/257
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank wijst het verozek tot wraking van rechter af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Meervoudige wrakingskamer

Rekestnummer: 121376 KG RK 11/257

Beslissing van 15 april 2011 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van:

[verzoeker],

wonende te [plaats],

verzoeker,

advocaat: mr. W.L.M. Fleuren, advocaat te Apeldoorn,

strekkende tot wraking van:

[rechter],

rechter in deze rechtbank.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de wrakingsprocedure blijkt uit:

- het verzoek tot wraking, mondeling gedaan ter terechtzitting van 8 april 2011, strekkende tot wraking van [rechter];

- het proces-verbaal van de behandeling van het wrakingsverzoek ter terechtzitting van

8 april 2011, waarbij [rechter], verzoeker, bijgestaan door mr. Fleuren en mr. Douwes namens Beekers Douwes Advocaten, aanwezig waren.

2. Het wrakingsverzoek

Verzoeker heeft aan het wrakingsverzoek, voor zover relevant, het volgende ten grondslag gelegd.

2.1. [Rechter] is de behandelend rechter in de procedure tussen verzoeker en de maatschap Beekers Douwes Advocaten, zijnde eisende partij in de procedure bekend onder zaaknummer 98941 HA ZA 08/1467 (hierna te noemen: eiser). Ten tijde van de comparitie op 25 mei 2009 is bij verzoeker de indruk gewekt dat [rechter] de eisende partij, mr. Douwes, goed kende. Er was sprake van informeel contact tussen [rechter] en mr. Douwes dat door verzoeker als ‘onderonsje’ is getypeerd.

2.2. Verzoeker heeft ten tijde van de comparitie op 25 mei 2009 in de zaken die door de eisende partij waren aangespannen tegen de stichtingen, waarvan verzoeker de bestuurder was, niet het woord mogen voeren, zodat hij de stichtingen niet heeft kunnen verdedigen. Hierdoor zijn bij vonnis van 5 augustus 2009 de stichtingen door [rechter] ten onrechte veroordeeld. Bij dit vonnis is aan de eisende partij een bewijsopdracht gegeven.

2.3. Verzoeker heeft verder aangevoerd dat hij tijdens de enquêtezitting van 25 februari 2010 door [rechter] niet in de gelegenheid is gesteld het woord te voeren. Verzoeker heeft niet de mogelijkheid gekregen om tegenbewijs te leveren. Verzoeker stelt het contact tussen [rechter] en mr. Douwes bij deze gelegenheid wederom als ‘onderonsje’ te hebben ervaren.

2.4. De eisende partij kon, ondanks dat zij hiertoe meerdere keren in de gelegenheid is gesteld, niet aan de bewijsopdracht voldoen. Hoewel [rechter] op grond van hetgeen door verzoeker was aangevoerd al vonnis had kunnen wijzen, werd bij tussenvonnis van 17 november 2010 de bewijslast omgedraaid.

3. Standpunt van [rechter]

[Rechter] heeft ter terechtzitting het verzoek tot wraking gemotiveerd weersproken. Op hetgeen hij heeft aangevoerd zal hierna, voor zover van belang, nader worden teruggekomen

4. Ontvankelijkheid

4.1. De wrakingskamer ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of verzoeker in zijn verzoek tot wraking kan worden ontvangen.

4.2. Ingevolge artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient het verzoek tot wraking te worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden (die aan het verzoek ten grondslag worden gelegd) aan de verzoeker bekend zijn geworden.

4.3. De gronden door verzoeker aangevoerd zien op feiten of omstandigheden die hem bekend zijn geworden op uiterlijk 17 november 2010. Pas tijdens de terechtzitting van 8 april 2011, bijna vijf maanden later, is door verzoeker een verzoek tot wraking van [rechter] ingediend.

4.4. Ter terechtzitting van de wrakingskamer heeft verzoeker aangevoerd dat hij niet eerder in de gelegenheid was om een wrakingsverzoek te doen. Hiertoe heeft verzoeker aangevoerd dat er geen advocaat bereid was om voor hem een schriftelijk verzoek in te dienen en dat hij daarom pas op de terechtzitting van 8 april 2011 zelf een mondeling verzoek tot wraking in kon dienen.

4.5. De wrakingskamer overweegt het volgende. Op grond van artikel 37, tweede lid, Rv kan een wrakingsverzoek schriftelijk worden ingediend. In de onderhavige procedure geldt dat een partij dient te worden vertegenwoordigd door een voor hem optredend advocaat. De wet maakt met betrekking tot het doen van een wrakingsverzoek geen uitzondering op deze verplichte procesvertegenwoordiging. Het schriftelijk indienen van een wrakingsverzoek diende in de onderhavige zaak dan ook door een advocaat te gebeuren, zie onder meer HR 23 maart 2004, LJN AO6270 en HR 18 december 1998, NJ 1999, 271.

4.6. Het is de wrakingskamer zowel uit hetgeen verzoeker ter terechtzitting heeft aangevoerd als uit het onderhavige dossier gebleken dat verzoeker geen advocaat bereid heeft gevonden om namens hem een schriftelijk wrakingsverzoek in te dienen. Nu verzoeker gelet op het vooroverwogene niet zelf een schriftelijk wrakingsverzoek had kunnen indienen, resteerde hem slechts de mogelijkheid om ter terechtzitting zelf, mondeling, het wrakingsverzoek in te dienen.

4.7. Ten aanzien van de gronden, voor zover deze zien op de comparitie van 25 mei 2009 en het vonnis van 5 augustus 2009 had verzoeker zijn mondelinge wrakingsverzoek reeds kunnen doen tijdens de zitting van 25 februari 2010. Nu verzoeker dit niet heeft gedaan kan niet worden gesteld dat verzoeker zijn verzoek tot wraking heeft gedaan zodra de feiten of omstandigheden (die aan het verzoek ten grondslag worden gelegd) aan hem bekend zijn geworden. Verzoeker kan in zoverre niet in zijn wrakingsverzoek worden ontvangen.

4.8. Voor zover de gronden zien op de enquêtezitting van 25 februari 2010 of op feiten en omstandigheden na deze datum, was de eerste mogelijkheid voor verzoeker om een mondeling verzoek tot wraking in te dienen de zitting van 8 april 2011. Verzoeker zal in zoverre dan ook worden ontvangen in zijn verzoek tot wraking van [rechter].

5. Beoordeling door de rechtbank

5.1. Ingevolge artikel 36 Rv kan op verzoek van een partij een rechter die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

5.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 14, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.3. Onderzocht moet worden of de door verzoeker aangevoerde gronden kunnen worden gekwalificeerd als een dergelijke uitzonderlijke omstandigheid.

5.4. Voor zover de feiten en omstandigheden die verzoeker heeft aangevoerd zien op het door hem gestelde ‘onderonsje’ tijdens de enquêtezitting overweegt de wrakingskamer het volgende. Uit het proces-verbaal van de desbetreffende zitting blijkt niet van een, zoals door verzoeker gesteld, ‘onderonsje’ tussen mr. Douwes en de gewraakte rechter. Evenmin heeft de advocaat van verzoeker, dan wel verzoeker zelf, tijdens de bedoelde zitting aanleiding gezien om over een vermeend ‘onderonsje’ opmerkingen te maken. Uit het proces-verbaal blijkt niet dat [rechter] de eisende partij, vertegenwoordigd door mr. Douwes, op enigerlei wijze heeft voorgetrokken. Tevens acht de wrakingskamer van belang dat verzoeker ter terechtzitting van de wrakingskamer heeft opgemerkt dat er niet enkel ten aanzien van mr. Douwes een onderlinge bekendheid met [rechter] was, maar ook tussen mr. Fleuren, de advocaat van verzoeker, en [rechter]. Het is de wrakingskamer dan ook niet gebleken dat er sprake is geweest van een ‘onderonsje’ zoals gesteld door verzoeker.

5.5. Ten aanzien van de stelling van verzoeker dat hij op de bedoelde zitting niet in de gelegenheid is gesteld om tegenbewijs te leveren overweegt de rechtbank dat verzoeker hiermee de procedurele gang van zaken ter terechtzitting miskent. Nu bij vonnis van 5 augustus 2009 de bewijsopdracht was verstrekt aan de eisende partij was de enquêtezitting nog niet de gelegenheid voor verzoeker om het door hem gestelde tegenbewijs te leveren. Hetgeen aan de orde was ten tijde van de zitting van 25 februari 2010 was toen de bewijslevering door de eisende partij. Niet gesteld kan worden dat [rechter] door de zitting te beperken tot het aan de orde zijnde onderwerp een vooringenomenheid jegens verzoeker koestert, noch dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd was.

5.6. Voor zover de feiten en omstandigheden zien op het tussenvonnis van 17 november 2010 overweegt de wrakingskamer het volgende. Het wijzen van een tussenvonnis is aan te merken als een procesbeslissing. Een als negatief ervaren procesbeslissing is in het algemeen geen grond voor toewijzing van een verzoek tot wraking, tenzij die beslissing zozeer onbegrijpelijk is, dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de vrees dat de rechter partijdig is dan wel jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is. Daarvan is in naar oordeel van de wrakingskamer geen sprake. Bij tussenvonnis van 17 november 2010 heeft [rechter], gemotiveerd, de eerder aan de eisende partij gegeven bewijsopdracht aan verzoeker opgedragen. Een dergelijk herstel is, hoewel door verzoeker als negatief ervaren, geen feit of omstandigheid waaruit blijkt dat de rechter een vooringenomenheid jegens verzoeker koestert, althans dat de bij een verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd was.

5.7. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat er geen sprake is geweest van uitzonderlijke omstandigheden zoals onder 5.2 bedoeld. Het verzoek tot wraking van

[rechter] dient dan ook te worden afgewezen.

5.8. Hetgeen verzoeker overigens nog heeft aangevoerd kan niet leiden tot het door hem beoogde resultaat.

6. Beslissing

De rechtbank:

6.1. verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking voor zover de gronden zien op feiten van voor 25 februari 2010;

6.2. wijst voor het overige het verzoek tot wraking van [rechter] af;

6.3. bepaalt dat de procedure, bij de rechtbank bekend onder kenmerk: 98941 HA ZA 08/1467, zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment dat het onderhavige wrakingsverzoek werd ingediend.

Deze beslissing is gegeven door mr. E.G. de Jong, voorzitter, mrs. E.J. Davids en M.J. Ouweneel, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2011 in aanwezigheid van mr. F.A. Demmers, griffier.