Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BQ2114

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
20-04-2011
Datum publicatie
21-04-2011
Zaaknummer
10/1142 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beeindiging en terugvordering uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand. Gemeente is niet bevoegd om algemene bijstand terug te vorderen maar de Sociale Verzekeringsbank, gelet op de datum van het primaire besluit. Beroep gegrond. Met betrekking tot de bijzondere bijstand heeft verweerder onvoldoende onderzocht of betrokkene beschikt over vermogen in de vorm van een woning in Hongarije.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: 10/1142 WWB

Uitspraak in het geding tussen:

[eiseres]

te [plaats],

eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 maart 2010 heeft verweerder de aan eiseres verleende uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb) over de periode van 1 maart 2004 tot en met

31 oktober 2009 ingetrokken en met ingang van 9 maart 2010 beëindigd. Tevens is de als gevolg van deze intrekking ten onrechte verstrekte bijstand, in totaal een bedrag van

€ 17.319,62, van eiseres teruggevorderd.

Verweerder heeft het daartegen gemaakte bezwaar bij besluit van 27 mei 2010 (hierna: het bestreden besluit) onder aanpassing van de periode van intrekking (te weten naar een periode van 1 maart 2004 tot 9 maart 2010) ongegrond verklaard.

Eiseres heeft beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 17 maart 2011, waar eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door S.J.R. van Zuiddam.

2. Overwegingen

2.1 In artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wwb is bepaald dat het College verantwoordelijk is voor het verlenen van bijstand aan personen hier te lande die in zodanige omstandigheden verkeren of dreigen te geraken dat zij niet over de middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

Ingevolge het bepaalde in het zesde lid, van artikel 7, van de Wwb, is het eerste lid, aanhef en onderdeel b, niet van toepassing indien het verlenen van bijstand op grond van artikel 47a, eerste lid, tot de taak van de Sociale Verzekeringsbank behoort.

Ingevolge het bepaalde in artikel 47a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb, heeft de Sociale Verzekeringsbank tot taak het verlenen van algemene bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen aan alleenstaanden en alleenstaande ouders van 65 jaar of ouder, hier te lande die in zodanige omstandigheden verkeren of dreigen te geraken dat zij niet over de middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

Ingevolge het bepaalde in artikel 78i, eerste lid van de Wwb, geldt een besluit van het college tot verlening van algemene bijstand aan een persoon als bedoeld in artikel 47a, eerste lid, dat is genomen vóór de datum van inwerkingtreding van paragraaf 5.4, met ingang van die datum als genomen door de Sociale verzekeringsbank op grond van paragraaf 5.4.

Ingevolge het bepaalde in artikel 78j, eerste lid, van de Wwb blijft het college dat vóór de datum van inwerkingtreding van paragraaf 5.4 ten aanzien van een persoon als bedoeld in artikel 47a, eerste lid, een vordering heeft in verband met terugvordering of verhaal van kosten van bijstand anders dan in verband met het recht op algemene bijstand, waarop artikel 78i van toepassing is, indien die vordering nog niet geheel is voldaan, bevoegd die vordering te innen.

Ingevolge het bepaalde in artikel 78k, eerste lid, van de Wwb, gaan rechten en verplichtingen die voortvloeien uit een door het college vóór de datum van inwerkingtreding van paragraaf 5.4 verstrekte geldlening of borgtocht op grond van artikel 48, 50 en 78c aan een persoon als bedoeld in artikel 47a, eerste lid, die na die datum wordt voortgezet, over op de Sociale verzekeringsbank.

Ingevolge het bepaalde in artikel 78l, eerste lid, van de Wwb blijft het college dat vóór de inwerkingtreding van paragraaf 5.4 ten aanzien van een persoon als bedoeld in artikel 47a, eerste lid, een besluit in verband met de verlening van algemene bijstand heeft genomen waartegen een bezwaarschrift is ingediend dan wel nog kan worden ingediend, bevoegd op het bezwaar te beslissen.

In het tweede lid van artikel 78l van de Wwb is bepaald dat in een geding in beroep en hoger beroep, gericht tegen een besluit ten aanzien van een persoon als bedoeld in artikel 47a, eerste lid, genomen vóór de inwerkingtreding van paragraaf 5.4 of gericht tegen een besluit als bedoeld in het eerste lid, het college partij blijft en voor het college hoger beroep in verband met deze besluiten openstaat.

In het derde lid van artikel 78l van de Wwb is bepaald dat onverminderd het eerste en tweede lid de Sociale verzekeringsbank in een bestuursrechtelijk geding tussen het college en een persoon, bedoeld in artikel 47a, eerste lid, in de plaats van het college kan treden, zonder dat daarvoor een betekening nodig is en met overneming van procureurstelling onderscheidenlijk aanwijzing van een gemachtigde, indien de Sociale verzekeringsbank vóór de inwerkingtreding van paragraaf 5.4 mandaat is verleend door het college ten aanzien van besluiten over de verlening van algemene bijstand aan personen als bedoeld in artikel 47a, eerste lid.

In artikel 17, eerste lid, van de Wwb is bepaald dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Ingevolge artikel 54, derde lid, van de Wwb is het college bevoegd een besluit tot toekenning van bijstand in te trekken indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb kan het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terugvorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

2.2 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 1 juli 2004 is aan eiseres met ingang van 1 maart 2004 een uitkering ingevolge de Wwb naar de norm voor een alleenstaande van 65 jaar of ouder toegekend. Het vrij te laten vermogen is hierbij vastgesteld op € 3.384,25.

Naar aanleiding van een door eiseres in maart 2009 ingevuld en ondertekend formulier betreffende een inkomens- en vermogensonderzoek van de Sociale Verzekeringsbank, heeft verweerder een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan eiseres verleende bijstand. De bevindingen van dit onderzoek zijn vastgelegd in het rapport van 17 december 2009.

Op grond van de resultaten van voormeld onderzoek heeft verweerder bij besluit van 9 maart 2010 de bijstand van eiseres over de periode 1 maart 2004 tot en met 31 oktober 2009 ingetrokken, het recht op bijstand per 9 maart 2010 beëindigd en de kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van in totaal € 17.319,62 teruggevorderd. Verweerder heeft hierbij aangegeven dat laatstgenoemd bedrag bestaat uit € 13.072,55 aan algemene bijstand,

€ 1.155, 60 aan bijzondere bijstand en een bedrag van € 3.091,77 aan teveel van de Sociale Verzekeringsbank ontvangen uitkering.

2.3 Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd en zich daarbij op het standpunt gesteld dat de intrekking van het recht op bijstand ook betrekking heeft op de periode van 31 oktober 2009 tot 9 maart 2010. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiseres haar inlichtingenplicht heeft geschonden nu zij eerst in maart 2009 melding heeft gemaakt van het feit dat zij sinds 1995 eigenares is van een woning in Hongarije. Uitgaande van de niet door eiseres bestreden waarde van deze woning van € 60.000,-, heeft eiseres gedurende de ter beoordeling staande periode de beschikking gehad over vermogen, hetgeen hoger was dan haar vrij te laten vermogen.

2.4 Eiseres heeft in beroep (kort samengevat) aangevoerd dat zij de woning van haar ouders heeft geërfd. Haar moeder heeft destijds, in ruil voor verzorging, afgesproken dat haar vriendin levenslang in de woning mag wonen, hetgeen op 2 juni 2009 in een Hongaarse notariële akte is vastgelegd. Deze inmiddels 72-jarige vriendin betaalt enkel de gebruikerskosten en het nodige onderhoud aan de woning. Eiseres ontvangt derhalve geen inkomen uit de woning. Voorts is de woning minder waard dan verweerder stelt, aangezien de woning momenteel door een ander wordt bewoond en niet is aangesloten op de riolering, aldus eiseres.

2.5 De rechtbank overweegt met betrekking tot verweerders bevoegdheid om tot terugvordering, verrekening en invordering van de aan eiseres over de periode 1 maart 2004 tot en met 9 maart 2010 toegekende algemene bijstand over te gaan als volgt.

Per 1 januari 2010 behoort blijkens het bepaalde in de artikelen 7, zesde lid, en 47a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb, het verlenen van algemene bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen aan onder meer alleenstaanden van 65 jaar of ouder niet meer tot de taak van het College, maar tot de taak van de Sociale Verzekeringsbank. De bevoegdheid tot het verlenen van bijzondere bijstand is daarentegen niet overgedragen aan een ander bestuursorgaan en behoort derhalve ongewijzigd tot de taak van het College.

Naar het oordeel van de rechtbank brengt het voorgaande met zich dat, nu zowel het primaire besluit als het bestreden besluit na 1 januari 2010 door verweerder is genomen, voor zover deze besluitvorming ziet op de algemene bijstand, sprake is van onbevoegd genomen besluiten. Hierbij overweegt de rechtbank dat verweerder zijn bevoegdheid niet kan ontlenen aan het door de wetgever in de artikelen 78i tot en met 78l van de Wwb geformuleerde overgangsrecht. Dit overgangsrecht betreft immers enkel de situaties waarbij besluitvorming door het College heeft plaatsgevonden vóór de datum van inwerkingtreding van paragraaf 5.4, te weten 1 januari 2010.

Voor wat betreft de algemene bijstand was verweerder derhalve niet bevoegd het bestreden besluit te nemen. In zoverre is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit reeds hierom voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank zal het primaire besluit van 9 maart 2010, nu dat besluit voor zover betrekking hebbend op de algemene bijstand eveneens onbevoegd is genomen, in zoverre herroepen.

2.6 Met betrekking tot verweerders besluitvorming ten aanzien van de bijzondere bijstand overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat het besluit tot intrekking van de bijstand een voor eiseres belastend besluit is, hetgeen betekent dat het op de weg van verweerder ligt om aannemelijk te maken dat eiseres in de in geding zijnde periode beschikte of redelijkerwijs kon beschikken over een vermogen boven de voor haar geldende grens van het vrij te laten vermogen. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder er niet in geslaagd dat bewijs te leveren. De rechtbank acht hierbij van belang dat verweerder geen onderzoek heeft gedaan naar de mogelijkheden van eiseres om de haar in eigendom toebehorende woning in Hongarije feitelijk aan te wenden om in de noodzakelijke kosten van haar bestaan te kunnen voorzien. Onder vermogen in de zin van de Wwb wordt immers verstaan de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin bij de aanvang van de bijstandsverlening beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de op dat tijdstip aanwezige schulden. Naar vaste rechtspraak (onder meer Centrale Raad van Beroep d.d. 7 september 2009, LJN: AY8953) moet de term beschikken zo worden uitgelegd dat hij ziet op de mogelijkheid van een belanghebbende om de bezitting feitelijk aan te wenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien.

Gelet op de zich onder de gedingstukken bevindende notariële akte, alsmede gelet op de stelling van eiseres dat haar moeder bij haar overlijden in 1997 heeft bepaald dat een vriendin kosteloos in het huis mag blijven wonen, dient verweerder te onderzoeken in hoeverre de woning - al dan niet in bewoonde staat - kan worden verkocht en zo ja, wat de verkoopwaarde in een dergelijke situatie is. Nu zodanig onderzoek niet heeft plaatsgevonden betekent dit dat het bestreden besluit, zowel voor wat betreft de algemene als de bijzondere bijstand, wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb, (ook) om deze reden niet in stand kan blijven.

Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Met betrekking tot de bijzondere bijstand zal de rechtbank verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.7 Niet is gebleken dat eiseres proceskosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit van 9 maart 2010, voor zover betrekking hebbend op de algemene bijstand, en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- draagt verweerder op met betrekking tot de bijzondere bijstand een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 41,- aan eiseres vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.S. de Vries, voorzitter, en mrs. E.J.J.M. Weyers en

G. Edelenbos, leden. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 april 2011.