Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BQ1802

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
19-04-2011
Datum publicatie
19-04-2011
Zaaknummer
121356 KG RK 11/248
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank wijst het verzoek tot wraking van rechter af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Integraal jeugdbeleid 2011/248
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Meervoudige wrakingskamer

Rekestnummer: 121356 KG RK 11/248

Beslissing van 19 april 2011 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van:

[verzoeker],

wonende te [plaats, adres],

verzoeker,

strekkende tot wraking van:

[rechter],

rechter in deze rechtbank.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de wrakingsprocedure blijkt uit:

- het wrakingsverzoek d.d. 29 maart 2011, ingekomen bij de griffie van deze rechtbank op 4 april 2011;

- de schriftelijke aanvulling op het verzoek tot wraking d.d. 30 maart 2011ingekomen bij de griffie van deze rechtbank op 4 april 2011;

- het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken van 29 maart 2011, betreffende de behandeling ter terechtzitting in de zaak met zaaknummer 120028 JE RK 11/141.

- het schriftelijke verweer van [rechter] d.d. 11 april 2011;

- het proces-verbaal van de behandeling van het wrakingsverzoek ter terechtzitting van

12 april 2011, waarbij verzoeker aanwezig was.

2. Het wrakingsverzoek

Verzoeker heeft aan zijn wrakingsverzoek, voor zover relevant, de volgende gronden ten grondslag gelegd.

2.1. Tijdens de zitting van 29 maart 2011 in de zaak met zaaknummer 120028 JE RK 11/141 heeft [rechter] verzoeker niet in de gelegenheid gesteld het woord te voeren. De pleitaantekeningen die verzoeker wilde overleggen werden door de rechter geweigerd. [rechter] had verzoeker in de gelegenheid moeten stellen zelf het woord te voeren en voor zijn zaak te pleiten.

2.2. Tijdens de zitting stond verzoeker tegen over een drietal tegenpartijen, waaronder de Raad voor de Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg. [rechter] heeft tijdens de zitting het woord gegeven aan een niet-procespartij, namelijk de Raad voor de Kinderbescherming.

2.3. [rechter] heeft daarnaast juridisch advies verstrekt aan één proces-partij, namelijk Bureau Jeugdzorg. Dit is toerekenbaar laakbaar, omdat verzoeker, als de andere procespartij, geen advies kreeg, niet vertegenwoordigd was en als benadeelde partij was te kwalificeren. [rechter] had ook aan verzoeker juridisch advies moeten geven of zich moeten onthouden van advies aan Bureau Jeugdzorg.

2.4. Verder heeft verzoeker aangevoerd dat Bureau Jeugdzorg reeds op de dag van de zitting de uitspraak van de rechter heeft gecommuniceerd aan derden, terwijl de uitspraak pas zeven dagen na de zitting zou volgen. Bureau Jeugdzorg beschikte op de dag van de zitting dus al over de uitspraak, die pas een week later zou volgen.

2.5. Voor een verzoek van Bureau Jeugdzorg hanteert [rechter] ook een andere termijn voor het doen van uitspraak dan voor een verzoek van verzoeker. Voor het doen van de uitspraak in het beroep van verzoeker had [rechter] vier weken nodig, voor het beoordelen van het verzoek van Bureau Jeugdzorg had [rechter] slechts één week nodig.

2.6. Tot slot heeft verzoeker aangevoerd dat de uitspraken van Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming door [rechter] zonder enige toets voor waar, juist, volledig en tijdig worden aangenomen. De rechter heeft nagelaten om aan waarheidsvinding te doen.

2.7. Uit deze feiten of omstandigheden blijkt dat [rechter] een vooringenomenheid koestert jegens verzoeker.

3. Standpunt van [rechter]

[rechter] heeft het verzoek tot wraking gemotiveerd weersproken bij verweerschrift van 11 april 2011. Op hetgeen zij heeft aangevoerd zal hierna, indien van belang, nader worden teruggekomen.

4. Ontvankelijkheid

4.1. De wrakingskamer ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of verzoeker in zijn verzoek tot wraking kan worden ontvangen.

4.2. Ingevolge artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan op verzoek van een partij een rechter die een zaak behandelt, worden gewraakt.

4.3. Uit de aard en het doel van wraking volgt dat een wraking betrekking moet hebben op een met name genoemde rechter. Door verzoeker is tijdens de behandeling van het verzoek tot wraking gesteld dat het verzoek niet enkel ziet op [rechter], maar dat zijn verzoek ook ziet op ‘de rechter als instituut’. Verzoeker heeft aangegeven dat hij hiermee doelt op de gehele gang van zaken in familierechtelijke kwesties, zoals de behandeling achter gesloten deuren, de wijze waarop Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming onderzoek doen en hun rapporten opstellen en de rechter onjuist voorlichten. Gelet op de aard en het doel van wraking is het wraken van ‘de rechter als instituut’ niet mogelijk. Verzoeker zal in zoverre dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoek tot wraking.

5. Beoordeling door de rechtbank

5.1. Ingevolge artikel 36 Rv kan op verzoek van een partij een rechter die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

5.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 14, eerste lid van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.3. Onderzocht moet worden of de door verzoeker aangevoerde gronden kunnen worden gekwalificeerd als een dergelijke uitzonderlijke omstandigheid. De wrakingskamer overweegt hiertoe het volgende.

5.4. Ter terechtzitting is het aan de rechter om de orde en de gang van zaken ter terechtzitting te bepalen en te handhaven. Het is aan de rechter om te bepalen op welke wijze een procespartij in de gelegenheid wordt gesteld het woord te voeren. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 maart 2011 blijkt dat verzoeker wel degelijk in de gelegenheid is gesteld het woord te voeren, zij het niet zoals verzoeker zelf voor ogen had. Uit de wijze waarop [rechter] verzoeker in de gelegenheid heeft gesteld het woord te voeren kan niet worden geconcludeerd dat het hem onmogelijk is gemaakt voor zijn zaak te pleiten. Het niet mogen overhandigen van zijn pleitnota doet hier niet aan af. Evenmin kan hier uit blijken dat [rechter] een vooringenomenheid koestert jegens verzoeker, dan wel dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees hiertoe objectief gerechtvaardigd is.

5.5. Het is de wrakingskamer niet gebleken dat Bureau Jeugdzorg reeds op de dag van de zitting de beschikking had over de uitspraak in de onderhavige zaak. Het was ook niet mogelijk dat Bureau Jeugdzorg over deze uitspraak beschikte, de uitspraak zou immers pas op 7 april 2011 worden gedaan en is, in verband met het onderhavinge wrakingsverzoek, tot op heden nog niet gedaan. De mededelingen die Bureau Jeugdzorg heeft gedaan aan derden over de - mogelijke - inhoud van de nog te volgen uitspraak zijn geheel voor rekening van Bureau Jeugdzorg en kunnen niet aan [rechter] worden toegerekend.

5.6. De stelling van verzoeker dat Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming ‘tegenpartijen’ zijn, berust op een onjuiste aanname van verzoeker. Op grond van het bepaalde in afdeling 3, titel 13 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Wet op de jeugdzorg, hebben de Raad voor de Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg mede tot taak de rechter te adviseren. In zoverre kan - en mag - een rechter aan deze instanties advies vragen en kunnen zij ook tijdens een zitting het woord voeren. Het geven van het woord aan een van deze instanties is dan ook geen feit of omstandigheid waaruit zou kunnen blijken dat [rechter] een vooringenomenheid koestert jegens verzoeker, dan wel dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees hiertoe objectief gerechtvaardigd is.

5.7. Door verzoeker is gesteld dat [rechter] voor verzoeken van Bureau Jeugdzorg een andere termijn voor het doen van uitspraak hanteert dan ten aanzien van eisers verzoeken. De wrakingskamer is van oordeel dat uit het hanteren van verschillende termijnen, los van het feit dat deze termijnen wettelijk niet onjuist zijn, niet blijkt dat [rechter] jegens verzoeker vooringenomen is, dan wel dat de vrees hiertoe objectief gerechtvaardigd is.

5.8. Evenmin volgt de wrakingskamer verzoeker in zijn betoog dat [rechter] Bureau Jeugdzorg van advies heeft gediend en ten onrechte heeft nagelaten verzoeker te adviseren en hem - zo begrijpt de wrakingskamer – in bescherming te nemen tegen Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming. [rechter] heeft, zoals ook weergegeven in haar verweerschrift, niet meer gedaan dan bij beschikking van 18 januari 2011 te oordelen dat de Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland niet de juiste procedure had gevolgd en een verzoekschrift bij de rechtbank in had moeten dienen. Dit betreft een inhoudelijke rechterlijke beslissing en geen advisering waaruit vooringenomenheid zou kunnen blijken.

5.9. Door verzoeker is tot slot gesteld dat de rechter de uitspraken van Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming zonder enige toets voor waar, juist, volledig en tijdig heeft aangenomen. Dat dit het geval is of zou zijn is de wrakingskamer niet gebleken: [rechter] heeft immers nog geen uitspraak gedaan in de onderhavige zaak en heeft zich in die zin nog niet uitgelaten over de waarde die zij hecht aan de uitspraken van deze instanties.

5.10. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat er, noch gelet op de afzonderlijke gronden, noch gelet op de gronden in hun onderlinge samenhang bezien, sprake is geweest van uitzonderlijke omstandigheden zoals onder 5.2 bedoeld. Het verzoek tot wraking van [rechter] zal dan ook in zoverre worden afgewezen.

6. Beslissing

De rechtbank:

6.1. verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking voor zover zijn wraking ziet op de rechter als instituut;

6.2. wijst het verzoek tot wraking [rechter] voor het overige af;

6.3. bepaalt dat de procedure, bij de rechtbank bekend onder zaaknummer 120028 JE RK 11/141, zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment dat het onderhavige wrakingsverzoek werd ingediend.

Deze beslissing is gegeven door mr. J.B. de Groot, voorzitter, mrs. C. Kleinrensink en Tj. Gerbranda, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 19 april 2011 door de voorzitter, in aanwezigheid van mr. F.A. Demmers, griffier.

Mr. Kleinrensink is buiten staat deze beslissing te ondertekenen