Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BQ1787

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
19-04-2011
Datum publicatie
19-04-2011
Zaaknummer
06/460451-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt verdachte tot een voorwaardelijke gevangenis straf van 12 maanden en een schadevergoeding aan slachtoffers (Uitspraak medeverdachte BQ1804).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/460451-09

Uitspraak d.d.: 19 april 2011

Tegenspraak / dip - oip - oip - onip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte A],

geboren te [plaats op 1984],

wonende te [plaats, adres],

raadsman: mr. A.D. Kloosterman, advocaat te Amsterdam.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 5 april 2011, 9 april 2010 en 9 februari 2010.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 5 december 2009 tot en met 6 december 2009

in de gemeente Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] en/of [slachtoffer C] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of

beroofd gehouden,

immers heeft (hebben) hij verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s)

opzettelijk wederrechtelijk

- voornoemde personen laten plaatsnemen op de achterbank van een auto en/of

- voornoemde personen vervoerd in die auto en/of naar een afgelegen locatie in

het bos vervoerd en/of

- tijdens deze autorit een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp,

getoond en/of doorgeladen en/of

- vervolgens deze personen op die afgelegen locatie uit de auto laten stappen

en/of de woorden toegevoegd: "jullie moeten uitstappen", althans woorden van

gelijke aard en/of strekking en/of

- vervolgens deze personen meerdere malen tegen het hoofd en/of het lichaam

geslagen en/of geschopt en/of (daarbij) een vuurwapen, althans een daarop

gelijkend voorwerp, op die personen gericht en/of gericht gehouden;

art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 december

2009 tot en met 6 december 2009 in de gemeente Apeldoorn, althans in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens)

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld

- [slachtoffer A] heeft gedwongen tot de afgifte van - onder meer - een

geldbedrag van 20 euro en/of een mobiele telefoon en/of een pakje sigaretten

en/of paspoort en/of treinabonnement en/of

- [slachtoffer B] heeft gedwongen tot de afgifte van - onder meer - een ID kaart

en/of OV kaart en/of een mobiele telefoon en/of een geldbedrag van 80 euro

en/of

- [slachtoffer C] heeft gedwongen tot de afgifte van - onder meer - een

geldbedrag van 40 euro en/of twee mobiele telefoons,

in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer A]

en/of [slachtoffer B] en/of [slachtoffer C], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat

verdachte en/of diens mededaders

- aan die [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] en/of [slachtoffer C] een vuurwapen, althans een

daarop gelijkend voorwerp, heeft getoond en/of in de aanwezigheid van die

[slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] en/of [slachtoffer C] dit vuurwapen, althans dit daarop

gelijkende voorwerp, heeft doorgeladen en/of

- aan die [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] en/of [slachtoffer C] dreigend de woorden heeft

toegevoegd: "jullie moeten al jullie spullen op die bank leggen" en/of "jullie

moeten uitstappen", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer A]

en/of [slachtoffer B] en/of [slachtoffer C] heeft gericht en/of gericht heeft gehouden en/of

- die [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] en/of [slachtoffer C] aan de kleding heeft gefouilleerd

en/of

- die [slachtoffer A] met kracht tegen zijn hoofd heeft geslagen en/of

(vervolgens) (terwijl die [slachtoffer A] op de grond lag) tegen zijn hoofd en/of

zijn lichaam heeft getrapt en/of

- die [slachtoffer B] met kracht tegen zijn hoofd heeft geslagen en/of een knietje in

het gezicht heeft gegeven en/of (terwijl die [slachtoffer B] op de grond lag) met

kracht tegen zijn lichaam heeft getrapt en/of

- die [slachtoffer C] met kracht tegen zijn hoofd heeft geslagen en/of (terwijl hij

op de grond lag) tegen zijn lichaam getrapt;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/ sub 2 Wetboek van Strafrecht

EN/OF

hij in of omstreeks de periode van 5 december 2009 tot en met 6 december 2009

in de gemeente Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] en/of

[slachtoffer C] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte en/of diens

mededader(s) opzettelijk dreigend aan die [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] en/of

[slachtoffer C] een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp, getoond en/of

in de aanwezigheid van die [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] en/of [slachtoffer C] dit

vuurwapen, althans dit daarop gelijkende voorwerp doorgeladen en/of dit

vuurwapen, althans dit daarop gelijkende voorwerp, op die [slachtoffer A] en/of

[slachtoffer B] en/of [slachtoffer C] gericht en/of gericht gehouden, althans

handelingen en/of feitelijkheden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 Wetboek van Strafrecht

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

3.

hij in of omstreeks de periode van 5 december 2009 tot en met 6 december 2009

in de gemeente Apeldoorn, althans in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een persoon genaamd

[slachtoffer A], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat

opzet

die [slachtoffer A] met kracht tegen zijn hoofd heeft geslagen en/of

(vervolgens) (terwijl die [slachtoffer A] op de grond lag) tegen zijn hoofd en/of

zijn lichaam heeft getrapt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 47 Wetboek van Strafrecht

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij in of omstreeks de periode van 5 december 2009 tot en met 6 december 2009

in de gemeente Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend [slachtoffer A]

met kracht tegen zijn hoofd heeft geslagen en/of (vervolgens) (terwijl die

[slachtoffer A] op de grond lag) tegen zijn hoofd en/of zijn lichaam heeft getrapt,

waardoor voornoemde [slachtoffer A] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft

ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 december

2009 tot en met 6 december 2009 in de gemeente Apeldoorn, althans in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk mishandelend

- [slachtoffer B] met kracht tegen zijn hoofd heeft geslagen en/of een knietje in

het gezicht heeft gegeven en/of (terwijl die [slachtoffer B] op de grond lag) met

kracht tegen zijn lichaam heeft getrapt en/of

- [slachtoffer C] met kracht tegen zijn hoofd heeft geslagen en/of (terwijl hij

op de grond lag) tegen zijn lichaam getrapt,

waardoor voornoemde [slachtoffer B] en/of [slachtoffer C] letsel heeft bekomen en/of pijn

heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

5.

hij in of omstreeks de periode van 5 december 2009 tot en met 6 december 2009

in de gemeente Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie II

en/of categorie III, te weten een vuurwapen (merk Ruger P85), en/of munitie

van categorie II en/of III, te weten 17 patronen (kaliber 9 mm), voorhanden

heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Gelet op de diverse verklaringen, met name gelet op de verschillende verklaringen van de slachtoffers, bestaat er onvoldoende duidelijkheid over die twee feiten. Niet bewezen kan worden dat er sprake is geweest van (bedreiging met) een vuurwapen. Evenmin kan bewezen worden dat er sprake is geweest van wederrechtelijke vrijheidsberoving en afpersing. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder 3 primair en 4 ten laste gelegde heeft de officier van justitie gesteld dat die ten laste gelegde feiten wel wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Op grond van de aangiftes en de verklaringen die zijn afgelegd door de slachtoffers kan worden bewezen dat er sprake is geweest van (aanzienlijk) geweld tegen hen.

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde heeft de officier van justitie gesteld dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Het wapen is in de woning van verdachte aangetroffen. Verdachte heeft het wapen voorhanden gehad.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Hiertoe heeft hij onder meer het volgende aangevoerd.

Gelet op de diverse verklaringen, met name gelet op de verschillende verklaringen van de slachtoffers, bestaat er onvoldoende duidelijkheid over de feiten. Tevens blijkt uit de verklaringen van de slachtoffers dat de verklaringen zijn 'aangedikt'. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van deze ten laste gelegde feiten. Tevens is er geen sprake van het medeplegen van de ten laste gelegde feiten. Er is geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte B]. Verdachte was pas in de auto op de hoogte van het feit dat [medeverdachte B] de drie anderen een lesje wilde leren.

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het vuurwapen voorhanden heeft gehad. Verdachte woont immers niet alleen op het adres waar het vuurwapen is aangetroffen. Tevens kan niet bewezen worden dat het wapen zich binnen de machtssfeer van verdachte heeft bevonden.

Beoordeling door de rechtbank

Vrijspraak

De rechtbank is van oordeel dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Hiertoe oordeelt de rechtbank als volgt.

Door slachtoffers [slachtoffer B], [slachtoffer A] en [slachtoffer C] zijn bij de politie verklaringen afgelegd waaruit zou kunnen blijken dat verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan de feiten zoals onder 1 en 2 ten laste gelegd. Verdachte en zijn medeverdachte hebben echter uitdrukkelijk ontkend dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan deze feiten.

Tijdens hun verhoren bij de rechter-commissaris hebben de voornoemde slachtoffers verklaringen afgelegd die op belangrijke punten afwijken van de eerder door hen afgelegde verklaringen. In de verklaringen bij de rechter-commissaris hebben zij immers verklaard dat er géén sprake is geweest van een wederrechtelijke vrijheidsberoving en dat er ook geen sprake is geweest van afpersing. Ook is door de slachtoffers verklaard dat verdachte of zijn medeverdachte geen vuurwapen voorhanden heeft gehad.

Gelet op de door de slachtoffers bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen en de verklaringen van verdachte, kan naar oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving en/of aan afpersing. De rechtbank zal verdachte hiervan dan ook vrijspreken.

Bewijsmiddelen ten aanzien van de feiten 3 en 4

Door [slachtoffer A] is aangifte gedaan van mishandeling. Hij heeft daartoe verklaard dat hij op 5 december 2009 vlakbij het Beekpark in Apeldoorn [medeverdachte B] aantrof. [medeverdachte B] zat samen met [verdachte A] in de auto van [verdachte A]. [slachtoffer A] is in de auto gestapt en hem is door [medeverdachte B] gevraagd om [slachtoffer B] te bellen. Nadat [medeverdachte B] hem had gesproken hebben zij [slachtoffer B] opgehaald. Hierna werd [slachtoffer C] gebeld door [medeverdachte B] en werd met afgesproken dat ze hem kwamen ophalen.

Vervolgens zijn ze de bossen in gereden. In het bos stopten ze. [medeverdachte B] en [verdachte A] stapten uit de auto. [slachtoffer A], [slachtoffer B] en [slachtoffer C] moesten ook uitstappen. Na het uitstappen, werd [slachtoffer C] door [medeverdachte B] met zijn vlakke hand met kracht in het gezicht geslagen. Hierna moest [slachtoffer A] uit de auto stappen. Hierna voelde [slachtoffer A] opeens een harde klap met een vuist op zijn gezicht. Door deze klap viel hij op de grond. Hij voelde hierna dat hij met kracht tegen zijn hoofd werd geschopt. Hij werd tegen zijn hoofd en neus geraakt. Door de schoppen is hij buiten bewustzijn geraakt. Nadat hij bij kwam, waren [medeverdachte B] en [verdachte A] weg. Later is in het ziekenhuis gebleken dat [slachtoffer A] een gebroken neus en afgebroken tanden had. Ook had hij een hersenschudding.2

Bij de rechter-commissaris heeft [slachtoffer A] verklaard dat hij samen met [medeverdachte B], [verdachte A], [slachtoffer B] en [slachtoffer C] naar Hoog-Soeren is gereden. Toen ze hadden geparkeerd moesten [slachtoffer B], [slachtoffer C] en hij van [medeverdachte B] en [verdachte A] uitstappen. [slachtoffer A] verklaard vervolgens dat het klopt dat hij geslagen is.3

Uit de geneeskundige verklaring blijkt dat [slachtoffer A] een gebroken neus had, waarvoor hij is opgenomen in het ziekenhuis. Ook had hij gebroken voortanden en een hersenschudding.4

Door [slachtoffer B] is aangifte gedaan van mishandeling. Hij heeft verklaard dat hij samen met [slachtoffer A] bij twee voor hem onbekende mannen in de auto stapte. Ze hebben [slachtoffer C] opgehaald en vervolgens reden zei een bos in. Het voertuig stopte op een zandweg in de bossen. [slachtoffer A] moest van de kleinste van de twee mannen uitstappen. Toen [slachtoffer A] was uitgestapt, werd hij door de kleine man met de binnenkant van zijn hand hard in het gezicht geslagen. Hierdoor viel [slachtoffer A] op de grond en begonnen beide mannen vervolgens op hem in te trappen. [slachtoffer A] werd over zijn hele lichaam geraakt. Hij werd hard tegen het hoofd en zijn bovenlichaam getrapt. Toen [slachtoffer B] uit de auto stapte, voelde hij dat hij met kracht door de kleine man met gebalde vuist in het gezicht werd geslagen. [slachtoffer B] voelde een hevige pijn in zijn gezicht.5 Door verbalisant is bij [slachtoffer B] een blauw oog waargenomen alsmede een grote bebloede en een rode afdruk van een schoen op het hoofd.6

Later heeft [slachtoffer B] bij de politie verklaard dat hij de onbekende mannen wel kende. Dit waren [medeverdachte B] en [verdachte A]. [slachtoffer B] was de avond bij het Beekpark in Apeldoorn. Hij zag daar [slachtoffer A], [medeverdachte B] en [verdachte A] in de auto zitten. In de auto werd [slachtoffer C] gebeld door [medeverdachte B]. Nadat [slachtoffer C] was opgehaald zijn ze het bos in gereden. Daar stopten ze. [verdachte A] stapte daar de auto uit en liet [slachtoffer A] uitstappen. Vervolgens kreeg [slachtoffer A] klappen. [slachtoffer A] werd geslagen door [medeverdachte B]. Toen [slachtoffer A] op de grond lag werd hij door [medeverdachte B] ook geschopt. Hierop kwam [medeverdachte B] naar [slachtoffer B] en werd hij geslagen. Het letsel van [slachtoffer B] in zijn gezicht is door [medeverdachte B] veroorzaakt. [slachtoffer B] is met de vlakke hand geslagen en [medeverdachte B] heeft hem een knietje en trap tegen zijn hoofd gegeven.7

[slachtoffer B] heeft de locatie waar de mishandelingen hebben plaatsgevonden aangewezen. Het betrof een parkeerplaats aan de Pomphulweg te Apeldoorn.8

Bij de rechter-commissaris heeft [slachtoffer B] verklaard dat hij klappen heeft gehad van [medeverdachte B].9

Bij de politie heeft [slachtoffer C] als getuige verklaard dat Gokhan [slachtoffer A] helemaal in elkaar sloeg. [slachtoffer A] viel op de grond. Kasim en Gokhan trapten hem hard, 5 tot 10 keer. Ook Ercan werd geslagen door door Gokhan. Ercan viel en werd geschopt. [slachtoffer C] verklaart dat hij ook werd geslagen en een paar keer werd geschopt.10

Bij de rechter-commissaris heeft [slachtoffer C] verklaard dat hij vind dat zij het verdiend hebben vanwege de inbraak in de garage. Het slaan in zijn politieverklaring heeft hij misschien wat overdreven. Hij is niet geschopt en geslagen zoals hij het bij de politie heeft verklaard. Misschien dat toen [medeverdachte B] en [verdachte A] [slachtoffer B] wilden slaan, dat hij wat klappen heeft gekregen toen hij tussen beide wilde komen.11

[medeverdachte B] is door de politie verhoord. Hij heeft verklaard dat hij tegen [verdachte A] heeft gezegd dat hij met [slachtoffer C], [slachtoffer A] en [slachtoffer B] wilde praten. [slachtoffer A] en [slachtoffer B] hadden namelijk ingebroken in de garage van [medeverdachte B]. Nadat zij de drie hadden opgehaald met hun auto zijn ze naar een parkeerplaats gereden. Hierna heeft hij ze klappen gegeven. [medeverdachte B] heeft [slachtoffer A] drie keer geslagen en hij is op [slachtoffer A] gaan zitten toen [slachtoffer A] op de grond is gevallen. Hierna is [medeverdachte B] naar [slachtoffer B] gelopen en heeft hij ook hem geslagen. Hierdoor viel [slachtoffer B] op de grond. Hierna is [medeverdachte B] naar [slachtoffer C] gelopen en heeft hij hem onderuit geschopt. Hierna zijn [verdachte A] en hij weggereden, aldus [medeverdachte B].12

Door verdachte is ter terechtzitting verklaard dat hij in de auto te horen kreeg dat [medeverdachte B] de slachtoffers een lesje wilde leren.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de bewijsmiddelen en de verklaring van verdachte ter zitting, wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de feiten zoals onder 3 en 4 ten laste gelegd. De rechtbank overweegt hierbij dat verdachte tijdig op de hoogte was van de bedoeling van zijn mededader [medeverdachte B]. Door verdachte zelf is verklaard dat hij in de auto op de hoogte raakte van het voornemen van [medeverdachte B] om de slachtoffers een 'lesje te leren'. Verdachte heeft vervolgens geholpen om hieraan uitvoering te geven. Uit de verklaringen van de slachtoffers blijkt dat verdachte ook feitelijk heeft deelgenomen aan het tegen hen uitgeoefende geweld. Naar oordeel van de rechtbank is er dan ook sprake van een nauwe en bewuste samenwerking. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

Naar oordeel van de rechtbank kan de mishandeling van [slachtoffer A] als een poging tot zware mishandeling worden aangemerkt. Door het handelen van verdachte en zijn mededader is immers aanzienlijk letsel aan [slachtoffer A] toegebracht, welk letsel er bovendien toe heeft geleid dat hij acht dagen in het ziekenhuis heeft moeten doorbrengen. Daarbij komt dat [slachtoffer A] in de nabije toekomst ook nog aan zijn gebit zal moeten worden geholpen. Gelet op het letsel moet er aldus met behoorlijke kracht zijn geslagen en getrapt. Het kan aldus niet anders zijn dat verdachte en zijn mededader hebben getracht [slachtoffer A] zwaar te mishandelen. Dat het (slechts) bij dit, toch ook al niet onaanzienlijke, letsel is gebleven, is niet aan verdachte en zijn mededader te danken Door [slachtoffer A] tegen het hoofd te slaan en te schoppen had immers ook veel zwaarder letsel kunnen ontstaan.

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 5

Naar aanleiding van de verklaringen van de slachtoffers is een aanvraag tot doorzoeking ter inbeslagname ingediend van het pand [adres te plaats]. Deze woning wordt bewoond door [verdachte A].13

Op zondag 6 december 2009 vond er een doorzoeking plaats in de woning aan de [adres te plaats]. In de woning werd in de keuken een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aangetroffen. Het vuurwapen lag in het onderste schap van een open kast. Het vuurwapen lag uit het zicht achter twee zakken pasta. In de houder van het vuurwapen zaten 17 patronen. Het vuurwapen betrof een Ruger, P85 MK.14

Uit onderzoek van de verbalisant blijkt dat het in beslag genomen pistool een vuurwapen een pistool van het merk Ruger, model P85 MK II, kaliber 9 mm, betreft. Dit is een vuurwapen uit categorie III van de Wet wapens en munitie. In het pistool zaten 17 patronen van het kaliber 9 mm. Dit is munitie uit categorie III van de Wet wapens en munitie.15

De verdachte heeft op vragen omtrent de aanwezigheid van het vuurwapen in zijn woning gebruik gemaakt van zijn zwijgrecht. Dit recht heeft de rechtbank te respecteren. Het staat de rechter evenwel vrij om, wanneer tegen een verdachte een zaak ligt waaruit omstandigheden naar voren komen die om uitleg van de verdachte vragen, aan dat zwijgen de gevolgtrekking te verbinden dat de verdachte geen uitleg hééft voor de omstandigheden. De rechtbank is van oordeel dat het aantreffen van het wapen en de omstandigheden waaronder het is aangetroffen, te weten in de woning van verdachte, verstopt in een open kast in de keuken, een omstandigheid is die om uitleg vraagt. Nu verdachte deze uitleg niet geeft, is de rechtbank van oordeel dat het door de raadsman gevoerde verweer, voor zover inhoudende dat het vuurwapen van iemand anders zou zijn, dient te worden verworpen.

Daarbij komt dat [slachtoffer A] bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij wel eens eerder een wapen in het huis van verdachte heeft gezien.16

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

3 primair.

hij in de periode van 5 december 2009 tot en met 6 december 2009 in de gemeente Apeldoorn,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, aan een persoon genaamd [slachtoffer A], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer A] met kracht tegen zijn hoofd heeft geslagen en vervolgens terwijl die [slachtoffer A] op de grond lag tegen zijn hoofd en zijn lichaam heeft getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij in de periode van 5 december 2009 tot en met 6 december 2009 in de gemeente Apeldoorn, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk mishandelend

- [slachtoffer B] met kracht tegen zijn hoofd heeft geslagen en een knietje in het gezicht heeft gegeven en/ terwijl die [slachtoffer B] op de grond lag met kracht tegen zijn lichaam heeft getrapt en

- [slachtoffer C] met kracht tegen zijn hoofd heeft geslagen en terwijl hij op de grond lag tegen zijn lichaam getrapt,

waardoor voornoemde [slachtoffer B] en [slachtoffer C] letsel hebben bekomen en/of pijn hebben ondervonden.

5.

hij in de periode van 5 december 2009 tot en met 6 december 2009 in de gemeente Apeldoorn, een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen (merk Ruger P85), en munitie van categorie III, te weten 17 patronen (kaliber 9 mm), voorhanden heeft gehad.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

feit 3 primair: medeplegen van poging tot zware mishandeling;

feit 4: medeplegen van mishandeling, meermalen gepleegd;

feit 5: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie;

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, met aftrek van de tijd door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De officier van justitie heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige feiten. Verdachte heeft de slachtoffers een les willen leren. De wijze waarop verdachte heeft gereageerd is niet de juiste manier om te reageren.

De raadsman heeft zich ten aanzien van de strafoplegging op het standpunt gesteld dat verdachte niet terug gestuurd dient te worden naar de gevangenis. Volstaan dient te worden met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. Ten aanzien van de proeftijd heeft de raadsman aangevoerd dat er deze beperkt dient te worden tot de duur van 1 jaar.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere mishandelingen en verboden wapenbezit. Verdachte heeft samen met zijn mededader de slachtoffers meegenomen naar een afgelegen plek en heeft op deze plek de slachtoffers op ernstige wijze mishandeld. Hierbij heeft verdachte bij de slachtoffers niet alleen pijn en letsel veroorzaakt, maar heeft ze door zijn handelswijze de slachtoffers ook angst aangejaagd. Verdachte is in zijn handelen te ver gegaan en had de problemen die zijn medeverdachte met de slachtoffers had op een andere manier moeten oplossen. Door de slachtoffers met fysiek geweld een lesje te leren is er sprake geweest van een onacceptabele vorm van eigenrichting.

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank er ook rekening mee dat verdachte een vuurwapen in zijn woning voorhanden had. Verboden wapenbezit kan een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich brengen. Tegen het ongecontroleerde bezit van wapens dient dan ook streng te worden opgetreden, hetgeen betekent dat bij een bewezenverklaring voor een dergelijk feit in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden wordt opgelegd.

De rechtbank houdt verder rekening met de documentatie van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte eerder met justitie in aanraking is geweest voor soortgelijke feiten.

Gelet op het vooroverwogene acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar passend en geboden. De rechtbank komt daarmee tot een hogere straf dan is gevorderd door de officier van jusititie. De lagere straf, zoals die is gevorderd door de officier van justitie, acht de rechtbank onvoldoende recht doen aan de ernst van de feiten.

In beslag genomen voorwerpen

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder verdachte in beslag genomen vuurwapen dient te worden onttrokken aan het verkeer.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank zal het in beslag genomen vuurwapen, onttrekken aan het verkeer, nu het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer A] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 4.245,66 gevoegd in het strafproces.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde medische kosten het rechtstreekse gevolg zijn van het onder 3 ten laste gelegde en derhalve dient de vordering voor dit bedrag te worden toegewezen. Ten aanzien van het overige dient de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijke dient te worden verklaard in haar vordering, nu deze niet van eenvoudige aard is.

Naar het oordeel van de rechtbank is, mede op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, genoegzaam komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden. De rechtbank is van oordeel dat de medische posten, te weten de noodvoorziening tandarts, toekomstige reparatie van het gebit en de daggeldvergoeding, voldoende zijn onderbouwd en komen dan ook voor vergoeding in aanmerking. Weliswaar moet de reparatie van het gebit nog in de toekomst plaatsvinden, maar thans staat al vast dat deze reparatie zal plaatsvinden en welke kosten daar tegen over staan. Voor het overige ziet de vordering van de benadeelde partij ter zake de materiële schade op het onder 2 ten laste gelegde feit. Nu verdachte hiervan is vrijgesproken zal de vordering voor dat deel niet-ontvankelijk worden verklaard.

Tevens is de rechtbank van oordeel dat is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde handelen immateriële schade heeft opgelopen. Gelet op het door de benadeelde partij opgelopen letsel en de psychische gevolgen hiervan acht de rechtbank een bedrag van € 1.500,-- ter zake de immateriële schade toewijsbaar. Voor het overige zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, nu de verdere behandeling van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan voor het overige deel haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

De benadeelde partij [slachtoffer B] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 1.680,-- gevoegd in het strafproces.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijke dient te worden verklaard in haar vordering, nu deze niet van eenvoudige aard is. Daarnaast is de vordering tot immateriële schade onvoldoende onderbouwd en dient het gevorderde bedrag gematigd te worden.

Voor de materiële schade ziet de vordering van de benadeelde partij op het onder 2 ten laste gelegde feit. Nu verdachte hiervan is vrijgesproken zal de vordering voor dat deel niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan voor dit deel haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Naar het oordeel van de rechtbank is, mede op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde handelen immateriële schade heeft opgelopen. Gelet op het door de benadeelde partij opgelopen letsel en de psychische gevolgen hiervan acht de rechtbank een bedrag van € 500,-- ter zake de immateriële schade toewijsbaar. Voor het overige zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, nu de verdere behandeling van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan voor het overige deel haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som geld ten behoeve van genoemde slachtoffers.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 24c, 27, 36f, 45, 47, 57, 91, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26, 55 en 56 van de Wet wapens en munitie.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart bewezen dat verdachte het onder 3 primair, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

feit 3 primair: medeplegen van poging tot zware mishandeling;

feit 4: medeplegen van mishandeling, meermalen gepleegd;

feit 5: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie;

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden;

* bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

* beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

* beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen vuurwapen;

* veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer A] ([adres, plaats], bankrek. [nummer]) van een bedrag van € 1.861,66 ter zake materiële schade en een bedrag van € 1.500,-- ter zake immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 december 2009 en vermeerderd met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.

* legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer A] (voornoemd), een bedrag te betalen van € 1.861,66 ter zake materiële schade en een bedrag van € 1.500,-- ter zake immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 december 2009 met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 43 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

* bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

* verstaat dat indien en voor zover door de mededader het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd;

* veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer B] ([adres, plaats], bankrek. [nummer]5) van een bedrag van € 500,-- ter zake immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 december 2009 en vermeerderd met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.

* legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer B] (voornoemd), een bedrag te betalen van € 500,-- ter zake immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 december 2009 met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 10 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

* bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

* verstaat dat indien en voor zover door de mededader het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd.

Aldus gewezen door mr. Van der Mei, voorzitter, mrs. Gilhuis en Ouweneel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Demmers, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 april 2011.

Voetnoten:

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer 2009101914, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Apeldoorn, gesloten en ondertekend op 21 januari 2010.

2 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer A], dossierpagina 133-137

3 Proces-verbaal van verhoor rechter-commissaris d.d. 15 juni 2010

4 Geneeskundige verklaring d.d. 15 januari 2010, schriftelijk bescheid, dossierpagina 143

5 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer B], dossierpagina 144-146

6 Proces-verbaal van aangifte, [slachtoffer B], dossierpagina 63

7 Proces-verbaal van verhoor, dossierpagina 155-159

8 (Stam)proces-verbaal, dossierpagina 9

9 Proces-verbaal van verhoor rechter-commissaris d.d. 15 juni 2010

10 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer C], dossierpagina 176

11 Proces-verbaal van verhoor rechter-commissaris d.d. 15 juni 2010

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte, dossierpagina 213-215

13 Proces-verbaal van aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming, dossierpagina 56-57

14 Proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 102

15 Proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 125-126

16 Proces-verbaal van verhoor rechter-commissaris d.d. 15 juni 2010