Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BQ0968

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
05-04-2011
Datum publicatie
12-04-2011
Zaaknummer
06/922752-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een verdachte die zich in georganiseerd verband schuldig heeft gemaakt aan het plegen van valsheid in geschrift om zo BTW-fraude te kunnen plegen, is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden voorwaardelijk en een werkstraf van 200 uur. Er was sprake van schijntransacties. De opgemaakte facturen gaven opzettelijk een verkeerde voorsteling van zaken. Deze hadden als doel het faciliteren van het goederen- en betalingsverkeer tussen de schakels van de handelsketen, waarbinnen die fraude werd gepleegd. Zij heeft de kennis die zij in eerdere functies heeft opgedaan, gebruikt om met haar mededader deze handel op te zetten.

De rechtbank heeft bij de op te leggen straf er rekening gehouden mee gehouden van er slechts in een betrekkelijk korte periode strafbare feiten zijn gepleegd. Ook heeft er een compensatie plaatsgevonden in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Zie uitspraak LJN BQ0975 voor medeverdachte B.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2011-0964 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/922752-10

Uitspraak d.d.: 5 april 20111

Tegenspraak / dip

Na aanhouding: verschenen / oip (aangezegd)

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte A],

geboren te [plaats, 1967],

wonende te [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

21 september 2010, 4 januari 2011 en 22 maart 2011.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

[bedrijf A] B.V. op (een) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei

2005 tot en met 1 augustus 2005 te Apeldoorn en/of Rotterdam en/of elders in

Nederland en/of Spanje, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans

alleen, (telkens) (een) factu(u)r(en), te weten (zakelijk omschreven):

(mobiele telefoons)

-invoice (van) [bedrijf A] B.V. (aan) [bedrijf G] SL, Reference:

purchase order 020, dated may 3th 2005, Invoice date: May 11th 2005, Invoice

nr: 2005/102 (D-26); en/of

-invoice (van) [bedrijf A] B.V. (aan) [bedrijf G] SL, Reference:

purchase order 021, dated may 4th 2005, Invoice date: May 11th 2005, Invoice

nr: 2005/105 (D-29); en/of

-invoice (van) [bedrijf A] B.V. (aan) [bedrijf G] SL, Reference:

purchase order 019, dated may 3th 2005, Invoice date: May 12th 2005, Invoice

nr: 2005/103 (D-27); en/of

-invoice (van) [bedrijf A] B.V. (aan) [bedrijf G] SL, Reference:

purchase order 023, dated may 4th 2005, Invoice date: May 12th 2005, Invoice

nr: 2005/104 (D-28); en/of

-invoice (van) [bedrijf A] B.V. (aan) [bedrijf E] SL, Reference:

purchase order 201, Invoice date: May 30th 2005, Invoice nr: 2005/108,

Product: Nokia 7710, Total price: GBP 431.000.00 (D-32); en/of

-Pro forma invoice (van) [bedrijf A] B.V. (aan) [bedrijf E] SL,

Reference: purchase order 201, Invoice date:10 06 2005, Invoice nr: 2005/109,

Product: Nokia 7710, Total price: GBP 436.000.00 (D-33); en/of

-invoice (van) [bedrijf A] B.V. (aan) [bedrijf E] SL, Reference:

purchase order 201, Invoice date: 14 06 2005, Invoice nr: 2005/113, Product:

Nokia 6670, Total price: GPB 148.500.00 (D-37); en/of

(CPU's)

-invoice (van) [bedrijf A] B.V. (aan) [bedrijf G] SL, Reference:

purchase order 041, Invoice date: 14 06 2005, Invoice nr: 2005/114 (D-38);

en/of

-Pro forma invoice (van) [bedrijf A] B.V. (aan) [bedrijf G] SL,

Reference: purchase order 043, Invoice date: 28 06 2005, Invoice nr: 2005/116

(D-40); en/of

-Pro forma invoice (van) [bedrijf A] B.V. (aan) [bedrijf G] SL,

Reference: purchase order 045, Invoice date: 04 07 2005, Invoice nr: 2005/119

(D-43); en/of

-Pro forma invoice (van) [bedrijf A] B.V. (aan) [bedrijf G] SL,

Reference: purchase order 047, Invoice date: 12 07 2005, Invoice nr: 2005/122

(D-207),

(elk) zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd is/zijn om tot bewijs van

enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst en/of

door (een) ander(en) valselijk heeft doen of laten opmaken en/of heeft doen

of laten vervalsen,

zulks (telkens) met het oogmerk om dit/die geschriften als echt en onvervalst

te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

immers heeft/hebben [bedrijf A] B.V. en/of haar mededader(s) (telkens)

valselijk en/of in strijd met de waarheid met betrekking tot bovengenoemde

factu(u)r(en) de suggestie gewekt dat (telkens) sprake is/was van een

(rechtsgeldige) (ver)(koop)overeenkomst tussen de op de factu(u)r(en) als

verkoper vermelde onderneming en de op de factu(u)r(en) als koper vermelde

onderneming,

terwijl:

-aan die/deze factu(u)r(en) geen reële overeenkomst(en) ten grondslag

heeft/hebben gelegen; en/of

-het niet de bedoeling was dat die goederen van eigenaar zouden (ver)wisselen

door levering van verkoper aan koper; en/of

-de voor een rechtsgeldige overeenkomst vereiste wilsovereenstemming heeft

ontbroken,

welke voornoemde (schijn)transacties tot doel hadden BTW-fraude mogelijk te

maken,

tot welk(e) feit(en) of tot welk(e) verboden gedraging(en) verdachte, tezamen

en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) opdracht heeft

gegeven en/of aan welk(e) feit(en) of aan welk(e) verboden gedraging(en)

verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

(telkens) feitelijk leiding heeft gegeven.

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

zij op (een) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2005 tot en

met 1 augustus 2005 te Apeldoorn en/of Rotterdam en/of elders in Nederland

en/of Spanje en/of Middlesex (Verenigd Koninkrijk), heeft deelgenomen aan een

organisatie, die werd gevormd door verdachte en/of (een) natuurlijke

perso(o)n(en), waaronder:

-[medeverdachte B]; en/of

en/of (een) rechtsperso(o)n(en), waaronder:

-[bedrijf A] B.V.; en/of

-[bedrijf B] B.V.; en/of

-[bedrijf C] B.V.; en/of

-[bedrijf D] LLC; en/of

-[bedrijf E] SL; en/of

-[bedrijf F] LTD; en/of

-[bedrijf G] SL; en/of

-[bedrijf H] LLC; en/of

-[bedrijf I] LLC,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:

-het (herhaaldelijk) plegen van valsheid in geschrift ten aanzien van (een)

factu(u)r(en); en/of

-het (herhaaldelijk) plegen (BTW-carrousel) belastingfraude; en/of

-het (herhaaldelijk) plegen van witwassen.

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Ter terechtzitting van 22 maart 2011 heeft de verdachte aangevoerd dat, indien er met behulp van goederen die afkomstig waren van [bedrijf A] BV inderdaad met BTW is gefraudeerd in het Verenigd Koninkrijk, er sprake is geweest van een doorlaatactie. Fraude vanuit Dubai en de Verenigde Staten werd al sinds 2002 door de FIOD-ECD onderzocht. Door niet alle informatie daarover in het dossier op te nemen is er een ernstige inbreuk gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde en dient het openbaar ministerie niet ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat hij ontvankelijk is in de vervolging. Er is geen sprake geweest van doorlaatacties. Hetgeen waar verbalisant [verbalisant] tijdens het verhoor van verdachte over heeft gesproken zag op algemene informatie die [verbalisant] heeft verkregen uit eerdere onderzoeken waarin sprake zou zijn geweest van BTW-carrouselfraude. Dit had geen betrekking op het onderzoek tegen verdachte.

Op grond van de stukken en het ter terechtzitting verhandelde is de rechtbank niet gebleken dat er sprake is geweest van (een) doorlaatactie(s) en (dus) evenmin dat sprake is geweest van het achterhouden van informatie daarover. Verdachte heeft die stelling niet onderbouwd en ook is de rechtbank uit geen enkel gegeven in het dossier gebleken van de aannemelijkheid van deze lezing. De officier van justitie is derhalve ontvankelijk in de vervolging.

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Aanleiding van het onderzoek

Door de FIOD-ECD zijn vanaf 2002 diverse opsporingsonderzoeken gestart naar vermoedelijke BTW/VAT-(carrousel)fraudes met mobiele telefoons en/of cpu's. Goederen werden vanuit met name Dubai en de Verenigde Staten van Amerika naar Nederland verzonden met gebruikmaking van de BTW verleggingsregeling. Vervolgens werden die goederen overgebracht naar het Verenigd Koninkrijk en van daaruit weer (deels) geëxporteerd. In het Verenigd Koninkrijk is ten onrechte de verschuldigde BTW/VAT niet afgedragen, terwijl er wel BTW werd teruggevraagd.

Op 9 juni 2005 zijn in een loods van de douane te Schiphol 5 colli met 232 dozen mobiele telefoons in beslag genomen, die als bestemming [bedrijf C] te Hoofddorp hadden. Op een aantal dozen stonden Nederlandse douanestempels van 30 mei 2005. Daardoor rees het vermoeden dat er ten aanzien van die zending mobiele telefoons sprake was van een zogeheten carrousel, met als mogelijk doel BTW-fraude. Op de begeleidende air waybill bleek dat de zending uit Dubai afkomstig was, met als geadresseerde [bedrijf C] en notify [bedrijf A] B.V. te Apeldoorn. Uit nader onderzoek is gebleken dat de directeur van [bedrijf A] BV op dat moment verdachte [verdachte A] was en dat de verdachte [medeverdachte B] werkzaamheden voor haar BV verrichte.

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezen verklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde. Hij acht dit bewezen op grond van een twaalftal kenmerken die kunnen worden onderkend bij de wijze waarop door [bedrijf A] BV is gehandeld. Deze kenmerken voldoen aan de kenmerken van BTW-carrousel-fraude. Uit de verklaringen van verdachte en [medeverdachte B] blijkt dat [medeverdachte B] haar heeft geholpen met de totstandkoming van [bedrijf A] BV. Zij hebben zich toegelegd op handelsactiviteiten in goederen waarvan zij beiden geen kennis hadden. Er werden contacten gezocht met afnemers en leveranciers via websites. Verdere contacten verliepen via de fax en e-mails, zonder dat er daadwerkelijke contacten met leveranciers en afnemers zijn geweest. Facturen werden door hen beiden opgemaakt. Er is op geen enkele manier naar voren gekomen dat met betrekking tot de goederen en hoeveelheden is onderhandeld over de wijze van leveren, leveringscondities, de prijs, betalingscondities, de verzekering of de risico's.

Door deze werkwijze hebben verdachte en haar medeverdachte facturen opgemaakt, terwijl zij wisten dat die facturen een rol speelden in de totstandkoming van BTW-carrouselfraude.

Deze valse facturen zijn opgemaakt om te gebruiken, door deze in de administratie op te nemen. Zij konden tijdens een controle van de administratie getoond en gebruikt worden om het 0% tarief toe te passen. Verdachte heeft een actieve rol gehad. Verdachte en haar medeverdachte hebben door feitelijk leiding te geven aan de facturering van [bedrijf A] BV ook deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven.

Standpunt van de verdachte

De verdachte heeft verklaard dat zij [bedrijf A] BV heeft opgericht om handel te kunnen drijven in mobiele telefoons en cpu's, zonder daarmee in een BTW fraude terecht te komen. Zij heeft ondermeer drukwerk en een website laten ontwerpen en een BTW-nummer aangevraagd. Dit zou niet nodig zijn indien zij de intentie zou hebben gehad deel uit te maken van een crimineel netwerk, welke de intentie zou hebben BTW te gaan stelen. Zij heeft met [medeverdachte B] gesproken over het oprichten van de BV ten behoeve van die handel. De leveringen die [bedrijf A] BV heeft verricht waren normale economische activiteiten.

Er is geen sprake geweest van valsheid in geschrift, zodat er vrijspraak dient te volgen. Er is geen enkele reden aan te nemen dat de pro forma invoices, de invoices en de facturen niet in overeenstemming met de werkelijkheid zouden zijn. Niets wijst er op dat er geen sprake is geweest van reguliere handel. Dat er door [bedrijf A] BV geleverde goederen door kopers in een constructie zijn gebruikt om de schatkist in Engeland te benadelen, is een omstandigheid die zich heeft afgespeeld buiten [bedrijf A] BV. Bovendien zijn de invoices en facturen niet gebruikt om een derde te misleiden. Deze zijn toegezonden aan de kopers en opgenomen in de eigen administratie van [bedrijf A] BV. Enig ander gebruik blijkt niet uit het dossier. Ook als de slachtoffers van het gebruik op de hoogte zijn van de valsheid, is er geen sprake van misleiding en kan er niet worden gekomen tot bewezenverklaring. Zij heeft niet bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zich een verboden gedraging zou voordoen. Verdachte is ook van oordeel dat zij geen deel heeft uitgemaakt van een gestructureerd samenwerkingsverband met een bepaalde organisatiegraad. Ook hiervoor dient vrijspraak te volgen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank dient kort gezegd in deze zaak te beoordelen of er sprake is geweest van schijnconstructies en het daarmee opzettelijk opmaken van valse facturen. Voorts dient zij te beoordelen of verdachte daar feitelijk leiding aan heeft gegeven en of verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven. Het aan verdachte gemaakte strafrechtelijk verwijt speelt zich af tegen de achtergrond van fraude met omzetbelasting BTW. Dergelijke fraude wordt ook wel aangeduid als BTW-carrouselfraude. Bij een dergelijke fraude zijn verschillende vennootschappen in meerdere landen betrokken en het betreft vaak hoogwaardige technologische producten zoals mobiele telefoons of Computer Processing Units (cpu's). Deze goederen worden voortdurend doorgeleverd binnen een groep van vennootschappen, waarbij wel BTW wordt teruggevraagd maar niet wordt afgedragen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van het geldende intracommunautaire 0% tarief voor de BTW. Om de winst te vergroten kunnen dezelfde goederen meerdere malen een ronde maken. Vaak worden verschillende tussenschakels in verschillende landen gebruikt om zo de kans op ontdekking te verkleinen. De niet afgedragen maar wel teruggevorderde BTW wordt over de schakels verdeeld. Er wordt dus een fictieve handelsstroom gecreëerd; er wordt niet echt gehandeld. Immers de in- en verkooptransacties en transactievoorwaarden komen niet op een markt tot stand, maar binnen de carrousel.

De verdachte heeft ter terechtzitting van 22 maart 2011 verklaard dat zij [bedrijf A] BV begin 2005 heeft opgericht om te kunnen handelen in mobiele telefoons en cpu's. Zij heeft met [medeverdachte B] gesproken over het oprichten van de BV ten behoeve van die handel en hem om advies gevraagd. Zij heeft ondermeer drukwerk en een website laten ontwerpen en een BTW-nummer aangevraagd. Betaling daarvoor heeft plaatsgevonden uit een verkregen lening van

€ 12.000,=. Ook heeft zij bij de First Curaçao International Bank NV (hierna: FCIB) een rekening geopend. Via 'trading'-websites is zij in contact gekomen met potentiële afnemers. Vervolgens is zij op zoek gegaan naar leveranciers die de gevraagde goederen konden leveren. Door haar werd een kleine vaste marge per te verkopen mobiele telefoon en/of cpu gehanteerd. Leveranciers van de producten waren [bedrijf D] LLC in de Verenigde Staten en [bedrijf H] LLC en [bedrijf I] LLC, beide gevestigd in Dubai. Afnemers van de producten waren [bedrijf G] SL en [bedrijf E] SL, beide gevestigd in Spanje. Zij heeft de BTW-identificatienummers van haar leveranciers en afnemers gecontroleerd en ook laten controleren, teneinde vast te stellen of het ingeschreven ondernemingen betrof. De bestelde goederen werden in verband met de verleggingsregeling telkens eerst naar Nederland vervoerd. [bedrijf C] BV inspecteerde en controleerde de partijen goederen bij binnenkomst in Nederland. Vervolgens werden deze door [bedrijf B] BV overgebracht naar een opslaghouder in het Verenigd Koninkrijk, ondermeer [bedrijf F] LTD. Daar werden de goederen "on hold" opgeslagen. Nadat de betaling was ontvangen werd er een release afgegeven en kon de afnemer over de goederen beschikken.

[medeverdachte B] heeft haar niet alleen geholpen bij het opzetten van [bedrijf A] BV. Hij heeft ook leveranciers en afnemers bezocht. Hij heeft zich, net als zijzelf, ten behoeve van [bedrijf A] BV bezig gehouden met de aan- en verkoop van de goederen en het opmaken en verzenden van pro forma invoices, invoices en purchase orders. Als zij het niet eens was met een transactie, dan ging het niet door. Ook was hij gemachtigd voor de bankrekening bij First Curaçao International Bank NV. Op 8 juni 2005 heeft zij bij FCIB navraag gedaan naar een aantal in mei 2005 gedane betalingen, welke zij naar de vermelde omschrijving niet kon relateren aan een naam of een bedrijf. Zij is daar niet eerder toe gekomen.

De in de tenlastelegging genoemde pro forma invoices, invoices en purchase orders zijn door haar dan wel [medeverdachte B] opgemaakt.

[medeverdachte B] heeft verklaard2 dat verdachte in 2005 een onderneming wilde beginnen. Hij heeft haar geholpen bij het oprichten van [bedrijf A] BV. Zij had zijn kennis nodig op het gebied van het handelen met betrekking tot mobiele telefoons en cpu's. Hij had die kennis opgedaan in zijn eigen bedrijf [bedrijf K] BV. Verdachte heeft hem verzocht in Dubai bedrijven te bezoeken, onder andere [bedrijf I] LLC en [bedrijf H] LLC. Hij heeft gesproken met managers van bedrijven in Dubai en heeft papieren gekregen, onder meer visitekaartjes en uittreksels kamer van koophandel. De bedoeling was een indruk te krijgen van de bedrijven door deze fysiek te bezoeken. Hij heeft geen afspraken gemaakt en heeft daar geen goederen gezien. Die indrukken heeft hij vervolgens doorgegeven aan verdachte. Ook heeft hij afnemers in Spanje bezocht, onder andere [bedrijf G]. Hij heeft ten behoeve van verdachte tijdens haar afwezigheid door ziekte of vakantie waargenomen bij [bedrijf A] BV. Normaal werden de facturen door [verdachte A] opgemaakt, maar hij heeft ook wel eens facturen opgemaakt en per fax verstuurd. Er waren geen schriftelijke of mondelinge afspraken over leverings- en betalingscondities. Die werden per transactie bepaald.

[bedrijf C] deed eerst de inspectie van de goederen. Vanaf 1 juli 2005 werd dat gedaan door [bedrijf B] BV. Hij was enig aandeelhouder van [bedrijf B] BV en [bedrijf J], die hij nog kende uit zijn [bedrijf K]-tijd, was directeur. Na inspectie werden de goederen verder verscheept. [bedrijf A] BV gaf aan waar de goederen naar toe moesten. Alle goederen voor [bedrijf G] gingen naar Engeland. Na betaling werden de goederen door de opslaghouder vrijgegeven. Hij weet niet aan wie die goederen vervolgens verkocht en geleverd werden. Hij heeft wel eens gecontroleerd of er betalingen waren gedaan op de rekening van [bedrijf A] BV bij FCIB. Hij heeft geen salaris ontvangen voor zijn werkzaamheden voor [bedrijf A] BV. Wel werden de kosten voor het bezoek aan Dubai en Spanje betaald door [bedrijf A] BV.

Het feitelijk verschil tussen [bedrijf K] BV en [bedrijf A] BV was dat er bij [bedrijf A] BV sprake was van het fysiek bezoeken van bedrijven waar zaken mee werd gedaan en dat er geen derde-partij-betalingen plaatsvonden.

De rechtbank overweegt als volgt.

BTW-carrouselfraude wordt gekenmerkt door een aantal omstandigheden, welke zich min of meer steeds voordoen. Als dergelijke omstandigheden kunnen de hierna in willekeurige volgorde te noemen gelden:

- meerdere partijen nemen deel, verdeeld over tenminste 2 landen binnen de Europese Unie (EU), maar ook buiten de EU;

- er is altijd sprake van intracommunautaire im- en export binnen de EU;

- goederen vinden meerdere malen hun weg langs landen binnen de EU, alvorens weer terug te keren naar het land van oorsprong;

- het betreft technologisch hoogwaardige goederen, van een hoge waarde, klein van omvang en met een hoge omloopsnelheid, zoals mobiele telefoons en cpu's;

- feitelijk vinden geen onderhandelingen plaats over prijzen; er wordt gewerkt met vaste kleine marges;

- goederen wisselen in korte tijd snel van 'eigenaar'/handelaar;

- goederen worden desondanks niet verplaatst naar bedrijfsadressen van afnemers, maar blijven liggen in opslag bij een vervoerder;

- er wordt gewerkt met 'jonge' bedrijven;

- betalingen van afnemers aan leveranciers staan slechts kort op een rekening;

- betalingen van afnemers aan leveranciers vinden pas plaats, nadat de afnemer zelf geld heeft ontvangen voor de door hem verrichtte leverantie;

- goederen zijn niet verzekerd tijdens transport;

- er worden geen voorzieningen getroffen voor insolventie van afnemers;

- betaling voor leveranties vindt plaats door anderen dan de afnemers, waarmee de handelstransactie is aangegaan (third party payments).

In de onderhavige zaak is sprake van een jong, door verdachte in 2005 gestart bedrijf, waarbinnen zij alle activiteiten verrichtte. Dit bedrijf beschikte niet over substantieel kapitaal. Kort na de start van de handelsactiviteiten van het bedrijf zijn reeds 4 transacties afgesloten met een waarde van ongeveer 2 miljoen Britse Ponden3. De leveranciers betroffen steeds buiten de EU gevestigde ondernemingen, te weten [bedrijf H] LLC en [bedrijf I] LLC (mobiele telefoons), beiden gevestigd in Dubai, alsmede [bedrijf D] LLC (cpu's), gevestigd in de Verenigde Staten. De door [bedrijf A] afgenomen goederen werden Nederland binnengebracht en na inspectie en inklaring in de EU doorgevoerd naar het Verenigd Koninkrijk. Tevens was ten aanzien van de in tenlastelegging opgenomen facturen sprake van twee afnemers in Spanje, welke de van [bedrijf A] BV afgenomen goederen zonder uitzondering direct door lieten leveren en vervoeren naar het Verenigd Koninkrijk.4 Goederen bleven daar in opslag bij zogenaamde 'freight forwarders' als [bedrijf F] en [bedrijf L].

Goederen werden vervolgens binnen één of op zijn hoogst enkele dag(en) aan een keten van elkaar opvolgende afnemers doorgeleverd. Steeds is met betrekking tot de in de tenlastelegging opgenomen documenten en de daaraan ten grondslag liggende transacties sprake van een keten van afnemers, waarbij een bedrijf in het Verenigd Koninkrijk BTW ontvangt maar niet afdraagt, en een bedrijf dat betaalde BTW terugvraagt.5 Op 9 juni 2005 is vastgesteld dat door [bedrijf A] gekochte en in Nederland ingevoerde mobiele telefoons op een eerder moment ook al zijn ingevoerd in Nederland.6 Op de dozen zijn Nederlandse douanestempels aangetroffen d.d. 30 mei 2005. Eveneens is ten aanzien van door [bedrijf A] BV van [bedrijf D] LLC gekochte en in Nederland ingevoerde partij cpu's geconstateerd dat een groot deel van die partij (30 dozen) eerst op 27 juni 2005 respectievelijk 2 juli 2005 en nadien opnieuw op 8 juli 2005 in Nederland zijn ingevoerd. Er is vervolgens onderzoek7 gedaan naar een aantal transporten van mobiele telefoons en cpu's die eerder in Nederland waren ingevoerd in opdracht en op naam van [bedrijf A] BV.

[bedrijf A] BV betaalde blijkens het overzicht van het bankrekeningnummer bij de FCIB haar leverancier niet eerder dan, maar wel direct nadat geld was ontvangen van de/een afnemer. Deze betalingen vonden dan plaats binnen een of maximaal twee dagen.8 [bedrijf A] had zich blijkens de verklaring van verdachte ter terechtzitting op geen enkele wijze verzekerd tegen een risico als het achterwege blijven van betaling door een afnemer, ondanks de omvang van de met de transacties gemoeid gaande bedragen, te weten honderdduizenden Britse Ponden.

Uit het dossier blijken geen aan purchase orders of (pro forma) invoices ten grondslag liggende gegevens over prijsonderhandelingen met leveranciers of afnemers, dan wel betalings- en leveringscondities. Dergelijke gegevens zijn door verdachte ook niet aangeleverd. [bedrijf A] BV nam in het kader van de in de tenlastelegging opgenomen facturen kleine ronde marges van GBP 1,00 - GBP 1,50 in acht. Betalingen op de bankrekening van [bedrijf A] BV bij FCIB vonden plaats vanaf genummerde rekeningen, welke voor [bedrijf A] zonder nader onderzoek, zo zij deze al controleerde, niet te herleiden waren tot haar afnemers. Ten aanzien van betalingen is het daarbij opvallend dat in een aantal gevallen door later in de keten voorkomende afnemers te betalen stuksprijs hoger was dan de stuksprijs die door de afnemers aan [bedrijf A] BV betaald diende te worden9.

Naar het oordeel van de rechtbank kan gelet op het voorgaande de conclusie geen andere zijn dan dat [bedrijf A] BV onderdeel uitmaakte van een schijnhandel in mobiele telefoons en cpu's, welke handel als enig doel had het frauderen met BTW-gelden in het Verenigd Koninkrijk. Daarbij heeft verdachte zichzelf en haar bedrijf [bedrijf A] BV, tezamen met haar medeverdachte welbewust in deze keten geplaatst.

Verdachte heeft een achtergrond als BTW-adviseur bij verschillende firma's, is werkzaam geweest bij de Belastingdienst en was hoofd van het Centraal Punt EU-fraude bij FIOD-ECD. Tevens heeft zij haar medeverdachte [medeverdachte B] bijgestaan in een fiscaal geschil met betrekking tot BTW-fraude in het kader van diens bedrijf [bedrijf K] BV. Zij is blijkens haar tegenover de FIOD afgelegde verklaring10 welbewust in de handel van juist BTW-fraudegevoelige goederen gestapt. Enige handelservaring ontbrak bij haar. Hoewel verdachte, onder meer door een verwijzing naar haar schrijven aan de FIOD-ECD11 heeft gesteld dat zij ter voorkoming van BTW-fraude alle mogelijke controles heeft verricht, is zij daarin naar het oordeel van de rechtbank in elk geval volstrekt tekort geschoten. De controlehandelingen van verdachte zelf zagen louter op 'papieren' zaken, als het bestaan van BTW-nummers, het bankieren via de FCIB en dergelijke, doch dit betreffen zaken welke nu juist nodig waren om handelsactiviteiten en vervolgens BTW-fraude mogelijk te maken en te vergemakkelijken. Vervoer van goederen werd niet door [bedrijf A] geregeld, maar door [bedrijf C] en [bedrijf B], waarbij nimmer enige fysieke controle van verdachte heeft plaatsgevonden op de gekochte en ingevoerde goederen. De door de medeverdachte [medeverdachte B] in Dubai respectievelijk Spanje verrichte controle-activiteiten kunnen, gelet op diens tegenover de FIOD-ECD afgelegde verklaring12, niet als reële controle worden aangemerkt, op grond waarvan een ook maar enigszins betrouwbaar beeld kon worden verkregen van de bonafiditeit van bedrijven, waarmee in korte tijd zakelijke transacties in een omvang van honderduizenden tot - cumulatief - miljoenen Britse Ponden werd aangegaan. Hij heeft verklaard13 in Dubai gesproken te hebben met managers en visitekaartjes en uittreksels kamer van koophandel te hebben verzameld. Sommige documenten heeft hij niet zelf verkregen, maar zijn aan verdachte gefaxt. Hij heeft geen afspraken gemaakt over leveringen, prijzen, soorten goederen. Het ging om het opdoen van een indruk. [medeverdachte B] heeft tevens verklaard dat hij van [bedrijf I] geen kantoor en geen goederen heeft gezien. Van [bedrijf H] heeft hij een kantoor gezien. Hij heeft geen goederen gezien die [bedrijf H] levert. Hij heeft in Spanje alleen [bedrijf G] bezocht en gekeken hoe het bedrijf is en wat voor gevoel hij bij het bedrijf had.14 [medeverdachte B] heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank de inhoud van het zogenoemde 'due diligenceonderzoek' op geen enkele wijze concreet gemaakt.

Daarbij heeft ten aanzien van het bedrijf [bedrijf D] LLC in het geheel geen controle plaatsgevonden en is enkel via internet het contact gelegd en onderhouden, zonder enig zicht te hebben op een wederpartij, waarmee in korte tijd transacties van financieel behoorlijke omvang werden aangegaan.

Ook aan het daadwerkelijk afwijzen van derde-betalingen (third party payments) heeft verdachte geen inhoud gegeven, nu zij voor het eerst op 8 juni 2005 aan FCIB vragen heeft gesteld over de herkomst van reeds op 11 mei 2005 gedane betalingen op de bankrekening van [bedrijf A] BV, welke zij in de maand daaraan voorafgaand had ontvangen en geaccepteerd.15 Met betrekking tot een periode vanaf 11 mei 2005 waarin de handelsactiviteiten van [bedrijf A] BV reeds volop hebben plaatsgevonden, heeft verdachte desgevraagd ter terechtzitting geen verklaring kunnen geven voor het achterwege blijven van de controle op dit voor haar kennelijk zo cruciale punt. De rechtbank stelt tevens vast dat verdachte na de inbeslagname van de mobiele telefoons op 9 juni 2005 op de hoogte is gesteld van het feit dat zij in een BTW-carrousel zat. Niettemin heeft [bedrijf A] BV onverminderd de handelsactiviteiten voortgezet, doch met een andere leverancier en cpu's, waarna ook in dat verband het meerdere malen invoeren van dezelfde producten is vastgesteld.

De rechtbank komt op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen tot de conclusie dat er in deze zaak sprake is geweest van schijntransacties en dat de in de tenlastelegging genoemde facturen in dat verband valselijk zijn opgemaakt. Deze facturen gaven opzettelijk een verkeerde voorstelling van zaken en hadden geen enkel ander doel dan het faciliteren van het goederen- en betalingsverkeer tussen de schakels van de handelsketen, waarbinnen BTW-fraude is gepleegd. Gelet op vorenstaande bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat verdachte en haar medeverdachte feitelijk leiding hebben gegeven aan de door [bedrijf A] BV gepleegde strafbare gedragingen. Een dergelijke fraude vergt bij de schakels van de keten een mate van afstemming tussen de betrokkenen. Hieruit volgt ook dat verdachte, de medeverdachte [medeverdachte B] en [bedrijf A] BV samen met de in de tenlastelegging genoemde rechtspersonen een criminele organisatie vormden.

Onder feit 2 is mede ten laste gelegd dat de organisatie herhaaldelijk witwassen heeft gepleegd, hetgeen afzonderlijk is strafbaar gesteld in artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht. Op grond van het eerste lid onder b van dat artikel is daaronder ook begrepen het verwerven, voorhanden hebben, overdragen of omzetten of gebruiken van een voorwerp, terwijl hij weet dat het - onmiddellijk of middelijk- afkomstig is van een misdrijf. Nu daarvan bij verdachte ook sprake is geweest, is de rechtbank van oordeel dat het handelen van de criminele organisatie ook als witwassen kan worden gekwalificeerd.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

[bedrijf A] B.V. op tijdstippen in de periode van 1 mei 2005 tot en met 1 augustus 2005 te Apeldoorn en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), telkens een factuur, te weten (zakelijk omschreven):

(mobiele telefoons)

-invoice van [bedrijf A] B.V. aan [bedrijf G] SL, Reference:

purchase order 020, dated may 3th 2005, Invoice date: May 11th 2005, Invoice

nr: 2005/102, en

-invoice van [bedrijf A] B.V. aan [bedrijf G] SL, Reference:

purchase order 021, dated may 4th 2005, Invoice date: May 11th 2005, Invoice

nr: 2005/105, en

-invoice van [bedrijf A] B.V. aan [bedrijf G] SL, Reference:

purchase order 019, dated may 3th 2005, Invoice date: May 12th 2005, Invoice

nr: 2005/103, en

-invoice van [bedrijf A] B.V. aan [bedrijf G] SL, Reference:

purchase order 023, dated may 4th 2005, Invoice date: May 12th 2005, Invoice

nr: 2005/104, en

-invoice van [bedrijf A] B.V. aan [bedrijf E] SL, Reference:

purchase order 201, Invoice date: May 30th 2005, Invoice nr: 2005/108,

Product: Nokia 7710, Total price: GBP 431.000.00, en

-Pro forma invoice van [bedrijf A] B.V. aan [bedrijf E] SL,

Reference: purchase order 201, Invoice date:10 06 2005, Invoice nr: 2005/109,

Product: Nokia 7710, Total price: GBP 436.000.00, en

-invoice van [bedrijf A] B.V. aan [bedrijf E] SL, Reference:

purchase order 201, Invoice date: 14 06 2005, Invoice nr: 2005/113, Product:

Nokia 6670, Total price: GPB 148.500.00, en

(CPU's)

-invoice van [bedrijf A] B.V. aan [bedrijf G] SL, Reference:

purchase order 041, Invoice date: 14 06 2005, Invoice nr: 2005/114, en

-Pro forma invoice van [bedrijf A] B.V. aan [bedrijf G] SL,

Reference: purchase order 043, Invoice date: 28 06 2005, Invoice nr: 2005/116, en

-Pro forma invoice van [bedrijf A] B.V. aan [bedrijf G] SL,

Reference: purchase order 045, Invoice date: 04 07 2005, Invoice nr: 2005/119, en

-Pro forma invoice van [bedrijf A] B.V. aan [bedrijf G] SL,

Reference: purchase order 047, Invoice date: 12 07 2005, Invoice nr: 2005/122,

elk zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, telkens valselijk heeft opgemaakt en door een ander valselijk heeft doen opmaken,

zulks telkens met het oogmerk om dit geschrift als echt en onvervalst

te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

immers hebben [bedrijf A] B.V. en haar mededaders telkens valselijk en in strijd met de waarheid met betrekking tot bovengenoemde facturen de suggestie gewekt dat telkens sprake was van een rechtsgeldige verkoopovereenkomst tussen de op de factuur als verkoper vermelde onderneming en de op de factuur als koper vermelde onderneming,

terwijl:

-aan deze facturen geen reële overeenkomsten ten grondslag hebben gelegen; en

-het niet de bedoeling was dat die goederen van eigenaar zouden verwisselen

door levering van verkoper aan koper; en

-de voor een rechtsgeldige overeenkomst vereiste wilsovereenstemming heeft

ontbroken,

welke voornoemde schijntransacties tot doel hadden BTW-fraude mogelijk te

maken,

aan welke verboden gedragingen verdachte, tezamen en in vereniging met een ander feitelijk leiding heeft gegeven.

2.

zij in de periode van 1 mei 2005 tot en met 1 augustus 2005 te Apeldoorn en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, die werd gevormd door verdachte en (een) natuurlijke perso(o)n(en), waaronder:

-[medeverdachte B]; en

en rechtspersonen, waaronder:

-[bedrijf A] B.V.; en

-[bedrijf B] B.V.; en

-[bedrijf C] B.V.; en

-[bedrijf D] LLC; en

-[bedrijf E] SL; en

-[bedrijf F] LTD; en

-[bedrijf G] SL; en

-[bedrijf H] LLC; en

-[bedrijf I] LLC,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:

-het herhaaldelijk plegen van valsheid in geschrift ten aanzien van facturen; en

-het herhaaldelijk plegen (BTW-carrousel) belastingfraude; en

-het herhaaldelijk plegen van witwassen.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

1. medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd door een rechtspersoon, terwijl verdachte tezamen en in vereniging met een ander feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging;

2. deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar;

- een werkstraf van 200 uur subsidiair 100 dagen hechtenis.

Ter toelichting op zijn eis heeft de officier van justitie aangevoerd dat mede door handelen van verdachte een groot BTW nadeel is ontstaan in het Verenigd Koninkrijk en dat er afgeleid daarvan ook een nadeel is gekomen ten laste van de Nederlandse staat, aangezien beide landen lid zijn van de Europese Unie.

Voorts heeft de officier van justitie er rekening mee gehouden dat verdachte kennis had verkregen op het terrein van BTW- carrouselfraude en dat zij deze kennis gebruikt heeft ten behoeve van het plegen van de feiten. Ten voordele van verdachte heeft hij er rekening mee gehouden dat verdachte een korte periode heeft gehandeld, dat zij first offender is en dat de medeverdachte een groter financieel voordeel heeft gehad.

De verdachte heeft naast de bepleite vrijspraak verzocht om rekening te houden met overschrijding van de redelijke termijn. Deze overschrijding is zodanig dat dit een strafoplegging in de weg zou staan.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De verdachte heeft zich in georganiseerd verband schuldig gemaakt aan BTW-fraude. Zij heeft haar kennis, die zij destijds bij de FIOD-ECD heeft opgedaan en die zij als jurist tijdens het geven van adviezen en voeren van diverse procedures ten behoeve van de medeverdachte en diens bedrijf [bedrijf K] BV heeft verkregen, gebruikt om samen met haar medeverdachte een zodanige handel in mobiele telefoons en cpu's op te zetten, dat de daarmee beoogde BTW-fraude zou worden verdoezeld. Zij was door haar werkzaamheden bij de FIOD-ECD op de hoogte dat dit soort feiten werden gepleegd. Dat maakt het extra kwalijk dat juist verdachte dit soort feiten is gaan plegen.

De werking van het systeem van BTW is afhankelijk van de betrouwbaarheid, juistheid en volledigheid van de gevoerde administratie. Verdachte heeft het daarin ten behoeve van de belastingheffing te stellen en gestelde vertrouwen misbruikt. Het handelen van verdachte had verstrekkende internationale gevolgen kunnen hebben.

Ten voordele van verdachte houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte een blanco strafblad heeft en dat er slechts in een betrekkelijke korte periode strafbare feiten zijn gepleegd.

Om recht te doen aan de ernst van de feiten komt de rechtbank tot de oplegging van een hogere straf dan door de officier van justitie is gevorderd, namelijk een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en een werkstraf van 240 uur. De voorwaardelijke gevangenisstraf dient om verdachte er mede van te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Ten aanzien van overschrijding van de redelijke termijn wordt als volgt overwogen.

De officier van justitie heeft zich in tweede termijn op het standpunt gesteld dat er inderdaad sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Hij heeft meegedeeld dit in zijn eis te hebben verdisconteerd.

Op grond van de stukken en het ter terechtzitting verhandelde kan het volgende worden vastgesteld.

Op 9 juni 2005 is er een partij goederen in beslag genomen, kort daarna is verdachte vrijwillig voor verhoor verschenen en nog wat later heeft zij op verzoek van de FIOD-ECD stukken overgelegd. Tijdens het verhoor op 16 maart 2007 is zij voor het eerst als verdachte aangemerkt en aangehouden. Verdachte heeft daaruit af kunnen leiden en afgeleid dat zij als verdachte werd aangemerkt. De rechtbank merkt derhalve 16 maart 2007 aan als het moment waarop de redelijke termijn is gaan lopen.

Het eindproces-verbaal in het onderzoek is op 8 mei 2007 gesloten.

Op 5 augustus 2010 is de dagvaarding aan verdachte betekend om op 21 september 2010 te verschijnen voor de meervoudige kamer van de rechtbank. Op verzoek van verdachte is de zaak vervolgens aangehouden. Vervolgens is 25 november 2010 de oproeping aan verdachte betekend om op 4 januari 2011 wederom te verschijnen voor de meervoudige kamer. Toen is beslist de zaak aan te houden voor bepaalde tijd ten behoeve van een schriftelijke ronde. Op 22 maart 2011 heeft de inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsgevonden, is het onderzoek ter terechtzitting gesloten en bepaald dat op 5 april 2011 uitspraak zal worden gedaan.

Bij arrest van 17 juni 2008 (LJN: BD2578) heeft de Hoge Raad, wat betreft de duur van de redelijke termijn, bepaald, dat voor de berechting in eerste aanleg als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van verdachte en/of zijn raadsman op het verloop van de zaak en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

In het onderhavige geval zou met inachtneming van het uitgangspunt van een duur van de redelijke termijn van twee jaar en het aanvangstijdstip van de termijn, te weten 16 maart 2007, de redelijke termijn verstreken zijn op 16 maart 2009. Dat betekent dat de duur van overschrijding van de redelijke termijn, uitzonderlijke omstandigheden daar gelaten, bij einduitspraak op 5 april 2011 ongeveer twee jaar bedraagt.

Op verzoek van de verdachte is de zaak op 21 september 2010 aangehouden. Dit had tot gevolg dat de termijn vanaf dat moment tot de zitting van 4 januari 2011 door het verzoek van verdachte is verlengd. De rechtbank laat dit voor rekening van verdachte komen. Dit maakt de overschrijding van minder lange duur.

Alle genoemde omstandigheden tegen elkaar afwegende is de rechtbank van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn één jaar en negen maanden bedraagt.

De rechtbank zal de redelijke termijnoverschrijding op de voet van de maatstaf, aangelegd door de Hoge Raad in zijn uitspraak van 17 juni 2008, LJN BD2578, compenseren door de op te leggen werkstraf met 15% te matigen, aldus uitkomend op 200 uur.

In beslag genomen voorwerpen

De officier van justitie heeft gevorderd om 1.500 stuks mobiele telefoons verbeurd te verklaren.

De verdachte heeft zich hier niet over uitgelaten.

De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen en nog niet teruggegeven mobiele telefoons, volgens opgave van verdachte aan [bedrijf A] BV toebehorend, vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn met betrekking tot welke het bewezenverklaarde is begaan.

De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

De rechtbank merkt op dat het blijkens de kennisgeving inbeslagname en het proces-verbaal niet om 1.500 mobiele telefoons gaat, maar om 1.700 mobiele telefoons, alle van het merk Nokia, types 6230i (1.000 stuks), type 6630 (500 stuks) en type 7710 (200 stuks).

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24, 33, 33a, 47, 51, 57, 140 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

1. medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd door een

rechtspersoon, terwijl verdachte tezamen en in vereniging met een ander feitelijk

leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging;

2. deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

* bepaalt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

* veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende 200 (tweehonderd) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 100 dagen;

* verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1.700 mobiele telefoons, allen van het merk Nokia, types 6230i (1.000 stuks), type

6630 (500 stuks) en type 7710 ( 200 stuks).

Aldus gewezen door mrs. Van de Wetering, voorzitter, Van der Hooft en Prisse, rechters, in tegenwoordigheid van Jansen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 april 2011.

Eindnoten

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer 35103, van Belastingdienst FIOD-ECD, kantoor Haarlem, gesloten en ondertekend op 8 mei 2007.

2 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte B], genummerd V-2-1

3 Facturen [bedrijf H] LLC d.d. 2 mei 2005, genummerd D-2, D-3. D-4, D-5

4 CMR's/Vrachtbrieven, genummerd D-102; D-110; D-117; D-132; D-141; D-153; D-167; D-177.

5 Proces-verbaal van ambtshandelingen, genummerd AH-7

6 Overzichtsproces-verbaal, pag. 6-7; Inspection sheets, genummerd D197 t/m -206

7 Proces-verbaal van ambtshandelingen, genummerd AH-7 en het stamproces-verbaal, pag. 6-7 onder 3.2.2

8 Overzichten rekeningnummer 04-801-201664-01, genummerd D-46 en D-47

9 Proces-verbaal ambtshandelingen, genummerd AH-7

10 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d.16 maart 2007, genummerd V1-5, pag. 8

11 Brief d.d. 28 juni 2005, D-49

12 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte B] d.d. 1 februari 2006, genummerd V2-1

13 idem

14 idem

15 Transcript of chat d.d. 8 juni 2005, D-50; overzicht bankrekening FCIB, D-47