Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BQ0941

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
12-04-2011
Datum publicatie
12-04-2011
Zaaknummer
06/850071-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld tot één maand voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf voor de duur van 80 uur voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid van een collega van hem.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/850071-10

Uitspraak d.d.: 12 april 2011

Tegenspraak / dip, oip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] (Roeanda-Oeroendi) op [1959],

wonende te [plaats, adres].

Raadsvrouw: mr. M. van der Steeg, advocaat te Deventer.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen

van 5 januari 2011 en 29 maart 2011.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij ( op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 8 september 2009 tot en met 2 oktober 2009 te Apeldoorn, in ieder geval in Nederland, door (een) feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit

- het betasten van haar billen en/of borsten en/of

- het kussen op haar wang en/of mond

en bestaande die feitelijkhe(i)d(en) uit

- het (stevig) vastpakken en/of omarmen van het lichaam van die [slachtoffer] en/of

- het onverhoeds betasten van het lichaam van die [slachtoffer] en/of

- het voorbij gaan aan het (verbale en/of non-verbale) protest van die [slachtoffer];

art 246 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Aanleiding van het onderzoek

1. Door [slachtoffer] wordt op 7 december 2009 aangifte2 gedaan van aanranding, nadat zij eerst op 20 november 2009 een informatief gesprek had bij de politie3. Zij verklaarde dat zij op haar werk was betast en gekust door een collega, te weten verdachte.

Standpunt van het openbaar ministerie

2. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde, waarbij zij zich heeft gebaseerd op de door haar geloofwaardig geachte aangifte van [slachtoffer] en de verklaringen van de getuigen [getuige A] en [getuige B]. Het idee van verdachte dat er een complot tegen hem zou bestaan, inhoudende dat aangeefster zou samenspannen met de werkgever van verdachte en eventuele andere medewerkers van het bedrijf, teneinde hem te kunnen ontslaan bij het bedrijf waar hij en aangeefster werkten, wordt niet gestaafd door enig bewijsmiddel en wordt door de officier van justitie dan ook niet geloofwaardig geacht.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

3. Door en namens de verdediging is allereerst naar voren gebracht dat hij het ten laste gelegde niet heeft gepleegd. Daarnaast is aangevoerd dat de verklaring van getuige

[getuige A] niet kan worden aangemerkt als bewijsmiddel nu deze getuige verklaart over een gesprek met een vertrouwelijk karakter. Het gesprek vond namelijk plaats tussen verdachte en de heer [getuige C] in diens functie als (emeritus-)predikant. Getuige [getuige A] die bij dit gesprek aanwezig was had zich dienen te beroepen op een afgeleid verschoningsrecht. Zij was niet bevoegd mededelingen te doen over de inhoud van het gesprek. De verklaring van getuige [getuige A] dient op grond van het voorgaande van het bewijs te worden uitgesloten. Voor zover deze verklaring wel voor het bewijs wordt gebezigd, merkt de verdediging op dat verdachte gebrekkig Nederlands spreekt en in het gesprek heeft gezegd of in ieder geval bedoeld heeft te zeggen dat de heer [getuige B] had gezegd dat verdachte aangeefster een kusje zou hebben gegeven. Er moet derhalve sprake zijn geweest van een misverstand tussen getuige [getuige A] en verdachte in dit gesprek.

Voorts is naar voren gebracht dat - kort samengevat - voor de ten laste gelegde dwang geen ondersteunend bewijs te vinden is buiten de aangifte. Daarnaast zijn de vermeende uitlatingen van verdachte - indien gedaan - te vaag en onbepaald om voldoende steun voor het bewijs van het bestanddeel dwang te bieden. Voor het onverhoedse karakter van het betasten is evenmin bewijs voorhanden.

Door de verdediging is verder naar voren gebracht dat - mocht de rechtbank wettig bewijs wel voorhanden achten - de overtuiging dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, ontbreekt, waarbij de verdediging - kort samengevat - heeft verwezen naar de kleding die de werknemers van het bedrijf droegen, de sociaal-culturele factoren van verdachte, het motief en de gelegenheid.

Tot slot heeft de verdediging er op gewezen dat het verhaal is verzonnen teneinde verdachte te kunnen ontslaan bij het bedrijf.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het ten laste gelegde feit uit van de volgende feiten en omstandigheden.

[slachtoffer] heeft bij de politie verklaard4 dat zij op 1 september 2009 is gaan werken bij [naam te plaats]. Verdachte werkte daar toen al. De eerste keer dat hij haar in de billen kneep was rond 20 september, terwijl zij voorover gebogen stond om haar overschoenen uit te doen. Zij waren toen alleen. Zij heeft hem gezegd dat hij haar met rust moest laten, maar hij reageerde daar, volgens haar, enkel lacherig op. Ondanks dat zij hem dit had gezegd, bleef hij doorgaan met het haar (onopvallend) in de billen knijpen. Hij deed dat op allerlei plekken in het gebouw en zij heeft hem steeds weer gezegd dat zij dit niet wilde. Op 2 oktober 2009 was zij alleen met verdachte op het werk. Ineens kwam hij naar haar toe. Hij heeft haar toen vastgepakt en een knuffel gegeven. Hij sloeg haar armen om haar lichaam en zij probeerde zich los te trekken, maar dat lukte niet omdat hij haar stevig vasthield. Toen zij hem zei dat hij haar los moest laten, gaf hij haar een kus op haar wang en vervolgens op haar mond. Het lukte haar zich los te trekken en op het moment dat zij naar achteren stapte, kneep hij haar met beide handen in haar borsten. Zij was door het voorval boos en ontdaan.5 Deze verklaring heeft zij ter terechtzitting van 29 maart 2011 onder ede bevestigd.

5. Aangeefster heeft kort na het voorval van 2 oktober 2009 aan twee collega's verteld wat er was gebeurd en niet veel later - op 12 oktober 2009 - aan haar baas [getuige B]. Deze de-auditu verklaringen zijn in onderling verband en samenhang bezien met overige stukken uit het strafdossier, voldoende betrouwbaar om voor het bewijs te kunnen worden gebezigd. De rechtbank overweegt in dit verband dat geen rechtsregel eraan in de weg staat dat een verklaring van horen zeggen (de-audtitu) wordt gebruikt als wettig bewijs, maar dergelijke verklaringen dienen wel met behoedzaamheid te worden gehanteerd.

6. Getuige [getuige D] heeft bij de politie verklaard dat zij een collega van aangeefster en verdachte was. Voorts heeft zij verklaard dat zij op 6 oktober 2009 van aangeefster had gehoord dat verdachte haar al langere tijd betastte en dat hij geprobeerd had haar te zoenen. Getuige [getuige D] vertelde toen aan aangeefster dat zij een soortgelijke ervaring met verdachte had meegemaakt.6

7. Ook getuige [getuige E] heeft bij de politie verklaard dat aangeefster haar op 6 oktober 2009 had verteld dat verdachte aan de borsten van aangeefster had gezeten en dat hij geprobeerd had haar te zoenen.7 Ook vertelde aangeefster haar dat verdachte daarvoor al aan haar billen had gezeten. Getuige [getuige E] heeft voorts bij de politie verklaard dat aangeefster heel erg overstuur was toen ze dit vertelde, dat getuige [getuige D] er even later bij kwam staan en dat [getuige D] aangaf dat verdachte ook toenadering tot haar had gezocht.8

8. Voor zover door de verdediging naar voren is gebracht dat de verklaring van getuige

[getuige A] niet voor het bewijs mag worden gebezigd nu aan haar een afgeleid verschoningsrecht toekomt en zij op grond daarvan niet over de inhoud van het vertrouwelijke gesprek heeft mogen verklaren, overweegt de rechtbank als volgt.

Uit het dossier blijkt dat verdachte getuige [getuige A] en niet haar man - een gepensioneerd predikant - heeft benaderd voor een gesprek.9 Bij dit gesprek was de man van [getuige A] aanwezig, maar niet is gebleken dat hij uit hoofde van zijn ambt bij dit gesprek aanwezig was. Nu aan de man van [getuige A] reeds geen verschoningsrecht toekomt in deze situatie, komt aan getuige [getuige A] evenmin een afgeleid verschoningsrecht toe.

Voor zover door de verdediging voorts nog naar voren is gebracht dat mogelijk misverstanden zijn ontstaan over hetgeen verdachte tijdens dit gesprek heeft verteld wegens taalproblemen, neemt de rechtbank in aanmerking de verklaring van getuige [getuige A] welke zij ter terechtzitting heeft afgelegd. Bij die gelegenheid heeft zij stellig aangegeven dat zij verdachte bij het gesprek goed heeft verstaan, dat verdachte goed Nederlands spreekt en dat het haar verbaasde dat er ter terechtzitting een tolk aanwezig was om alles voor verdachte te vertalen.

De rechtbank zal - gelet op het vorenoverwogene - de verklaring van getuige [getuige A] voor het bewijs bezigen.

9. Getuige [getuige A] was destijds een collega van aangeefster en verdachte. Zij heeft bij de politie verklaard dat aangeefster op 6 oktober 2009 tegen haar had verteld dat verdachte haar had gezoend op haar wang. Voorts heeft zij verklaard dat verdachte op 12 oktober 2009 bij haar is gekomen om te praten. In het gesprek, waarbij de echtgenoot van getuige [getuige A] aanwezig was, heeft verdachte verteld dat hij aangeefster een kusje had gegeven en dat hij dit niet had moeten doen.10 Ter terechtzitting van 29 maart 2011 heeft getuige [getuige A] haar verklaring onder ede bevestigd.

Getuige [getuige C] - de echtgenoot van getuige [getuige A] - heeft verklaard dat verdachte zijn vrouw had gebeld en dat verdachte een half uur na het telefoontje bij getuigen [getuige C] en [getuige A] is geweest. Ten aanzien van de inhoud van het gesprek dat toen heeft plaatsgevonden, beroept de getuige zich op zijn verschoningsrecht nu hij een gepensioneerd predikant is.11

10. De werkgever van verdachte en aangeefster, [getuige B], heeft bij de politie verklaard dat aangeefster 12 oktober 2009 aan hem had verteld dat verdachte haar een paar keer in haar billen had geknepen, dat hij haar had vastgepakt en had gezoend. Aangeefster vertelde bij die gelegenheid voorts dat zij verdachte al vaker had laten weten dat ze het niet wilde. Getuige [getuige B] heeft verdachte vervolgens geconfronteerd met onder meer de verklaring van aangeefster, waarop zijn eerste reactie was dat zij - aangeefster en [getuige D] - het verkeerd zien. Op de vraag van [getuige B] of hij aangeefster gezoend had, wilde verdachte geen antwoord geven.12 Getuige [getuige B] heeft voorts verklaard dat hij van getuige [getuige C] had vernomen dat verdachte na het gesprek met hem - [getuige B] - naar [getuige A] en [getuige C] is gegaan. Laatstgenoemde heeft tegenover getuige [getuige B] verklaard dat verdachte in dat gesprek had gezegd dat hij een kusje had gegeven en dat het dom was.13

11. Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van vorenstaande verklaringen het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. De rechtbank acht de aangifte en de verklaring van aangeefster ter zitting consistent en geloofwaardig, mede gelet op de (de-auditu) verklaringen van de getuigen die op essentiële onderdelen overeenkomen. Daarnaast heeft verdachte tegen getuige [getuige A] gezegd dat hij aangeefster in ieder geval een kusje had gegeven.

12. Voor de stelling van verdachte dat het hele gebeuren een vooropgezet plan was teneinde hem te kunnen ontslaan, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten kunnen vinden in het dossier noch in de door de getuigen ter terechtzitting (onder ede) afgelegde verklaringen.

13. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op tijdstippen in de periode van 8 september 2009 tot en met 2 oktober 2009 te Apeldoorn door feitelijkheden [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van meer ontuchtige handelingen, bestaande uit

- het betasten van haar billen en/of borsten en/of

- het kussen op haar wang en/of mond

en bestaande die feitelijkheden uit

- het stevig vastpakken en/of omarmen van het lichaam van die [slachtoffer] en/of

- het onverhoeds betasten van het lichaam van die [slachtoffer] en/of

- het voorbij gaan aan het (verbale en/of non-verbale) protest van die [slachtoffer].

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

14. De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden, met een proeftijd van 2 (twee) jaar en daarnaast een werkstraf voor de duur van 80 (tachtig) uur te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis indien deze straf niet naar behoren wordt verricht.

15. Door en namens de verdediging is ten aanzien van een eventuele strafoplegging allereerst naar voren gebracht dat verdachte in zijn oproep voor het verhoor bij de politie niet is gewezen op de mogelijkheid van kosteloze rechtsbijstand, welk vormverzuim moet worden verdisconteerd in de strafmaat. Voorts is de termijn tussen het afsluiten van het strafrechtelijk onderzoek en de dagvaarding onnodig lang, hetgeen eveneens dient te worden verdisconteerd in de strafmaat. Gelet op de persoonlijke gevolgen voor verdachte naar aanleiding van de beschuldiging - onder meer zijn ontslag en de daarmee gepaard gaande financiële gevolgen - is een straf gericht op genoegdoening niet meer op zijn plaats. Bepleit wordt dan ook om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, te weten een schuldigverklaring zonder oplegging van straf, dan wel te volstaan met het opleggen van een werkstraf.

16. De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

17. De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke en persoonlijke integriteit van het slachtoffer door haar - op de werkvloer - te betasten en een kus te geven. Verdachte heeft op geen enkele manier rekening gehouden met de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer.

18. In het voordeel van verdachte heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte blijkens een uittreksel van zijn justitiële documentatie niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld in Nederland.

19. Voorts heeft de rechtbank in ogenschouw genomen het over verdachte opgemaakte rapport van de reclassering van 18 juni 2010 waarin is vermeld dat de reclassering zich heeft onthouden van een strafadvies vanwege de ontkennende houding van verdachte, terwijl er evenmin een uitspraak kan worden gedaan over de kans op recidive.

20. Tot slot neemt de rechtbank in aanmerking de grote gevolgen die het gebeuren voor hem heeft gehad, in het bijzonder het verlies van zijn baan.

21. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie geëiste werkstraf passend en geboden is. Nu uit het dossier signalen naar voren komen dat verdachte mogelijk soortgelijke handelingen heeft gepleegd bij een andere collega, acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal een kortere voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is geëist gelet op de gevolgen van het feit voor verdachte. Voor zover door de verdediging naar voren is gebracht dat bij de strafoplegging in aanmerking moet worden genomen dat verdachte in zijn oproep voor het verhoor bij de politie niet is gewezen op de mogelijkheid van kosteloze rechtsbijstand, ziet de rechtbank - wat daar verder ook van zij - daarin geen grond voor strafvermindering. Nu naar het oordeel van de rechtbank evenmin is gebleken dat sprake is van een onredelijk lange termijn tussen het sluiten van het onderzoek en de dagvaarding, heeft de rechtbank ook daarmee geen rekening gehouden bij de strafoplegging.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 57, en 246 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd;

en verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

* bepaalt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

* veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende 80 (tachtig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 (veertig) dagen;

* beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht.

Aldus gewezen door mrs. Heenk, voorzitter, Van der Hooft en Van de Wetering, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Meerdink, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 april 2011.

Voetnoten:

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer 2009093122-18, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Apeldoorn, gesloten en ondertekend op 29 januari 2010.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] (p.16-20)

3 Stamproces-verbaal (p.4)

4 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 7 december 2009 (p.16)

5 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 7 december 2009 (p.17)

6 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige D] (p.35)

7 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige E] (p.39)

8 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige E] (p.39)

9 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige A] (p.28) en proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige C] (p.32)

10 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige A] (p.28)

11 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige C] (p.31 en 32)

12 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige B] (p.23)

13 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige B] (p.24)