Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BP9109

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
25-03-2011
Datum publicatie
12-04-2011
Zaaknummer
06/940390-10 en 06/850698-10 (gevoegd ttz.)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt man voor een aantal (gewelddadige) diefstallen, belediging en bezit van een werpmes tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummers: 06/940390-10 en 06/850698-10 (gevoegd ttz.)

Uitspraak 25 maart 2011

Tegenspraak / dip / oip

VONNIS

in de zaken tegen:

[verdachte],

geboren op [plaats, 1984],

verblijvende in het huis van bewaring Doetinchem te Doetinchem.

Raadsman: mr. J.J. Roossien, advocaat te Elburg.

Onderzoek van de zaken

De zaak met parketnummer 06/940390-10 is op 29 december 2010 aanhangig gemaakt. De zaak is toen aangehouden, omdat het persoonlijkheidsonderzoek nog niet gereed was. Op

11 maart 2011 is de zaak voortgezet en is de zaak met parketnummer 06/850698-10 eveneens aanhangig gemaakt. Om proceseconomische reden is de voeging van deze zaken bevolen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

29 december 2010 en 11 maart 2011.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd

onder parketnummer 06/940390-10, dat:

1.

hij op of omstreeks 30 september 2010, te Apeldoorn, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een reep chocolade, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [supermarkt], in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] en/of [slachtoffer C], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken, en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte duidelijk zichtbaar voor die perso(o)n(en) een (stanley)mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp heeft gepakt en (daarbij) tegen die perso(o)n(en) heeft geschreeuwd/geroepen "Kankermongolen, ga aan de kant" en/of "Als ik vast kom te zitten, dan zoek ik je op. Niet alleen jou, maar ook je familie", althans (telkens) woorden van soortgelijke aard of strekking;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 11 september 2010, te Vlaardingen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een auto (Mercedes Benz autoambulance), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf A] B.V., in elk geval aan een ander of anderen dat verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen auto onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak/verbreking en/of een valse sleutel;

art. 310 Wetboek van Strafrecht

art. 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art. 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 11 september 2010, te Rotterdam, in elk geval in Nederland, een auto (Mercedes Benz autoambulance) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven en/of voorhanden krijgen van die auto wist, althans had kunnen moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

art. 416 lid 1 ahf/onder a Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 11 september 2010, te Meerkijk, gemeente Zederik en/of te Ede en/of te Apeldoorn, althans in Nederland, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer D], althans een medewerker van taxibedrijf [bedrijf B] heeft bewogen tot het verlenen van een dienst, te weten een taxirit van Meerkerk (A27) naar Ede en/of Apeldoorn, in elk geval van het verlenen van een dienst, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid zich heeft voorgedaan als bonafide klant en/of verteld dat zijn ouders gefortuneerd waren en/of dat hij over het geld niet in hoefde te zitten, waardoor [slachtoffer D], althans die medewerker van taxibedrijf [bedrijf B], werd bewogen tot bovenomschreven dienst;

art. 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 13 augustus 2010, te Apeldoorn, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een pand aan de [adres] heeft weggennomen een of meer bakpassen en/of een ID kaart en/of een rijbewijs en/of 40 euro, althans geld en/of een mobiele telefoon en/of een televisie en/of een zak met lege flessen, in elk geval enige goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer E] en/of [bedrijf C], in elk geval aan een ander of anderen dat aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming; (parketnummer 950583-10)

art. 310 Wetboek van Strafrecht

art. 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art. 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

onder parketnummer 06/850698-10, dat:

1.

hij op of omstreeks 17 augustus 2010 te Apeldoorn opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten [slachtoffer F], gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd het woord "kankerwout", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

art. 266 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art. 267 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 17 augustus 2010 te Apeldoorn een wapen van categorie III, te weten een werpmes (merk Haller) voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

art. 26 lid 1 Wet wapens en munitie

art. 55 lid 3 ahf/onder b Wet wapens en munitie

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Aanleiding van de onderzoeken

In de maanden augustus en september 2010 worden er bij de regiopolitie Noord en Oost Gelderland diverse aangiftes gedaan. De politie start vervolgens onderzoeken naar die aangiftes.

Standpunt van het openbaar ministerie

parketnummer 06/940390-10

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de onder 1, onder 2 primair, onder 3 en onder 4 tenlastegelegde feiten en heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van deze feiten. De officier van justitie acht daarbij niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte deze feiten tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepleegd. Hij heeft verzocht verdachte telkens van deze strafverzwarende omstandigheid vrij te spreken.

parketnummer 06/850698-10

De officier van justitie acht eveneens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 1 en onder 2 tenlastegelegde en heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van deze feiten.

Standpunt van de verdediging

parketnummer 06/940390-10

feit 1

De raadsman stelt zich op het standpunt dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte bij de diefstal een stanleymes heeft getoond of bedreigende woorden heeft geuit. De raadsman heeft verzocht om verdachte hiervan vrij te spreken. De raadsman heeft zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

feit 2 primair en subsidiair, feit 3 en feit 4

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 2 en onder 4 tenlastegelegde betoogd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte deze feiten tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepleegd. Hij heeft de rechtbank verzocht verdachte van het medeplegen vrij te spreken. Voor het overige heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

parketnummer 06/850698-10

De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder 1 en onder 2 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

parketnummer 06/940390-101

feit 1

Verdachte heeft bekend dat hij op 30 september 2010 te Apeldoorn in een supermarkt een reep chocolade heeft gestolen, welke reep toebehoorde aan [supermarkt].2 Verdachte ontkent echter dat hij daarbij een (stanley) mes heeft getoond en dreigende taal heeft geuit.

De bedrijfsleider van de supermarkt, de heer [slachtoffer A], heeft die dag een man aangehouden op verdenking van winkeldiefstal, met de bedoeling deze man over te dragen aan de politie. [slachtoffer A] hoorde daarbij de man zeggen dat hij dat niet wilde en zag dat de man steeds agressiever werd. Plotseling zag [slachtoffer A] dat de man een stanleymes uit zijn jaszak haalde en aan hem toonde.3 [slachtoffer A] voelde zich door deze situatie erg bedreigd.

De heer [slachtoffer C] hoorde dat [slachtoffer A] tegen een jongen zei dat hij was aangehouden voor diefstal. [slachtoffer C] is vervolgens samen met de bedrijfsleider en een collega voor de jongen gaan staan om te voorkomen dat de jongen naar buiten kon. Hij zag toen dat de jongen ineens agressief werd en hoorde hem schreeuwen: "Kankermongolen, ga aan de kant". Hij zag ook dat de jongen een stanleymes in zijn hand had.4

Ook de heer [slachtoffer B] hoorde die dag dat [slachtoffer A] een jongen aanhield op verdenking van winkeldiefstal. [slachtoffer B] heeft vervolgens met [slachtoffer A] en [slachtoffer C] de jongen belet om de winkel uit te gaan. Hij zag daarbij dat de jongen een stanleymes tevoorschijn haalde en het mes in zijn hand hield. Hij hoorde de jongen tegen [slachtoffer A] zeggen: "Als ik vast kom te zitten, dan zoek ik je op. Niet alleen jou, maar ook je familie". [slachtoffer B] vond dit erg bedreigend.5

De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigen. Zij acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de tenlastegelegde diefstal en ook dat hij daarbij een stanleymes heeft getoond en de tenlastegelegde bedreigende taal heeft geroepen. De rechtbank acht, evenals de officier van justitie en de raadsman, niet wettig en overtuigend bewezen dat bij deze diefstal gevolgd door bedreiging met geweld er sprake is geweest van een bewuste, nauwe en volledige samenwerking tussen verdachte en de persoon met wie hij op dat moment in de supermarkt aanwezig was. Verdachte zal daarom van het tenlastegelegde 'medeplegen' worden vrijgesproken.

feit 2

Op 11 september 2010 heeft de heer [aangever bedrijf A] aangifte gedaan van diefstal van een Mercedes Benz bestelbus, toebehorende aan [bedrijf A] B.V. Deze diefstal zou zijn gepleegd op 11 september 2010 te Vlaardingen.6

Verdachte heeft bekend die nacht in Vlaardingen een autoambulance te hebben gestolen met behulp van een startblok en een schroevendraaier.7 Verdachte heeft ontkend dat hij dit feit tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepleegd.

De rechtbank acht, op basis van de aangifte en de verklaring van verdachte, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft gepleegd. Het gebruik van de schroevendraaier en het startblok kwalificeert de rechtbank als het gebruik van valse sleutels. Voor het overig bevinden zich in het dossier onvoldoende bewijsmiddelen om tot een bewezenverklaring van het medeplegen te komen. Verdachte zal van dat onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

feit 3

Verdachte heeft op 11 september 2010 een taxirit gemaakt, zonder dat hij daarna voor deze rit heeft betaald. De rechtbank overweegt dat de enkele omstandigheid dat verdachte zich in strijd met de waarheid heeft voorgedaan als een bonafide (taxi)klant die - zo begrijpt de rechtbank de steller van de tenlastelegging - bereid en in staat is de ritprijs na afloop van de taxirit voldoen, niet oplevert het aannemen van een valse hoedanigheid in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht. Uit de aangifte en de verklaring van verdachte volgt bovendien dat het de taxichauffeur voorafgaand aan de rit al duidelijk was dat verdachte geen portemonnee/geld bij zich had en dat hij niettemin de lange rit vanuit Meerkerk naar aanvankelijk Ede tot uiteindelijk Apeldoorn is gaan maken. Hij dacht dat het wel goed zou komen, omdat zijn baas de rit had geregeld. Hij is derhalve niet door de veronderstelde valse hoedanigheid van verdachte bewogen tot het gaan rijden met de taxi. Van gebruik van een valse naam is niet gebleken.

Het vervolgens door verdachte tijdens de taxirit bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid te vertellen dat zijn ouders gefortuneerd waren en dat hij, de taxichauffeur, niet over het geld hoefde in te zitten, kan niet worden beschouwd als listige kunstgrepen of een samenweefsels van verdichtsels, omdat die woorden niet het karakter van list of bedrog in zich dragen.8

Van het onder 3 tenlastegelegde - de oplichting - zal de rechtbank de verdachte dus vrijspreken.

feit 4

Op 13 augustus 2010 is er in een pand aan de [adres] te Apeldoorn ingebroken.9 Mevrouw [slachtoffer E] was op dat moment in dat pand aan het werk. Toen zij die nacht op enig moment in de koffiekamer van het pand kwam, zag zij dat haar tas overhoop was gehaald. Zij miste vervolgens haar rijbewijs, ID-kaart, agenda, portemonnee, telefoon, huissleutel, ongeveer 120 euro, een pakje sigaretten en haar autosleutels. In de koffiekamer miste ook de televisie, toebehore[bedrijf C]edrijf C]. Verder was er ook een zak vol lege flessen verdwenen.10

Verdachte heeft bekend dat hij deze inbraak heeft gepleegd.11 Verdachte ontkent echter dat hij deze inbraak tezamen en in vereniging met een ander heeft gepleegd. Verder ontkent verdachte ook dat hij, naast de overige in de aangifte genoemde goederen, de agenda, de portemonnee, de sleutels en het geld heeft meegenomen.

Verdachte is die nacht kort na het plegen van het feit, in de buurt van het pand aangehouden. Bij zijn fouillering is toen aangetroffen: een rijbewijs, een ID-bewijs, bankpassen en 40 euro. In de nabijheid van verdachte is vervolgens door de politie ook de televisie aangetroffen.12

De rechtbank acht, gelet op bovengenoemde verklaringen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan diefstal. Verdachte heeft daarbij een aantal goederen uit een tas gehaald. Aangeefster heeft daarover verklaard dat zij, naast de goederen die verdachte bekent te hebben gestolen, ook haar agenda, haar portemonnee en haar sleutels mist. Deze goederen zaten in dezelfde tas als waaruit verdachte de bankpassen en dergelijke heeft meegenomen. De rechtbank acht het daarom aannemelijk dat verdachte ook deze goederen heeft meegenomen, temeer nu van bankpassen, ID-kaarten en rijbewijzen over het algemeen kan worden gezegd dat deze worden bewaard in een portemonnee. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ook deze goederen heeft gestolen.

Dit is anders voor wat betreft het tenlastegelegde geld. Aangeefster zegt namelijk 120 euro te missen, terwijl bij verdachte, die vrijwel meteen na het plegen van de diefstal is aangehouden, slechts 40 euro is aangetroffen. Er zit dus een groot verschil in het bedrag waarvan aangifte is gedaan en het aangetroffen geldbedrag, terwijl verdachte geen tijd kan hebben gehad om het geld te besteden en een andere verklaring voor het verschil in genoemde bedragen niet voor de hand ligt. Dat maakt dat de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte geld heeft weggenomen bij de diefstal.

Verdachte zal daarom daarvan worden vrijgesproken.

Verdachte zal ook worden vrijgesproken van het tenlastegelegde medeplegen, omdat zich in het dossier onvoldoende bewijsmiddelen bevinden op grond waarvan kan worden aangenomen dat verdachte dit feit tezamen en in vereniging met een ander heeft gepleegd. Dit geldt eveneens voor de strafverzwarende omstandigheid dat verdachte dit feit zou hebben gepleegd door middel van braak, verbreking of inklimming, omdat daarvan niet is gebleken. Verdachte is immers "gewoon" door een deur naar binnen gelopen; een zogenaamde insluiping.

parketnummer 06/850698-1013

feit 1

Verbalisant [slachtoffer F] heeft verklaard dat hij op 17 augustus 2010, gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening als politieambtenaar, in Apeldoorn fietste, toen de hem ambtshalve bekende [verdachte] langsfietste, hem recht aankeek en vervolgens "kankerwout" tegen hem zei.14 Kara voelde zich hierdoor beledigd en in zijn eer aangetast.15

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 17 augustus 2010 te Apeldoorn inderdaad "kankerwout" tegen iemand heeft geroepen,16 maar heeft ontkend dat hij wist dat het om een politieagent ging.

De rechtbank is van oordeel dat de bevestiging dat verdachte wist dat het om een politieagent ging, gelegen is in het woord dat hij heeft gebruik, namelijk "kankerwout". De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 1 tenlastegelegde.

feit 2

Verdachte is op 17 augustus 2010 in Apeldoorn aangehouden. In de fietstas van de fiets waarop verdachte fietste, is vervolgens (onder andere) een werpmes (merk Haller) aangetroffen.17 Een dergelijk mes is een wapen van categorie III van de Wet wapens en munitie.18 Verdachte heeft daarover verklaard dat hij wel wist dat het mes in de tas zat, maar dat het niet van hem is.19

De rechtbank stelt vast dat verdachte wetenschap heeft gehad van het mes in zijn tas en dat hij over dat mes ook beschikkingsmacht had. Zij acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 2 tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het bij parketnummer 06/9940390-10 onder 1, onder 2 primair en onder 4 en het bij parketnummer 06/850698-10 onder 1 en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

onder parketnummer 06/940390-10, dat:

1.

hij op 30 september 2010, te Apeldoorn, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een reep chocolade, toebehorende aan [supermarkt], welke diefstal werd gevolgd van bedreiging met geweld tegen [slachtof[slachtoffer A] en [slachtoffer B] en [slachtoffer C], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte duidelijk zichtbaar voor die personen een stanleymes, heeft gepakt en (daarbij) tegen die personen heeft geschreeuwd/geroepen "Kankermongolen, ga aan de kant" en "Als ik vast kom te zitten, dan zoek ik je op. Niet alleen jou, maar ook je familie".

2. primair

hij op 11 september 2010, te Vlaardingen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een auto (Mercedes Benz autoambulance), toebehorende aan [bedrijf A] B.V., waarbij verdachte die weg te nemen auto onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.

4.

hij op 13 augustus 2010, te Apeldoorn, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een pand aan de [adres] heeft weggennomen bankpassen en een ID kaart en een rijbewijs en een mobiele telefoon en een televisie en een zak met lege flessen, in elk geval enige goederen, toebehorende aan [slachtoffer E] en [bedrijf C].

onder parketnummer 06/850698-10, dat:

1.

hij op 17 augustus 2010 te Apeldoorn opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten

[slachtoffer F], gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd het woord "kankerwout".

2.

hij op 17 augustus 2010 te Apeldoorn een wapen van categorie III, te weten een werpmes (merk Haller) voorhanden heeft gehad.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

parketnummer 06/9403910-10

feit 1 diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken;

feit 2 primair diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;

feit 4 diefstal

parketnummer 06/85069810

feit 1 eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

feit 2 handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het bij parketnummer 06/940390-10 onder 1, onder 2 primair, onder 3 en onder 4 en bij parketnummer 06/850698-10 onder 1 en onder 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht met de bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd zich zal melden bij Reclassering Nederland, zo vaak en zo lang als de Reclassering dit nodig acht, en dat hij zich zal houden aan de aanwijzingen van de Reclassering, ook als dat inhoudt het volgen van een ambulante behandeling bij een forensische polikliniek en ook als dat inhoudt dat verdachte zijn medicatie moet innemen.

De officier van justitie heeft bij zijn eis betrokken de ernst van de feiten als ook het feit dat verdachte eerder voor dergelijke feiten met justitie in aanraking is geweest. Ook heeft de officier van justitie rekening gehouden met het feit dat verdachte eigenlijk moet worden behandeld, met het feit dat verdachte open staat voor behandeling, maar ook met het feit dat de ernst van de feiten niet toestaat dat op dit moment nog de mogelijkheden voor een klinische behandeling wordt onderzocht, zodat volstaan moet worden met het opleggen van toezicht door de reclassering. Voorts heeft de officier van justitie rekening gehouden met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsman heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.

De rechtbank overweegt als volgt.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diverse feiten, waaronder een diefstal gevolgd van bedreiging met geweld. Verdachte heeft in een winkel een reep chocola gestolen en heeft daarna een stanleymes getoond en diverse bedreigingen geuit om te voorkomen dat het winkelpersoneel hem zou overdragen aan de politie. Verdachte heeft deze personen, die gewoon hun werk deden en handelden zoals van hen wordt verwacht na een diefstal, angst aangejaagd. Het is een feit van algemene bekendheid dat de gevolgen voor winkelpersoneel van dergelijke feiten nog gedurende langere tijd aanwezig kunnen zijn en de rechtbank neemt verdachte daarom zijn gedrag ernstig kwalijk.

Dit geldt ook voor de diefstal van de goederen uit het pand in Apeldoorn. De eigenaar van de tas was die nacht gewoon aan het werk toen verdachte haar spullen meenam. Verdachte heeft haar, en de eigenaar van de overige gestolen goederen, in ieder geval vermogensschade toegebracht, maar het is ook goed denkbaar dat het voor haar beangstigend moet zijn geweest te weten dat er iemand ongevraagd in het pand rondsloop waar zij die nacht gewoon haar werk deed.

Ook de eigenaar van de autoambulance is geconfronteerd met het feit dat iemand ongevraagd aan zijn goederen zat en de verbalisant van wie verdachte het nodig vond, die uit te schelden, was gewoon aan het werk ten behoeve van de maatschappij. Als laatste heeft verdachte rondgefietst met een werpmes. Dat het voorhanden hebben van een dergelijk wapen ongewenst is en bestraft moet worden, behoeft geen betoog.

Verdachte heeft dus een aantal ernstige feiten gepleegd. Bovendien volgt uit het strafblad van verdachte dat hij reeds eerder voor dergelijke feiten met justitie in aanraking is geweest en daarvoor is veroordeeld.20 Verdachte laat zich aan die veroordelingen en de daarin begrepen waarschuwingen kennelijk niets gelegen liggen. Gelet op die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat voor dergelijke feiten geen andere straf passend is dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Uit het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport en het over verdachte opgemaakte psychiatrisch rapport volgt dat verdachte op veel gebieden problemen heeft en dat verdachte daarvoor behandeling nodig heeft.21 Verdachte heeft ter terechtzitting ook aangegeven graag hulp en behandeling te willen. Verdachte zit echter op dit moment al gedurende langere tijd in voorlopige hechtenis. Om het gewenste klinische traject in gang te kunnen zetten, zullen er wederom een aantal maanden nodig zijn, welke maanden dan door verdachte in detentie zouden moeten worden doorgebracht. Gelet op de afdoening in soortgelijke zaken, is de rechtbank van oordeel dat de feiten niet rechtvaardigen dat verdachte die noodzakelijke tijd nog in detentie moet doorbrengen. Dit betekent dat het opstarten van een dergelijke klinische behandeling, hoe zeer ook gewenst door verdachte en de reclassering, op dit moment niet tot de mogelijkheden behoort.

De rechtbank zal verdachte daarom veroordelen tot een gevangenisstraf van nader te noemen duur, met aftrek van de tijd door verdachte reeds in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte tevens een maand voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Zij zal daaraan de bijzondere voorwaarden verbinden dat verdachte gedurende de proeftijd van twee jaren zich zal melden bij Reclassering Nederland, zo vaak en zo lang als dit door de reclassering nodig wordt geacht en dat hij zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dat inhoudt het volgen van een ambulante behandeling bij een forensische polikliniek. Verdachte kan dan, samen met de reclassering, in het kader van de bijzondere voorwaarden aan zichzelf gaan werken om herhaling in de toekomst te voorkomen. De verplichting om medicatie in te nemen, zal niet als bijzondere voorwaarde worden opgelegd, omdat de rechtbank van oordeel is dat inname van dergelijke medicatie, hoezeer ook gewenst, niet door de reclassering op straffe van gevangenisstraf moet kunnen worden afgedwongen.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat rekening gehouden met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze straf is anders dan de straf door de officier van justitie is geëist. Dat is omdat de rechtbank van oordeel is dat de ernst van de feiten een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt dan door de officier van justitie is gevorderd. Ook ziet de rechtbank aanleiding om een kortere voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Verdachte is nu gemotiveerd voor behandeling en zal moeten laten zien dat hij deze behandeling echt wil. Het toezicht zal al dan niet slagen met de motivatie van verdachte. Of verdachte daarbij één of vier maanden gevangenisstraf boven het hoofd hangt, is daarbij niet doorslaggevend. In dat licht, en gezien het feit dat de rechtbank al een langer onvoorwaardelijk deel dan gevorderd heeft opgelegd, geeft de rechtbank de voorkeur aan een korter voorwaardelijk deel dan is gevorderd door de officier van justitie.

Vorderingen tot schadevergoeding

Ten aanzien van het bij parketnummer 06/940390-10 onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde is door de benadeelde partij [aangever bedrijf A] een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 500, -, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, ingediend, bestaande uit:

- € 200, - voor geleden materiële schade aan het contactslot met inbouw;

- € 150, - voor geleden materiële schade, als gevolg van het doorknippen van de kabels;

- € 150, - voor geleden materiële schade, als gevolg van drie weken zonder bezorgwagen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij het bestaan van de opgevoerde schadeposten onvoldoende heeft onderbouwd. Hij heeft de rechtbank daarom verzocht de vordering af te wijzen.

Ook de raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Hij heeft de rechtbank daarom verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.

De rechtbank overweegt als volgt. Door de benadeelde partij wordt schadevergoeding gevorderd in verband met schade aan het contactslot van de autoambulance. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt echter dat de benadeelde partij tegenover de politie heeft verklaard dat deze schade door hemzelf is hersteld en dat daaraan geen kosten waren verbonden. Dit maakt dat op dit moment het bestaan van de opgevoerde schade onvoldoende is gesteld. Ook voor de overige opgevoerde posten geldt dat het bestaan van deze schade onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering en bepalen dat deze vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Ten aanzien van het bij parketnummer 06/940390-10 onder 4 tenlastegelegde is door de benadeelde partij [slachtoffer E] een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van

€ 374, 10, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, ingediend, bestaande uit:

- € 169,10, - voor geleden materiële schade als gevolg van vervanging van de autosleutel;

- € 15, - voor vergoeding van diefstal van een agenda;

- € 120, - in verband met diefstal van contant geld;

- € 70,- voor vergoeding van diefstal van een portemonnee.

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de diefstal van de autosleutel, het geld en de agenda op het standpunt gesteld dat onvoldoende kan worden bewezen dat het verdachte is geweest die deze goederen heeft weggenomen. Voor wat betreft de gevorderde vergoeding voor de portemonnee heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de dagwaarde van deze portemonnee voor vergoeding in aanmerking komt. De officier van justitie acht het redelijk en billijk deze dagwaarde te schatten op € 40, - en heeft de rechtbank verzocht dit bedrag toe te wijzen. De officier van justitie heeft verzocht de vordering voor het overig af te wijzen.

De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering onvoldoende is onderbouwd en heeft de rechtbank daarom verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.

De rechtbank overweegt als volgt. Achter het voegingsformulier van de benadeelde partij bevindt zich een schrijven van N.V.M. Heezen, namens Slachtofferhulp Nederland, over de vordering van de benadeelde partij. Hierin staat vermeld dat de benadeelde partij op 9 december 2010 telefonisch aan Slachtofferhulp heeft laten weten dat de verzekering van de benadeelde partij de materiële schade als gevolg van vervanging van de autosleutel inmiddels heeft vergoed. Dit maakt dat voor de rechtbank onvoldoende duidelijk is of de benadeelde partij op dit moment nog schade heeft die voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering.

Voor wat betreft het gevorderde geldbedrag overweegt de rechtbank dat verdachte zal worden vrijgesproken van diefstal van enig geldbedrag. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet ontvankelijk verklaren in dit gedeelte van de vordering.

Voorts vordert de benadeelde partij vergoeding van schade als gevolg van verlies van agenda en portemonnee. Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, voldoende vast komen te staan dat de benadeelde partij deze schade heeft geleden.

Verdachte is hiervoor naar burgerlijk recht aansprakelijk. De dagwaarde van de portemonnee komt voor vergoeding in aanmerking en de rechtbank zal die dagwaarde schatten op € 40, -. Dit gedeelte van de vordering als ook de gevorderde € 15, - voor het verlies van de agenda, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het schadeveroorzakende feit. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige gedeelte van de vordering en zal bepalen dat dit gedeelte van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som gelds ten behoeve van genoemd slachtoffer.

In beslag genomen voorwerpen

Onder verdachte zijn in beslaggenomen een werpmes (merk Haller), vier schroevendraaiers, drie tangen, één inbussleutel en één steeksleutel.

Ten aanzien van het in beslag genomen werpmes overweegt de rechtbank dat het ongecontroleerde bezit van dit mes in strijd is met de wet. De rechtbank zal daarom van dit mes de onttrekking aan het verkeer bevelen.

Ten aanzien van de overige in beslag genomen voorwerpen overweegt de rechtbank dat deze voorwerpen thans niet vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer noch voor verbeurdverklaring. De rechtbank zal daarom bevelen dat deze goederen worden teruggegeven aan verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De oplegging van straf en maatregel is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 36b, 36f, 57, 63, 91, 266, 267, 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart niet bewezen dat verdachte het bij parketnummer 06/9403910-10 onder 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart bewezen dat verdachte het bij parketnummer 06/9403910-10 onder 1, onder 2 primair en onder 4 en bij parketnummer 06/850698-10 onder 1 en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

parketnummer 06/9403910-10

feit 1 diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken;

feit 2 primair diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;

feit 4 diefstal;

parketnummer 06/85069810

feit 1 eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

feit 2 handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie;

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden;

* bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) maand niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- veroordeelde zal zich binnen vijf werkdagen na zijn invrijheidsstelling melden bij Reclassering Nederland, locatie Zutphen, Houtwal 16D te Zutphen, en zal zich blijven melden zo frequent als dit door de reclassering nodig wordt geacht;

- veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de reclassering, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, ook als dat inhoudt het volgen van een ambulante behandeling bij een forensische polikliniek;

- veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

* beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

* heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan die van de opgelegde straf;

* veroordeelt veroordeelde tot betaling van schadevergoeding aan [slachtoffer E], [adres] van een bedrag van € 55, -, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 55, - vanaf 13 augustus 2010, met veroordeling van veroordeelde in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer E], een bedrag te betalen van € 55, - met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 1 dag hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

* bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

* verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij dit gedeelte van de vordering slechts kan bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

* verklaart de benadeelde partij [aangever bedrijf A] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

* beveelt de onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen werpmes (merk Haller);

* gelast de teruggave van de navolgende in beslag genomen voorwerpen aan veroordeelde, te weten: 4 schroevendraaiers, 3 tangen, 1 inbussleutel en 1 steeksleutel.

Aldus gewezen door mrs. Davids, voorzitter, Ouweneel en Edelenbos,

rechters, in tegenwoordigheid van mr. Janssen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 maart 2011.

De griffier en mr. Edelenbos zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Eindnoten

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer PL0623 2010144963-22, Regiopolitie Noord en Oost Gelderland, district Achterhoek, gesloten en ondertekend op 25 oktober 2010.

2 De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 11 maart 2011.

3 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer A], p. 25.

4 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer C], p. 29.

5 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer B], p. 31.

6 Het proces-verbaal van aangifte van [aangever bedrijf A], p. 77.

7 De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 11 maart 2011.

8 Vgl. Hoge Raad 14 mei 1991, NJ 1991, 750.

9 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer E], opgemaakt door een verbalisant van de regiopolitie Noord en Oost Gelderland, gedateerd 13 augustus 2010, p. 1.

10 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer E], opgemaakt door een verbalisant van de regiopolitie Noord en Oost Gelderland, gedateerd 13 augustus 2010, p. 1.

11 De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 11 maart 2011.

12 Het relaasproces-verbaal, opgemaakt door een verbalisant van de regiopolitie Noord en Oost Gelderland, gedateerd 13 augustus 2010, p. 2.

13 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer PL062B 2010121166-9, Regiopolitie Noord en Oost Gelderland, district Apeldoorn, gesloten en ondertekend op 26 augustus 2010.

14 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer F], p. 19.

15 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer F], p. 20.

16 De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 11 maart 2011.

17 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 22.

18 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 24.

19 De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 11 maart 2011.

20 Uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 5 oktober 2010.

21 Reclasseringsadvies van Tactus Verslavingszorg, gedateerd 4 maart 2011, opgemaakt door dhr. Borninkhof, reclasseringswerker en een psychiatrisch onderzoek pro justitia, opgemaakt door drs. Heinsman, psychiater, gedateerd 25 februari 2011.