Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BP9099

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
25-03-2011
Datum publicatie
25-03-2011
Zaaknummer
06/940448-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 6 voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Verdachte heeft zich in Doetinchem op 23 november 2010, samen met twee vrienden, schuldig gemaakt aan het plegen van openlijk geweld, waarbij het slachtoffer rake klappen heeft moeten incasseren. Verdachte en zijn medeverdachten hebben na dit geweld het slachtoffer gedwongen in een auto plaats te nemen en zijn vervolgens met hem naar de kapsalon van de zus van de vrienden van verdachte gereden. Zie uitspraken BP9096 en BP9094 voor de uitspraken van de medeverdachten. De rechtbank legt geen werkstraf op zoals bij de medeverdachten omdat deze verdachte geen geldige verblijfstitel heeft in Nederland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/940448-10

Uitspraak 25 maart 2011

Tegenspraak / dip / aanzegging

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte C],

geboren op [1986] te [plaats] (Irak),

wonende te [plaats],

thans verblijvende in het huis van bewaring Doetinchem in Doetinchem.

Raadsman: mr. A.W. Syrier, advocaat te Utrecht.

Onderzoek van de zaak

De zaak is op 22 februari 2011 aanhangig gemaakt en toen aangehouden, omdat er onvoldoende zittingsruimte was om de zaak inhoudelijk te behandelen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

22 februari 2011 en 11 maart 2011.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 23 november 2010 in de gemeente Doetinchem met een ander

of anderen, op of aan de openbare weg, de Keppelseweg, in elk geval op of aan

een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer],

welk geweld bestond uit

-het meermalen (met kracht) stompen/slaan (met de vuist en/of de vlakke hand

en/of met een om een hand gewikkelde ketting/rozenkrans) op/tegen het hoofd

en/of het (boven)lichaam (buik en/of rug en/of borstkas) van [slachtoffer] (terwijl

[slachtoffer] werd vastgehouden) en/of

-het naar de grond werken van [slachtoffer] en/of

-het meermalen schoppen/trappen op/tegen het (boven)lichaam van [slachtoffer] en/of

-het duwen en/of trekken en/of vasthouden/vastpakken naar/aan/van [slachtoffer] en/of

-het roepen en/of schreeuwen tegen die [slachtoffer] en/of het anderszins bijdragen

aan een ontremmende sfeer;

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 141 lid 2 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 23 november 2010 in de gemeente Doetinchem, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer],

wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden,

immers heeft/hebben/is/zijn verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s)

opzettelijk wederrechtelijk

-[slachtoffer] in zijn auto achtervolgd, althans achter [slachtoffer] is/zijn

aangereden en/of vervolgens [slachtoffer] tot stoppen gedwongen/bewogen (door met de

lampen van de auto te knipperen) en/of

-zijn/hun auto('s) zodanig achter de auto van [slachtoffer] geparkeerd dat [slachtoffer] niet

weg kon rijden en/of

(nadat [slachtoffer] was uitgestapt uit zijn auto)

-[slachtoffer] meermalen (met kracht) (met de vuist en/of de vlakke hand en/of met

een om een hand gewikkelde ketting/rozenkrans) op/tegen het hoofd en/of het

(boven)lichaam (buik en/of rug en/of borstkas) gestompt/geslagen (terwijl

[slachtoffer] werd vastgehouden) en/of

-[slachtoffer] naar de grond gewerkt en/of

-[slachtoffer] meermalen op/tegen het (boven)lichaam geschopt/getrapt en/of

-naar/aan [slachtoffer] geduwd en/of getrokken en/of [slachtoffer] vastgehouden/vastgepakt

en/of

-(telkens) tegen [slachtoffer] geroepen/gezegd/geschreeuwd: "Wat jij met [naam] doet, kan niet" en/of "jij begint een relatie met [naam] op een manier, die niet past binnen de Koerdische cultuur" en/of "jij

moet met ons meekomen", althans woorden van gelijke strekking en/of

-[slachtoffer] vastgepakt en/of vastgehouden en (vervolgens) in een auto

geduwd/gedrukt/gezet/laten stappen en/of op/ingesloten (gehouden) en/of

-(met) [slachtoffer] in die auto door Doetinchem gereden en/of meegenomen naar de

(kruising) [kruising] (te Doetinchem),

terwijl voornoemde [slachtoffer] zich niet op ieder gewenst moment kon verwijderen

en/of terwijl hij - verdachte - en of zijn mededader(s) die [slachtoffer] niet

heeft/hebben laten gaan en/of staan waar hij wilde;

art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Aanleiding van het onderzoek

Op 23 november 2010 omstreeks 17.00 uur bericht de meldkamer van de Regionale politie Noord en Oost Gelderland te Apeldoorn aan alle surveillance-eenheden in en rondom Doetinchem dat er een vechtpartij plaatsvindt bij [restaurant aan adres, plaats]. Nadat verschillende politie-eenheden daar ter plaatste komen, volgt de aanhouding van een drietal personen. De politie start vervolgens een onderzoek.

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie acht, op basis van de verklaring van [slachtoffer], de verklaringen van diverse getuigen, de verklaringen van verdachte en de medeverdachten en op basis van het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het plegen van openlijk geweld jegens [slachtoffer]. De officier van justitie heeft daarom gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde en heeft daartoe een bewijsmiddelenoverzicht overgelegd, welk overzicht aan het proces-verbaal van de terechtzitting is gehecht.

De officier van justitie acht, eveneens op basis van de bovengenoemde verklaringen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 2 tenlastegelegde. Hij heeft daarom, overeenkomstig het bovengenoemde bewijsmiddelenoverzicht, gerekwireerd tot een bewezenverklaring van dit feit.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit op het standpunt gesteld dat er voor wat betreft het door aangever gestelde geweld in de auto geen sprake is geweest van openlijk geweld. Ook heeft de raadsman aangevoerd dat uitsluitend [slachtoffer] heeft verklaard over het gebruik van de ketting, zodat [slachtoffer] hiervan behoort te worden vrijgesproken. De raadsman heeft zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank tot een bewezenverklaring zou kunnen komen, met uitzondering van de feitelijkheden dat [slachtoffer] is achtervolgd en dat daarbij met de lampen is geknipperd, omdat er ten aanzien van die feitelijkheden geen relatie bestaat met de wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat beide feiten moeten worden gezien als een voortgezette handeling als bedoeld in artikel 56 van het Wetboek van Strafrecht.

Beoordeling door de rechtbank

Aan verdachte is onder 1 tenlastegelegd dat hij openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer]. Onder 2 is aan verdachte tenlastegelegd dat hij, tezamen en in vereniging met zijn medeverdachten, [slachtoffer] wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden. De rechtbank overweegt als volgt.

De verklaring van [slachtoffer]

Op 23 november 2010 heeft [slachtoffer] tegenover de politie een verklaring afgelegd over hetgeen die dag is gebeurd. Hij heeft verklaard dat hij die dag een bezoek heeft gebracht aan [naam], die op dat moment aan het werk was in haar kapsalon in Doetinchem. Toen de broer van [naam], [medeverdachte A], op een gegeven moment de kapsalon binnen kwam, is [slachtoffer] de kapsalon uitgerend, in zijn auto gestapt en weggereden. [medeverdachte A] is vervolgens door Doetinchem achter hem aangereden en seinde daarbij steeds met zijn lichten in zijn richting. Hij besloot toen met [medeverdachte A] te gaan praten en heeft daartoe zijn auto geparkeerd in een parkeervak op een parkeerplaats aan de Keppelseweg in Doetinchem. [medeverdachte A] parkeerde zijn auto op de parkeerplaats vervolgens zo achter zijn auto dat hij niet meer van de parkeerplaats af kon.

Hij is vervolgens uit de auto gestapt, toen [medeverdachte A], die ook uit de auto was gestapt, meteen tegen hem begon te schelden. Meteen daarna kwam er een zwarte BMW aanrijden. Die BMW werd achter de auto van [medeverdachte A] geparkeerd en daaruit stapten twee personen. Eén van hen herkende hij als [medeverdachte B], de oudste broer van [naam]. De andere man herkende hij niet. Beide mannen kwamen meteen op hem afgerend en begonnen tegen hem te schelden. Toen de mannen voor hem stonden, begonnen ze hem alle drie te slaan. Ze sloegen hem met vuistslagen op zijn hoofd, buik en rug. Door de klappen is hij ten val gekomen, waarna hij is geschopt.

Tijdens het slaan en schoppen hoorde hij iemand zeggen dat hij mee moest komen. Vervolgens is hij vastgepakt bij zijn blouse en is hij vooruit geduwd. Ook hierbij werd hij geslagen en geschopt.2 Hij hoorde iemand zeggen dat hij door moest lopen en er werd tegen hem geduwd en aan hem getrokken. Hij moest toen in de BMW stappen. [medeverdachte B] en de onbekende jongen stapten vervolgens ook in die auto. Daarna zijn ze weggereden.3 [medeverdachte A] reed in een andere auto achter hen aan.

Gedurende de rit door Doetinchem nam de onbekende jongen, die in het begin als bijrijder in de auto zat, op enig moment naast hem op de achterbank plaats en daarbij werd de linkerachterdeur op slot gedaan. Hij heeft ook gedurende de rit zijn telefoon aan [medeverdachte B] moeten afgeven. Ze zijn vervolgens naar de kapsalon van [naam], (aan de kruising [[kruising te plaats]4) gereden. Bij de kapsalon is [medeverdachte B] uit de auto gestapt en de kapsalon ingelopen. Hij moest met de onbekende jongen in de auto blijven zitten. Vervolgens is de politie ter plaatse gekomen.

[slachtoffer] heeft verder verklaard dat de onbekende jongen een ketting om zijn hand had waarmee hij sloeg. Hij heeft gezien dat de ketting na een paar stoten kapot ging en op de grond terecht kwam.

Als gevolg van het geweld heeft hij rode vlekken en strepen in zijn gezicht, waarbij ook bloed zit. Ook heeft hij een scheur in zijn blouse. [slachtoffer] heeft verder verklaard dat hij tegen zijn wil is meegenomen.5

De verklaringen van verdachte en de medeverdachten

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 23 november 2010, na een telefoontje van [medeverdach[medeverdachte A], met zijn vriend [medeverdach[medeverdachte B] naar een parkeerplaats in Doetinchem is gereden. Verdachte heeft eveneens verklaard dat het klopt dat er daar een vechtpartij is ontstaan, waarbij hij de onbekende jongen heeft geslagen.6 Verdachte heeft verder bij de politie verklaard dat hij de jongen heeft vastgepakt.7 Als hem een foto wordt getoond van de ketting/rozenkrans die is aangetroffen op de parkeerplaats, verklaart verdachte dat dit zijn ketting is.8

Verdachte heeft verklaard dat de jongen inderdaad is meegereden in de BMW. Hij zegt daarover dat de jongen zelf is ingestapt, maar hij zegt ook dat hij gewoon mee moest, omdat ze wilden weten wat er aan de hand was.9

[medeverdachte A] heeft bij de politie verklaard dat het klopt dat er op de parkeerplaats een vechtpartij is ontstaan, waarbij hij de onbekende jongen heeft geschopt.10 [medeverdachte A] heeft verder bij de politie verklaard dat hij op het parkeerterrein zijn auto zo heeft geparkeerd dat de jongen niet weg kon en dat zijn broer en [verdachte C] vervolgens hun auto achter zijn auto hebben gezet.11 Ook heeft [medeverdachte A] verklaard dat [verdachte C] de jongen heeft vastgepakt12 en heeft geslagen.13 [medeverdachte A] heeft verder verklaard dat hij hoorde dat [medeverdachte B] tegen de jongen zei dat hij gewoon in de auto moest stappen. De jongen is toen in de auto gestapt en is met [medeverdachte B] en [verdachte C] naar de kapsalon gereden. [medeverdachte A] is in een andere auto achter hen aangereden.14

[medeverdach[medeverdachte B] heeft bij de politie verklaard dat hij en [medeverdachte A] de jongen hebben geslagen. Hij heeft de jongen zelf met de vlakke hand geslagen.15 [medeverdachte B] heeft ook verklaard dat hij de jongen mee naar de BMW heeft genomen en dat hij de jongen bij zijn arm heeft gepakt, omdat hij wilde voorkomen dat hij weg zou rennen. [medeverdachte B] heeft verder verklaard dat hij in de BMW de mobiele telefoon van de jongen in zijn bezit had.16

De getuigen

Naast de betrokkenen hebben verschillende getuigen een verklaring afgelegd over hetgeen zij die dag op de parkeerplaats hebben waargenomen.

Eén van hen is getuige [getuige A]. Zij heeft verklaard dat zij op 23 november 2010 heeft gezien dat er mannen op de parkeerplaats stonden, die een man vasthielden die door hen werd geslagen. Zij heeft gezien dat er daarbij flink met de vuist werd uitgehaald. [getuige A] heeft ook gezien dat de man die werd geslagen op enig moment in een auto probeerde te stappen, maar vervolgens aan zijn schouders naar achteren werd weggetrokken.17 Daarna is zij het zicht op de mannen kwijtgeraakt.

Getuige [getuige B] heeft verklaard dat zij die dag geschreeuw hoorde in een vreemde taal. Toen zij vervolgens op de parkeerplaats keek, zag zij drie auto's heel dicht op elkaar staan. Zij zag ook dat er mannen naar een auto liepen. Eén van hen was in het wit gekleed en de andere mannen liepen achter hem aan. De man in het wit liep vervolgens min of meer gewillig naar het achterportier aan de bijrijderszijde.18 Dit portier werd vervolgens door één van de andere mannen geopend, waarna de man in het wit instapte. [getuige B] zag daarbij dat één van de mannen bij het instappen een duw tegen de zijkant van de rechterbovenarm van de man gaf. Zij omschrijft deze duw als een duw in de trant van "jij gaat met ons mee". Daarna zag ze dat één van de mannen het achterportier dicht deed. Zij heeft niet gezien dat de man verder nog door de mannen werd aangeraakt, maar had wel de indruk dat de man in het wit niet vrijwillig meeging. Door de manier waarop de man liep en doordat de man niet zelf het portier opende, had [getuige B] eigenlijk gelijk het idee dat het om een ontvoering ging. Vervolgens zag zij de auto wegrijden.19

Getuige [getuige C] heeft verklaard dat hij die dag op de parkeerplaats vier á vijf mannen heeft zien staan, waarbij op enig moment één van hen door de anderen werd geslagen. De man, die lichtere kleding droeg dan de anderen, is daarbij in ieder geval op zijn borstkas of hoofd geraakt.20

De verbalisanten

Een aantal van deze getuigen heeft 112 gebeld naar aanleiding van hetgeen zij zagen gebeuren. Toen de betrokkenen bij de kapsalon aankwamen, was de politie daarom vrij snel ter plaatse.

De verbalisanten zien bij de kapsalon, onder andere, een donkere BMW staan. Eén van de verbalisanten heeft verklaard dat hij op dat moment twee personen op de achterbank van de BMW ziet zitten. Deze personen bleken later te zijn [slachtoffer] en [verdachte C].21 Hij heeft ook verklaard dat hij bij de kapsalon [medeverdachte B] heeft gevorderd aan hem de telefoon van [slachtoffer] te overhandigen, hetgeen ook is gebeurd.22

Verbalisant [verbalisant] heeft die dag op het parkeerterrein een sieraad, lijkend op een rozenkrans, aangetroffen.23

De overwegingen

Op grond van bovengenoemde verklaringen stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer], [medeverdach[medeverdachte B], [medeverdach[medeverdachte A] en [verdach[verdachte C] op 23 november 2010 op een parkeerplaats in de gemeente Doetinchem zijn geweest en dat zij daarna met twee auto's naar de kapsalon van [naam] zijn gereden.

De vraag is vervolgens of op basis van bovengenoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich daarbij heeft schuldig gemaakt aan het onder 1 en 2 tenlastegelegde. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend.

Voor wat betreft het onder 1 tenlastegelegde overweegt de rechtbank dat, gelet op het hierboven overwogene, niet alleen [slachtoffer] verklaart dat er geweld, zoals tenlastegelegd, jegens hem is gebruikt door de drie betrokkenen. Ook verdachte en zijn medeverdachten verklaren over geweldshandelingen. De getuigen die het voorval hebben zien gebeuren, verklaren eveneens over geweld jegens een voor hen onbekende persoon, welke persoon [slachtoffer] is geweest. De verklaring van [slachtoffer] wordt dus ondersteund door andere bewijsmiddelen en de rechtbank zal daarom zijn (eerste) verklaring tot het bewijs bezigen. Het feit dat [slachtoffer] een tweede verklaring heeft afgelegd, waarin hij stelt dat - kort gezegd -

het slaan en schoppen geen pijn heeft gedaan en hij vrijwillig is meegegaan naar de kapsalon, staat daaraan niet in de weg. De rechtbank ziet namelijk geen aanleiding om aan de inhoud van de eerste verklaring van [slachtoffer] te twijfelen.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte B], [medeverdach[medeverdachte A] en [verdach[verdachte C] tezamen en in vereniging geweld, zoals tenlastegelegd, hebben gepleegd jegens [slachtoffer]. Dit geweld vond plaats op de openbare weg en is daarom te kwalificeren als openlijk in de zin van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 1 tenlastegelegde en ook dat daarbij is geslagen met een om de hand gewikkelde ketting/rozenkrans. Anders dan de raadsman is de rechtbank ten aanzien van de ketting van oordeel dat de verklaring van aangever wel degelijk wordt ondersteund door een ander bewijsmiddel. [slachtoffer] verklaart namelijk dat de ketting is gebroken en gevallen. Er wordt vervolgens ook een ketting toebehorende aan verdachte teruggevonden op de parkeerplaats. De rechtbank acht dit voldoende om tot een bewezenverklaring te komen van het gebruik van de ketting.

Ten aanzien van het door de raadsman gevoerde verweer dat er geen sprake is geweest van geweld in de auto, overweegt de rechtbank dat de steller van de tenlastelegging kennelijk niet de bedoeling heeft gehad om de eventuele geweldshandelingen in de auto aan verdachte ten laste te leggen. Alle tenlastegelegde feitelijke handelingen hebben immers plaatsgevonden op de openbare weg. Het verweer van de raadsman behoeft daarom geen verdere bespreking.

Voor wat betreft het onder 2 tenlastegelegde overweegt de rechtbank dat ook hier de stelling van [slachtoffer] dat hij onder dwang in de auto is ingestapt en is meegereden, steun vindt in andere bewijsmiddelen. Verdachte heeft immers zelf verklaard dat de jongen gewoon mee moest, omdat ze wilden weten wat er aan de hand was. Daarbij komt dat [medeverdachte A] heeft verklaard dat hij hoorde dat [medeverdachte B] tegen [slachtoffer] zei dat hij mee moest komen. Daarnaast heeft [medeverdachte B] verklaard dat hij [slachtoffer] bij zijn arm heeft gepakt om te voorkomen dat hij weg zou rennen. Bovendien heeft getuige [getuige B] verklaard dat de man een duw kreeg en zij het gevoel had dat de man niet vrijwillig meeging. Gelet op die verklaringen acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat [slachtoffer] vrijwillig is meegegaan, onaannemelijk. Verdachte en zijn medeverdachten hebben [slachtoffer] door de tenlastegelegde handelingen gedwongen in de auto plaats te nemen en mee te rijden, terwijl [slachtoffer] zich niet op ieder gewenst moment kon verwijderen. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, tezamen en in vereniging met zijn medeverdachten, door zijn handelen [slachtoffer] gedurende die tijd wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, overeenkomstig de tenlastegelegde feitelijkheden.

Uitzondering hierop zijn de tenlastegelegde feitelijkheden dat [slachtoffer] in zijn auto is achtervolgd en is gedwongen te stoppen door met de lichten van de auto te knipperen. Deze tenlastegelegde handelingen zijn namelijk uitsluitend verricht door [medeverdachte A], op het moment dat zijn medeverdachten nog niet ter plaatse waren. Er kan daarom niet worden gezegd dat deze handelingen tezamen en in vereniging met anderen zijn gepleegd. Verdachte zal daarom van deze feitelijkheden worden vrijgesproken.

Verdachte zal ook worden vrijgesproken van de feitelijkheden dat op enig moment tegen [slachtoffer] is geroepen dat wat hij met [naam] deed niet kon of dat hij een relatie met [naam] begon op een manier die niet past binnen de Koerdische cultuur, omdat bezwaarlijk kan worden gezegd dat het al dan niet roepen van deze woorden op enigerlei wijze heeft bijgedragen aan het beroven van [slachtoffer] van zijn vrijheid. Daarbij komt dat die, enkel door [slachtoffer] gestelde, uitlatingen geen steun vinden in de overige bewijsmiddelen.

De raadsman heeft ten slotte aangevoerd dat de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten moeten worden beschouwd als een voortgezette handeling in de zin van artikel 56 van het Wetboek van Strafrecht. Kenmerkend voor de voortgezette handeling is dat bewezen verklaarde feiten voortkomen uit één ongeoorloofd wilsbesluit. In casu vloeit het wilsbesluit van verdachte om aangever van zijn vrijheid te beroven niet voort uit het eerdere wilsbesluit om aangever op de openbare weg met anderen te mishandelen. Het wilsbesluit (plan) om aangever te 'ontvoeren' is eerst ontstaan toen hij op straat geen deugdelijke verklaring voor zijn aanwezigheid in de kapsalon bleek te kunnen geven. Er is derhalve geen sprake van een voortgezette handeling, maar van meerdaadse samenloop. Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op 23 november 2010 in de gemeente Doetinchem met anderen, op of aan de openbare weg, de Keppelseweg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer],

welk geweld bestond uit

-het meermalen (met kracht) stompen/slaan (met de vuist en de vlakke hand

en met een om een hand gewikkelde ketting/rozenkrans) op/tegen het hoofd

en het (boven)lichaam (buik en rug en borstkas) van [slachtoffer] (terwijl

[slachtoffer] werd vastgehouden) en

-het naar de grond werken van [slachtoffer] en

-het meermalen schoppen/trappen op/tegen het (boven)lichaam van [slachtoffer] en

-het duwen en trekken en vasthouden/vastpakken naar/aan/van [slachtoffer] en

-het roepen en schreeuwen tegen die [slachtoffer] en het anderszins bijdragen

aan een ontremmende sfeer;

2.

hij op 23 november 2010 in de gemeente Doetinchem, tezamen en in

vereniging met anderen opzettelijk [slachtoffer],

wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden,

immers hebben zijn verdachte en zijn mededaders opzettelijk wederrechtelijk

-hun auto's zodanig achter de auto van [slachtoffer] geparkeerd dat [slachtoffer] niet

weg kon rijden en (nadat [slachtoffer] was uitgestapt uit zijn auto)

-[slachtoffer] meermalen (met kracht) (met de vuist en de vlakke hand en met

een om een hand gewikkelde ketting/rozenkrans) op/tegen het hoofd en het

(boven)lichaam (buik en rug en borstkas) gestompt/geslagen (terwijl

[slachtoffer] werd vastgehouden) en

-[slachtoffer] naar de grond gewerkt en

-[slachtoffer] meermalen op/tegen het (boven)lichaam geschopt/getrapt

-naar/aan [slachtoffer] geduwd en getrokken en [slachtoffer] vastgehouden/vastgepakt

en

-tegen [slachtoffer] geroepen/gezegd/geschreeuwd: "jij moet met ons meekomen", en

-[slachtoffer] vastgepakt en vastgehouden en (vervolgens) in een auto

geduwd/gedrukt/gezet/laten stappen en op/ingesloten (gehouden) en

-(met) [slachtoffer] in die auto door Doetinchem gereden en meegenomen naar de

(kruising) [kruising] (te Doetinchem),

terwijl voornoemde [slachtoffer] zich niet op ieder gewenst moment kon verwijderen

en terwijl hij - verdachte - en zijn mededaders die [slachtoffer] niet

hebben laten gaan en staan waar hij wilde.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

feit 1 openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

feit 2 medeplegen van: opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en onder 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De officier van justitie heeft bij zijn eis betrokken de ernst van de feiten en de afdoening in soortgelijke zaken als ook het feit dat verdachte niet eerder voor dergelijke feiten in aanraking is geweest met justitie.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte moet worden opgelegd een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de tijd door verdachte reeds eerder in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht.

De rechtbank overweegt als volgt.

Verdachte heeft zich, samen met twee vrienden, schuldig gemaakt aan het plegen van openlijk geweld jegens [slachtoffer], waarbij [slachtoffer] rake klappen heeft moeten incasseren. Verdachte en zijn medeverdachten hebben na dit geweld [slachtoffer] gedwongen in een auto plaats te nemen en zijn vervolgens met hem naar de kapsalon van de zus van de vrienden van verdachte gereden. Verdachte heeft zo, wederom tezamen en in vereniging met zijn vrienden, die [slachtoffer] kort voor en gedurende de rit naar de kapsalon wederrechtelijk van zijn vrijheid beroofd en beroofd gehouden. Eenmaal bij de kapsalon is de vrijheidsberoving geëindigd door tussenkomst van de politie.

Onvoldoende duidelijk is geworden waarom verdachte en zijn medeverdachten achter [slachtoffer] zijn aangegaan. Verdachte en zijn medeverdachten stellen dat zij achter hem zijn aangegaan omdat zij eerder waren overvallen en bang waren dat hij de kapsalon had of zou overvallen. In het dossier bevinden zich echter ook verklaringen waaruit zou kunnen volgen dat verdachte en zijn medeverdachten verhaal zijn gaan halen bij [slachtoffer], omdat zij dachten dat hij een relatie had met [naam]. Beide verhalen staan tegenover elkaar en geen van de verhalen vindt zoveel steun in andere bewijsmiddelen dat het ene verhaal aannemelijker moet worden geacht dan het andere verhaal.

Welk van de verhalen juist is, kan hier ook in het midden blijven. Immers, geen van beide mogelijke aanleidingen gaf verdachte het recht te handelen zoals hij heeft gedaan. Verdachte had de politie moeten bellen en zich van het gebruik van genoemd geweld en vrijheidsberoving jegens [slachtoffer] moeten onthouden. Door te handelen zoals hij heeft gedaan, heeft verdachte voor eigen rechter gespeeld en dat wordt niet toegestaan, wat de reden voor verdachte om te handelen zoals hij heeft gedaan, ook moge zijn geweest.

Daarbij komt dat dergelijke feiten bijdragen aan gevoelens van onrust en angst in de samenleving. Diverse getuigen hebben gezien hoe [slachtoffer] op de openbare weg werd geschopt en geslagen en zij hebben gezien hoe hij werd gedwongen in de auto plaats te nemen. Uit de getuigenverklaringen volgt ook dat deze getuigen daarvan erg zijn geschrokken. Één van de getuigen zegt bijvoorbeeld dat ze snel de deur van het restaurant op slot draaide, omdat ze bang was dat het geweld zich naar binnen zou verplaatsen.

De vraag is nu welke straf passend is en of verdachte een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd dan de tijd door hem reeds in voorlopige hechtenis doorgebracht. Enerzijds rechtvaardigen dit soort feiten onvoorwaardelijke gevangenisstraffen, mede vanwege de onrust die dergelijke feiten veroorzaken in de maatschappij. Anderzijds moet de rechtbank ook rekening houden met de omstandigheden van het geval en met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte is onbekend bij justitie.24 Bovendien heeft het slachtoffer in deze zaak, [slachtoffer], een tweede verklaring afgelegd waarin hij stelt dat de verdachten hem weinig tot niets hebben misdaan en dat alles berustte op een misverstand. De rechtbank heeft deze verklaring buiten beschouwing gelaten bij de bewezenverklaring, maar zij houdt bij het bepalen van de strafmaat wel rekening met deze verklaring. Ook houdt de rechtbank rekening met het feit dat de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] maar relatief kort heeft geduurd.

In de zaken tegen de medeverdachten zijn er voorwaardelijke gevangenisstraffen en werkstraffen opgelegd. In beginsel zou de rechtbank daarbij willen aansluiten. Verdachte heeft op dit moment echter geen geldige verblijfstitel in Nederland. Dit maakt dat het opleggen van een werkstraf niet tot de mogelijkheden behoort.

De rechtbank zal daarom aan verdachte opleggen een gevangenisstraf van nader te noemen duur. De rechtbank acht daarbij het opleggen van een voorwaardelijk deel noodzakelijk om verdachte voor de toekomst ervan te doordringen nooit meer op deze manier met dergelijke problemen om te gaan. Zij zal daarom een deel van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen en daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren.

Deze straf is lager dan de straf door de officier van justitie is geëist. Dat is omdat de rechtbank, anders dan de officier van justitie, van oordeel is dat voor deze feiten een voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf een passende afdoening zou zijn. Nu een werkstraf echter niet tot de mogelijkheden behoort, zal de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, maar dan wel een gevangenisstraf die voor wat betreft de hoogte aansluit bij de opgelegde straffen in de zaken tegen de medeverdachten, die wel tot voorwaardelijke gevangenisstraffen en werkstraffen zijn veroordeeld.

Vordering tot schadevergoeding

Door de benadeelde partij [slachtoffer], is een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van

€ 1.400, -, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, ingediend, bestaande uit:

- € 1.350, - voor geleden immateriële schade;

- € 50, - voor geleden materiële schade, bestaande uit schade als gevolg van de gescheurde blouse.

De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid aangaande de dagwaarde van de blouse en dit geschatte bedrag toe te wijzen. Voor wat betreft het gedeelte van de vordering dat ziet op vergoeding van immateriële heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden als gevolg van de tenlastegelegde feiten. De officier van justitie schat het bedrag dat voor vergoeding in aanmerking komt op € 750,- . Hij heeft verzocht dit gedeelte van de vordering toe te wijzen en heeft gevorderd dat daarbij de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot de hoogte van de toe te wijzen bedragen. De officier van justitie acht de vordering voor het overige deel een onevenredige belasting van het strafproces en heeft de rechtbank verzocht om dit gedeelte van de vordering af te wijzen.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering onvoldoende is onderbouwd en daarom moet worden afgewezen.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, voldoende vast komen te staan dat [slachtoffer] als gevolg van het handelen van verdachte materiële schade heeft geleden, bestaande uit schade als gevolg van een gescheurde blouse. Verdachte is hiervoor naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk. De dagwaarde van deze blouse komt voor vergoeding in aanmerking en de rechtbank zal die dagwaarde schatten op € 40, -. Dit gedeelte van de vordering zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het schadeveroorzakende feit. Ook zal de rechtbank bepalen dat de verdachte niet langer gehouden is te betalen wanneer het volledige bedrag door zijn mededader(s) is of wordt voldaan. De rechtbank zal het overige gedeelte van de vordering dat ziet op vergoeding van schade aan de blouse afwijzen.

Dit is anders voor wat betreft de vergoeding voor geleden immateriële schade. [slachtoffer] heeft immers bij de politie twee verklaringen afgelegd. Op grond van zijn eerste verklaring zou kunnen worden aangenomen dat hij immateriële schade heeft geleden, maar op grond van zijn tweede verklaring kan het bestaan van immateriële schade in twijfel worden getrokken. Dat maakt dat op dit moment onvoldoende is aangetoond dat [slachtoffer] immateriële schade heeft geleden, terwijl een onderzoek daarnaar een onevenredige belasting voor het strafgeding met zich meebrengt. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit gedeelte van de vordering en bepalen dat dit gedeelte slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som gelds ten behoeve van genoemd slachtoffer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De oplegging van straf en maatregel is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 36f, 47, 57, 141 en 282 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

feit 1 openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

feit 2 medeplegen van: opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden;

* bepaalt, dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

* beveelt dat voor de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

* heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan die van de opgelegde straf;

* veroordeelt veroordeelde tot betaling van schadevergoeding aan [slachtoffer], [adres, plaats] van een bedrag van € 40, -, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 40, - vanaf 23 november 2010, met veroordeling van veroordeelde in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 40, - met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 1 dag hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

* bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

* verstaat dat indien en voor zover door de mededaders het schadebedrag betreffende de benadeelde partij is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd;

* verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering voor wat betreft het niet toegewezen gedeelte van de vordering dat ziet op vergoeding van immateriële schade;

* wijst de vordering voor het overige af.

Aldus gewezen door mrs. Ouweneel, voorzitter, Davids en Edelenbos,

rechters, in tegenwoordigheid van mr. Janssen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 maart 2011.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten:

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer 2010 171 997, Regiopolitie Noord en Oost Gelderland, district/team recherche Achterhoek, gesloten en ondertekend op 14 december 2010.

2 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer], p. 75.

3 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer], p. 71.

4 Het proces-verbaal van bevindingen, p, 89.

5 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer], p. 72.

6 De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 11 maart 2011.

7 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 186.

8 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 196.

9 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 190.

10 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte B], p. 174.

11 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte B], p. 169.

12 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte B], p. 173.

13 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte B], p. 174.

14 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte B], p. 169.

15 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte B], p. 155.

16 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte B], p. 151.

17 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige A], p. 120.

18 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige B], p. 124.

19 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige B], p. 125.

20 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige C], p. 131.

21 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 91.

22 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 92.

23 Het proces-verbaal van bevinden, p. 103.

24 Uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 7 december 2010.