Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BP9025

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
23-03-2011
Datum publicatie
24-03-2011
Zaaknummer
06/940173-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte R.R. (20) uit Zutphen bestuurde de auto waarmee de verdachten het slachtoffer hebben afgesneden. Hij is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan de helft voorwaardelijk, met reclasseringstoezicht en een proeftijd van twee jaar. (Uitspraken medeverdachten onder LJN BP9004 en BP9017).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer 06/940173-10

Uitspraak d.d. 23 maart 2011

Tegenspraak / dip - oip

Vonnis

in de zaak tegen:

[verdachte C],

geboren te [plaats op 1991],

laatstelijk woonachtig te [plaats].

Raadsvrouw mr. Schepers, advocaat te Venlo.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

4 augustus 2010, 18 augustus 2010, 4 november 2010, 18 november 2010, 31 januari 2011,

7 februari 2011 en 10 maart 2011.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 09 mei 2010 in de gemeente Zutphen en/of de gemeente

Bronckhorst tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk [slachtoffer A] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben

en/of is/zijn verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat

opzet:

- met een personenauto naast die [slachtoffer A] gaan rijden en/of (vervolgens) die

[slachtoffer A], meermalen, althans eenmaal, met die personenauto klemgereden,

althans die [slachtoffer A] tot stoppen gedwongen, en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer A] vastgepakt en/of vastgehouden, en/of

- (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, (met kracht) die [slachtoffer A]

in/op/tegen het gezicht/hoofd geslagen en/of gestompt, ten gevolge waarvan

die [slachtoffer A] ten val is gekomen, althans die [slachtoffer A] ten val gebracht, waarna

die [slachtoffer A] terecht is gekomen op de rijbaan van de Den Elterweg, en/of

- (vervolgens), terwijl die [slachtoffer A] op de rijbaan lag, meermalen, althans

eenmaal, op de buik, althans de maagstreek, en/of het lichaam van die [slachtoffer A]

gesprongen, en/of

- (vervolgens) zich (met kracht) met ingetrokken knieën in/op/tegen de buik,

althans de maagstreek, en/of het lichaam van die [slachtoffer A] laten vallen, en/of

- (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met geschoeide voet

in/op/tegen het gezicht/hoofd van die [slachtoffer A] geschopt en/of getrapt en/of

gestampt, en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer A] in hulpeloze toestand op de rijbaan achtergelaten,

waarna een personenauto over/tegen die [slachtoffer A] is gereden,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer A] is overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 09 mei 2010 in de gemeente Zutphen en/of de gemeente

Bronckhorst tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

aan een persoon genaamd [slachtoffer A], opzettelijk en met voorbedachten rade,

althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, immers

heeft/hebben en/of is/zijn verdachte en/of (een of meer van) zijn

mededader(s) opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, althans

opzettelijk:

- met een personenauto naast die [slachtoffer A] gaan rijden en/of (vervolgens) die

[slachtoffer A], meermalen, althans eenmaal, met die personenauto klemgereden,

althans die [slachtoffer A] tot stoppen gedwongen, en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer A] vastgepakt en/of vastgehouden, en/of

- (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, (met kracht) die [slachtoffer A]

in/op/tegen het gezicht/hoofd geslagen en/of gestompt, ten gevolge waarvan

die [slachtoffer A] ten val is gekomen, althans die [slachtoffer A] ten val gebracht, waarna

die [slachtoffer A] terecht is gekomen op de rijbaan van de Den Elterweg, en/of

- (vervolgens), terwijl die [slachtoffer A] op de rijbaan lag, meermalen, althans

eenmaal, op de buik, althans de maagstreek, en/of het lichaam van die [slachtoffer A]

gesprongen, en/of

- (vervolgens) zich (met kracht) met ingetrokken knieën in/op/tegen de buik,

althans de maagstreek, en/of het lichaam van die [slachtoffer A] laten vallen, en/of

- (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met geschoeide voet

in/op/tegen het gezicht/hoofd van die [slachtoffer A] geschopt en/of getrapt en/of

gestampt, en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer A] in hulpeloze toestand op de rijbaan achtergelaten,

waarna een personenauto over/tegen die [slachtoffer A] is gereden,

terwijl dat feit de dood van die [slachtoffer A] ten gevolge heeft gehad;

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 303 lid 2 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 09 mei 2010 in de gemeente Zutphen en/of de gemeente

Bronckhorst tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, mishandelend een

persoon genaamd [slachtoffer A], en na kalm beraad en rustig overleg, althans

opzettelijk:

- met een personenauto naast die [slachtoffer A] is/zijn gaan rijden en/of

(vervolgens) die [slachtoffer A], meermalen, althans eenmaal, met die personenauto

heeft/hebben klemgereden, althans die [slachtoffer A] tot stoppen heeft/hebben

gedwongen, en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer A] heeft/hebben vastgepakt en/of vastgehouden, en/of

- (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, (met kracht) die [slachtoffer A]

in/op/tegen het gezicht/hoofd heeft/hebben geslagen en/of gestompt, ten

gevolge waarvan die [slachtoffer A] ten val is gekomen, althans die [slachtoffer A] ten val

heeft/hebben gebracht, waarna die [slachtoffer A] terecht is gekomen op de rijbaan

van de Den Elterweg, en/of

- (vervolgens), terwijl die [slachtoffer A] op de rijbaan lag, meermalen, althans

eenmaal, op de buik, althans de maagstreek, en/of het lichaam van die [slachtoffer A]

heeft/hebben gesprongen, en/of

- (vervolgens) zich (met kracht) met ingetrokken knieën in/op/tegen de buik,

althans de maagstreek, en/of het lichaam van die [slachtoffer A] heeft/hebben laten

vallen, en/of

- (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met geschoeide voet

in/op/tegen het gezicht/hoofd van die [slachtoffer A] heeft/hebben geschopt en/of

getrapt en/of gestampt, en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer A] in hulpeloze toestand op de rijbaan heeft/hebben

achtergelaten, waarna een personenauto over/tegen die [slachtoffer A] is gereden,

terwijl dat feit de dood van die [slachtoffer A] ten gevolge heeft gehad;

art 47 lid 1 ahf/sub1 Wetboek van Strafrecht

art 301 lid 3 Wetboek van Strafrecht.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

A. Vaststaande feiten / aanleiding onderzoek.

Op zondag 9 mei 20102 omstreeks 03.50 uur kwamen er bij de Regionale Meldkamer te

Apeldoorn meerdere meldingen binnen over een geweldsincident aan de Den Elterweg

te Zutphen. Ongeveer 200 meter voorbij het tankstation Amigo, zou een persoon in

elkaar geslagen worden. De dader was niet meer ter plaatse en zou zijn weggereden in

een grijze auto, in de richting Baak. De Meldkamer stuurde meerdere politie-eenheden,

die omstreeks 03.55 uur ter plaatse kwamen.

Kort na de mishandeling, toen [slachtoffer A] nog op het wegdek lag, heeft een automobilist, rijdend in een Fiat, die plaats gepasseerd.

De politiemensen troffen het slachtoffer, naar later bleek [slachtoffer A], op het

wegdek van de Den Elterweg aan. Om het slachtoffer stond een groep mensen. Het

slachtoffer had een grote wond op zijn achterhoofd. Zijn ogen waren gezwollen en zijn

gezicht was bebloed. Uit de rechter mondhoek liep een straal bloed en hij maakte een

snurkend geluid. De ter plaatse gekomen ambulancedienst nam het slachtoffer mee naar

het ziekenhuis het Nieuwe Spittaal te Zutphen. Vanwege de ernstige verwondingen werd het slachtoffer vrijwel direct doorgebracht naar het Radboud ziekenhuis in Nijmegen.

Naar aanleiding van onder meer de verklaring van de ter plaatse gehoorde vriend van [slachtoffer A], [slachtoffer B], werden in de loop van 9 mei 2010 verschillende personen aangehouden, onder wie verdachte [medeverdachte A], [verdachte C] en [medeverdachte B].

Diezelfde dag, 9 mei 2010, om 13.34 uur overleed [slachtoffer A] in het Radboud ziekenhuis in Nijmegen.

B. Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het meer subsidiair aan verdachte ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard, te weten het medeplegen van mishandeling met voorbedachten rade met de dood van [slachtoffer A] als gevolg.

De primair ten laste gelegde doodslag acht de officier niet bewezen. Omdat de doodsoorzaak niet vaststaat en zowel door de mishandeling als door de aanrijding kan zijn veroorzaakt moet voor een bewezenverklaring van de doodslag een dubbel (voorwaardelijk) opzet worden aangetoond, namelijk het opzet op de dood van [slachtoffer A] door het medeplegen van de mishandeling van [medeverdachte A] en het opzet op de dood van [slachtoffer A] door het acherlaten van [slachtoffer A] op de doorgaande weg van Zutphen naar Baak, wetende dat er verkeer aan kon komen.

Het grootste verwijt dat verdachte volgens de officier kan worden gemaakt is dat hij heeft klemgereden en is weggereden terwijl [slachtoffer A] bewusteloos op de weg lag.

Niet bewezen kan worden dat verdachte het opzet dan wel voorwaardelijk opzet had op de dood van [slachtoffer A] door het handelen van [medeverdachte A].

Voldoende aannemelijk is dat verdachte wist dat [slachtoffer A] klappen zou krijgen, maar niet dat [medeverdachte A] zo tekeer zou gaan. Het gaat te ver om te zeggen dat verdachte op dat moment niet heeft ingegrepen, want dat heeft niemand (die ter plaatse was) gedaan.

Aangezien niet duidelijk is welk letsel er is ontstaan door het slaan en schoppen, kan niet worden vastgesteld of dat zwaar lichamelijk letsel was, zodat om die reden de subsidiair ten laste gelegde variant van zware mishandeling eveneens niet bewezen kan worden.

De officier heeft zich voor het door haar bewezen geachte onder meer gebaseerd op verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte B], een door haar verstuurd sms-bericht aan de [verdachte C], de verklaringen van [verdachte C] en[medeverdachte A]. Daarnaast heeft zij zich gebaseerd op verklaringen van onder meer [slachtoffer B], [getui[getuige A], [getuige B], verschillende (andere) sms-berichten, Hoeks, het sectieverslag en de bevindingen van de patholoog.

De officier heeft aangevoerd dat het overlijden van [slachtoffer A] is toe te rekenen aan de verdachten, of het nu komt door het schoppen dan wel door de aanrijding of door een combinatie van die twee. Als [slachtoffer A] niet in elkaar was geslagen had hij niet op het wegdek gelegen en was er niet een auto over hem heen gereden.

Het is in de gegeven omstandigheden redelijk om het overlijden van [slachtoffer A] toe te rekenen aan verdachte in die zin, dat het voor diens rekening en risico komt dat [slachtoffer A] is overleden, aldus de officier van justitie.

C. Standpunt van de verdachte / de verdediging

Door raadsvrouw is - kort gezegd - aangevoerd dat het geweld dat op 9 mei 2010 door [medeverdachte A] op [slachtoffer A] is uitgeoefend voor verdachte niet voorzienbaar was, laat staan dat hij het opzet heeft gehad op de dood danwel op (zwaar) lichamelijk letsel. Verdachte is die avond voortdurend bezig geweest met het voorkomen althans uit de weg gaan van ruzie.

Van voorbedachten rade is geen sprake geweest. De plotselinge wending in het gedrag van [medeverdachte A] was niet voorzienbaar, terwijl de handeling met de auto al had plaatsgevonden vóórdat er sprake was van enig geweld. Op het moment dat verdachte met zijn auto [slachtoffer A] de doorgang afsneed, creëerde hij voor [medeverdachte A] een underdog situatie door in de auto te blijven zitten. Immers [slachtoffer A] was in gezelschap van drie anderen, zodat een gewelddadig actie niet meteen in het verschiet lag.

Ten aanzien van het hulpeloze toestand achterlaten op de rijbaan kan objectief bezien niet worden vastgesteld welk letsel [slachtoffer A] had, terwijl evenmin objectief aantoonbaar is dat [slachtoffer A] op dat moment bewusteloos was.

Los daarvan was er geen sprake van een weerloze en hulpeloze toestand, omdat [slachtoffer B] in ieder geval nog ter plaatse was.

De aan- danwel overrijding van [slachtoffer A] kan in het kader van de "redelijke toerekening" niet aan verdachte worden toegerekend. De causaliteit tussen gedraging en gevolg moet worden bepaald aan de hand van de "redelijke toerekening". Het wegrijden met de auto is een te ver verwijderd verband. Daarnaast is voorzienbaarheid ook een vereiste waarmee rekening moet worden gehouden. Het was niet te verwachten dat er zou snel een andere auto ter plaatse zou komen. Bij gebrek aan een onderzoek naar de verkeersintensiteit dient daarvan voorshands te worden uitgegaan.

Ten slotte heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de bestuurder van de auto die [slachtoffer A] zou hebben aan- of overreden (de Fiat), gelet op de VerkeersOngevalsAnalyse, zijn auto niet tijdig tot stilstand heeft gebracht. De bestuurder heeft zich roekeloos danwel aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend in strijd met de Wegenverkeerswet gedragen, welke strafbare gedraging niet voor verdachte voorzienbaar was.

Door de raadsvrouw is primair integrale vrijspraak bepleit van de in verschillende varianten aan verdachte ten laste gelegde feiten, subsidiair vrijspraak van de strafverzwarende omstandigheid "de dood tengevolge hebbend". Voor een eventuele bewezenverklaring zou maximaal een mishandeling kunnen resteren. Volgens de raadsvrouw is nader onderzoek nodig door een forensisch geneeskundige en voorts nader onderzoek naar de verkeersintensiteit en de hulpeloze toestand van [slachtoffer A].

D. Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de ten laste gelegde feiten uit van de volgende feiten en omstandigheden.

In het dossier bevinden zich verschillende processen-verbaal, waaronder verklaringen van diverse personen en bescheiden, zoals hierna zakelijk en verhalenderwijs weergegeven:

Door de arts en patholoog dr. Kubat is naar aanleiding van de uit- en inwendige schouwing op 10 mei 2010 geconcludeerd3 dat het overlijden van [slachtoffer A], geboren op [1992], volledig wordt verklaard door ernstige inwendige letsels en de daardoor opgetreden verwikkelingen en weefselschade. Deze letsels zijn ontstaan door multipel en heftig uitwendig mechanisch botsend geweld op het lichaam.

Uit het interdisciplinair forensisch onderzoek (IDFO) van het NFI4 blijkt dat op grond van de verschillende deelonderzoeken niet is aan te geven welke letsels vóór een eventuele overrijding (rechtbank: met de Fiat) reeds waren toegebracht.

Verder blijkt volgens het IDFO-rapport en de onderliggende deelonderzoeken, dat aan de Fiat bloedsporen zijn aangetroffen, waarvan het verkregen DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van [slachtoffer A]. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurige man matcht met het uit het spoor verkregen profiel is volgens het NFI kleiner dan 1 op 1 miljard. Uit het IDFO-rapport blijkt eveneens, dat een spoor bij de jaszak van [slachtoffer A] er op wijst, dat dit deel van de jas in aanraking is geweest met de bumper van de Fiat. Deze conclusie wordt bevestigd door de aangetroffen vezelsporen aan de Fiat, aldus het NFI.

[medeverdachte A] heeft verklaard5 dat hij die zaterdagavond 8 mei 2010 met [verdachte C] en de beide meisjes, beiden genaamd [medeverdachte B/getuige B], op de skatebaan in Warnsveld was en dat ze daar afspraken om naar de discotheek [discotheek] in Zutphen te gaan.

Vóórdat ze naar [discotheek] gingen heeft hij [slachtoffer A] nog aan de telefoon gehad. Dat was op de skatebaan. [medeverdachte B] had daar telefonisch contact met [slachtoffer A]. [medeverdachte B] zei, dat [slachtoffer A] steeds belde. Hij heeft toen de telefoon van [medeverdachte B] overgenomen. [slachtoffer A] ontkende dat hij [medeverdachte B] bedreigd zou hebben. [medeverdachte B] - de telefoon stond op de luidspreker - schreeuwde er doorheen dat hij een leugenaar was. [slachtoffer A] zei hem dat hij ruzie met [medeverdachte B] had. [slachtoffer A] zei hem dat hij niet meer zou bellen met [medeverdachte B].

Ze zijn met de auto van [verdachte C], een Honda Civic, naar [discotheek] gegaan. De beide meisjes kende hij enkel via via. [medeverdachte B] kende hij van de kapper, waar zij werkte. [slachtoffer A] was hij voor het eerst tegengekomen met [medeverdachte B] op Koninginnedag in Vorden.

Hij zag [slachtoffer A] in de discotheek [discotheek]. Hij kreeg een beetje ruzie met [slachtoffer A] vanwege iets wat was voorgevallen op die Koninginnedag.

[medeverdachte B] heeft in [discotheek] de boel lopen opfokken. Hij stond met [slachtoffer A] te praten in de rokersruimte toen de beide [medeverdachte B/getuige B]s er ook weer bijkwamen. [medeverdachte B] zei dat

[slachtoffer A] haar weer kankerhoer had genoemd en haar in elkaar wilde slaan als zij buiten

kwam. [medeverdachte B] schreeuwde tegen [slachtoffer A] dat hij kankerhoer tegen haar had gezegd en de andere [getuige B] bevestigde dat.

[medeverdachte A] heeft verklaard dat hij aangeschoten was. Ze zijn rond 03.30 uur vertrokken uit [discotheek]. Ze zijn toen eerst naar de skatebaan in Warnsveld geweest en daarna terug via Zutphen langs [discotheek] richting Baak. Hij zat op de bijrijdersplaats.

[medeverdachte A] heeft verder verklaard dat het wel kan kloppen dat hij na het vertrek uit [discotheek] onderweg in de auto tegen [verdachte C] heeft gezegd even te stoppen als ze [slachtoffer A] zouden zien. [medeverdachte B] zei tegen hem dat [slachtoffer A] hem (verdachte) nog een keer wilde pakken en doodmaken. Ook zei [medeverdachte B] tegen [verdachte C] dat [slachtoffer A] hem een stumperd vond en een mongool. Hij - [medeverdachte A] - was daar boos over. Ze zouden met z'n allen kijken of ze [slachtoffer A] ergens tegenkwamen. [medeverdachte B] had het in de auto steeds over [slachtoffer A]. Ze probeerde hem zwart te maken. Als [medeverdachte B] niet had gezegd dat [slachtoffer A] over die weg fietste, zou hij [slachtoffer A] niet eens hebben gezien.

[medeverdachte B] was degene die aan [verdachte C] vroeg om zachter te gaan rijden als ze een groepje fietsers passeerden en zij was ook degene die [slachtoffer A] zag fietsen. Opeens zei [medeverdachte B]: "Ja, dat is hem, met die capuchon".

Hij schreeuwde tegen [verdachte C] dat hij moest stoppen, waarop [verdachte C] de berm in reed. Vanuit de auto riep hij door het geopende raam tegen [slachtoffer A] dat hij moest stoppen.

Hij heeft de deur van de auto open gedaan zodat [verdachte C] wel moest stoppen.

[slachtoffer A] is door de auto afgesneden - net voorbij het tankstation Amigo -, want [slachtoffer A] wilde er nog achterlangs fietsen.

[verdachte C] is toen een stuk het fietspad opgereden. [slachtoffer A] kon toen niet meer langs de auto en probeerde langs de achterkant van de auto weg te komen. [verdachte C] reed toen achteruit zodat [slachtoffer A] daar niet langs kon. Hij is toen snel uit de auto gestapt om [slachtoffer A] tegen te houden. Hij was zo boos dat hij vergat de gordel af te doen bij het uitstappen. [medeverdachte B] zat achter hem en kwam helemaal naar voren geleund naar de plaats waar hij zat. Hij is daarop uit de auto gestapt en naar [slachtoffer A] toe gerend. [slachtoffer A] probeerde weg te fietsen. Hij heeft hem beetgepakt en van zijn fiets getrokken. Hij heeft [slachtoffer A] vervolgens een aantal klappen, hooguit vijf, met de vuist in/op zijn gezicht gegeven. Door de klappen viel [slachtoffer A] op de rechterzijde van de Den Elterweg, met zijn benen richting fietspad en met zijn bovenlichaam en hoofd op de weg. Daarna heeft hij [slachtoffer A] - nadat deze gevallen was - op zijn gezicht geschopt/gestampt, één keer in het gezicht en één keer tegen het achterhoofd. Hij hoorde dat [medeverdachte B] riep dat hij naar de auto moest komen. Hij is toen nog wel even bij [slachtoffer A] blijven staan, voordat hij weer in de auto is gestapt. Hij heeft misschien een keertje meer geschopt. Hij is nog naar de vriend van [slachtoffer A] gelopen en heeft hem een vuistslag in het gezicht gegeven. Vervolgens is hij naar de auto gelopen, is hij ingestapt en zijn ze weggereden.

Verdachte [verdachte C] heeft verklaard6 dat hij op zaterdag 8 mei 2010 om 23.00 uur met een aantal mensen bij de skatebaan in Warnsveld was, waaronder [medeverdachte B], [getuige B] en [medeverdachte A]. Er was afgesproken dat ze met een heel stel naar de stad zouden gaan, maar uiteindelijk is hij alleen met de beide [medeverdachte B/getuige B]s en [medeverdachte A] naar [discotheek] gegaan. In [discotheek] heeft hij de anderen een poos niet gesproken. Op een gegeven moment was hij in de rookkamer en zag hij dat [slachtoffer A] met [medeverdachte A] aan het praten was, terwijl [medeverdachte B] er omheen liep.7 Hij probeerde zich afzijdig te houden, maar werd er door [medeverdachte B] toch weer bij betrokken. Zij vertelde dat [slachtoffer A] haar had uitgescholden en bedreigd en dat [slachtoffer A] hem met een man of vijftig uit Goor of zo in elkaar wilde slaan. Rond 02.30/03.00 uur kwam [medeverdachte B] opnieuw bij hem en vertelde dat [slachtoffer A] haar weer had uitgescholden voor 'kankerhoer'. Ook liet zij hem een onduidelijk voicemailbericht horen.

Op een gegeven moment zijn zij weggegaan en is hij naar de skatebaan in Warnsveld gereden. Hij reed rustig. Hij wilde de beide [medeverdachte B/getuige B]s naar huis brengen, maar wilde eerst nog langs [discotheek] rijden om een praatje te maken met oude schoolkameraden. Deze bleken er niet meer te zijn. Hij is vervolgens doorgereden richting Baak. Onderweg was [medeverdachte A] voortdurend uit het raam aan het schreeuwen. Op de weg richting Baak zag hij een aantal fietslichtjes en was daarop extra attent voor het geval de fietsers ineens de weg zouden oversteken. [medeverdachte A] hing op Den Elterweg weer met zijn hoofd buiten het openstaande raam.

[verdachte C] heeft verklaard dat hij twee keer is gestopt op de Den Elterweg. Bij de eerste keer zag hij [slachtoffer A] - hij wist op dat moment nog niet dat het [slachtoffer A] was - voorop fietsen. Hij hoorde een van de [medeverdachte B/getuige B]s schreeuwen: "die met die capuchon". Dat was toen zij langs het tankstation reden en ze dichter bij de fietsers kwamen. [medeverdachte A] schreeuwde ineens: " stop, stop, stop". [medeverdachte A] stapte uit en schreeuwde wat tegen de fietsers, maar die reden door waarop [medeverdachte A] weer instapte en schreeuwde: "rij door". Hij heeft de fietsers vervolgens weer ingehaald. [medeverdachte A] schreeuwde toen weer: "stop, stop, stop". [medeverdachte A] draaide vervolgens zijn hoofd af en zei tegen hem: "snij af". Hij heeft vervolgens de auto een meter tot anderhalve meter voor de fietsers gezet. [medeverdachte A] had de deur al los en zat wild aan zijn gordel te trekken. Voordat hij het wist was [medeverdachte A] uit de auto. Hij zag vervolgens via de spiegels van zijn auto dat [medeverdachte A] [slachtoffer A] van zijn fiets aftrok en dat [medeverdachte A] volledig aan het 'houwen was met die vent'.

Hij zag dat [slachtoffer A] op de grond viel. Hij lag half op de weg en half op het fietspad. Hij zag dat [medeverdachte A] [slachtoffer A] tegen het hoofd trapte met een trappende beweging naar beneden. Dit is meer dan een keer gebeurd.

De beide [medeverdachte B/getuige B]s kwamen in paniek weer in de auto en schreeuwden naar [medeverdachte A] dat hij moest komen. Hij zag dat [medeverdachte A] nog naar de vriend van [slachtoffer A] liep en hem een duw gaf of zo. Vervolgens kwam [medeverdachte A] naar de auto gerend en is ingestapt, schreeuwend: "gas, gas, gas". Hij is daarop vol gas weggereden.

[verdachte C] heeft verder nog verklaard8 dat [medeverdachte B] hem een korte tijd daarvoor ook al had verteld dat zij ruzie had met [slachtoffer A] en dat [slachtoffer A] hem - [verdachte C] - zou komen opzoeken met 50 man uit Goor. [medeverdachte B] had hem op soortgelijke wijze al eerder zoiets geflikt. Op Koninginnedag was een kameraad naar hem toegekomen en had hem gezegd dat hij hem zou willen slaan. Die kameraad had hem gezegd dat hij ruzie had met [medeverdachte B] en dat [medeverdachte B] tegen hem gezegd had dat hij - [verdachte C] - hem in elkaar zou slaan vanwege zijn ruzie met [medeverdachte B]. Wat er nu met [slachtoffer A] is voorgevallen lijkt daar veel op. In [discotheek] liep ze elke keer [slachtoffer A] te zoeken en bij de skatebaan heeft ze ook steeds [slachtoffer A] gebeld. [medeverdachte B] heeft [medeverdachte A] lopen opfokken.

Op de skatebaan had zij die avond hem - [verdachte C] - verteld dat zij ruzie had met [slachtoffer A] en dat [slachtoffer A] met 50 man uit Goor hem op zou komen zoeken. [medeverdachte B] zei toen, zal ik [slachtoffer A] bellen. Hij zag aan de display van haar telefoon dat zij [slachtoffer A] belde. Ze liet de telefoon een aantal malen overgaan en drukte hem toen weg. Daarna is zij naar [medeverdachte A] gelopen. [medeverdachte A] was er bij toen zij vertelde van die 50 man. Hij zag dat [medeverdachte B] weer [slachtoffer A] belde en dat zij de telefoon aan [medeverdachte A] gaf.

Uit onderzoek van de mobiele telefoon van [verdachte C] blijkt9 dat hij op 8 mei 2010 om 19.22 uur een sms-bericht heeft ontvangen van [medeverdachte B], inhoudende: "[slachtoffer A]. Wil hem echt dood trappen. Daarom vroeg ik ook of je kon".

[verdachte C] heeft over deze sms verklaard dat hij begreep dat hij online moest komen op msn zodat hij een grote bek zou opzetten. Hij ging er vanuit dat [medeverdachte B] online ruzie aan het maken was met anderen10.

Uit onderzoek naar de onder [medeverdachte B] in beslaggenomen computer blijkt dat zij op 8 mei 2010 tussen ongeveer 19.00 uur en 19.30 uur op msn zat en daarbij chatte met onder meer [slachtoffer A]11.

Uit onderzoek naar de historische verkeersgegevens van de mobiele telefoons van [slachtoffer A] en [medeverdachte B] blijkt dat er op de late avond van 8 mei 2010 meerdere telefonische contacten tussen die telefoons hebben plaatsgevonden, waaronder contacten met een duur van bijna een minuut en van ruim anderhalve minuut12.

[medeverdachte B] heeft verklaard13 dat [medeverdachte A] na het voorval bij [discotheek] in de auto heel boos zei: "Ik moet [slachtoffer A] niet tegenkomen". [medeverdachte A] heeft dat twee keer gezegd. De eerste keer was nog in Zutphen toen ze voor [discotheek] langs reden en de tweede keer net voorbij de benzinepomp op de Den Elterweg. Bij ieder groepje fietsers dat ze tegenkwamen vroeg [medeverdachte A] aan [verdachte C] of hij iets zachter wilde rijden.

Toen ze naast het groepje fietsers reden, hoorde zij [medeverdachte A] tegen [verdachte C] zeggen: "Nu stoppen". [verdachte C] stopte toen ook direct. Zij zag dat [medeverdachte A] probeerde uit te stappen, maar dat de fietsers door fietsten. Toen hoorde zij [medeverdachte A] tegen [verdachte C] zeggen: "Gooi hem ervoor!" [verdachte C] reed iets verder en zette de auto schuin voor de groep.

[getuige B] heeft verklaard14 dat [medeverdachte A] zei, ook tegen [verdachte C], 'Even stoppen als we [slachtoffer A] zien' en dat [medeverdachte B] onderweg zei dat ze [slachtoffer A] misschien nog wel tegen zouden komen. Ze gingen vervolgens kijken of ze [slachtoffer A] tegen zouden komen. Ze deden dit eigenlijk een beetje met z'n allen. [medeverdachte A] had het portierraam open staan. Als ze onderweg een groepje tegen kwamen ging [verdachte C] langzamer rijden. Als ze een groepje passeerden en [slachtoffer A] zat er niet bij dan werd dit door iemand gezegd.

Net voorbij de benzinepomp zag zij een groepje fietsers rijden. [medeverdachte A] of [medeverdachte B] zei dat [slachtoffer A] er bij was. Zij keek toen ook en herkende [slachtoffer A] eveneens. [verdachte C] stopte naast het groepje, niet helemaal stil, en [slachtoffer A] probeerde snel door te fietsen. Zij zag dat [verdachte C] de auto schuin voor [slachtoffer A] zette. [medeverdachte A] is vlug uit de auto gegaan en is gelijk op [slachtoffer A] afgegaan. Zij heeft gezien dat [medeverdachte A] een aantal malen met zijn voet van boven af op het hoofd van [slachtoffer A] trapte.

[getuige B] heeft verder verklaard dat zij in [discotheek] zag dat [slachtoffer A] bang was voor verdachte en dat toen zij na [discotheek] in de auto zaten, er iets gezegd werd als 'dat er wel even gestopt zou worden als ze [slachtoffer A] zouden zien'.15

[slachtoffer B], vriend van [slachtoffer A], heeft verklaard16 dat hij op 8 mei 2010 samen met onder meer [slachtoffer A], [getuige D] en [getuige A] naar [discotheek] in Zutphen is gegaan, waar ze omstreeks 24.00 uur naar binnen zijn gegaan. In [discotheek] werd [slachtoffer A] er door [medeverdachte A] op aangesproken dat hij een meisje genaamd [medeverdachte B] een hoer had genoemd. [slachtoffer A] heeft daarvoor zijn excuses aangeboden, maar hij hoorde [medeverdachte B] zeggen dat dit niet genoeg was. Op een gegeven moment wilden [getuige A] en [getuige D] naar huis en zijn zij gevieren naar huis gefietst, langs de IJsselkade en uiteindelijk over de Den Elterweg. Vlak voorbij het tankstation aan de Den Elterweg hoorden ze een auto aankomen. De auto stopte naast hun en hij hoorde dat iemand tegen [slachtoffer A] zei dat hij moest stoppen. [slachtoffer A] ging daarop harder fietsen.

Hij zag dat de auto [slachtoffer A] probeerde te blokkeren. Dit lukte eerst niet, [slachtoffer A] kon er om heen fietsen. De auto reed nog een keer voor [slachtoffer A] en toen moest [slachtoffer A] wel stoppen. Hij zag dat de bestuurder uitstapte. Dat was [medeverdachte A] uit [discotheek]. Hij zag dat deze in het gezicht van [slachtoffer A] begon te slaan. Door de klappen viel [slachtoffer A] op zijn fiets. Vervolgens sprong [medeverdachte A] met de knie meerdere keren op de buik en het lichaam van [slachtoffer A]. [slachtoffer A] lag op de grond en hij zag dat [medeverdachte A] wel tientallen keren op het gezicht van [slachtoffer A] stampte en schopte. Op een gegeven moment stopte [medeverdachte A] en kwam hij op hem ([slachtoffer B]) af. [medeverdachte A] zei dat als hij wat zou zeggen hij ([medeverdachte A]) hem zou weten te vinden. Direct daarna gaf [medeverdachte A] hem met de rechtervuist een stoot vol in het gezicht. Daarna zijn ze weggereden richting Baak. [slachtoffer B] is vervolgens naar [slachtoffer A] toe gelopen. [slachtoffer A] was op dat moment niet meer aanspreekbaar. Hij hoorde [slachtoffer A] alleen maar kreunen.

[slachtoffer B] heeft verder verklaard17 dat toen ze nog op de fiets zaten, iemand riep: "Stoppen [slachtoffer A]". De auto reed toen ongeveer met dezelfde snelheid als zij fietsten. Toen [slachtoffer A] het vervolgens op een fietsen zette, reed de auto hem voor de eerste keer klem, dat wil zeggen stuurde de auto naar rechts. [slachtoffer A] kon er toen nog via de berm langs. De auto zette eigenlijk het hele fietspad af. De auto draaide toen snel weer bij, richting de weg. [slachtoffer A] werd toen voor de tweede keer klemgereden. Ook toen stond de auto weer schuin op het fietspad. [slachtoffer A] moest afstappen en probeerde achteruitlopend weg te komen.

[medeverdachte A] gaf [slachtoffer A] 4 of 5 klappen recht in het gezicht. Toen [slachtoffer A] op de grond lag kwam [medeverdachte A] op [slachtoffer A] toegelopen. Hij begon met zijn voet op [slachtoffer A]s hoofd te stampen, van bovenaf naar beneden, ongeveer 5 keer. Hij hoorde [slachtoffer A] schreeuwen van de pijn. Toen zag hij dat [medeverdachte A] voorwaarts schopte tegen het hoofd van [slachtoffer A]. [slachtoffer A] probeerde af te weren. Hij denkt dat [medeverdachte A] 5 of 6 keer tegen het hoofd heeft geschopt. Toen gaf [medeverdachte A] bij [slachtoffer A] knietjes in de buik. [medeverdachte A] deed dit door beide knieën in te trekken en zich te laten vallen op de buik van [slachtoffer A], ongeveer 3 keer. Hij hoorde [slachtoffer A] schreeuwen van de pijn. Daarna stampte [medeverdachte A] weer een keer of 4, 5 op het hoofd van [slachtoffer A]. Ook zag hij dat [medeverdachte A] nog ongeveer 3 keer tegen het hoofd van [slachtoffer A] schopte.

Toen de auto weg was is [slachtoffer B] naar [slachtoffer A] toegelopen. Hij hoorde hem kreunen van de pijn. Hij hoorde een auto aankomen en hij is ongeveer 10 meter voor [slachtoffer A] gaan staan om de auto te stoppen. Hij zwaaide met beide handen boven zijn hoofd naar de auto, maar moest aan de kant springen om niet zelf te worden aangereden. Toen de auto gepasseerd was, remde deze. Hij zag dat de auto over de fiets van [slachtoffer A] heen reed, dat [slachtoffer A] verschoof en dat de auto vervolgens een aantal meters verder stopte.

[getuige A] heeft verklaard dat toen ze naar huis fietsten een jongen die agressief klonk, hen vanuit een auto wat vroeg, dat de auto doorreed18 en dat de auto de berm in ging. 19Hij zag dat de auto [slachtoffer A] en [slachtoffer B] sneed. [slachtoffer A] reed rechts om de auto heen en fietste hard weg. De auto reed met piepende banden verder en sneed [slachtoffer A] nog een keer. Hij zag dat een man van de bijrijdersstoel uit de auto sprong. Hij zag dat [slachtoffer A] van de fiets viel. Hij zag dat die man met zijn vuisten op [slachtoffer A] begon te slaan. Hij sloeg meer dan eens op de kaak van [slachtoffer A]. Hij hoorde [slachtoffer A] hard schreeuwen. Even later zag hij dat die man knietjes gaf op de maag van [slachtoffer A]. Hij was inmiddels wat verder gereden, maar zag nog dat die man [slachtoffer A] met zijn hak/schoen tegen het hoofd trapte.

[getuige A] heeft ook verklaard dat er in [discotheek] een meisje was dat zei dat ze [medeverdachte B] heette. [slachtoffer B] en [getuige D] vertelden later dat haar achternaam [medeverdachte A]s was. [slachtoffer A] had kennelijk wat problemen met die [medeverdachte B] gehad. Zij vertelde hem in [discotheek] dat [slachtoffer A] in een msn-gesprek vervelende dingen over haar had gezegd. Hij zag dat jongens die kennelijk bij [medeverdachte B] hoorden, [slachtoffer A] aanspraken. Hij zag dat de jongens een beetje aan het duwen waren tegen [slachtoffer A] en hem aan het provoceren waren. Het was wel een gespannen sfeertje. [medeverdachte B] zei dat ze [medeverdachte A] erbij kon halen en dat [slachtoffer A] moest oppassen want 'dan weet je hoe het gaat'. [medeverdachte B] kwam tussen [slachtoffer A] en [medeverdachte A] en zei dat ze [slachtoffer A]s excuses niet genoeg vond.20.

[getuige D] heeft verklaard21 dat hij rond 02.00 uur in [discotheek] [slachtoffer A] zag en hoorde praten met een onbekende jongen. Een meisje, van wie hij wist dat zij [medeverdachte B] heette, stond achter en soms naast die jongen. Hij begreep dat er spanningen waren tussen [slachtoffer A] en die jongen en die [medeverdachte B]; er was spanning in het gesprek22. Rond 02.30 uur is hij samen met [slachtoffer A], [slachtoffer B] en [getuige A] vertrokken bij [discotheek]. [slachtoffer A] en [slachtoffer B] fietsten voorop.

Toen hij samen met [getuige A] de weg overstak zag hij een auto uit de richting Zutphen komen. Hij hoorde uit de auto schreeuwen: Stoppen. Hij zag dat die auto [slachtoffer A] afsneed door dwars voor [slachtoffer A] te gaan staan, op het fietspad. Hij zag dat [slachtoffer A] via de achterkant van die auto probeerde weg te fietsen, via de rijbaan. Hij zag dat de bijrijder, een man, uitstapte en een slaande beweging maakte naar [slachtoffer A]. Hij zag [slachtoffer A] op de grond vallen. Hij viel midden op de rijbaan, voor verkeer uit de richting Zutphen. Hij hoorde [slachtoffer A] roepen. Hij zag toen dat die man meerdere keren van bovenaf, dus met de zool naar beneden, op [slachtoffer A] schopte. Hij zag dat hij het hoofd raakte van [slachtoffer A]. Ook zag hij dat de man meerdere keren vanaf de zijkant tegen [slachtoffer A] aanschopte. De man haalde echt uit met zijn been. Hij zag dat die man weer in de auto stapte, waarna deze hard wegreed. Hij zag [slachtoffer B] bij [slachtoffer A] staan. [slachtoffer B] had een bloedneus. [slachtoffer A] lag nog steeds op de weg. Hij hoorde dat [slachtoffer A] heel moeilijk adem haalde. [slachtoffer A] had bloed aan zijn hoofd en reageerde nergens meer op.

Ook door anderen dan degenen die deel uitmaakten van het groepje fietsers met [slachtoffer A] zijn verklaringen afgelegd over de contacten die er die nacht zijn geweest tussen de groep waartoe verdachte en zijn medeverdachten hoorden en [slachtoffer A].

Zo heeft [getuige E] onder meer verklaard23 dat hij in [discotheek] een jongen tegen [slachtoffer A] aan het schreeuwen was en op dreigende toon sprak. Die jongen was verdachte. [slachtoffer A] moest niet meer zijn hand op de schouders van een van de meisjes leggen en mocht haar ook geen hoer meer noemen. Twee meisjes riepen dingen naar [medeverdachte A] over wat [slachtoffer A] gedaan had en gezegd zou hebben. Ze bleven dat herhalen en [medeverdachte A] werd er ook heel erg kwaad van.

[getuige F] heeft verklaard24 dat hij in het rookhok in [discotheek] van [getuige E] hoorde dat [slachtoffer A] ruzie zou hebben met een jongen, omdat hij een hand op de schouder van een meisje zou hebben gelegd. Hij hoorde dat die jongen [medeverdachte A] heette, omdat de meisjes steeds zijn naam noemden. [getuige F] zat naast [slachtoffer A] in het rookhok. [medeverdachte A] zei tegen [slachtoffer A] dat hij normaal moest doen en dat hij op moest passen wat hij tegen de meisjes zei. De meisjes stonden ook in het rookhok. [slachtoffer A] zei steeds tegen [medeverdachte A] dat hij het niet meer zou zeggen, maar er viel niet echt met [medeverdachte A] te praten.

Hij - [getuige F] - zei toen tegen [medeverdachte A]: Het is nu toch goed zo? De twee meisjes zeiden daarop dat hij zijn bek moest houden. Hij zei toen: "Drink er nog lekker 1". De meisjes vertelden dat aan [medeverdachte A], die daarop naar hem toekwam en hem bij zijn shirt pakte. [medeverdachte A] zei: "Wil je niet zo'n grote bek hebben tegen mijn vriendin en ik wil niet dat je zo over hen praat". Toen liep [medeverdachte A] weg en gaf [medeverdachte A] hem ([getuige F]) een kopstoot. Deze was niet super hard, maar hij voelde het wel. Het gedrag van [medeverdachte A] was wild en agressief en volgens hem waren de twee meisjes [medeverdachte A] aan het opjutten.

[getuige G] heeft verklaard25 dat zij op 8 mei 2010 vanaf 23.30 uur tot zondag 9 mei 2010 te 05.00 uur werkzaam was achter de bar bij [discotheek]. Zij hoorde dat [medeverdachte B] zei dat ze ruzie hadden met een jongen. [getuige G] hoorde dat [medeverdachte B] zei dat vrienden die jongen nog wel terug wilden pakken.

Specifieke bewijsoverwegingen

De gebeurtenissen in de avond van zaterdag 8 mei 2010 en de daaropvolgende nacht hebben geleid tot verdenkingen tegen verdachte. Die verwijten zijn op verschillende juridische wijzen ten laste gelegd.

De rechtbank kan op grond van het dossier en met name gelet op de onderzoeksrapporten naar de doodsoorzaak van [slachtoffer A] niet vaststellen dat hij door de mishandeling door medeverdachte [medeverdachte A] is overleden.

Gelet op de feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het achterlaten van een mishandelde [slachtoffer A] op de rijbaan niet meebrengt dat verdachte de dood van [slachtoffer A], voor zover al toe te rekenen aan de overrijding, op de koop toe heeft genomen. Dit betekent dat van voorwaardelijk opzet evenmin sprake is.

Voor de primair tenlastegelegde doodslag dient derhalve, zoals de officier van justitie ook heeft voorgesteld, vrijspraak te volgen.

De rechtbank volgt de officier van justitie eveneens in haar betoog dat de subsidiair tenlastegelegde zware mishandeling evenmin bewezen kan worden, gelet op de resultaten van het (hiervoor besproken) IDFO-onderzoek. De rechtbank is namelijk van oordeel dat op grond van deze onderzoeksresultaten dient te worden geconcludeerd dat de passerende Fiat in aanraking is gekomen met [slachtoffer A], terwijl die op het wegdek lag. Verder volgt uit het IDFO-rapport dat op grond van de verschillende deelonderzoeken niet is aan te geven welke letsels vóór een eventuele overrijding (rechtbank: met de Fiat) reeds waren toegebracht. Onder die omstandigheden kan de officier van justitie gevolgd worden in haar betoog dat niet vastgesteld kan worden of de mishandeling van [slachtoffer A] door verdachte [medeverdachte A] letsel bij [slachtoffer A] heeft veroorzaakte dat als zwaar lichamelijk letsel is aan te merken. Hoewel aannemelijk is dat door toedoen van verdachte [medeverdachte A] enig letsel is ontstaan, kan de aard en omvang daarvan niet worden vastgesteld. Ook ten aanzien van dit deel van de tenlastelegging volgt derhalve een vrijspraak.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat op grond van de hiervoor aangeduide bewijsmiddelen een bewezenverklaring kan en moet volgen van het meer subsidiair aan verdachte tenlastegelegde, namelijk het medeplegen van mishandeling met voorbedachten rade de dood ten gevolge hebbend. Daartoe wordt het volgende overwogen.

De voorbedachten rade en het medeplegen

Voor het aannemen van voorbedachte raad is vereist dat het handelen van de verdachte het gevolg is geweest van een tevoren door hem genomen besluit en dat de verdachte tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering daarvan gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van die voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

Voor het aannemen van medeplegen is een nauwe en bewuste samenwerking vereist.

Uit de verklaring van [verdachte C] en het onderzoek naar zijn telefoon blijkt dat [medeverdachte B] op de vroege avond van zaterdag 8 mei 2010 een sms heeft gestuurd met de inhoud: "[slachtoffer A]. Wil hem echt dood trappen. Daarom vroeg ik ook of je kon". [verdachte C] heeft deze sms ook gelezen.

Deze sms roept de vraag op, of de tekst 'wil hem echt doodtrappen' letterlijk bedoeld is en/of door [verdachte C] of door buitenstaanders zo begrepen kon en mocht worden. Het dossier bevat geen aanknopingspunt voor de conclusie dat verdachte [medeverdachte A]s en/of [verdachte C] hun medeverdachten over deze sms hebben geïnformeerd. Ook het verder verloop van de avond biedt geen aanknopingspunt voor de aanname dat [medeverdachte B] daadwerkelijk de dood van [slachtoffer A] voor ogen stond. De rechtbank zal de tekst dan ook niet naar de letter opvatten.

Echter, de inhoud en strekking van de sms getuigt onmiskenbaar van een agressieve houding van [medeverdachte B] richting [slachtoffer A]. Bovendien blijkt uit deze sms, die [medeverdachte B] verstuurde terwijl zij met (onder meer) [slachtoffer A] op msn zat, dat zij een ander betrekt in haar conflicten om die conflicten in de door haar gewenste zin te (proberen te) beslechten. [verdachte C] wist dus door deze sms al van de agressieve houding van [medeverdachte B] richting [slachtoffer A]. Daar doet niet aan af dat [verdachte C] zich naar zijn zeggen met de ruzie tussen [medeverdachte A]s en [slachtoffer A] verder niet heeft willen bemoeien.

Toen verdachte later die zaterdagavond bij de skatebaan in Warnsveld onder meer zijn medeverdachten [medeverdachte A] en [medeverdachte B] ontmoette, heeft [medeverdachte B] verdachte [medeverdachte A] en [verdachte C] verteld over haar ruzie met [slachtoffer A]. Zij hebben gezien dat [medeverdachte B] telefoongesprekken heeft gevoerd met [slachtoffer A], waarvan een gesprek door [medeverdachte A] is overgenomen. Volgens [medeverdachte A] heeft hij tegen [slachtoffer A] (rustig) gezegd dat de ruzie met [medeverdachte B] moest stoppen.

In [discotheek], waar [verdachte C] zijn medeverdachten daarna belandden, zijn er verschillende contacten geweest tussen het groepje rondom verdachte en [slachtoffer A].

Uit de verklaringen van [getuige D], [getuige E], [getuige F], [getuige A], [getuige H] blijkt dat vooral [medeverdachte A] en de beide [medeverdachte B/getuige B]s daarbij betrokken waren. Genoemd wordt, dat de meisjes boos waren en dingen riepen die [slachtoffer A] gedaan zou hebben; vooral [medeverdachte B] zou dat hebben gedaan. [medeverdachte A] zou daarbij, ook naar eigen zeggen, erg kwaad zijn geworden in de richting van [slachtoffer A]. [verdachte C] en [getuige B] hebben verklaard dat ze zagen dat [slachtoffer A] bang was voor [medeverdachte A]. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de verklaringen omtrent de gebeurtenissen in [discotheek] dat [medeverdachte A] en medeverdachte [medeverdachte B] het op [slachtoffer A] gemunt hadden. Zij zochten hem op en stelden zich in zijn richting boos en zelfs agressief op.

Met name het gedrag van [medeverdachte A] lijkt er daarbij toe hebben geleid dat [slachtoffer A] op anderen de indruk maakte bang te zijn (geworden) voor [medeverdachte A]. [verdachte C] lijkt slechts kortstondig bij deze contacten tussen [medeverdachte A], de beide [medeverdachte B/getuige B]s en [slachtoffer A] aanwezig te zijn geweest. Toch kreeg [verdachte C] in [discotheek] mee dat [medeverdachte B] [slachtoffer A] steeds opzocht, hem vertelde dat [slachtoffer A] schold op [medeverdachte A]s en haar en hem bedreigde. [verdachte C] zag ook dat [slachtoffer A] bang was voor [medeverdachte A]. [medeverdachte A] zelf heeft verklaard dat hij een bange blik in [slachtoffer A]s ogen zag.

Dit alles, in onderlinge samenhang bezien, leidt de rechtbank tot het oordeel dat toen verdachte en zijn medeverdachten na vertrek uit [discotheek] in de auto stapten, de stemming in de richting van [slachtoffer A] confrontatiezoekend en agressief was en dat dit bij verdachte en zijn medeverdachten bekend was, ook al is niet ieder van hen vóór vertrek uit [discotheek] op elk relevant moment aanwezig of betrokken of geïnformeerd geweest.

Op grond van het dossier kan niet worden vastgesteld of verdachte en zijn medeverdachten met de auto zijn gaan rijden uitsluitend om [slachtoffer A] te zoeken. De rechtbank houdt het er derhalve op dat verdachte en zijn medeverdachten in de auto op weg waren naar de woonplaats van de beide [medeverdachte B/getuige B]s en dat zij onderweg hebben uitgekeken naar [slachtoffer A], die naar hem bekend was in dezelfde richting huiswaarts ging. Zoals [getuige B] het verwoordde: het kijken of ze [slachtoffer A] tegen zouden komen, deden ze eigenlijk een beetje met zijn allen, en er zou gestopt worden als ze [slachtoffer A] zouden zien. Er is steeds gekeken of [slachtoffer A] deel uitmaakte van groepjes fietsers die langs de weg reden. Uit de woorden en agressieve houding van met name [medeverdachte A] maar ook zijn medeverdachte [medeverdachte B] moest het voor [verdachte C] en zijn medeverdachten duidelijk zijn dat dit 'speuren' gebeurde naar aanleiding van ruzies, waarbij door [medeverdachte A] en zijn medeverdachte [medeverdachte B] op agressieve wijze eerder die avond en nacht de confrontatie met [slachtoffer A] is gezocht. Verdachte en zijn medeverdachten zijn gestopt bij fietsers om te kijken of [slachtoffer A] er tussen zat, [medeverdachte A] heeft agressief schreeuwend uit het autoraam gehangen en [medeverdachte B] heeft [slachtoffer A] aangewezen, waarna [verdachte C] op aanroepen van [medeverdachte A] tot twee keer toe de auto het fietspad op heeft gestuurd om [slachtoffer A] de doorgang te beletten.

Tegen deze achtergrond was het voor verdachte en zijn medeverdachten duidelijk dat tegen [slachtoffer A], zo ze hem onderweg tegen zouden komen, geweld zou worden gebruikt. Na vertrek uit [discotheek] en vooral onderweg in de auto is er tijd en gelegenheid geweest daarover na te denken en er van terug te komen. Het heeft er alle schijn van dat juist onderweg in de auto de agressieve stemming richting [slachtoffer A] fors is toegenomen. Niet gebleken is dat verdachte of een van zijn medeverdachten iets heeft ondernomen om het uitkijken naar [slachtoffer A] te (laten) stoppen en het afsnijden van [slachtoffer A] te voorkomen.

Op grond van de aangehaalde bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat [medeverdachte A] ook daadwerkelijk tot gewelddadig handelen is overgegaan. Dat het geweld heviger en omvangrijker was dan mogelijk door [medeverdachte B] en [verdachte C] was verondersteld, doet niet af aan de rol die zij in het geheel hebben gespeeld. [verdachte C] en zijn medeverdachten hebben willens en wetens het aanmerkelijk risico aanvaard dat er aanzienlijk geweld zou worden gebruikt.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank voorbedachte raad en het medeplegen bewezen.

De mishandeling en de dood van [slachtoffer A]

Uit de aangehaalde bewijsmiddelen volgt dat verdachte [medeverdachte A] zonder enige aarzeling en meteen fors geweld richting [slachtoffer A] heeft gebruikt, terwijl [slachtoffer A] na de eerste afsnij-poging probeerde te ontkomen eerst door hard door te fietsen en later door achter de auto langs te gaan. [medeverdachte A] heeft [slachtoffer A] van de fiets getrokken en meermalen in het gezicht geslagen. Toen [slachtoffer A] door die klappen op de weg viel, heeft [medeverdachte A] hem meerdere keren (voorwaarts) geschopt, ook tegen het hoofd. [medeverdachte A] heeft verder met zijn voeten neerwaarts op het hoofd van [slachtoffer A] gestampt en zich een aantal keer met opgetrokken knieën op de buik van [slachtoffer A] laten vallen. De verklaring van [medeverdachte A] dat dit slechts een keer per ongeluk zou zijn gebeurd, acht de rechtbank niet aannemelijk gelet op de andersluidende verklaringen van [slachtoffer B], [getuige A] en [getuige D].

De drie verdachten wisten dat [slachtoffer A] op de rijbaan van de Den Elterweg lag. Zij hebben hem daar in die toestand achtergelaten. Zeer kort daarop is [slachtoffer A] door een auto aangereden of overreden. Uit de verklaringen van [slachtoffer B] en [getuige A] blijkt dat de toestand van [slachtoffer A] na het wegrijden van verdachte en zijn medeverdachten en voor de aanrijding met de Fiat ernstig was: [slachtoffer A] haalde moeilijk adem en reageerde nergens meer op. Dit is ook [medeverdachte B] niet ontgaan: zij verklaarde dat [medeverdachte A] [slachtoffer A] optilde en liet vallen als een slappe pop. Op grond van deze verklaringen oordeelt de rechtbank dat verdachte en zijn medeverdachten [slachtoffer A] in hulpeloze toestand hebben achtergelaten.

Aan het vorenstaande doet niet af dat vrienden van [slachtoffer A] in de buurt waren. De hulpeloze toestand is immers door verdachte en zijn medeverdachten veroorzaakt. Voor deze feitelijke vaststellingacht de rechtbank nadere medische rapportage, zoals door de raadsvrouw van [verdachte C] verzocht, niet noodzakelijk. Het daartoe strekkende verzoek wordt dan ook afgewezen.

Aan het vorenstaande doet niet af dat vrienden van [slachtoffer A] in de buurt waren. De hulpeloze toestand is immers door verdachte en zijn medeverdachten veroorzaakt.

De vraag of de dood van [slachtoffer A] ook redelijkerwijs als gevolg van de gedragingen aan de verdachte en zijn medeverdachten kan worden toegerekend, wordt door de rechtbank bevestigend beantwoord. Als [slachtoffer A] (op de rijbaan) niet was mishandeld, zou hij niet gewond op het wegdek hebben gelegen en zou hij niet zijn overreden.

Hoewel niet kan worden vastgesteld of verdachte en zijn medeverdachten de dood van [slachtoffer A] echt (bewust) gewild hebben of op de koop toe hebben genomen, kan hen van de dood van [slachtoffer A] derhalve wel een verwijt worden gemaakt.

Ontbreken forensisch geneeskundig rapport

Vaststaat, dat een rapport van de forensisch geneeskundige ontbreekt. Dit was bij verdachte en zijn raadsvrouw op voorhand bekend. Bij pleidooi heeft de raadsvrouw verzocht dergelijke rapportage alsnog te laten opmaken.

De rechtbank acht dit niet noodzakelijk, gezien het proces-verbaal van het fit-gesprek van 29 november 2010 en de brief van de rechter-commissaris van 21 januari 2011, het onderzoek te heropenen voor het laten opmaken van een forensisch geneeskundig rapport. Daarbij komt, dat wel beschikbaar is een rapport van de patholoog, die eveneens geacht moet worden te beschikken over deskundigheid naar niet natuurlijke doodsoorzaken. Eveneens is beschikbaar het IDFP-rapport van 27 januari 2011 dat conclusies bevat omtrent de niet natuurlijke doodsoorzaak. Het verzoek van de raadsvrouw wordt derhalve afgewezen.

Verkeersintensiteit

De raadsvrouw heeft bij pleidooi verzocht om een nader onderzoek naar de verkeersintensiteit op de Den Elterweg. Dit is volgens de verdediging van belang voor de vraag of het voor verdachte voorzienbaar was dat er zo snel een auto ter plaatse zou kunnen komen.

De rechtbank overweegt dat uit het proces-verbaal van bevindingen van 19 mei 201026 volgt dat meerdere voertuigen die nacht tussen 02.00 uur en (bijna) 04.00 uur over de weg van Zutphen naar Baak hebben gereden. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 7 juli 2010 blijkt dat uit informatie van de provincie Gelderland volgt dat de Den Elterweg (N314) een verkeersintensiteit heeft van 10040 motorvoertuigen per etmaal27. Daarbij overweegt de rechtbank dat het een feit van algemene bekendheid is dat er op een rondweg als de Den Elterweg ook in de nachtelijke uren regelmatig autoverkeer plaatsvindt.

Los daarvan: het achterlaten op de rijbaan van de gewonde [slachtoffer A] is uit zijn aard overduidelijk risicovol. Dat [slachtoffer A] zou kunnen worden geraakt door een passerende auto is niet een zo uitzonderlijke omstandigheid, dat verdachte daarop in het geheel niet bedacht had hoeven te zijn. Om die reden wordt het hierop betrekking hebbende verzoek van de raadsvrouw afgewezen.

Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

De verdachte behoort hiervan te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op 9 mei 2010 in de gemeente Zutphen tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade, mishandelend een persoon genaamd [slachtoffer A], en na kalm beraad en rustig overleg:

- met een personenauto naast die [slachtoffer A] zijn gaan rijden en (vervolgens) die [slachtoffer A], meermalen, met die personenauto hebben klemgereden, althans die [slachtoffer A] tot stoppen hebben gedwongen en

- (vervolgens) die [slachtoffer A] hebben vastgepakt en

- (vervolgens) meermalen met kracht die [slachtoffer A] in/op/tegen het gezicht/hoofd hebben geslagen en/of gestompt, ten gevolge waarvan die [slachtoffer A] ten val is gekomen, waarna die [slachtoffer A] terecht is gekomen op de rijbaan van de Den Elterweg, en

- zich (met kracht) met ingetrokken knieën in/op/tegen de buik, althans de maagstreek, of het lichaam van die [slachtoffer A] hebben laten vallen, en

- meermalen met kracht met geschoeide voet in/op/tegen het gezicht/hoofd van die [slachtoffer A] hebben geschopt en/of getrapt en/of gestampt, en

- (vervolgens) die [slachtoffer A] in hulpeloze toestand op de rijbaan hebben achtergelaten, waarna een personenauto over/tegen die [slachtoffer A] is gereden,

terwijl dat feit de dood van die [slachtoffer A] ten gevolge heeft gehad.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf: medeplegen van mishandeling gepleegd met voorbedachten rade, terwijl het feit de dood tengevolge heeft.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden waarvan een gedeelte van vijf maanden voorwaardelijk met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Aan het voorwaardelijk gedeelte wil de officier van justitie een proeftijd verbonden zien van twee jaar, met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht.

Bij haar afweging heeft de officier laten meewegen dat verdachte weliswaar een cruciale rol heeft gehad, maar dat hij niet de aanstichter is geweest en niet degene die inhoudelijk het zwaarste verwijt te maken. Zonder verdachte had het feit nooit gepleegd kunnen worden, maar zonder de anderen was het nooit zover gekomen.

Blijft dat bij de ernst van het feit en de buitengewoon ernstige gevolgen daarvan zonder meer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf past. In beginsel had het aandeel van verdachte in de visie van de officier een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden waarvan zes voorwaardelijk gerechtvaardigd. Het feit dat verdachte al geruime tijd - deels in beperkingen - in voorarrest heeft doorgebracht en ook gedurende zijn schorsing uit de voorlopige hechtenis behoorlijk in zijn vrijheden beperkt is geweest vanwege het elektronisch toezicht, brengt de officier er toe geen hogere onvoorwaardelijke straf te eisen dan de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat voor het geval de rechtbank tot een strafoplegging mocht komen, geen gevangenisstraf dient te worden opgelegd van langere duur dan de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. In de strafmaat dient verder te worden betrokken de persoon van verdachte waarover door de reclassering is gerapporteerd. Bij verdachte gaat het om een onvolwassen persoonlijkheid die laat aan het puberen is geslagen. Hij is doordrongen van het besef van de ernst van het gebeurde en maakt zich daarover ook zelfverwijten. Sedert de schorsing van de voorlopige hechtenis is het goed gegaan met verdachte.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is niet degene geweest die [slachtoffer A] heeft mishandeld.

Verdachte is evenmin degene geweest die het initiatief heeft genomen voor het zoeken van de confrontatie met [slachtoffer A].

Verdachte is niettemin medeverantwoordelijk voor de mishandeling en de dood van [slachtoffer A].

Hij maakte met zijn medeverdachten deel uit van een klein groepje jongeren dat die zaterdagavond rondhing en uitging. Verdachte wist, door de veelbesproken - aan hem gerichte - sms en de verhalen van [medeverdachte B], dat zij het op [slachtoffer A] had gemunt en dat zij anderen bij die ruzie wilde betrekken. Verdachte wist ook dat zijn medeverdachten [medeverdachte [medeverdachte A] [medeverdachte A] in [discotheek] steeds de confrontatie met [slachtoffer A] zochten. De agressieve manier waarop zij dit deden, maakte [slachtoffer A] bang. Ook dat heeft verdachte opgemerkt.

Op de weg naar Baak hebben verdachte en zijn medeverdachten uitgekeken naar [slachtoffer A]. Duidelijk was dat [slachtoffer A] het bij een treffen zou moeten ontgelden.

Verdachte heeft niets gedaan om te voorkomen dat zijn medeverdachte [medeverdachte A] [slachtoffer A] te lijf zou gaan. Integendeel, verdachte heeft als bestuurder van de auto het speuren naar [slachtoffer A] mogelijk gemaakt en vergemakkelijkt door het afremmen bij groepjes fietsers. Bovendien heeft verdachte het mogelijk gemaakt dat [medeverdachte A] daadwerkelijk [slachtoffer A] aanviel. Verdachte stuurde de auto immers tot twee maal toe de berm in en het fietspad op om [slachtoffer A] de vrije doorgang te beletten. Toen medeverdachte [medeverdachte A] [slachtoffer A] mishandelde en bleef slaan en trappen, heeft verdachte niets ondernomen. Terwijl hij wist dat [slachtoffer A] door de mishandeling op het wegdek achterbleef, is hij met zijn medeverdachten met hoge snelheid weggereden. Treurig is dat kennelijk de vlucht voor verdachte zwaarder heeft gewogen dan het te hulp schieten van [slachtoffer A]. [slachtoffer A] heeft geen kans gekregen om aan het onheil te ontkomen.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij zonder enige aarzeling heeft meegewerkt aan het uitkijken naar [slachtoffer A] en dat hij met hetzelfde gemak tot tweemaal toe een bijzonder agressieve verkeersmanoeuvre heeft uitgevoerd om te voorkomen dat [slachtoffer A] zou ontsnappen.

Op bijzonder noodlottige wijze is [slachtoffer A] kort nadat hij op de weg was achtergelaten, aangereden of overreden door een auto. Uit de beschikbare rapporten blijkt dat niet vast te stellen is of [slachtoffer A] is overleden door de mishandeling, door de aan- danwel overrijding of door een combinatie van die twee gebeurtenissen. Met die onzekerheid zullen zijn nabestaanden de gewelddadige dood van [slachtoffer A] moeten verwerken. Hoe overweldigend groot dat verlies is, is door zijn vader bij de uitoefening van het spreekrecht verwoord.

Verdachte zal de last moeten dragen dat hij medeverantwoordelijk is voor de mishandeling en de dood van [slachtoffer A], ook al heeft hij die niet bewust gewild en ook al heeft hij het excessieve geweld bij de mishandeling niet verwacht.

Door de reclassering is op 30 juni 2010 geadviseerd verdachte een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met als bijzondere voorwaarde een meldingsgebod en deelname aan een gedragsinterventie (een Cognitieve Vaardigheidstraining). Door de reclassering is beschreven dat verdachte uit balans raakt bij stress, hij toont dan vlucht- en vermijdingsgedrag. Dergelijk gedrag kan een valkuil zijn voor de toekomst.

Uit een advies van de reclassering inzake de beëindiging elektronische controle (EC) van

10 januari 2011 blijkt dat zich geen incidenten hebben voorgedaan gedurende de periode dat verdachte in het kader van een schorsing van zijn voorlopige hechtenis onder elektronisch toezicht was gesteld. Verdachte heeft een nieuwe baan en huisvesting gevonden en is gestart met een behandeling bij De Tender. Hij heeft definitief gebroken met zijn vorige vriendenkringen, hij lijkt serieuzer in het leven te staan en bewuste verantwoorde keuzes te maken in wat hij tot nu toe heeft ondernomen.

In het voordeel van verdachte weegt dat hij, gezien het uittreksel uit de justitiële documentatie van 17 mei 2010, niet eerder met justitie in contact is gekomen.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie een passend strafvoorstel heeft gedaan, zodat zij dat voorstel zal volgen. De rechtbank acht deze beslissing in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 47, 300 en 301 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart niet bewezen, dat verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft

begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit als:

medeplegen van mishandeling gepleegd met voorbedachten rade, terwijl het feit de dood tengevolge heeft;

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden;

* bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot vijf maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

* stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de reclassering, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt;

- veroordeelde zal op verzoek van de reclassering ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

* beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

* heft op het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door mrs. Van der Mei, voorzitter, Van Valderen en Kleinrensink, in tegenwoordigheid van Van Bun, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 maart 2011.

Mr. Van Valderen voornoemd is buiten staat mede te ondertekenen.

Voetnoten:

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van het in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer 2010067007 van de Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, Team Recherche IJsselstreek, Onderzoek "SANSA", gedateerd 16 juli (jaartal ontbreekt), opgemaakt door [namen], beiden werkzaam bij het team recherche IJsselstreek van de Regiopolitie Noord- en oost Gelderland (voor zover niet anders is vermeld)

2 Stamproces-verbaal nummer 2010067007, doorgenummerde dossierpag. 13

3 (deel)rapport Nederlands Forensisch Instituut inzake 'Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood' gedateerd 22 oktober 2010, opgemaakt door de NFI-deskundige Forensische Pathologie dr. B. Kubat, pagina 4/11

4 rapport Nederlands Forensisch Instituut inzake "Interdisciplinair forensisch onderzoek naar aanleiding van een geweldsdelict met dodelijke afloop gepleegd in Zutphen op 9 mei 2010" gedateerd 27 januari 2011, opgemaakt door de NFI-zaakverantwoordelijke dr. M. Koeberg, pagina 16/20

5 Verklaringen verdachte [medeverdachte A] d.d. 10, 11 en 17 mei 2010, doorgenummerde dossierpag. 80, 81, 82, 86, 87, 88, 90, 91, 101, 104, 111, 112, 113, 136

6 Verklaringen verdachte [verdachte C] d.d. 10, 11 en 14 mei 2010, doorgenummerde dossierpag. 170, 171, 172, 183, 186

7 Verklaringen verdachte [verdachte C] d.d.14 mei 2010, doorgenummerde dossierpag. 195

8 Verklaring verdachte [verdachte C] d.d. 14 mei 2010, doorgenummerde dossierpag. 191

9 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant Bulsink, doorgenummerde dossierpag. 1265

10 Verklaring verdachte [verdachte C] d.d. 8 mei 2010, doorgenummerde dossierpag. 1202

11 Proces-verbaal kopiëren gegevensdragers en onderzoek data verbalisant Jansen van 19 juli 2010

12 Proces-verbaal onderzoek verkeersgegevens opgemaakt op 9 juni 2010, doorgenummerde dossierpag. 1443-1444.

13 Verklaring verdachte [medeverdachte B] T.H. Peters d.d. 9 mei 2010, doorgenummerde dossierpag. 263, 264

14 Verklaring verdachte [getuige B], doorgenummerde dossierpag. 367, 368

15 Verklaring [getuige B] d.d. 1 december 2010 bij de rechter-commissaris

16 Aangifte [slachtoffer B] d.d. 9 mei 2010, doorgenummerde dossierpag. 401 t/m 403

17 Verklaring [slachtoffer B] d.d. 12 mei 2010, doorgenummerde dossierpag. 408, 409, 411

18 Verklaring [getuige A] d.d. 3 december 2010 afgelegd bij rechter-commissaris

19 Verklaring [getuige A] d.d. 9 mei 2010, doorgenummerde dossierpag. 424, 425, 426

20 Verklaring [getuige A] d.d. 3 december 2010 afgelegd bij rechter-commissaris

21 Verklaring [getuige D] d.d. 9 mei 2010, doorgenummerde dossierpag. 430, 431

22 Verklaring [getuige D] d.d. 3 december 2010 afgelegd bij rechter-commissaris

23 Verklaring [getuige E] d.d. 10 mei 2010, doorgenummerde dossierpag. 444, 446

24 Verklaring [getuige F] d.d. 11 mei 2010, doorgenummerde dossierpag. 450, 451

25 Verklaring [getuige G] d.d. 26 mei 2010, doorgenummerde dossierpag. 610

26 Relaas verbalisant [naam] doorgenummerde dossierpag. 1157

27 Relaas verbalisant [naam], doorgenummerde dossierpag. 1460