Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BP9004

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
23-03-2011
Datum publicatie
24-03-2011
Zaaknummer
06/940174-10 en 06/820266-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte P.V. (16) uit Warnsveld heeft het slachtoffer mishandeld. De rechtbank acht hem verminderd toerekeningsvatbaar. Hij wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 20 maanden en de PIJ-maatregel (jeugd tbs). Deze maatregel betekent plaatsing in een instelling voor jeugdigen voor een termijn van twee jaar. (Uitspraken medeverdachten onder LJN BP9017 en BP9025).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer jeugdzaken

Parketnummer 06/940174-10 en 06/820266-10

Uitspraak d.d. 23 maart 2011

Tegenspraak / dip - oip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte A],

geboren te [plaats op 1994],

wonende te [plaats, adres],

thans verblijvende in de justitiële jeugdinrichting 'Avenier', locatie Zutphen.

Raadsman mr. Kranendonk, advocaat te Beverwijk.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

4 augustus 2010, 18 augustus 2010, 4 november 2010, 18 november 2010, 31 januari 2011,

7 februari 2011 en 10 maart 2011.

Ter terechtzitting van 4 november 2010 is de voeging gelast van de onder de parketnummers 06/940174-10 en 06/820266-10 aangebrachte zaken.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

inzake parketnummer 06/940174-10

1.

hij op of omstreeks 09 mei 2010 in de gemeente Zutphen en/of de gemeente

Bronckhorst tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk [slachtoffer A] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben

en/of is/zijn verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat

opzet:

- met een personenauto naast die [slachtoffer A] gaan rijden en/of (vervolgens) die

[slachtoffer A], meermalen, althans eenmaal, met die personenauto klemgereden,

althans die [slachtoffer A] tot stoppen gedwongen, en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer A] vastgepakt en/of vastgehouden, en/of

- (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, (met kracht) die [slachtoffer A]

in/op/tegen het gezicht/hoofd geslagen en/of gestompt, ten gevolge waarvan

die [slachtoffer A] ten val is gekomen, althans die [slachtoffer A] ten val gebracht, waarna

die [slachtoffer A] terecht is gekomen op de rijbaan van de Den Elterweg, en/of

- (vervolgens), terwijl die [slachtoffer A] op de rijbaan lag, meermalen, althans

eenmaal op de buik, althans de maagstreek, en/of het lichaam van die [slachtoffer A]

gesprongen, en/of

- (vervolgens) zich (met kracht) met ingetrokken knieën in/op/tegen de buik,

althans de maagstreek, en/of het lichaam van die [slachtoffer A] laten vallen, en/of

- (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met geschoeide voet

in/op/tegen het gezicht/hoofd van die [slachtoffer A] geschopt en/of getrapt en/of

gestampt, en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer A] in hulpeloze toestand op de rijbaan achtergelaten,

waarna een personenauto over/tegen die [slachtoffer A] is gereden,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer A] is overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 09 mei 2010 in de gemeente Zutphen en/of de gemeente

Bronckhorst tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

aan een persoon genaamd [slachtoffer A], opzettelijk en met voorbedachten rade,

althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, immers

heeft/hebben en/of is/zijn verdachte en/of (een of meer van) zijn

mededader(s) opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, althans

opzettelijk:

- met een personenauto naast die [slachtoffer A] gaan rijden en/of (vervolgens) die

[slachtoffer A], meermalen, althans eenmaal, met die personenauto klemgereden,

althans die [slachtoffer A] tot stoppen gedwongen, en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer A] vastgepakt en/of vastgehouden, en/of

- (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, (met kracht) die [slachtoffer A]

in/op/tegen het gezicht/hoofd geslagen en/of gestompt, ten gevolge waarvan

die [slachtoffer A] ten val is gekomen, althans die [slachtoffer A] ten val gebracht, waarna

die [slachtoffer A] terecht is gekomen op de rijbaan van de Den Elterweg, en/of

- (vervolgens), terwijl die [slachtoffer A] op de rijbaan lag, meermalen, althans

eenmaal op de buik, althans de maagstreek, en/of het lichaam van die [slachtoffer A]

gesprongen, en/of

- (vervolgens) zich (met kracht) met ingetrokken knieën in/op/tegen de buik,

althans de maagstreek, en/of het lichaam van die [slachtoffer A] laten vallen, en/of

- (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met geschoeide voet

in/op/tegen het gezicht/hoofd van die [slachtoffer A] geschopt en/of getrapt en/of

gestampt, en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer A] in hulpeloze toestand op de rijbaan achtergelaten,

waarna een personenauto over/tegen die [slachtoffer A] is gereden,

terwijl dat feit de dood van die [slachtoffer A] ten gevolge heeft gehad;

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 303 lid 2 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 09 mei 2010 in de gemeente Zutphen en/of de gemeente

Bronckhorst tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, mishandelend een

persoon genaamd [slachtoffer A], en na kalm beraad en rustig overleg, althans

opzettelijk:

- met een personenauto naast die [slachtoffer A] is/zijn gaan rijden en/of

(vervolgens) die [slachtoffer A], meermalen, althans eenmaal, met die personenauto

heeft/hebben klemgereden, althans die [slachtoffer A] tot stoppen heeft/hebben

gedwongen, en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer A] heeft/hebben vastgepakt en/of vastgehouden, en/of

- (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, (met kracht) die [slachtoffer A]

in/op/tegen het gezicht/hoofd heeft/hebben geslagen en/of gestompt, ten

gevolge waarvan die [slachtoffer A] ten val is gekomen, althans die [slachtoffer A] ten val

heeft/hebben gebracht, waarna die [slachtoffer A] terecht is gekomen op de rijbaan

van de Den Elterweg, en/of

- (vervolgens), terwijl die [slachtoffer A] op de rijbaan lag, meermalen, althans

eenmaal op de buik, althans de maagstreek, en/of het lichaam van die [slachtoffer A]

heeft/hebben gesprongen, en/of

- (vervolgens) zich (met kracht) met ingetrokken knieën in/op/tegen de buik,

althans de maagstreek, en/of het lichaam van die [slachtoffer A] heeft/hebben laten

vallen, en/of

- (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met geschoeide voet

in/op/tegen het gezicht/hoofd van die [slachtoffer A] heeft/hebben geschopt en/of

getrapt en/of gestampt, en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer A] in hulpeloze toestand op de rijbaan heeft/hebben

achtergelaten, waarna een personenauto over/tegen die [slachtoffer A] is gereden,

terwijl dat feit de dood van die [slachtoffer A] ten gevolge heeft gehad;

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 301 lid 3 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 09 mei 2010 in de gemeente Zutphen en/of de gemeente

Bronckhorst opzettelijk mishandelend een persoon genaamd [slachtoffer B] (met

kracht) met gebalde vuist in/tegen het gezicht heeft geslagen, althans die

[slachtoffer B] tegen het lichaam heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen

en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

inzake parketnummer 06/820266-10

1.

hij op of omstreeks 20 februari 2010 in de gemeente Zutphen ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening weg te nemen een personenauto, merk Volkswagen, type Golf, met

kenteken [kenteken 1], kleur wit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer C], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s),

dat hij, verdachte, en/of (een van) zijn mededader(s), met voornoemd oogmerk

- het (bestuurders)portier van voornoemde auto heeft/hebben geopend en/of

- (vervolgens) in de auto is/zijn gaan zitten en/of

- een klepje onder het stuur van voornoemde auto heeft/hebben geopend en/of

- (vervolgens) de bedrading van voornoemde auto heeft/hebben gepakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(Incident 1)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 20 februari 2010 in de gemeente Zutphen tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

- een carkit en/of

- een of meer kistjes met inhoud (technisch materiaal) en/of

- een haspel/verlengsnoer en/of

- een gereedschapskoffer en/of

- een kruidenrekje en/of

- een paar handschoenen en/of

- een mobiele telefoon (merk Nokia),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer C], in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

(Incident 1)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 20 februari 2010 in de gemeente Zutphen ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening uit een personenauto weg te nemen

- een carkit en/of

- een of meer kistjes met inhoud (technisch materiaal) en/of

- een haspel/verlengsnoer en/of

- een gereedschapskoffer en/of

- een kruidenrekje en/of

- een paar handschoenen en/of

- een mobiele telefoon (merk Nokia),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer C], in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

dat hij, verdachte, en/of (een van) zijn mededader(s), met voornoemd oogmerk

- het (bestuurders)portier van voornoemde auto heeft/hebben geopend en/of

- (vervolgens) in de auto is/zijn gaan zitten en/of

- (vervolgens) het dashboardkastje heeft/hebben geopend en/of

- de (gehele) auto heeft/hebben doorzocht en/of

- voornoemde goederen buiten de auto heeft/hebben gezet/geplaatst,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 20 februari 2010 in de gemeente Zutphen tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een zonnebril (merk Oakley,

type Gascan), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer D], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s);

(Incident 2)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 20 februari 2010 in de gemeente Zutphen ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening weg te nemen een personenauto, merk Volkswagen, type Polo, met

kenteken [kenteken 2], kleur groen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer D], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s),

dat hij, verdachte, en/of (een van) zijn mededader(s), met voornoemd oogmerk

- het (bestuurders)portier van voornoemde auto heeft/hebben geopend en/of

- (vervolgens) in de auto is/zijn gaan zitten en/of

- een handschoenenkastje onder het stuur van voornoemde auto heeft/hebben

geopend en/of

- (vervolgens) de bedrading van voornoemde auto heeft/hebben gepakt en/of

- (vervolgens) de bedrading heeft/hebben doorgeknipt en/of gesneden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(Incident 2)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 20 februari 2010 in de gemeente Zutphen tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en

wederrechtelijk

- de bedrading van een personenauto en/of

- een handschoenkastje van een personenauto en/of

- een dashboardkastje van een personenauto,

althans een personenauto, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer D], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of

onbruikbaar gemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

inzake parketnummer 06/940174-10

A. Vaststaande feiten / aanleiding onderzoek.

Op zondag 9 mei 20102 omstreeks 03.50 uur kwamen er bij de Regionale Meldkamer te

Apeldoorn meerdere meldingen binnen over een geweldsincident aan de Den Elterweg

te Zutphen. Ongeveer 200 meter voorbij het tankstation Amigo, zou een persoon in

elkaar geslagen worden. De dader was niet meer ter plaatse en zou zijn weggereden in

een grijze auto, in de richting Baak. De Meldkamer stuurde meerdere politie-eenheden,

die omstreeks 03.55 uur ter plaatse kwamen.

Kort na de mishandeling, toen [slachtoffer A] nog op het wegdek lag, is een automobilist, rijdend in een Fiat, die plaats gepasseerd.

De politiemensen troffen het slachtoffer, naar later bleek [slachtoffer A], op het

wegdek van de Den Elterweg aan. Om het slachtoffer stond een groep mensen. Het

slachtoffer had een grote wond op zijn achterhoofd. Zijn ogen waren gezwollen en zijn

gezicht was bebloed. Uit de rechter mondhoek liep een straal bloed en hij maakte een

snurkend geluid. De ter plaatse gekomen ambulancedienst nam het slachtoffer mee naar

het ziekenhuis het Nieuwe Spittaal te Zutphen. Vanwege de ernstige verwondingen werd het slachtoffer vrijwel direct doorgebracht naar het Radboud ziekenhuis in Nijmegen.

Naar aanleiding van onder meer de verklaring van de ter plaatse gehoorde vriend van [slachtoffer A], [slachtoffer B], werden in de loop van 9 mei 2010 verschillende personen aangehouden, onder wie verdachte [verdachte A], [medeverdachte C] en [medeverdachte B].

Diezelfde dag, 9 mei 2010, om 13.34 uur overleed [slachtoffer A] in het Radboud ziekenhuis in Nijmegen.

B. Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 meer subsidiair aan verdachte ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard, te weten het medeplegen van mishandeling met voorbedachten rade met de dood van [slachtoffer A] als gevolg, alsmede de onder 2 ten laste gelegde mishandeling van [slachtoffer B].

Het onder 1 tenlastegelegde

De primair ten laste gelegde doodslag acht de officier niet bewezen. Om tot een bewezenverklaring van doodslag te kunnen komen, zou moeten vast staan wat precies de dood van [slachtoffer A] heeft veroorzaakt en of verdachte welbewust het risico heeft genomen dat [slachtoffer A] zou komen te overlijden. Nu de vraag niet kan worden beantwoord of [slachtoffer A] alleen door het ten laste gelegde lichamelijk geweld is overleden, of dat ook de aanrijding met de Fiat een (belangrijke) doodsoorzaak kan zijn geweest, moet voor een bewezenverklaring ook worden vastgesteld dat verdachte met het in hulpeloze toestand achterlaten van [slachtoffer A] zich bewust was van het risico dat [slachtoffer A] zou worden overreden en dat verdachte dat risico ook willens en weten heeft aanvaard.

Naar mening van de officier kon en mocht dat van de toen net 16-jarige verdachte niet worden verwacht.

Aangezien niet duidelijk is welk letsel is ontstaan door het slaan en schoppen, kan niet worden vastgesteld of dat zwaar lichamelijk letsel was. Om die reden kan de subsidiair ten laste gelegde variant van zware mishandeling evenmin bewezen worden.

De officier heeft zich voor het door haar bewezen geachte onder meer gebaseerd op verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte B], een door haar verstuurd sms-bericht aan de medeverdachte [medeverdachte C] en de verklaringen van genoemde [medeverdachte C] en verdachte. Daarnaast heeft zij zich gebaseerd op verklaringen van onder meer [slachtoffer B], [getuige A], [getuige B], [getuige C], op verschillende (andere) sms-berichten, het sectieverslag en de bevindingen van de patholoog.

De officier heeft aangevoerd dat het overlijden van [slachtoffer A] is toe te rekenen aan de verdachte en zijn medeverdachten, of het nu komt door het schoppen dan wel door de aanrijding of door een combinatie van die twee. Als [slachtoffer A] niet in elkaar was geslagen, had hij niet op het wegdek gelegen en was er niet een auto tegen of over hem gereden.

Het is in de gegeven omstandigheden redelijk om het overlijden van [slachtoffer A] toe te rekenen aan verdachte in die zin, dat het voor diens rekening en risico komt dat [slachtoffer A] is overleden, aldus de officier van justitie.

Het onder 2 tenlastegelegde

De mishandeling van [slachtoffer B] kan volgens de officier worden bewezen op grond van de aangifte van [slachtoffer B]3 en de bekennende verklaring van verdachte4.

C. Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde. De vraag of de doodsoorzaak nu is te wijten aan de feitelijkheden zoals opgesomd in de dagvaarding dan wel aan de overrijding door de auto is onbeantwoord gebleven. Nu er op zijn minst gerede twijfel is over de doodsoorzaak dient verdachte van het primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken. Datzelfde geldt voor het subsidiair tenlastegelegde.

Voor zover er enige bewezenverklaring kan volgen kan die alleen betrekking hebben op het meer subsidiair tenlastegelegde. Dat deel ziet op de mishandeling terwijl duidelijk is dat die pijn en letsel bij [slachtoffer A] heeft veroorzaakt. Of dat ook met voorbedachten rade is gebeurd, blijft de vraag.

Ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde mishandeling van [slachtoffer B] heeft verdachte een bekennende verklaring afgelegd.

D. Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de ten laste gelegde feiten uit van de volgende feiten en omstandigheden.

In het dossier bevinden zich verschillende processen-verbaal, waaronder verklaringen van diverse personen en bescheiden, zoals hierna zakelijk en verhalenderwijs weergegeven:

feit 1 (mishandeling [slachtoffer A])

Door de arts en patholoog dr. Kubat is naar aanleiding van de uit- en inwendige schouwing op 10 mei 2010 geconcludeerd5 dat het overlijden van [slachtoffer A], geboren op [1992], volledig wordt verklaard door ernstige inwendige letsels en de daardoor opgetreden verwikkelingen en weefselschade. Deze letsels zijn ontstaan door multipel en heftig uitwendig mechanisch botsend geweld op het lichaam.

Uit het interdisciplinair forensisch onderzoek (IDFO) van het NFI6 blijkt dat op grond van de verschillende deelonderzoeken niet is aan te geven welke letsels vóór een eventuele overrijding (rechtbank: met de Fiat) reeds waren toegebracht.

Verder blijkt volgens het IDFO-rapport en de onderliggende deelonderzoeken, dat aan de Fiat bloedsporen zijn aangetroffen, waarvan het verkregen DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van [slachtoffer A]. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurige man matcht met het uit het spoor verkregen profiel is volgens het NFI kleiner dan 1 op 1 miljard. Uit het IDFO-rapport blijkt eveneens, dat een spoor bij de jaszak van [slachtoffer A] er op wijst, dat dit deel van de jas in aanraking is geweest met de bumper van de Fiat. Deze conclusie wordt bevestigd door de aangetroffen vezelsporen aan de Fiat, aldus het NFI.

Verdachte [verdachte A] heeft verklaard7 dat hij die zaterdagavond 8 mei 2010 met [medeverdachte C] en de beide meisjes, beiden genaamd [medeverdachte B/getuige B], op de skatebaan in Warnsveld was en dat ze daar afspraken om naar de discotheek [discotheek] in Zutphen te gaan.

Vóórdat ze naar [discotheek] gingen heeft hij [slachtoffer A] nog aan de telefoon gehad. Dat was op de skatebaan. [medeverdachte B] had daar telefonisch contact met [slachtoffer A]. [medeverdachte B] zei, dat [slachtoffer A] steeds belde. Hij heeft toen de telefoon van [medeverdachte B] overgenomen. [slachtoffer A] ontkende dat hij [medeverdachte B] bedreigd zou hebben. [medeverdachte B] - de telefoon stond op de luidspreker - schreeuwde er doorheen dat hij een leugenaar was. [slachtoffer A] zei hem dat hij ruzie met [medeverdachte B] had. [slachtoffer A] zei hem dat hij niet meer zou bellen met [medeverdachte B].

Ze zijn met de auto van [medeverdachte C], een Honda Civic, naar [discotheek] gegaan. De beide meisjes kende hij enkel via via. [medeverdachte B] kende hij van de kapper, waar zij werkte. [slachtoffer A] was hij voor het eerst tegengekomen met [medeverdachte B] op Koninginnedag in Vorden.

Hij zag [slachtoffer A] in de discotheek [discotheek]. Hij kreeg een beetje ruzie met [slachtoffer A] vanwege iets wat was voorgevallen op die Koninginnedag.

[medeverdachte B] heeft in [discotheek] de boel lopen opfokken. Hij stond met [slachtoffer A] te praten in de rokersruimte toen de beide [medeverdachte B/getuige B]s er ook weer bijkwamen. [medeverdachte B] zei dat

[slachtoffer A] haar weer kankerhoer had genoemd en haar in elkaar wilde slaan als zij buiten

kwam. [medeverdachte B] schreeuwde tegen [slachtoffer A] dat hij kankerhoer tegen haar had gezegd en de andere [getuige B] bevestigde dat.

Verdachte verklaart dat hij aangeschoten was. Ze zijn rond 03.30 uur vertrokken uit [discotheek]. Ze zijn toen eerst naar de skatebaan in Warnsveld geweest en daarna terug via Zutphen langs [discotheek] richting Baak. Verdachte zat op de bijrijdersplaats.

Verdachte heeft verder verklaard dat het wel kan kloppen dat hij na het vertrek uit [discotheek] onderweg in de auto tegen [medeverdachte C] heeft gezegd even te stoppen als ze [slachtoffer A] zouden zien. [medeverdachte B] zei tegen hem dat [slachtoffer A] hem (verdachte) nog een keer wilde pakken en doodmaken. Ook zei [medeverdachte B] tegen [medeverdachte C] dat [slachtoffer A] hem een stumperd vond en een mongool. Hij - [verdachte A] - was daar boos over. Ze zouden met z'n allen kijken of ze [slachtoffer A] ergens tegenkwamen. [medeverdachte B] had het in de auto steeds over [slachtoffer A]. Ze probeerde hem zwart te maken. Als [medeverdachte B] niet had gezegd dat [slachtoffer A] over die weg fietste, zou hij [slachtoffer A] niet eens hebben gezien.

[medeverdachte B] was degene die aan [medeverdachte C] vroeg om zachter te gaan rijden als ze een groepje fietsers passeerden en zij was ook degene die [slachtoffer A] zag fietsen. Opeens zei [medeverdachte B]: "Ja, dat is hem, met die capuchon".

Hij schreeuwde tegen [medeverdachte C] dat hij moest stoppen, waarop [medeverdachte C] de berm in reed. Vanuit de auto riep hij door het geopende raam tegen [slachtoffer A] dat hij moest stoppen.

Hij heeft de deur van de auto open gedaan zodat [medeverdachte C] wel moest stoppen.

[slachtoffer A] is door de auto afgesneden - net voorbij het tankstation Amigo -, want [slachtoffer A] wilde er nog achterlangs fietsen.

[medeverdachte C] is toen een stuk het fietspad opgereden. [slachtoffer A] kon toen niet meer langs de auto en probeerde langs de achterkant van de auto weg te komen. [medeverdachte C] reed toen achteruit zodat [slachtoffer A] daar niet langs kon. Hij is toen snel uit de auto gestapt om [slachtoffer A] tegen te houden. Hij was zo boos dat hij vergat de gordel af te doen bij het uitstappen. [medeverdachte B] zat achter hem en kwam helemaal naar voren geleund naar de plaats waar hij zat. Hij is daarop uit de auto gestapt en naar [slachtoffer A] toe gerend. [slachtoffer A] probeerde weg te fietsen. Hij heeft hem beetgepakt en van zijn fiets getrokken. Hij heeft [slachtoffer A] vervolgens een aantal klappen, hooguit vijf, met de vuist in/op zijn gezicht gegeven. Door de klappen viel [slachtoffer A] op de rechterzijde van de Den Elterweg, met zijn benen richting fietspad en met zijn bovenlichaam en hoofd op de weg. Daarna heeft hij [slachtoffer A] - nadat deze gevallen was - op zijn gezicht geschopt/gestampt, één keer in het gezicht en één keer tegen het achterhoofd. Hij hoorde dat [medeverdachte B] riep dat hij naar de auto moest komen. Verdachte is toen nog wel even bij [slachtoffer A] blijven staan, voordat hij weer in de auto is gestapt. Hij heeft misschien een keertje meer geschopt. Verdachte is nog naar de vriend van [slachtoffer A] gelopen en heeft hem een vuistslag in het gezicht gegeven. Vervolgens is hij naar de auto gelopen, is hij ingestapt en zijn ze weggereden.

Ter terechtzitting8 heeft verdachte ook verklaard dat hij die avond al een beetje agressief was en dat hij op het moment dat [slachtoffer A] werd afgesneden boos was.

[medeverdachte C] heeft verklaard9 dat hij op zaterdag 8 mei 2010 om 23.00 uur met een aantal mensen bij de skatebaan in Warnsveld was, waaronder [medeverdachte B], [getuige B] en [verdachte A]. Er was afgesproken dat ze met een heel stel naar de stad zouden gaan, maar uiteindelijk is hij alleen met de beide [medeverdachte B/getuige B]s en [verdachte A] naar [discotheek] gegaan. In [discotheek] heeft hij de anderen een poos niet gesproken. Op een gegeven moment was hij in de rookkamer en zag hij dat [slachtoffer A] met [verdachte A] aan het praten was, terwijl [medeverdachte B] er omheen liep.10 Hij probeerde zich afzijdig te houden, maar werd er door [medeverdachte B] toch weer bij betrokken. Zij vertelde dat [slachtoffer A] haar had uitgescholden en bedreigd en dat [slachtoffer A] hem met een man of vijftig uit Goor of zo in elkaar wilde slaan. Rond 02.30/03.00 uur kwam [medeverdachte B] opnieuw bij hem en vertelde dat [slachtoffer A] haar weer had uitgescholden voor 'kankerhoer'. Ook liet zij hem een onduidelijk voicemailbericht horen.

Op een gegeven moment zijn zij weggegaan en is hij naar de skatebaan in Warnsveld gereden. Hij reed rustig. Hij wilde de beide [medeverdachte B/getuige B]s naar huis brengen, maar wilde eerst nog langs [discotheek] rijden om een praatje te maken met oude schoolkameraden. Deze bleken er niet meer te zijn. Hij is vervolgens doorgereden richting Baak. Onderweg was [verdachte A] voortdurend uit het raam aan het schreeuwen. Op de weg richting Baak zag hij een aantal fietslichtjes en was daarop extra attent voor het geval de fietsers ineens de weg zouden oversteken. [verdachte A] hing op Den Elterweg weer met zijn hoofd buiten het openstaande raam.

[medeverdachte C] heeft verklaard dat hij twee keer is gestopt op de Den Elterweg. Bij de eerste keer zag hij [slachtoffer A] - hij wist op dat moment nog niet dat het [slachtoffer A] was - voorop fietsen. Hij hoorde een van de [medeverdachte B/getuige B]s schreeuwen: "die met die capuchon". Dat was toen zij langs het tankstation reden en ze dichter bij de fietsers kwamen. [verdachte A] schreeuwde ineens: " stop, stop, stop". [verdachte A] stapte uit en schreeuwde wat tegen de fietsers, maar die reden door waarop [verdachte A] weer instapte en schreeuwde: "rij door". Hij heeft de fietsers vervolgens weer ingehaald. [verdachte A] schreeuwde toen weer: "stop, stop, stop". [verdachte A] draaide vervolgens zijn hoofd af en zei tegen hem: "snij af". Hij heeft vervolgens de auto een meter tot anderhalve meter voor de fietsers gezet. [verdachte A] had de deur al los en zat wild aan zijn gordel te trekken. Voordat hij het wist was [verdachte A] uit de auto. Hij zag vervolgens via de spiegels van zijn auto dat [verdachte A] [slachtoffer A] van zijn fiets aftrok en dat [verdachte A] volledig aan het 'houwen was met die vent'.

Hij zag dat [slachtoffer A] op de grond viel. Hij lag half op de weg en half op het fietspad. Hij zag dat [verdachte A] [slachtoffer A] tegen het hoofd trapte met een trappende beweging naar beneden. Dit is meer dan een keer gebeurd.

De beide [medeverdachte B/getuige B]s kwamen in paniek weer in de auto en schreeuwden naar [verdachte A] dat hij moest komen. Hij zag dat [verdachte A] nog naar de vriend van [slachtoffer A] liep en hem een duw gaf of zo. Vervolgens kwam [verdachte A] naar de auto gerend en is ingestapt, schreeuwend: "gas, gas, gas". Hij is daarop vol gas weggereden.

[medeverdachte C] heeft verder nog verklaard11 dat [medeverdachte B] hem een korte tijd daarvoor ook al had verteld dat zij ruzie had met [slachtoffer A] en dat [slachtoffer A] hem - [medeverdachte C] - zou komen opzoeken met 50 man uit Goor. [medeverdachte B] had hem op soortgelijke wijze al eerder zoiets geflikt. Op Koninginnedag was een kameraad naar hem toegekomen en had hem gezegd dat hij hem zou willen slaan. Die kameraad had hem gezegd dat hij ruzie had met [medeverdachte B] en dat [medeverdachte B] tegen hem gezegd had dat hij - [medeverdachte C] - hem in elkaar zou slaan vanwege zijn ruzie met [medeverdachte B]. Wat er nu met [slachtoffer A] is voorgevallen lijkt daar veel op. In [discotheek] liep ze elke keer [slachtoffer A] te zoeken en bij de skatebaan heeft ze ook steeds [slachtoffer A] gebeld. [medeverdachte B] heeft [verdachte A] lopen opfokken.

Op de skatebaan had zij die avond hem - [medeverdachte C] - verteld dat zij ruzie had met [slachtoffer A] en dat [slachtoffer A] met 50 man uit Goor hem op zou komen zoeken. [medeverdachte B] zei toen, zal ik [slachtoffer A] bellen. Hij zag aan de display van haar telefoon dat zij [slachtoffer A] belde. Ze liet de telefoon een aantal malen overgaan en drukte hem toen weg. Daarna is zij naar [verdachte A] gelopen. [verdachte A] was er bij toen zij vertelde van die 50 man. Hij zag dat [medeverdachte B] weer [slachtoffer A] belde en dat zij de telefoon aan [verdachte A] gaf.

Uit onderzoek van de mobiele telefoon van [medeverdachte C] blijkt12 dat hij op 8 mei 2010 om 19.22 uur een sms-bericht heeft ontvangen van [medeverdachte B], inhoudende: "[slachtoffer A]. Wil hem echt dood trappen. Daarom vroeg ik ook of je kon".

[medeverdachte C] heeft over deze sms verklaard dat hij begreep dat hij online moest komen op msn zodat hij een grote bek zou opzetten. Hij ging er vanuit dat [medeverdachte B] online ruzie aan het maken was met anderen13.

Uit onderzoek naar de onder [medeverdachte B] in beslaggenomen computer blijkt dat zij op 8 mei 2010 tussen ongeveer 19.00 uur en 19.30 uur op msn zat en daarbij chatte met onder meer [slachtoffer A]14.

Uit onderzoek naar de historische verkeersgegevens van de mobiele telefoons van [slachtoffer A] en [medeverdachte B] blijkt dat er op de late avond van 8 mei 2010 meerdere telefonische contacten tussen die telefoons hebben plaatsgevonden, waaronder contacten met een duur van bijna een minuut en van ruim anderhalve minuut15.

[medeverdachte B] heeft verklaard16 dat [verdachte A] na het voorval bij [discotheek] in de auto heel boos zei: "Ik moet [slachtoffer A] niet tegenkomen". [verdachte A] heeft dat twee keer gezegd. De eerste keer was nog in Zutphen toen ze voor [discotheek] langs reden en de tweede keer net voorbij de benzinepomp op de Den Elterweg. Bij ieder groepje fietsers dat ze tegenkwamen vroeg [verdachte A] aan [medeverdachte C] of hij iets zachter wilde rijden.

Toen ze naast het groepje fietsers reden, hoorde zij [verdachte A] tegen [medeverdachte C] zeggen: "Nu stoppen". [medeverdachte C] stopte toen ook direct. Zij zag dat [verdachte A] probeerde uit te stappen, maar dat de fietsers doorfietsten. Toen hoorde zij [verdachte A] tegen [medeverdachte C] zeggen: "Gooi hem ervoor!" [medeverdachte C] reed iets verder en zette de auto schuin voor de groep.

[getuige B] heeft verklaard17 dat [verdachte A] zei, ook tegen [medeverdachte C], 'Even stoppen als we [slachtoffer A] zien' en dat [medeverdachte B] onderweg zei dat ze [slachtoffer A] misschien nog wel tegen zouden komen. Ze gingen vervolgens kijken of ze [slachtoffer A] tegen zouden komen. Ze deden dit eigenlijk een beetje met z'n allen. [verdachte A] had het portierraam open staan. Als ze onderweg een groepje tegen kwamen ging [medeverdachte C] langzamer rijden. Als ze een groepje passeerden en [slachtoffer A] zat er niet bij dan werd dit door iemand gezegd.

Net voorbij de benzinepomp zag zij een groepje fietsers rijden. [verdachte A] of [medeverdachte B] zei dat [slachtoffer A] er bij was. Zij keek toen ook en herkende [slachtoffer A] eveneens. [medeverdachte C] stopte naast het groepje, niet helemaal stil, en [slachtoffer A] probeerde snel door te fietsen. Zij zag dat [medeverdachte C] de auto schuin voor [slachtoffer A] zette. [verdachte A] is vlug uit de auto gegaan en is gelijk op [slachtoffer A] afgegaan. Zij heeft gezien dat [verdachte A] een aantal malen met zijn voet van boven af op het hoofd van [slachtoffer A] trapte.

[getuige B] heeft verder verklaard dat zij in [discotheek] zag dat [slachtoffer A] bang was voor verdachte en dat toen zij na [discotheek] in de auto zaten, er iets gezegd werd als 'dat er wel even gestopt zou worden als ze [slachtoffer A] zouden zien'.18

[slachtoffer B], vriend van [slachtoffer A], heeft verklaard19 dat hij op 8 mei 2010 samen met onder meer [slachtoffer A][getuige D]] en [getuige A] naar [discotheek] in Zutphen is gegaan, waar ze omstreeks 24.00 uur naar binnen zijn gegaan. In [discotheek] werd [slachtoffer A] er door [verdachte A] op aangesproken dat hij een meisje genaamd [medeverdachte B] een hoer had genoemd. [slachtoffer A] heeft daarvoor zijn excuses aangeboden, maar hij hoorde [medeverdachte B] zeggen dat dit niet genoeg was. Op een gegeven moment wilden [getuige A] en [getuige D] naar huis en zijn zij gevieren naar huis gefietst, langs de IJsselkade en uiteindelijk over de Den Elterweg. Vlak voorbij het tankstation aan de Den Elterweg hoorden ze een auto aankomen. De auto stopte naast hun en hij hoorde dat iemand tegen [slachtoffer A] zei dat hij moest stoppen. [slachtoffer A] ging daarop harder fietsen.

Hij zag dat de auto [slachtoffer A] probeerde te blokkeren. Dit lukte eerst niet, [slachtoffer A] kon er om heen fietsen. De auto reed nog een keer voor [slachtoffer A] en toen moest [slachtoffer A] wel stoppen. Hij zag dat de bestuurder uitstapte. Dat was [verdachte A] uit [discotheek]. Hij zag dat deze in het gezicht van [slachtoffer A] begon te slaan. Door de klappen viel [slachtoffer A] op zijn fiets. Vervolgens sprong [verdachte A] met de knie meerdere keren op de buik en het lichaam van [slachtoffer A]. [slachtoffer A] lag op de grond en hij zag dat [verdachte A] wel tientallen keren op het gezicht van [slachtoffer A] stampte en schopte. Op een gegeven moment stopte [verdachte A] en kwam hij op hem ([slachtoffer B]) af. [verdachte A] zei dat als hij wat zou zeggen hij ([verdachte A]) hem zou weten te vinden. Direct daarna gaf [verdachte A] hem met de rechtervuist een stoot vol in het gezicht. Daarna zijn ze weggereden richting Baak. [slachtoffer B] is vervolgens naar [slachtoffer A] toe gelopen. [slachtoffer A] was op dat moment niet meer aanspreekbaar. Hij hoorde [slachtoffer A] alleen maar kreunen.

[slachtoffer B] heeft verder verklaard20 dat toen ze nog op de fiets zaten, iemand riep: "Stoppen [slachtoffer A]". De auto reed toen ongeveer met dezelfde snelheid als zij fietsten. Toen [slachtoffer A] het vervolgens op een fietsen zette, reed de auto hem voor de eerste keer klem, dat wil zeggen stuurde de auto naar rechts. [slachtoffer A] kon er toen nog via de berm langs. De auto zette eigenlijk het hele fietspad af. De auto draaide toen snel weer bij, richting de weg. [slachtoffer A] werd toen voor de tweede keer klemgereden. Ook toen stond de auto weer schuin op het fietspad. [slachtoffer A] moest afstappen en probeerde achteruitlopend weg te komen.

[verdachte A] gaf [slachtoffer A] 4 of 5 klappen recht in het gezicht. Toen [slachtoffer A] op de grond lag kwam [verdachte A] op [slachtoffer A] toegelopen. Hij begon met zijn voet op [slachtoffer A]s hoofd te stampen, van bovenaf naar beneden, ongeveer 5 keer. Hij hoorde [slachtoffer A] schreeuwen van de pijn. Toen zag hij dat [verdachte A] voorwaarts schopte tegen het hoofd van [slachtoffer A]. [slachtoffer A] probeerde af te weren. Hij denkt dat [verdachte A] 5 of 6 keer tegen het hoofd heeft geschopt. Toen gaf [verdachte A] bij [slachtoffer A] knietjes in de buik. [verdachte A] deed dit door beide knieën in te trekken en zich te laten vallen op de buik van [slachtoffer A], ongeveer 3 keer. Hij hoorde [slachtoffer A] schreeuwen van de pijn. Daarna stampte [verdachte A] weer een keer of 4, 5 op het hoofd van [slachtoffer A]. Ook zag hij dat [verdachte A] nog ongeveer 3 keer tegen het hoofd van [slachtoffer A] schopte.

Toen de auto weg was is [slachtoffer B] naar [slachtoffer A] toegelopen. Hij hoorde hem kreunen van de pijn. Hij hoorde een auto aankomen en hij is ongeveer 10 meter voor [slachtoffer A] gaan staan om de auto te stoppen. Hij zwaaide met beide handen boven zijn hoofd naar de auto, maar moest aan de kant springen om niet zelf te worden aangereden. Toen de auto gepasseerd was, remde deze. Hij zag dat de auto over de fiets van [slachtoffer A] heen reed, dat [slachtoffer A] verschoof en dat de auto vervolgens een aantal meters verder stopte.

[getuige A] heeft verklaard dat toen ze naar huis fietsten een jongen die agressief klonk, hen vanuit een auto wat vroeg, dat de auto doorreed21 en dat de auto de berm in ging. 22Hij zag dat de auto [slachtoffer A] en [slachtoffer B] sneed. [slachtoffer A] reed rechts om de auto heen en fietste hard weg. De auto reed met piepende banden verder en sneed [slachtoffer A] nog een keer. Hij zag dat een man van de bijrijdersstoel uit de auto sprong. Hij zag dat [slachtoffer A] van de fiets viel. Hij zag dat die man met zijn vuisten op [slachtoffer A] begon te slaan. Hij sloeg meer dan eens op de kaak van [slachtoffer A]. Hij hoorde [slachtoffer A] hard schreeuwen. Even later zag hij dat die man knietjes gaf op de maag van [slachtoffer A]. Hij was inmiddels wat verder gereden, maar zag nog dat die man [slachtoffer A] met zijn hak/schoen tegen het hoofd trapte.

[getuige A] heeft ook verklaard dat er in [discotheek] een meisje was dat zei dat ze [medeverdachte B] heette. [slachtoffer B] en [getuige D] vertelden later dat haar achternaam [verdachte A]s was. [slachtoffer A] had kennelijk wat problemen met die [medeverdachte B] gehad. Zij vertelde hem in [discotheek] dat [slachtoffer A] in een msn-gesprek vervelende dingen over haar had gezegd. Hij zag dat jongens die kennelijk bij [medeverdachte B] hoorden, [slachtoffer A] aanspraken. Hij zag dat de jongens een beetje aan het duwen waren tegen [slachtoffer A] en hem aan het provoceren waren. Het was wel een gespannen sfeertje. [medeverdachte B] zei dat ze [verdachte A] erbij kon halen en dat [slachtoffer A] moest oppassen want 'dan weet je hoe het gaat'. [medeverdachte B] kwam tussen [slachtoffer A] en [verdachte A] en zei dat ze [slachtoffer A]s excuses niet genoeg vond[getuige D]] heeft verklaard24 dat hij rond 02.00 uur in [discotheek] [slachtoffer A] zag en hoorde praten met een onbekende jongen. Een meisje, van wie hij wist dat zij [medeverdachte B] heette, stond achter en soms naast die jongen. Hij begreep dat er spanningen waren tussen [slachtoffer A] en die jongen en die [medeverdachte B]; er was spanning in het gesprek25. Rond 02.30 uur is hij samen met [slachtoffer A], [slachtoffer B] en [getuige A] vertrokken bij [discotheek]. [slachtoffer A] en [slachtoffer B] fietsten voorop.

Toen hij samen met [getuige A] de weg overstak zag hij een auto uit de richting Zutphen komen. Hij hoorde uit de auto schreeuwen: Stoppen. Hij zag dat die auto [slachtoffer A] afsneed door dwars voor [slachtoffer A] te gaan staan, op het fietspad. Hij zag dat [slachtoffer A] via de achterkant van die auto probeerde weg te fietsen, via de rijbaan. Hij zag dat de bijrijder, een man, uitstapte en een slaande beweging maakte naar [slachtoffer A]. Hij zag [slachtoffer A] op de grond vallen. Hij viel midden op de rijbaan, voor verkeer uit de richting Zutphen. Hij hoorde [slachtoffer A] roepen. Hij zag toen dat die man meerdere keren van bovenaf, dus met de zool naar beneden, op [slachtoffer A] schopte. Hij zag dat hij het hoofd raakte van [slachtoffer A]. Ook zag hij dat de man meerdere keren vanaf de zijkant tegen [slachtoffer A] aanschopte. De man haalde echt uit met zijn been. Hij zag dat die man weer in de auto stapte, waarna deze hard wegreed. Hij zag [slachtoffer B] bij [slachtoffer A] staan. [slachtoffer B] had een bloedneus. [slachtoffer A] lag nog steeds op de weg. Hij hoorde dat [slachtoffer A] heel moeilijk adem haalde. [slachtoffer A] had bloed aan zijn hoofd en reageerde nergens meer op.

Ook door anderen dan degenen die deel uitmaakten van het groepje fietsers met [slachtoffer A] zijn verklaringen afgelegd over de contacten die er die nacht zijn geweest tussen de groep waartoe verdachte en zijn medeverdachten hoorden en [slachtoffer A]..

Zo heeft [get[getuige E] onder meer verklaard26 dat hij in [discotheek] een jongen tegen [slachtoffer A] aan het schreeuwen was en op dreigende toon sprak. Die jongen was verdachte [verdachte A]. [slachtoffer A] moest niet meer zijn hand op de schouders van een van de meisjes leggen en mocht haar ook geen hoer meer noemen. Twee meisjes riepen dingen naar [verdachte A] over wat [slachtoffer A] gedaan had en gezegd zou hebben. Ze bleven dat herhalen en [verdachte A] werd er ook heel erg kwaad van.

[getui[getuige F] heeft verklaard27 dat hij in het rookhok in [discotheek] van [getuige E] hoorde dat [slachtoffer A] ruzie zou hebben met een jongen, omdat hij een hand op de schouder van een meisje zou hebben gelegd. Hij hoorde dat die jongen [verdachte A] heette, omdat de meisjes steeds zijn naam noemden. [getuige F] zat naast [slachtoffer A] in het rookhok. [verdachte A] zei tegen [slachtoffer A] dat hij normaal moest doen en dat hij op moest passen wat hij tegen de meisjes zei. De meisjes stonden ook in het rookhok. [slachtoffer A] zei steeds tegen [verdachte A] dat hij het niet meer zou zeggen, maar er viel niet echt met [verdachte A] te praten.

Hij - [getuige F] - zei toen tegen [verdachte A]: Het is nu toch goed zo? De twee meisjes zeiden daarop dat hij zijn bek moest houden. Hij zei toen: "Drink er nog lekker 1". De meisjes vertelden dat aan [verdachte A], die daarop naar hem toekwam en hem bij zijn shirt pakte. [verdachte A] zei: "Wil je niet zo'n grote bek hebben tegen mijn vriendin en ik wil niet dat je zo over hen praat". Toen liep [verdachte A] weg en gaf [verdachte A] hem ([getuige F]) een kopstoot. Deze was niet super hard, maar hij voelde het wel. Het gedrag van [verdachte A] was wild en agressief en volgens hem waren de twee meisjes [verdachte A] aan het opjutten.

[getuige G] heeft verklaard28 dat zij op 8 mei 2010 vanaf 23.30 uur tot zondag 9 mei 2010 te 05.00 uur werkzaam was achter de bar bij [discotheek]. Zij hoorde dat [medeverdachte B] zei dat ze ruzie hadden met een jongen. [getuige G] hoorde dat [medeverdachte B] zei dat vrienden die jongen nog wel terug wilden pakken.

Specifieke bewijsoverwegingen

De gebeurtenissen in de avond van zaterdag 8 mei 2010 en de daaropvolgende nacht hebben geleid tot verdenkingen tegen verdachte. Die verwijten zijn op verschillende juridische wijzen ten laste gelegd.

De rechtbank kan op grond van het dossier en met name gelet op de onderzoeksrapporten naar de doodsoorzaak van [slachtoffer A] niet vaststellen dat hij door de mishandeling door verdachte [verdachte A] is overleden.

Gelet op de feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het achterlaten van een mishandelde [slachtoffer A] op de rijbaan niet meebrengt dat verdachte de dood van [slachtoffer A], voor zover al toe te rekenen aan de overrijding, op de koop toe heeft genomen. Dit betekent dat van voorwaardelijk opzet evenmin sprake is.

Voor de primair tenlastegelegde doodslag dient derhalve, zoals de officier van justitie ook heeft voorgesteld, vrijspraak te volgen.

De rechtbank volgt de officier van justitie eveneens in haar betoog dat de subsidiair tenlastegelegde zware mishandeling evenmin bewezen kan worden, gelet op de resultaten van het (hiervoor besproken) IDFO-onderzoek. De rechtbank is namelijk van oordeel dat op grond van deze onderzoeksresultaten dient te worden geconcludeerd dat de passerende Fiat in aanraking is gekomen met [slachtoffer A], terwijl die op het wegdek lag. Verder volgt uit het IDFO-rapport dat op grond van de verschillende deelonderzoeken niet is aan te geven welke letsels vóór een eventuele overrijding (rechtbank: met de Fiat) reeds waren toegebracht. Onder die omstandigheden kan de officier van justitie gevolgd worden in haar betoog dat niet vastgesteld kan worden of de mishandeling van [slachtoffer A] door verdachte letsel bij [slachtoffer A] heeft veroorzaakte dat als zwaar lichamelijk letsel is aan te merken. Hoewel aannemelijk is dat door toedoen van verdachte enig letsel is ontstaan, kan de aard en omvang daarvan niet worden vastgesteld. Ook ten aanzien van dit deel van de tenlastelegging volgt derhalve een vrijspraak.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat op grond van de hiervoor aangeduide bewijsmiddelen een bewezenverklaring kan en moet volgen van het meer subsidiair aan verdachte tenlastegelegde, namelijk het medeplegen van mishandeling met voorbedachten rade de dood ten gevolge hebbend. Daartoe wordt het volgende overwogen.

De voorbedachten rade en het medeplegen

Voor het aannemen van voorbedachte raad is vereist dat het handelen van de verdachte het gevolg is geweest van een tevoren door hem genomen besluit en dat de verdachte tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering daarvan gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van die voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

Voor het aannemen van medeplegen is een nauwe en bewuste samenwerking vereist.

Uit de verklaring van [medeverdachte C] en het onderzoek naar zijn telefoon blijkt dat [medeverdachte B] op de vroege avond van zaterdag 8 mei 2010 een sms heeft gestuurd met de inhoud: "[slachtoffer A]. Wil hem echt dood trappen. Daarom vroeg ik ook of je kon". [medeverdachte C] heeft deze sms ook gelezen.

Deze sms roept de vraag op, of de tekst 'wil hem echt doodtrappen' letterlijk bedoeld is en/of door [medeverdachte C] of door buitenstaanders zo begrepen kon en mocht worden. Het dossier bevat geen aanknopingspunt voor de conclusie dat [verdachte A]s en/of [medeverdachte C] hun medeverdachten over deze sms hebben geïnformeerd. Ook het verder verloop van de avond biedt geen aanknopingspunt voor de aanname dat [medeverdachte B] daadwerkelijk de dood van [slachtoffer A] voor ogen stond. De rechtbank zal de tekst dan ook niet naar de letter opvatten.

Echter, de inhoud en strekking van de sms getuigt onmiskenbaar van een agressieve houding van [medeverdachte B] richting [slachtoffer A]. Bovendien blijkt uit deze sms, die [medeverdachte B] verstuurde terwijl zij met (onder meer) [slachtoffer A] op msn zat, dat zij een ander betrekt in haar conflicten om die conflicten in de door haar gewenste zin te (proberen te) beslechten. [medeverdachte C] wist dus door deze sms al van de agressieve houding van [medeverdachte B] richting [slachtoffer A]. Daar doet niet aan af dat [medeverdachte C] zich naar zijn zeggen met de ruzie tussen [verdachte A]s en [slachtoffer A] verder niet heeft willen bemoeien.

Toen verdachte later die zaterdagavond bij de skatebaan in Warnsveld onder meer zijn medeverdachten [medeverdachte C] en [medeverdachte B] ontmoette, heeft [medeverdachte B] verdachte en [medeverdachte C] verteld over haar ruzie met [slachtoffer A]. Zij hebben gezien dat [medeverdachte B] telefoongesprekken heeft gevoerd met [slachtoffer A], waarvan een gesprek door verdachte is overgenomen. Volgens verdachte heeft hij tegen [slachtoffer A] (rustig) gezegd dat de ruzie met [medeverdachte B] moest stoppen.

In [discotheek], waar verdachte en zijn medeverdachten daarna belandden, zijn er verschillende contacten geweest tussen het groepje rondom verdachte en [slachtoffer A].

Uit de verklaringen van [getuige D], [getuige E], [getuige F], [getuige A], [getuige H] blijkt dat vooral verdachte en de beide [medeverdachte B/getuige B]s daarbij betrokken waren. Genoemd wordt, dat de meisjes boos waren en dingen riepen die [slachtoffer A] gedaan zou hebben; vooral [medeverdachte B] zou dat hebben gedaan. Verdachte zou daarbij, ook naar eigen zeggen, erg kwaad zijn geworden in de richting van [slachtoffer A]. [medeverdachte C] en [getuige B] hebben verklaard dat ze zagen dat [slachtoffer A] bang was voor verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de verklaringen omtrent de gebeurtenissen in [discotheek] dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte B] het op [slachtoffer A] gemunt hadden. Zij zochten hem op en stelden zich in zijn richting boos en zelfs agressief op.

Met name het gedrag van verdachte lijkt er daarbij toe hebben geleid dat [slachtoffer A] op anderen de indruk maakte bang te zijn (geworden) voor verdachte. Medeverdachte [medeverdachte C] lijkt slechts kortstondig bij deze contacten tussen verdachte, de beide [medeverdachte B/getuige B]s en [slachtoffer A] aanwezig te zijn geweest. Toch kreeg [medeverdachte C] in [discotheek] mee dat [medeverdachte B] [slachtoffer A] steeds opzocht, hem vertelde dat [slachtoffer A] schold op [verdachte A]s en haar en [medeverdachte C] bedreigde. [medeverdachte C] zag ook dat [slachtoffer A] bang was voor verdachte. Verdachte zelf heeft verklaard dat hij een bange blik in [slachtoffer A]s ogen zag.

Dit alles, zelfstandig en in onderlinge samenhang bezien, leidt de rechtbank tot het oordeel dat toen verdachte en zijn medeverdachten na vertrek uit [discotheek] in de auto stapten, de stemming in de richting van [slachtoffer A] confrontatiezoekend en agressief was en dat dit bij verdachte en zijn medeverdachten bekend was, ook al is niet ieder van hen vóór vertrek uit [discotheek] op elk relevant moment aanwezig of betrokken of geïnformeerd geweest.

Op grond van het dossier kan niet worden vastgesteld of verdachte en zijn medeverdachten met de auto zijn gaan rijden uitsluitend om [slachtoffer A] te zoeken. De rechtbank houdt het er derhalve op dat verdachte en zijn medeverdachten in de auto op weg waren naar de woonplaats van de beide [medeverdachte B/getuige B]s en dat zij onderweg hebben uitgekeken naar [slachtoffer A], die naar hem bekend was in dezelfde richting huiswaarts ging. Zoals [getuige B] het verwoordde: het kijken of ze [slachtoffer A] tegen zouden komen, deden ze eigenlijk een beetje met zijn allen, en er zou gestopt worden als ze [slachtoffer A] zouden zien. Er is steeds gekeken of [slachtoffer A] deel uitmaakte van groepjes fietsers die langs de weg reden. Uit de woorden en agressieve houding van met name verdachte maar ook zijn medeverdachte [medeverdachte B] moest het voor verdachte en zijn medeverdachten duidelijk zijn dat dit 'speuren' gebeurde naar aanleiding van ruzies, waarbij door verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte B] op agressieve wijze eerder die avond en nacht de confrontatie met [slachtoffer A] is gezocht. Verdachte en zijn medeverdachten zijn gestopt bij fietsers om te kijken of [slachtoffer A] er tussen zat, verdachte heeft agressief schreeuwend uit het autoraam gehangen en [medeverdachte B] heeft [slachtoffer A] aangewezen, waarna [medeverdachte C] op aanroepen van verdachte tot twee keer toe de auto het fietspad op heeft gestuurd om [slachtoffer A] de doorgang te beletten.

Tegen deze achtergrond was het voor verdachte en zijn medeverdachten duidelijk dat tegen [slachtoffer A], zo ze hem onderweg tegen zouden komen, geweld zou worden gebruikt. Na vertrek uit [discotheek] en vooral onderweg in de auto is er tijd en gelegenheid geweest daarover na te denken en er van terug te komen. Het heeft er alle schijn van dat juist onderweg in de auto de agressieve stemming richting [slachtoffer A] fors is toegenomen. Niet gebleken is dat verdachte of een van zijn medeverdachten iets heeft ondernomen om het uitkijken naar [slachtoffer A] te (laten) stoppen en het afsnijden van [slachtoffer A] te voorkomen.

Op grond van de aangehaalde bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat verdachte ook daadwerkelijk tot gewelddadig handelen is overgegaan. Dat het geweld heviger en omvangrijker was dan mogelijk door medeverdachten [medeverdachte B] en [medeverdachte C] was verondersteld, doet niet af aan de rol die zij in het geheel hebben gespeeld. Verdachte en zijn medeverdachten hebben willens en wetens het aanmerkelijk risico aanvaard dat er aanzienlijk geweld zou worden gebruikt.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank voorbedachte raad en het medeplegen bewezen.

De mishandeling en de dood van [slachtoffer A]

Uit de aangehaalde bewijsmiddelen volgt dat verdachte zonder enige aarzeling en meteen fors geweld richting [slachtoffer A] heeft gebruikt, terwijl [slachtoffer A] na de eerste afsnij-poging probeerde te ontkomen eerst door hard door te fietsen en later door achter de auto langs te gaan. Verdachte heeft [slachtoffer A] van de fiets getrokken en meermalen in het gezicht geslagen. Toen [slachtoffer A] door die klappen op de weg viel, heeft verdachte hem meerdere keren (voorwaarts) geschopt, ook tegen het hoofd. Verdachte heeft verder met zijn voeten neerwaarts op het hoofd van [slachtoffer A] gestampt en zich een aantal keer met opgetrokken knieën op de buik van [slachtoffer A] laten vallen. Verdachtes verklaring dat dit slechts een keer per ongeluk zou zijn gebeurd, acht de rechtbank niet aannemelijk gelet op de andersluidende verklaringen van [slachtoffer B], [getuige A] en [getuige D].

De drie verdachten wisten dat [slachtoffer A] op de rijbaan van de Den Elterweg lag. Zij hebben hem daar in die toestand achtergelaten. Zeer kort daarop is [slachtoffer A] door een auto aangereden of overreden. Uit de verklaringen van [slachtoffer B] en [getuige A] blijkt dat de toestand van [slachtoffer A] na het wegrijden van verdachte en zijn medeverdachten en voor de aanrijding met de Fiat ernstig was: [slachtoffer A] haalde moeilijk adem en reageerde nergens meer op. Dit is ook [medeverdachte B] niet ontgaan: zij verklaarde dat peter [slachtoffer A] optilde en liet vallen als een slappe pop. Op grond van deze verklaringen oordeelt de rechtbank dat verdachte en zijn medeverdachten [slachtoffer A] in hulpeloze toestand hebben achtergelaten.

Aan het vorenstaande doet niet af dat vrienden van [slachtoffer A] in de buurt waren. De hulpeloze toestand is immers door verdachte en zijn medeverdachten veroorzaakt.

De vraag of de dood van [slachtoffer A] ook redelijkerwijs als gevolg van de gedragingen aan de verdachte en zijn medeverdachten kan worden toegerekend, wordt door de rechtbank bevestigend beantwoord. Als [slachtoffer A] (op de rijbaan) niet was mishandeld, zou hij niet gewond op het wegdek hebben gelegen en zou hij niet zijn overreden.

Hoewel niet kan worden vastgesteld of verdachte en zijn medeverdachten de dood van [slachtoffer A] echt (bewust) gewild hebben, kan hen van de dood van [slachtoffer A] derhalve wel een verwijt worden gemaakt.

feit 2

[slachtoffer B] heeft aangifte29 gedaan van mishandeling. Hij heeft verklaard dat verdachte, nadat hij [slachtoffer A] had geslagen/gestompt, gestampt/geschopt en met de knie meerdere malen op de buik / het lichaam van [slachtoffer A] was gesprongen, op hem toe kwam gelopen en hem direct met de volle vuist en stoot vol in het gezicht heeft gegeven. Hij voelde pijn en kreeg een bloedneus. Verdachte zei voor de vuistslag tegen [slachtoffer B] dat als hij ([slachtoffer B]) wat zou zeggen, verdachte hem zou weten te vinden.

Verdachte heeft hierover verklaard30 dat hij naar de vriend van [slachtoffer A] is toegelopen en dat hij hem met zijn linker vuist in het gezicht heeft geslagen. Hij heeft hem volgens hem op zijn neus geraakt.

Gelet op de hiervoor aangeduide verklaring van aangever [slachtoffer B] en de bekentenis van verdachte acht de rechtbank voldoende bewijs voorhanden voor de onder feit 2 aan verdachte ten laste gelegde mishandeling.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs31

inzake parketnummer 06/820266-10

A. Vaststaande feiten / aanleiding onderzoek.

Aanleiding voor het onderzoek32 was een melding bij de meldkamer op 20 februari 2010 omstreeks 03.50 uur dat een drietal jonge mannen zich verdacht ophield bij een auto aan [adres te plaats]. Er waren goederen uit de auto waren gehaald en naast de auto op de grond gestald. Terwijl de meldster nog in gesprek was met de meldkamer kwam één van de surveillanceteams van de politie al ter plaatse. De politie zag twee jongens weglopen bij een Volkswagen Polo met het kenteken [kenteken 2]. De politiemensen zagen diverse goederen naast de auto op de grond liggen. Een van de politiemensen zag dat één van de weglopende jongens een voorwerp op de grond gooide, naar later bleek een handschoen, Tevens zagen de politiemensen dat op een afstand van een meter van deze jongens een zwarte zonnebril van het merk Gascan op de grond lag. De beide jongens werden vervolgens op heterdaad aangehouden en ook een persoon die in de Volkswagen Polo zat. Dat bleek verdachte [verdachte A] te zijn.

Bij nader onderzoek op de parkeerplaats werden rondom een witte Volkswagen Golf met het kenteken [kenteken 1] allerlei goederen aangetroffen, waaronder een handschoen.

B. Standpunt van het openbaar ministerie

Naar de opvatting van de officier van justitie kan het onder 1, 2 subsidiar en 4 primair aan verdachte ten laste gelegde bewezen worden verklaard op basis van onder meer de aangiften van [slachtoffer C] en [slachtoffer D], de bevindingen van de verschillende politieambtenaren, de verklaring van de getuige [getuige I] en de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte D].

Ten aanzien van de onder 3 ten laste gelegde diefstal dient vrijspraak te volgen omdat de zonnebril twee meter naast de auto is aangetroffen. Derhalve staat onvoldoende vast dat de verdachten zich als heer en meester over de zonnebril hebben gedragen. Het kan ook zijn dat de zonnebril daar als niet bruikbaar is neergegooid.

C. Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 ten laste gelegde poging tot diefstal van een personenauto VW Golf niet tot bewezenverklaring kan leiden, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Verdachte heeft het feit ontkend en behoudens de aangifte is er niets waaruit blijkt dat er is gepoogd de auto weg te nemen.

De diefstal van goederen uit bedoelde personenauto - feit 2 - kan evenmin tot een bewezenverklaring leiden, nu verdachte noch één van de medeverdachten de feitelijke beschikkingsmacht over de genoemde goederen heeft gehad.

Buiten het feit dat verdachte in de auto zat is er geen bewijs voor het wegnemen, al dan niet in vereniging van een zonnebril als ten laste gelegd onder feit 3, zodat ook hiervan vrijspraak dient te volgen.

Ten aanzien van de onder 4 ten laste gelegde diefstal van de VW Polo dient eveneens vrijspraak te volgen, aangezien uit de aangifte en de bevindingen niet kan worden afgeleid dat de wederrechterlijke toe-eigening was gericht op het wegnemen van de auto. Voor de alternatief ten laste gelegde zaaksbeschadiging kan wel een bewezenverklaring volgen.

D. Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de ten laste gelegde feiten uit van de volgende feiten en omstandigheden.

In het dossier bevinden zich verschillende stukken, waaronder verklaringen van diverse personen en bescheiden, zoals hierna zakelijk en verhalenderwijs weergegeven:

Aangever [slachtoffer C] heeft aangifte gedaan van diefstal van goederen uit zijn auto. Hij heeft verklaard33 dat hij zijn witte Volkswagen Golf met het kenteken [kenteken 1] afgesloten had geparkeerd op het parkeerterrein bij zijn woning aan [adres]. Op 20 februari 2010 omstreeks 04.00 uur werd hij gewekt door de politie en kreeg hij te horen dat er was ingebroken in zijn auto. Toen hij daarop bij zijn auto is gaan kijken zag hij dat de spullen die normaal in zijn auto lagen naast de auto lagen

Aanvullend heeft aangever nog verklaard34 dat hij de hem getoonde handschoen herkent als de zijne. De carkit was uit de auto getrokken en lag buiten de auto op het gras. Andere door hem waargenomen veranderingen in de auto waren de klep onder het stuur die open stond, het dashboardkastje dat open stond, alle deuren van de auto die open stonden en de hoedenplank die buiten de auto lag. Bijna alle goederen die in de auto lagen, lagen nu op een grasveldje aan de bijrijderskant. Uit de auto waren gehaald kistjes met technisch materiaal, een haspel, een gereedschapskoffer, een kruidenrekje, handschoenen en een mobiele telefoon Nokia. Deze spullen lagen bij na te melden Volkswagen Polo.

[slachtoffer D] heeft aangifte gedaan terzake diefstal met braak van/uit een personenauto. Hij heeft verklaard35 dat hij zijn Volkswagen Polo met het kenteken [kenteken 2] op 19 februari 2010 afgesloten had geparkeerd op [adres] bij zijn woning. Op 20 februari 2010 's ochtends zag hij dat de politie geprobeerd had contact met hem op te nemen, omdat er was geprobeerd zijn auto weg te nemen. Hij zag daarop dat de bedrading van zijn auto was doorgeknipt en dat het handschoenenkastje onder het stuur kapot was. De hele auto was overhoop gehaald, het dashboardkastje onder het stuur lag los in de auto en het dashboardkastje aan de bijrijderskant lag er ook uit. Hij mist een zonnebril.

Uit het bewijs van ontvangst door [slachtoffer D] blijkt het te gaan om een zonnebril merk Oakley, model Gascan36.

De meldster bij de meldkamer, getuige [getuige I], heeft verklaard37 dat zij die nacht wakker werd en twee personen zag staan aan de achterzijde van een witte Volkswagen die geparkeerd stond op de parkeerplaats voor haar (flat)woning. Zij zag dat er uit de geopende kofferbak verschillende voorwerpen werden gehaald en dat deze zowel aan de achterzijde van de auto als op het grasveld werd gegooid, waar ook al diverse goederen lagen. Er stond een derde persoon bij. Zij heeft vervolgens de politie gebeld. Terwijl zij nog aan het bellen was met de meldkamer kwam de politie al ter plaatse en kort daarop een tweede politiewagen.

De verbalisanten [verbalisant A] en [verbalisant B]38 ontvingen op 20 februari 2010 omstreeks 03.50 uur de melding van de meldkamer en kregen opdracht naar [adres] in Zutphen te gaan. Zij waren belast met het toezicht op de openbare orde te Zutphen. Even later hoorden zij van de meldkamer dat de drie personen uit het zicht waren verdwenen. Vervolgens zijn verbalisanten ter plaatse gegaan en zagen zij dat er inmiddels twee collega's van de 31.00 ter plaatse waren en dat zij bij twee manspersonen stonden. Bij de twee manspersonen zagen verbalisanten een handschoen liggen op de grond. Verder zagen zij dat er naast een

groene Volkswagen Polo, voorzien van het kenteken [kenteken 2], een verlengsnoer, een zwarte koffer, een plastic zak en een handschoen lagen.

Tevens zagen verbalisanten dat het portier aan de bestuurderszijde niet geheel in het slot zat.

Verbalisanten zagen dat de twee manspersonen op ongeveer tien meter afstand van de Volkswagen Polo stonden.

Verbalisanten dachten te zien dat er iemand in de Volkswagen Polo zat. Echter dit was niet goed te zien aangezien door de vorst de ruiten bevroren waren. Verbalisant [verbalisant A] probeerde het portier open te doen. Dit lukte echter niet. Vervolgens hebben verbalisanten zich gevoegd bij de collegae en de twee manspersonen. Vervolgens zijn verbalisanten weer naar de Volkswagen Polo gegaan. Op dat zelfde moment hoorden verbalisanten collega Hoitink tegen de twee mannen zeggen dat zij waren aangehouden. Vervolgens hoorden verbalisanten geluid uit de Volkswagen Polo komen. Vervolgens heeft verbalisant nogmaals geprobeerd het portier open te doen. Tevens heeft verbalisant [verbalisant A] de persoon aangeroepen die mogelijk in de auto zat. Hierop hoorde en zag verbalisant [verbalisant A] dat een manspersoon iets zei en tevens het portier opende aan de bestuurderszijde. Hierop hebben verbalisanten de manspersoon aangehouden op verdenking van poging tot diefstal in vereniging. Vervolgens zagen verbalisanten dat er een plastic onderdeel van de onderzijde van het dashboard was verwijderd. Deze plastic kap lag op de vloer aan de bestuurderszijde. Toen verbalisanten in het gat van het dashboard keken zagen zij dat er een zwarte draad kapot was.

Verbalisanten zagen verder dat er aan de bovenzijde van het bestuurdersportier zwarte vlekken zaten en dat op die plaats geen ijsafzetting meer op het portier zat. De zwarte vlekken waren afdrukken gelijkend op vingers.

Verbalisanten hebben bij geen van de twee genoemde voertuigen enige braaksporen aangetroffen. Bij nader onderzoek bleek even verder op de parkeerplaats een witte

Volkswagen Golf te staan voorzien van het kenteken [kenteken 1]. Deze Volkswagen Golf stond ongeveer op een afstand van 50 meter van de Volkswagen Polo. De twee genoemde voertuigen stonden in elkaars gezichtsveld.

Rondom dit voertuig stonden allerlei goederen. Deze goederen bleken later afkomstig te zijn uit de Volkswagen Golf. Dit werd verklaard door de houder van de witte Volkswagen Golf. De houder en tevens aangever verklaarde verder dat de zwarte koffer, het verlengsnoer en

de plastic tas die bij de Volkswagen Polo aangetroffen zijn uit zijn Volkswagen Golf afkomstig waren en eigendom zijn van hem. Bij de goederen op de grond lag ook nog een handschoen. Aangever van de witte Volkswagen Golf herkende deze handschoen als zijn handschoen. Verbalisanten zagen dat de handschoen die bij de Volkswagen Polo

lag dezelfde handschoen was als de handschoen die bij de twee manspersonen lag. De handschoenen waren beide een soort van camouflage (gevlekte) handschoenen.

Verbalisanten [naam A en naam B] hebben verklaard dat zij op het moment van aanrijden twee jongens zien weglopen bij een groene VW Polo. Een van de verdachten gooide iets weg, naar later bleek een handschoen. Op de grond, een meter van verdachten vandaan, lag een zonnebril merk Gascan. Een van de verbalisanten ziet dat verdachte op de bestuursstoel van de Polo zit.39

[medeverdachte D] heeft verklaard40 dat hij op 20 februari 2010 samen was met [naam 2] en [verdachte A]. Zij waren lopend gedrieën onderweg naar Warnsveld. Ze zijn aangehouden op [adres].

[verdachte A] is in een auto gaan zitten en heeft in de auto gerommeld om te kijken of er wat in de auto lag. Hij is er wel bij betrokken geweest, maar hij is zelf niet in de auto's geweest of heeft er iets uitgehaald.

Hij heeft wel gezien41 dat er ingebroken werd, maar hij zegt niet wie er heeft ingebroken in de auto's.

Verdachte heeft verklaard42 dat hij onderweg was met [naam 2] en [medeverdachte D] en nog twee andere jongens genaamd [naam 3] en [naam 4]. Toen zij bij de flats aankwamen waar hij uiteindelijk is aangehouden zijn [naam 3] en [naam 4] doorgelopen. [naam 2], [medeverdachte D] en hij bleven bij de flats achter. [naam 2] stelde voor om in een van die flats binnen te gaan zitten. Op weg naar de toegangsdeur van de flat heeft hij, [verdachte A], aan het portier gevoeld van een donkerkleurig auto merk Volkswagen die voor de flat geparkeerd stond. Het portier bleek open en hij heeft het vervolgens weer dichtgegooid. Zij zijn vervolgens doorgelopen naar de flat. [naam 2] en [medeverdachte D] zijn de flat binnengegaan, maar hij is teruggelopen naar de auto. Op het moment dat hij het portier aan de bestuurderszijde van de auto opende zag hij dat [naam 2] en [medeverdachte D] weer naar buiten liepen. Hij is in de auto gaan zitten. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hem bij het instappen niets vreemds is opgevallen aan de auto en dat hij heeft niets heeft losgemaakt bij het stuur.

De rechtbank komt op basis van de hiervoor aangegeven verklaringen tot een bewezenverklaring van de onder 2 ten laste gelegde diefstal uit de VW Golf, de onder 3 ten laste gelegde diefstal van een zonnebril en de onder 4 ten laste gelegde poging tot diefstal van een VW Polo.

Voor de onder 1 ten laste gelegde diefstal van de VW Golf is onvoldoende bewijs voorhanden dat verdachte daar een rol in heeft gespeeld, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de feiten 2 en 3 uit de bewijsmiddelen voortvloeit dat verdachten wel degelijk de feitelijke heerschappij over de genoemde voorwerpen hebben gehad. Het weggooien of achterlaten van de zonnebril in het gras is zo'n handeling waaruit die heerschappij blijkt.

Verdachte heeft over zijn aanwezigheid in de VW Polo bij de politie en ter terechtzitting wisselende verklaringen afgelegd. Deze stroken niet met de verklaring van de getuige [getuige I] en het relaas en de constateringen van de direct ter plaatse gekomen verbalisanten. De rechtbank acht die verklaringen van verdachte dan ook niet aannemelijk geworden.

Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het inzake parketnummer 06/940174-10 onder 1 primair en subsidiair en het inzake parketnummer 06/820266-10 onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.

De verdachte behoort hiervan te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het inzake parketnummer 06/940174-10 onder 1 meer subsidiair en 2 en het inzake parketnummer 06/820266-10 onder 2 primair, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

inzake parketnummer 06/940174-10

1.

hij op 9 mei 2010 in de gemeente Zutphen tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade, mishandelend een persoon genaamd [slachtoffer A], en na kalm beraad en rustig overleg:

- met een personenauto naast die [slachtoffer A] zijn gaan rijden en (vervolgens) die [slachtoffer A], meermalen, met die personenauto hebben klemgereden, althans die [slachtoffer A] tot stoppen hebben gedwongen en

- (vervolgens) die [slachtoffer A] hebben vastgepakt en

- (vervolgens) meermalen met kracht die [slachtoffer A] in/op/tegen het gezicht/hoofd hebben geslagen en/of gestompt, ten gevolge waarvan die [slachtoffer A] ten val is gekomen, waarna die [slachtoffer A] terecht is gekomen op de rijbaan van de Den Elterweg, en

- zich (met kracht) met ingetrokken knieën in/op/tegen de buik, althans de maagstreek, of het lichaam van die [slachtoffer A] hebben laten vallen, en

- meermalen met kracht met geschoeide voet in/op/tegen het gezicht/hoofd van die [slachtoffer A] hebben geschopt en/of getrapt en/of gestampt, en

- (vervolgens) die [slachtoffer A] in hulpeloze toestand op de rijbaan hebben achtergelaten, waarna een personenauto over/tegen die [slachtoffer A] is gereden,

terwijl dat feit de dood van die [slachtoffer A] ten gevolge heeft gehad;

2.

hij op 9 mei 2010 in de gemeente Zutphen opzettelijk mishandelend een persoon genaamd [slachtoffer B] (met kracht) met gebalde vuist in/tegen het gezicht heeft geslagen, waardoor deze pijn en letsel heeft ondervonden;

inzake parketnummer 06/820266-10

2.

hij op 20 februari 2010 in de gemeente Zutphen tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

- een carkit en

- een of meer kistjes met inhoud (technisch materiaal) en

- een haspel/verlengsnoer en

- een gereedschapskoffer en

- een kruidenrekje en

- een paar handschoenen en

- een mobiele telefoon (merk Nokia),

toebehorende aan [slachtoffer C];

3.

hij op 20 februari 2010 in de gemeente Zutphen tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een zonnebril (merk Oakley, type Gascan), toebehorende aan [slachtoffer D];

4.

hij op 20 februari 2010 in de gemeente Zutphen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een personenauto, merk Volkswagen, type Polo, met kenteken [kenteken 2], kleur groen, toebehorende aan [slachtoffer D], dat hij, verdachte, met voornoemd oogmerk

- het (bestuurders)portier van voornoemde auto heeft geopend en

- (vervolgens) in de auto is gaan zitten en

- een handschoenenkastje onder het stuur van voornoemde auto heeft geopend en

- de bedrading van voornoemde auto heeft gepakt en

- de bedrading heeft doorgeknipt en/of gesneden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

inzake parketnummer 06/940174-10

feit 1 meer subsidiair: medeplegen van mishandeling gepleegd met voorbedachten rade, terwijl het feit de dood tengevolge heeft;

feit 2: mishandeling;

inzake parketnummer 06/820266-10

feit 2 primair: diefstal door twee of meer verenigde personen;

feit 3: diefstal door twee of meer verenigde personen;

feit 4 primair: poging tot diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Over verdachte is in het kader van de hem onder parketnummer 06/940174-10 verweten feiten een multidisciplinair rapport opgemaakt, bestaande uit een rapport van de kinder- en jeugdpsychiater drs. H. van der Most van Spijk en een rapport van de klinisch en forensisch psycholoog prof. dr. J.J. Baneke.

Uit de bevindingen en de daaruit voortvloeiende conclusies van deze deskundigen komt naar voren dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

De rechtbank neemt die conclusie over.

De rechtbank gaat ervan uit dat, gelet op de bevindingen van de gedragskundigen en de conclusie dat er bij verdachte sprake is van een ernstige gedragsstoornis als gevolg van een vroege hechtingsproblematiek, deze conclusie eveneens kan worden gevolgd voor de onder parketnummer 06/820266-10 aan verdachte ten laste gelegde feiten.

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie van twintig maanden en tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (de PIJ-maatregel).

De officier van justitie heeft daarbij met name de ernst van de mishandeling van [slachtoffer A] en het dodelijk gevolg daarvan laten wegen in haar eis. Tengevolge van het handelen van drie leeftijdsgenoten is [slachtoffer A] overleden, een gebeurtenis met dramatische gevolgen voor met name zijn familie, die het gemis iedere dag weer moet ervaren.

De officier heeft verder in haar eis betrokken de verminderde toerekeningvatbaarheid van verdachte zoals door de gedragsdeskundigen geconcludeerd en het door hen gegeven advies, het advies van de Raad voor de Kinderbescherming en het strafblad van verdachte.

De officier heeft aangevoerd dat er naast het mogelijke belang van verdachte om zo snel mogelijk met de behandeling in de PIJ te starten ook een maatschappelijk belang is om aan te geven dat feiten als deze niet met lichte straffen worden afgedaan.

De manier waarop verdachte tekeer is gegaan rechtvaardigt een jeugddetentie voor een duur die langer is dan bij een "gewone" mishandeling de dood ten gevolge hebbend. Het geweld dat verdachte heeft toegepast is dermate fors geweest dat, hoewel het etiket 'doodslag' niet gegeven kan worden, voor de duur van de jeugddetentie eerder aansluiting moet worden gezocht bij doodslag dan bij een gekwalificeerde mishandeling.

De raadsman heeft aangevoerd dat voor het geval er een bewezenverklaring mocht volgen voor het meer subsidiaire feit dat verdachte met voorbedachten rade in vereniging met een ander althans alleen opzettelijk [slachtoffer A] heeft mishandeld en hem vervolgens in een hulpeloze toestand heeft achtergelaten, rekening houdende met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, volstaan kan worden met het opleggen van jeugddetentie.

Voor het opleggen van een PIJ-maatregel is geen plaats, omdat het veiligheidscriterium bij een dergelijke bewezenverklaring onvoldoende is om de oplegging van een dergelijke zware maatregel te kunnen rechtvaardigen, aldus de raadsman.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is degene geweest die [slachtoffer A] heeft mishandeld.

Verdachte is ook medeverantwoordelijk voor de dood van [slachtoffer A].

Verdachte maakte met zijn medeverdachten deel uit van een klein groepje jongeren dat die zaterdagavond rondhing en uitging. Verdachte had alcohol gedronken en daar wordt hij agressief van. Dat weet verdachte ook.

Verdachte werd door medeverdachte [medeverdachte B], die negatieve verhalen over [slachtoffer A] vertelde, betrokken bij de ruzie tussen [medeverdachte B] en [slachtoffer A]. In [discotheek] heeft verdachte met zijn medeverdachte [medeverdachte B] steeds de confrontatie met [slachtoffer A] gezocht. De agressieve manier waarop zij dit deden, maakte [slachtoffer A] bang. Die angst heeft verdachte toen ook gezien.

Op de weg naar Baak hebben verdachte en zijn medeverdachten uitgekeken naar [slachtoffer A]. Duidelijk was dat [slachtoffer A] het bij een treffen zou moeten ontgelden.

Verdachte is, zodra [slachtoffer A] werd gezien, als het ware geëxplodeerd. Hij moest en zou snel de auto uit om [slachtoffer A] te pakken en instrueerde de bestuurder van de auto, medeverdachte [medeverdachte C], om [slachtoffer A] met de auto de pas af te snijden. Dat lukte pas de tweede keer. Het onmiskenbare doel van dit afsnijden was te voorkomen dat [slachtoffer A] aan verdachte zou ontkomen. Verdachte is buiten de auto meteen op [slachtoffer A] afgegaan terwijl die achterlangs probeerde te weg te komen. Tevergeefs, door toedoen van verdachte.

Het geweld dat verdachte tegen [slachtoffer A] heeft gebruikt is gruwelijk geweest. Vaststaat dat [slachtoffer A] door verdachtes vuistslagen tegen het wegdek terecht is gekomen. Verdachte valt vooral te verwijten dat hij daarna door is gegaan met het geweld. Buitensporig geweld bovendien. Verdachte heeft tegen het hoofd van [slachtoffer A] geschopt, hij heeft op dat hoofd gestampt en zich met opgetrokken knieën op de buikstreek van [slachtoffer A] laten vallen, dit alles niet een keer, maar meermalen. [slachtoffer A] moet bijzonder angstig zijn geweest en enorme pijn hebben geleden door het fysieke geweld dat verdachte tegen hem heeft gebruikt.

Verdachte wist dat [slachtoffer A] door de mishandeling gewond op het wegdek achterbleef. Daarna heeft hij de vriend van [slachtoffer A], [slachtoffer B], bedreigd en een vuistslag in het gezicht verkocht. Daarna is hij met zijn medeverdachten weggereden. [slachtoffer A] heeft geen kans gekregen om aan het onheil te ontkomen.

Treurig is dat kennelijk de vlucht voor verdachte zwaarder heeft gewogen dan het te hulp schieten van [slachtoffer A].

Op bijzonder noodlottige wijze is [slachtoffer A] kort nadat hij op de weg was achtergelaten, aangereden of overreden door een auto. Uit de beschikbare rapporten blijkt dat niet vast te stellen is of [slachtoffer A] is overleden door de mishandeling, door de aan- danwel overrijding of door een combinatie van die twee gebeurtenissen. Met die onzekerheid zullen zijn nabestaanden de gewelddadige dood van [slachtoffer A] moeten verwerken. Hoe overweldigend groot dat verlies is, is door zijn vader bij de uitoefening van het spreekrecht verwoord.

Verdachte zal de last moeten dragen dat hij hoofd- en medeverantwoordelijk is voor de mishandeling en de dood van [slachtoffer A] ook al heeft hij die dood niet bewust gewild en niet willens en wetens voorzien dat een passerende auto [slachtoffer A] zou raken.

Uit het rapport van de psychiater komt onder meer het volgende naar voren.

Bij verdachte is sprake van een verstandelijke beperking (zwakbegaafde jongeman) en een ernstige gedragsstoornis in het kader van een gebrekkige identiteitsontwikkeling. Zijn agressieregulatie schiet snel te kort en wordt versterkt bij alcoholmisbruik. Zijn gedragsstoornis, zich uitend in een gestoorde agressieregulatie, het opzoeken van spanningsvolle situaties, een gebrekkige gewetensfunctie en een gebrek aan inlevend vermogen speelde een grote rol ten tijde van het tenlastegelegde inzake het gebeuren op 9 mei 2010. Omdat er bij verdachte sprake is van een achterstand op alle ontwikkelingsniveaus, zowel moreel, sociaal, emotioneel als ook cognitief, kan worden gesproken van verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Er is een hoog recidive risico op toekomstig gewelddadig gedrag. Behandeling in een justitiële instelling is geïndiceerd, door middel van het opleggen van een PIJ maatregel.

Deze maatregel wordt in het belang geacht van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte omdat hij veel baat bij de structuur en de begrenzing van een JJI. .

Uit het rapport van de psycholoog komt onder meer naar voren dat bij betrokkene is sprake van een ernstige gedragsstoornis, die mede bepaald is door vroege hechtingsproblematiek (angstig/onveilige hechting) en de gezinssituatie/relatie met de ouders. Er is sprake van een gebrekkige ontwikkeling, zowel in emotionele, als in cognitief-intellectuele, morele en gedragsmatige zin. Momenteel is sprake van intellectuele zwakbegaafdheid (laag, bijna licht zwakzinnig). Er is een risico op de ontwikkeling van een posttraumatische stress-stoornis en op meer gewelddadig of delinquent gedrag.

De combinatie van de gedragsstoornis en de gebrekkige ontwikkeling maakt dat verdachte onvoldoende in staat is adequaat te reageren op stressvolle situaties, vooral als die relatief onoverzichtelijk zijn of als daarin direct handelen vereist is. Dan verliest hij snel de controle en kan hij doorschieten in impulsief gedrag. Zijn beperkte intellectuele en sociaal-emotionele

vaardigheden spelen daarbij een belangrijke rol. Verdachte is mede door zijn zwakke

identiteit erg gevoelig voor en afhankelijk van bevestiging door anderen. In de ten laste gelegde gebeurtenissen is hij tevens extra beïnvloedbaar geweest door gebruik van alcohol.

Geadviseerd wordt verdachte in deze als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Ten aanzien van de kans op recidive is er een sterk verhoogde kans op toekomstig ernstig gewelddadig en ook op breder antisociaal en/of delinquent gedrag.

De ernst van de feiten, het grote risico op herhaling van ernstig gewelddadig gedrag, en

de beperkte vermogens van verdachte maken het nodig een behandeling op te leggen

binnen een omgeving die optimale structuur en veiligheid kan bieden. Er is geen andere mogelijkheid dan een langdurige gesloten behandeling te adviseren, i.c. een Plaatsing in een Jeugdinrichting. Een plaatsing in een jeugdinrichting is in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachte.

Beide gedragsdeskundigen adviseren de PIJ te laten plaatsvinden in De Kolkemate.

De rechtbank volgt de in grote lijnen overeenkomende bevindingen en conclusies van de gedragsdeskundigen en neemt deze over.

Door de Raad voor de Kinderbescherming is (rapport d.d. 1 november 2010) mede naar aanleiding van de door voornoemde gedragsdeskundigen uitgebrachte rapporten geadviseerd om in het geval verdachte schuldig mocht worden bevonden hem een PIJ maatregel op te leggen. De Raad is van mening dat er bij verdachte ernstige risico's zijn voor zijn verdere ontwikkeling en zij schaart zich in dat verband achter het advies van de gedragsdeskundigen.

In het nadeel van verdachte weegt dat hij, zoals blijkt uit zijn justitiële documentatie van 17 mei 2010, eerder met justitie in aanraking is gekomen, onder meer terzake diefstal met geweld en mishandeling.

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank verder acht geslagen op de overige bewezenverklaarde feiten, namelijk een aantal vermogensdelicten.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie een passend strafvoorstel heeft gedaan, zodat zij dat voorstel zal volgen. De rechtbank acht deze beslissing in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Aan de voorwaarden voor oplegging van de pij-maatregel als bedoeld in artikel 77s wetboek van strafrecht, waaronder het veiligheidscriterium, is voldaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De oplegging van straf en maatregel is gegrond op de artikelen 45, 47, 77i, 77s, 300, 301, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart niet bewezen, dat verdachte het inzake parketnummer 06/940174-10 onder 1 primair en subsidiair en het inzake parketnummer 06/820266-10 onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder inzake parketnummer 06/940174-10 onder 1 meer subsidiair en 2 en het inzake parketnummer 06/820266-10 onder 2 primair, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit als:

inzake parketnummer 06/940174-10

feit 1 meer subsidiair: medeplegen van mishandeling gepleegd met voorbedachten rade, terwijl het feit de dood tengevolge heeft;

feit 2: mishandeling;

inzake parketnummer 06/820266-10

feit 2 primair: diefstal door twee of meer verenigde personen;

feit 3: diefstal door twee of meer verenigde personen;

feit 4 primair: poging tot diefstal;

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van twintig maanden;

* beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;

* legt aan verdachte op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, zulks met het advies deze maatregel bij voorkeur ten uitvoer te doen leggen in de Kolkemate te Zutphen.

Aldus gewezen door mrs. Van der Mei, voorzitter, tevens kinderrechter, Van Valderen en Kleinrensink, rechters, in tegenwoordigheid van Van Bun, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 maart 2011.

Mr. Van Valderen voornoemd is buiten staat mede te ondertekenen

Voetnoten:

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van de in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer 2010067007 van de Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, Team Recherche IJsselstreek, Onderzoek "SANSA", gedateerd 16 juli (jaartal ontbreekt), opgemaakt door J. Heimgartner en R.W. Vermeulen, beiden werkzaam bij het team recherche IJsselstreek van de Regiopolitie Noord- en oost Gelderland (voor zover niet anders is vermeld)

2 Stamproces-verbaal nummer 2010067007, doorgenummerde dossierpag. 13

3 Aangifte [slachtoffer B]

4 Pv verhoor verdachte en pv terechtzitting 10 maart 2011

5 (deel)rapport Nederlands Forensisch Instituut inzake 'Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood' gedateerd 22 oktober 2010, opgemaakt door de NFI-deskundige Forensische Pathologie dr. B. Kubat, pagina 4/11

6 rapport Nederlands Forensisch Instituut inzake "Interdisciplinair forensisch onderzoek naar aanleiding van een geweldsdelict met dodelijke afloop gepleegd in Zutphen op 9 mei 2010" gedateerd 27 januari 2011, opgemaakt door de NFI-zaakverantwoordelijke dr. M. Koeberg, pagina 16/20

7 Verklaringen verdachte [verdachte A] d.d. 10, 11 en 17 mei 2010, doorgenummerde dossierpag. 80, 81, 82, 86, 87, 88, 90, 91, 101, 104, 111, 112, 113, 136

8 Proces-verbaal terechtzitting 10 maart 2011

9 Verklaringen verdachte [medeverdachte C] d.d. 10, 11 en 14 mei 2010, doorgenummerde dossierpag. 170, 171, 172, 183, 186

10 Verklaringen verdachte [medeverdachte C] d.d.14 mei 2010, doorgenummerde dossierpag. 195

11 Verklaring verdachte [medeverdachte C] d.d. 14 mei 2010, doorgenummerde dossierpag. 191

12 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant C], doorgenummerde dossierpag. 1265

13 Verklaring verdachte [medeverdachte C] d.d. 8 mei 2010, doorgenummerde dossierpag. 1202

14 Proces-verbaal kopiëren gegevensdragers en onderzoek data verbalisant [verbalisant D] van 19 juli 2010

15 Proces-verbaal onderzoek verkeersgegevens opgemaakt op 9 juni 2010, doorgenummerde dossierpag. 1443-1444.

16 Verklaring verdachte [medeverdachte B] [verdachte A] d.d. 9 mei 2010, doorgenummerde dossierpag. 263, 264

17 Verklaring verdachte [getuige B], doorgenummerde dossierpag. 367, 368

18 Verklaring [getuige B] bij rechter-commissaris

19 Aangifte [slachtoffer B] d.d. 9 mei 2010, doorgenummerde dossierpag. 401 t/m 403

20 Verklaring [slachtoffer B] d.d. 12 mei 2010, doorgenummerde dossierpag. 408, 409, 411

21 Verklaring [getuige A] d.d. 3 december 2010 afgelegd bij rechter-commissaris

22 Verklaring [getuige A] d.d. 9 mei 2010, doorgenummerde dossierpag. 424, 425, 426

23 Verklaring [getuige A] d.d. 3 december 2010 afgelegd bij rechter-commissaris

24 Verklaring [getuige D] d.d. 9 mei 2010, doorgenummerde dossierpag. 430, 431

25 Verklaring [getuige D] d.d. 3 december 2010 afgelegd bij rechter-commissaris

26 Verklaring [getuige I] d.d. 10 mei 2010, doorgenummerde dossierpag. 444, 446

27 Verklaring [getuige F] d.d. 11 mei 2010, doorgenummerde dossierpag. 450, 451

28 Verklaring [getuige G] d.d. 26 mei 2010, doorgenummerde dossierpag. 610

29 Aangifte [slachtoffer B], doorgenummerde dossierpag. 401/402

30 Verklaring verdachte d.d. 11 mei 2010, doorgenummerde dossierpag. 90

31 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van het in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer PL0630 2010058179-1 van de Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district IJsselstreek Team VVC, gedateerd 22 april 2010, opgemaakt door de hoofdagent [hoofdagent] (voor zover niet anders is vermeld)

32 stamproces-verbaal nummer PL0630 2010058179-1, doorgenummerde dossierpag. 3 en 4

33 Aangifte [slachtoffer C], doorgenummerde dossierpag. 53, 54

34 Verhoor [slachtoffer C], doorgenummerde dossierpag. 56, 57

35 Aangifte [slachtoffer D], doorgenummerde dossierpag. 103, 104

36 Bewijs van ontvangst, doorgenummerde dossierpag. 106

37 Verhoor getuige [getuige I], doorgenummerde dossierpag. 59 t/m 61

38 Relaas en bevindingen verbalisanten [verbalisant A] en [verbalisant B], doorgenummerde dossierpag. 64 en 65

39 Proces-verbaal bevindingen [naam A en naam B] doorgenummerde dossierpag 74-75

40 Verhoor (mede)verdachte [medeverdachte D], doorgenummerde dossierpag 31, 84 en 85, 92 en 93

41 Proces-verbaal inverzekeringstelling [medeverdachte D], doorgenummerde dossierpag. 31

42 Verhoor verdachte [verdachte A], doorgenummerde dossierpag. 77 en 78