Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BP8362

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
18-03-2011
Datum publicatie
18-03-2011
Zaaknummer
06/940346-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte veroordeeld voor een poging tot zware mishandeling en het bezit van een vuurwapen en munitie tot een gevangenisstraf voor de duur van 210 dagen met aftrek van voorarrest.

Het beroep op noodweer wordt verworpen. Daartoe overweegt de rechtbank dat de verklaring van verdachte niet wordt ondersteund door een ander bewijsmiddel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/940346-10

Uitspraak d.d.: 18 maart 2011

Tegenspraak / dip, oip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats, 1981],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in het huis van bewaring te Zutphen.

Raadsvrouw: mr. A. Foppen, advocaat te Harderwijk.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen

van 7 december 2010 en 4 maart 2011.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 27 augustus 2010 te Heerde ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet deze [slachtoffer] meermalen althans eenmaal met een honkbalknuppel op/tegen zijn (rechter)arm en/of zijn (rechter)hand en/of zijn heup en/of zijn zij althans tegen het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 27 augustus 2010 te Heerde opzettelijk mishandelend [slachtoffer] meermalen althans eenmaal met een honkbalknuppel op/tegen zijn (rechter)arm en/of zijn (rechter)hand en/of zijn heup en/of zijn zij althans tegen het lichaam heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 20 augustus 2010 tot en met 27 augustus 2010 te Wezep, gemeente Oldebroek, een of meer wapens van categorie III, te weten een vuurwapen, merk Browning, type 9mm, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

3.

hij in of omstreeks de periode van 25 augustus 2010 tot en met 26 augustus 2010 te Heerde, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal met een mes, althans met een scherp voorwerp, (een) steek- en/of snijbewegingen heeft gemaakt in de richting van die de Vos en/of deze met dat mes/voorwerp in diens buik en/of (boven)lichaam heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij in of omstreeks de periode van 25 augustus 2010 tot en met 26 augustus 2010 te Heerde, althans in Nederland, opzettelijk mishandelend [slachtoffer] met een mes, althans met een scherp voorwerp in diens buik en/of (boven)lichaam heeft gestoken en/of gesneden, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op een of meerdere tijdstippen in de periode van 31 juli 2010 tot en met 27 augustus 2010, te Wezep, gemeente Oldebroek, in elk geval in Nederland, (telkens)

- een koffertje, met vishaakjes en vislichtjes,

- een rood/zwarte BN/Shakespeare vismolen,

- een groen/zilver met goudkleurige vismolen,

- een Johnson buitenboordmotor,

- een zwart/zilverkleurige Shakespeare vismolen,

heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van genoemde goederen (telkens) redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

art 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

5.

hij in of omstreeks de periode van 9 augustus 2010 tot en met 10 augustus 2010 te Wezep, gemeente Oldebroek, in elk geval in Nederland, een aanhangwagen heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van deze aanhangwagen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

art 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Aanleiding van het onderzoek

1. Op 27 augustus 2010 is verdachte aangehouden op verdenking van het slaan met een knuppel van aangever [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) op diezelfde dag en het steken van deze [slachtoffer] één à twee dagen eerder. Bij zijn aanhouding heeft verdachte verklaard dat in zijn woning een wapen ligt. Bij de doorzoeking in de woning op 27 augustus 2010 worden diverse goederen aangetroffen die na onderzoek door de politie van diefstal afkomstig blijken te zijn. Daarnaast wordt een vuurwapen aangetroffen.

Standpunt van het openbaar ministerie

2. De officier van justitie heeft ter zitting allereerst geconcludeerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde. De stelling van verdachte dat sprake was van noodweer en dat hij zich diende te verdedigen vindt volgens de officier van justitie geen steun in de aangifte van [slachtoffer] en de verklaring van getuige [getuige A]. Dit verweer dient dan ook te worden verworpen.

De officier van justitie heeft tevens geconcludeerd tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde, nu het wapen in de woning van verdachte is aangetroffen en getuige [slachtoffer] heeft verklaard dat het wapen van verdachte is.

Ten aanzien van het onder 3 primair ten laste gelegde heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd, nu er onvoldoende duidelijkheid is over (de grootte van) het mes dat verdachte zou hebben gebruikt. Het onder 3 subsidiair ten laste gelegde kan volgens haar wel bewezen worden verklaard, te weten de mishandeling van [slachtoffer] door laatstgenoemde met een mes in zijn buik te steken.

Tot slot heeft de officier van justitie geconcludeerd tot een bewezenverklaring van het onder 4 en 5 ten laste gelegde. Verdachte had volgens haar redelijkerwijs kunnen vermoeden dat de in zijn woning aangetroffen goederen, namelijk de visspullen, de buitenboordmotor en de aanhangwagen van diefstal afkomstig waren.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

3. Door en namens verdachte is allereerst vrijspraak bepleit van het onder 1 primair ten laste gelegde, nu verdachte geen opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer]. Voor zover het onder 1 subsidiair ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard, heeft de verdediging een beroep gedaan beroep gedaan op noodweer, nu het slaan met de honkbalknuppel het gevolg is geweest van de noodzakelijke verdediging van zichzelf tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, om welke reden verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Ten aanzien van het een bewezenverklaring voor onder 2 ten laste gelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Voor het onder 3 ten laste gelegde is eveneens vrijspraak bepleit, nu verdachte ontkent dat hij [slachtoffer] heeft gestoken, dan wel steekbewegingen richting die [slachtoffer] heeft gemaakt. Naast de getuigenverklaringen van [getuige B] blijkt nergens uit dat verdachte daadwerkelijk een mes op zak heeft gehad en met dit mes steekbewegingen heeft gemaakt. Daarnaast dient behoedzaam te worden omgegaan met de verklaringen van de getuige en aangever, nu beiden onder invloed waren van verdovende middelen.

Tot slot is ten aanzien van het onder 4 en 5 ten laste gelegde ook vrijspraak bepleit. Daartoe is allereerst aangevoerd dat de visspullen en de buitenboordmotor weliswaar in de woning van verdachte zijn aangetroffen, maar dat verdachte niet wist en niet kon weten dat deze goederen door een misdrijf waren verkregen. Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde is er enkel de verklaring van getuige [getuige C] die in de richting van verdachte wijst. Eén enkele getuigenverklaring is echter onvoldoende voor een veroordeling.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank oordeelt als volgt.

Ten aanzien van de feiten 1 tot en met 3

5. Op 27 augustus 2010 doet [slachtoffer] aangifte2 tegen verdachte. Hij verklaart allereerst dat hij van 25 op 26 augustus 2010 in aanwezigheid van verdachte was en dat hij - [slachtoffer] - op een gegeven moment kwaad werd op verdachte. [slachtoffer] is toen naar verdachte toegegaan. Toen [slachtoffer] bij verdachte was, zag hij dat verdachte een mes in zijn handen had en dat verdachte met het mes een steekbeweging maakte in de richting van de buik van [slachtoffer]. Doordat [slachtoffer] naar achteren kon springen, raakte verdachte hem niet voluit. Het mes raakte de rits van de jas, het mes ging door de jas en het vest van [slachtoffer] heen en raakte [slachtoffer] nog net een stukje in zijn vel.3

[slachtoffer] verklaart verder dat hij op 27 augustus 2010 op het adres [adres] te Heerde bezig was met zijn brommer en dat hij op dat moment verdachte zag aankomen rijden met een auto. [slachtoffer] zag dat verdachte met een houten honkbalknuppel uit de auto stapte en op [slachtoffer] kwam aflopen. Verdachte had zijn arm geheven en hij had de honkbalknuppel in zijn hand. [slachtoffer] zag dat verdachte met de knuppel een zwaai maakte in zijn richting. [slachtoffer] weerde de slag met zijn rechteronderarm af, waardoor verdachte hem met de knuppel op zijn rechterelleboog raakte. De daaropvolgende slag kwam op de rechterhand van [slachtoffer] terecht. Daarna is [slachtoffer] nog geraakt op zijn heup en in zijn zij. Volgens [slachtoffer] is hij een keer of acht geraakt.4

Tijdens het doen van de aangifte verklaart [slachtoffer] tot slot nog dat hij weet dat verdachte een wapen in zijn huis heeft liggen, te weten een 9 mm.5 [slachtoffer] herkent op een later moment het hem getoonde pistool - een zwarte Browning - als het pistool welke hij in de woning van verdachte heeft gezien.6

De aangifte van [slachtoffer] over het gebeuren op 27 augustus 2010 wordt bevestigd door getuige [getuige A].7 Hij heeft verklaard dat hij die avond - 27 augustus 2010 - samen met [slachtoffer] bij [getuige D] aan de [adres] te Heerde was. Toen hij samen met [slachtoffer] buiten aan de brommer sleutelde, zag hij verdachte het erf oprijden. Hij zag dat verdachte de auto uitstapte en met een honkbalknuppel in zijn hand in de richting van [slachtoffer] liep. Hij zag dat verdachte met de knuppel op de rechterarm van [slachtoffer] sloeg. [slachtoffer] pakte hierop een hark van de grond en hield de steel van de hark voor zijn lichaam. Getuige [getuige A] zag dat verdachte [slachtoffer] vervolgens nog een paar keer met de honkbalknuppel sloeg en [slachtoffer] hierbij op zijn lichaam raakte en ook een paar de hark raakte.8 Ook getuige [getuige D] heeft de aangifte van [slachtoffer] bevestigd en daartoe verklaard, dat zij zag dat verdachte met een honkbalknuppel [slachtoffer] sloeg, waarbij zij zag dat [slachtoffer] zijn arm omhoog deed om af te weren. Getuige [getuige D] zag dat de knuppel de arm van [slachtoffer] raakte. Voorts heeft zij verklaard dat verdachte vier á vijf keer [slachtoffer] geraakt heeft, volgens haar onder meer in zijn zij, aan de zijkant van zijn hoofd en zijn schouder.9

Verdachte heeft erkend dat hij [slachtoffer] op 27 augustus 2010 met een honkbalknuppel geslagen heeft. De honkbalknuppel behoorde toe aan [slachtoffer], maar is door hem - verdachte - uit de auto gepakt.10

6. Ter beoordeling staat vervolgens de vraag of sprake is van een poging tot zware mishandeling. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Voorts is van belang dat naar vaste rechtspraak bepaalde handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg, dat het niet anders kan, dan dat degene die de handelingen verricht, de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard.

Met een houten honkbalknuppel inslaan op een persoon, is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard. Gezien de wijze waarop, de mate waarin en de omstandigheden waaronder het voorgaande heeft plaatsgevonden, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer in geval van voltooiing van het voorgenomen misdrijf, zwaar lichamelijk letsel in voormelde zin zou hebben opgelopen. Het onder 1 primair ten laste gelegde kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

7. Verdachte heeft tijdens het verhoor naar aanleiding van de aangifte van [slachtoffer] verklaard dat er een wapen in zijn - verdachtes - woning aan de [adres] te Wezep ligt. Hij geeft aan dat dit wapen van [slachtoffer] is.11 Bij de doorzoeking in de woning van verdachte wordt op 27 augustus 2010 een vuurwapen aangetroffen en in beslag genomen.12 Het betreft een gaspistool van het merk Umarex, model FN Browning, kaliber 9 mm en is en vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3, gelet op artikel 2, eerste lid, categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie.13

Gelet op het voorgaande, alsmede gelet op de hiervoor onder 5 weergegeven verklaring van [slachtoffer], is de rechtbank van oordeel dat verdachte het vuurwapen voorhanden heeft gehad ook al is het wapen - volgens zijn eigen verklaring - niet van hem.

8. Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting ontkend dat hij [slachtoffer] van 25 op 26 augustus 2010 met een mes heeft gestoken, dan wel een stekende beweging richting [slachtoffer] heeft gemaakt.14

De rechtbank is dienaangaande van oordeel dat verdachte van het onder 3 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Hoewel ten aanzien van dit feit het wettig bewijs voorhanden lijkt te zijn, te weten de hiervoor weergegeven aangifte van [slachtoffer]15 en de verklaring van getuige [getuige B]16, acht de rechtbank dit bewijs niet overtuigend om tot de conclusie te komen dat verdachte in de nacht van 25 op 26 augustus 2010 [slachtoffer] met een mes heeft gestoken. De rechtbank acht daartoe onder meer van belang dat [slachtoffer] eerst twee dagen naar het vermeende voorval hiervan aangifte heeft gedaan. Dat wekt bij zo een ernstig feit dat hem zou zijn aangedaan bevreemding. De aangifte wordt bovendien enkel ondersteund door de verklaring van zijn vriendin. Daarbij komt dat, zoals ook door de raadsvrouw is opgemerkt, het merkwaardig is dat [slachtoffer] de kleding (de jas en het vest), welke hij die nacht aan had en welke zou zijn beschadigd, naar eigen zeggen niet meer heeft kunnen terugvinden. Een onderzoek aan die kleding heeft daarmee ook niet kunnen plaatsvinden.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Ten aanzien van feit 4

9. Bij de doorzoeking op 27 augustus 2010 in de woning van verdachte te Wezep zijn diverse goederen aangetroffen17 die blijkens onderzoek van de politie afkomstig waren van diefstal, waaronder visspullen18 en een buitenboordmotor19. Verdachte heeft ten aanzien van de visspullen en buitenboordmotor in eerste instantie verklaard dat deze spullen van hem waren.20 Bij een latere gelegenheid en ter terechtzitting heeft hij verklaard dat deze visspullen van [slachtoffer] zijn en dat laatstgenoemde deze spullen naar de woning van verdachte heeft genomen dan wel dat verdachte en [slachtoffer] deze spullen bij de woning van [slachtoffer] hebben opgehaald.21 Verdachte heeft tevens bij de politie als ter terechtzitting verklaard dat [slachtoffer] en diens vriendin tijdelijk bij verdachte in de woning verbleven en dat [slachtoffer] en diens vriendin in de nachtelijke uren vaak spullen van de woning van verdachte brachten, van welke spullen verdachte vermoedde dat deze van diefstal afkomstig waren.

Hoewel deze verklaring en de diverse wisselende verklaringen van verdachte over de visspullen bevreemding wekken, kan echter niet gezegd worden dat verdachte juist van deze goederen moest vermoeden dat deze afkomstig waren van diefstal, nu hij ook heeft verklaard dat hij zelf veel visspullen heeft, regelmatig ging vissen met [slachtoffer] en derhalve aanvankelijk dacht dat de in zijn woning aangetroffen visspullen van hem of van [slachtoffer] waren. Hoewel verdachte ook heeft aangegeven dat [slachtoffer] en diens vriendin regelmatig spullen naar de woning brachten, waarvan verdachte vermoedde dat deze van diefstal afkomstig waren, heeft verdachte in dit verband niet specifiek verklaard over de visspullen, maar in het bijzonder een servies en een vaas genoemd.

Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat de visspullen van een misdrijf afkomstig waren. Het voorgaande geldt evenzeer voor de bij verdachte in de woning aangetroffen buitenboordmotor. Hoewel hij ook ten aanzien van dit voorwerp wisselende verklaringen heeft afgelegd, kan naar het oordeel niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat verdachte zich ten aanzien van dit voorwerp heeft schuldig gemaakt aan schuldheling. Verdachte dient derhalve van het onder 4 ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

10. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verdachte ook van het onder 5 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, nu enkel getuige [getuige C] verklaart over de betrokkenheid van verdachte bij dit feit. De verklaring van de getuige, welke door verdachte met klem is betwist, wordt niet ondersteund door enig ander bewijsmiddel.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op 27 augustus 2010 te Heerde ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet deze [slachtoffer] meermalen met een honkbalknuppel op/tegen zijn (rechter)arm en zijn (rechter)hand en zijn heup en zijn zij, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij in de periode van 20 augustus 2010 tot en met 27 augustus 2010 te Wezep, gemeente Oldebroek, een wapens van categorie III, te weten een vuurwapen, merk Browning, type 9mm, voorhanden heeft gehad.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

11. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Bespreking van het beroep op noodweer ten aanzien van feit 1

12. Door en namens verdachte is ten aanzien van feit 1 een beroep op noodweer gedaan, waarbij is aangevoerd dat verdachte bij de woning van getuige [getuige D] door [slachtoffer] met een hark werd aangevallen. Tegen deze ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding diende hij zich te verdedigen, waarop hij uit de auto een honkbalknuppel heeft gepakt en [slachtoffer] daarmee heeft geslagen.

13. De rechtbank is van oordeel dat de door verdachte gestelde feiten en omstandigheden niet aannemelijk zijn geworden en dat derhalve niet kan worden geconcludeerd dat sprake was van een noodweersituatie. De verklaring van verdachte dat hij eerst werd aangevallen door [slachtoffer], wordt niet ondersteund door enig ander bewijsmiddel. Het verweer wordt derhalve verworpen.

14. Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

Feit 1 primair: poging tot zware mishandeling

Feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met een vuurwapen van categorie III.

Strafbaarheid van de verdachte

15. Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

16. De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ten aanzien van het onder 1 primair, 2, 3 subsidiair, 4 en 5 ten laste gelegde te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 210 (tweehonderdentien) dagen met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

17. Ten aanzien van een eventuele strafoplegging is door de verdediging naar voren gebracht om te volstaan met het opleggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van de voorlopige hechtenis en voor het overige deel een voorwaardelijke gevangenisstraf eventueel vermeerderd met een (voorwaardelijke) werkstraf. Voorts verzoekt de verdediging aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht te koppelen.

18. De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

19. De rechtbank heeft in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever [slachtoffer] door hem met een honkbalknuppel te slaan. De omstandigheid dat het slachtoffer daardoor niet meer letsel heeft overgehouden is een gelukkige omstandigheid die geenszins aan verdachte is te danken. De ervaring leert dat slachtoffers van geweldsmisdrijven daarvan ook nog lange tijd de psychisch nadelige gevolgen kunnen ondervinden. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte een vuurwapen in zijn woning heeft gehad. Hoewel van het wapen niet alle onderdelen meer aanwezig waren en derhalve niet meer naar behoren functioneerde, kan een dergelijk wapen nog wel gebruikt worden voor afdreiging.

20. De rechtbank heeft tevens bij haar straftoemeting betrokken dat verdachte blijkens zijn uittreksel justitiële documentatie reeds eerder is veroordeeld voor geweldsmisdrijven en voorts dat hij ten tijde van het plegen van de onderhavige feiten nog in twee proeftijden liep. Verdachte laat zich aan die eerdere veroordelingen en de daarin begrepen waarschuwingen kennelijk niets gelegen liggen.

21. Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank in aanmerking genomen de (vele) over hem opgemaakte rapporten van de reclassering. Daaruit komt onder meer naar voren dat verdachte afhankelijk is geworden van speed- en cannabisgebruik en dat bij hem sprake is van een criminele en drugsgerelateerde woonomgeving, waarin hij het risico loopt dat er herhaalde escalaties plaatsvinden. De indruk bestaat dat hij hier niet op eigen kracht vanaf kan komen. Er is sprake van een zeer negatieve criminogene invloed vanuit de sociale omgeving. Verdachte was zich hiervan bewust, wilde zich aan deze negatieve invloed onttrekken en wilde zich laten behandelen. Het recidiverisico was (en is) volgens de reclassering hoog gemiddeld.

Op 17 december 2010 is de voorlopige hechtenis geschorst zodat verdachte kon worden opgenomen bij Stichting Ontmoeting te Hummelo en aansluitend bij het Intramuraal Motivatie Centrum (hierna: IMC) van Tactus, instelling voor verslavingszorg te Zutphen teneinde aldaar te worden behandeld. Uit het voortgangsverslag van de reclassering van 12 januari 2011 bleek echter dat verdachte de schorsingsvoorwaarden niet nakwam en dat hij zonder enige berichtgeving was vertrokken uit de Time Out voorziening van Stichting De Ontmoeting. Op 12 januari 2011 was er telefonisch contact tussen verdachte en de reclassering, waarbij de reclassering tegen hem heeft gezegd dat hij op 18 januari 2011 bij het IMC kon worden opgenomen en dat hij daarvoor zelf de verantwoordelijkheid droeg. Verdachte gaf aan alsnog te zullen en willen kiezen voor een opname bij het IMC en hij zou zelf contact opnemen. Op dat het moment dat verdachte contact opnam met het IMC bleek dat hij inmiddels van de wachtlijst was verwijderd en dat hij daar niet meer terecht kon. De reden daarvoor was dat hij te laat contact had opgenomen.

In het rapport van 25 februari 2011 geeft de reclassering aan dat er sprake is van onverminderde verslavings- en psychische problemen alsmede problematiek met betrekking tot maatschappelijke re-integratie. Behandeling voor zijn verslaving en zijn psychische problematiek dient vooraf te gaan aan maatschappelijke re-integratie. Voorts concludeert de reclassering dat de problematiek van verdachte zodanig is dat ambulante begeleiding of behandeling thans niet realiseerbaar wordt geacht. Een nieuwe (poging tot) behandeling zal naar de mening van de reclassering in eerste instantie een klinisch traject dienen te zijn, maar voor een dergelijk traject is een NIFP/IFZ indicatiestelling vereist. Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat. De reclassering trekt haar aanbod om verdachte te begeleiden en/of te behandelen in en adviseert om aan verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen zonder daaraan bijzondere voorwaarden te koppelen.

22. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden passend en geboden is. Deze straf is lager dan door de officier van justitie is geëist, nu verdachte van 3 feiten zal worden vrijgesproken. De rechtbank rekent verdachte met name het slaan met de honkbalknuppel zwaar aan en is van oordeel dat met een lagere straf, mede gelet op verdachtes strafblad, niet kan worden volstaan.

De rechtbank ziet - mede gelet op het verloop van schorsing van de voorlopige hechtenis en de eerdere voorwaardelijke veroordelingen - geen aanleiding om verdachte wederom een deels voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde van reclasseringtoezicht. De rechtbank zal dan ook volstaan met het opleggen van voormelde onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Dit betekent dat verdachte enkel wordt "afgestraft". Gelet op de omstandigheid dat verdachte tot tweemaal toe het hem aangeboden hulptraject heeft afgewezen danwel geweigerd, door eerst vanuit Hummelo weg te lopen onder de mededeling dat hij niet meer naar het IMC wil en door vervolgens niet tijdig alsnog contact met het IMC op te nemen, heeft verdachte zijn kansen verspeeld. Het is nu aan hem om zelfstandig - na het uitzitten van de op te leggen gevangenisstraf - hulp te gaan zoeken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 45, 91 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

Feit 1 primair: poging tot zware mishandeling

Feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met een vuurwapen van categorie III;

en verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden;

* beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

* heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde straf.

Aldus gewezen door mrs. Ouweneel, voorzitter, Van der Mei en Knoop, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Meerdink, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 maart 2011.

Eindnoten

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer PL0618 2010127542-99, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Noordwest Veluwe, gesloten en ondertekend op 19 oktober 2010.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] (p.50-53)

3 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] (p.51)

4 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] (p.52)

5 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] (p.52)

6 Proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer] (p.58)

7 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige A] (p.64-66)

8 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige A] (p.65)

9 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige D] (p.69)

10 Proces-verbaal van verhoor van verdachte (p.92) en zijn ter terechtzitting van 4 maart 2011 afgelegde verklaring.

11 Processen-verbaal van verhoor van verdachte (p.93 en 98)

12 Proces-verbaal van bevindingen (p.85-86)

13 Proces-verbaal (p.161-162)

14 Proces-verbaal van verhoor van verdachte (p.99) en zijn ter terechtzitting van 4 maart 2011 afgelegde verklaring.

15 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] (p.51)

16 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige B] (p.79)

17 Proces-verbaal van bevindingen (p.87)

18 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer B] (p.196-198) en zijn aanvullende verklaring (p.200-201) en proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer C] (p.228-231)

19 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer D] (p.215)

20 Proces-verbaal van verhoor van verdachte (p.100-101)

21 Proces-verbaal van verhoor van verdachte (p.206 en p.207)