Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BP6677

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
16-02-2011
Datum publicatie
03-03-2011
Zaaknummer
108041 - HA ZA 09-1456
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtsverwerking. Aanvulling van de rechtsgronden. Gedaagden hebben het recht verwerkt om, voor zover zij daartoe bevoegd zouden zijn geweest, omvangrijke afboekingen ten laste te brengen van de aan eiser als voorschot toegekende maandelijkse fee.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 108041 / HA ZA 09-1456

Vonnis van 16 februari 2011

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Naam 1] ACCOUNTANCY & ADVIES B.V.,

gevestigd te [plaats],

2. [eiser],

wonende te [plaats],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. J.J. Dekker te Lisse,

tegen

1. de maatschap [Naam 2] & CO ACCOUNTANTS & ADVISEURS,

gevestigd te [plaats],

2. [gedaagde],

wonende te [plaats] (voorheen [plaats]), België,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. J. Vestering te Hengelo.

Partijen zullen hierna mede [eisers] en [gedaagden] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 10 maart 2010

- het proces-verbaal van comparitie van 17 juni 2010

- de akte inbreng producties van [gedaagden]

- de akte na comparitie van partijen van [gedaagden]

- de antwoordakte na comparitie [eisers]

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. In juli 2005 is [eisers] een zogeheten Partnerovereenkomst, hierna: de overeenkomst (productie 1 bij dagvaarding), aangegaan met de maatschap [gedaagde sub 1]. Accountants & Adviseurs, hierna ook te noemen: de maatschap. In de overeenkomst is

[Naam 3] B.V., later [Naam 1] Accountancy & Advies BV (eiser sub. 1), aangeduid als “partner 1” en [eiser sub 2] (eiser sub. 2) als “partner 2”. In artikel 10 van de overeenkomst is bepaald dat partner 2 eerst zal worden aangesproken tot nakoming van de verplichtingen op grond van de overeenkomst, indien en voor zover partner 1 haar verplichtingen jegens de maatschap niet nakomt. De overeenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd, ingaande vanaf 15 augustus 2005 en eindigend op 31 december 2006. Partijen hebben de overeenkomst na 31 december 2006 stilzwijgend voortgezet.

2.2. Van de overeenkomst maken deel uit enkele, eveneens door genoemde partijen ondertekende, bijlagen, waaronder een bijlage genaamd “overeenkomst inzake de bij [gedaagde sub 1]. gebruikelijke voorwaarden ten aanzien van de productie, declaratie en inning, af- en bijschrijvingen en vergoeding van de partner”, hierna te noemen: bijlage 2. Voorts betreft het een bijlage genaamd “relatiebeding”, hierna te noemen: bijlage 4.

2.3. Eveneens in juli 2005 hebben voornoemde partijen een door de maatschap opgesteld voorstel inzake toetreding tot de maatschap, hierna: voorstel tot toetreding (productie 2 bij dagvaarding), voor akkoord ondertekend. In het voorstel tot toetreding staat onder meer:

“(…)Per 1 januari 2007 zult u toetreden tot profitcenter Den Haag van de maatschap [gedaagde sub 1]. Accountants & Adviseurs. (…) Zoals u bekend is, zal - naar de verwachting per heden - de praktijk Den Haag vanaf 1 januari 2007 (...) worden bestuurd door twee toetreders, waaronder u, waarbij ieder 50% in het geheel participeert (en derhalve tevens in de goodwill/omzet). (…)”

2.4. [eisers] heeft notulen overgelegd genaamd “NAVERGADERING MAATSCHAP D.D. 10 MAART 2007. (….) betreft: mogelijke toetreding van [eiser sub 2] (…)” (productie 9 bij conclusie van antwoord in reconventie.) In de notulen staat onder meer:

“(…)[eiser sub 2] geeft te kennen dat hij het vertrouwen wenst te hebben van andere maten omtrent zijn functioneren daar anders een vennotabele positie voor hem geen zin heeft.

(…)Hierop verlaat [eiser sub 2] de vergadering voor een time out in verband met overleg door de andere maten.

Voorzitter deelt daarop [eiser sub 2] de uitslag van de stemming mee en wenst hem geluk. (…)Ter zake van de financiële afwikkeling is toetreding eerst geformaliseerd op het moment dat de kapitaalstorting ter grootte van € 400.000 heeft plaatsgevonden. Deze dient uiterlijk plaats te vinden op 30 juni 2007. Indien dit niet het geval mocht zijn, zal de toetreding niet plaatsvinden op 1 januari 2007 maar 1 juli 2007 (…)”

De toetreding van [eisers] tot de maatschap heeft niet plaatsgevonden.

2.5. Bij e-mail van 28 april 2008 (productie 5 bij dagvaarding) schrijft [eiser sub 2] aan de heer [gedaagde sub 2], met een cc aan [naam 4], onder meer:

“(…) Door je voornemen om mij te degraderen tot gewoon accountant, op horizontaal niveau met de andere accountants zoals jij het noemde, maak jij het werken voor [gedaagde sub 1] voor mij onmogelijk. (…) Alle problemen van kantoor Den Haag worden op deze manier ten onrechte in mijn schoenen geschoven. Ik verzoek je nogmaals vriendelijk doch dringend om morgen niet aan te kondigen dat ik vanaf dan geen kantoorleider meer zal zijn, de functie waarvoor ik in 2005 ben aangenomen, en dit niet aan de andere collega’s kenbaar te maken. Zo niet, dan zijn de gevolgen voor jouw rekening. (…)”

2.6. De heer [gedaagde sub 2] en mevrouw [naam 4] hebben op 29 april 2008 een door hen opgesteld, aan alle medewerkers van het kantoor te Den Haag gericht memo verzonden (productie 4 bij dagvaarding) waarin onder meer staat:

“(…)Dit houdt in dat [eiser sub 2] met ingang van heden geen (eind)verantwoordelijkheid als kantoorleider meer heeft (…)”

2.7. Bij e-mail van 7 mei 2008 (productie 7 bij dagvaarding) heeft [gedaagde sub 2] aan [eiser sub 2] een bijlage met nummer m108068 doen verzenden betreffende “bevoorschotting partnerovereenkomst”. In deze bijlage staat onder meer:

“(…)

[eiser sub 2],

Ik heb heden geconstateerd, dat de bevoorschotting op de partnerovereenkomst in 2005 tot en met heden veel te hoog is geweest

(…)

Oorzaken zijn onder meer (voorlopige conclusie tot en met heden):

- geen rekening gehouden met uren [eiser sub 2] niet geïnd (zie bijlage 1). uren assistenten niet geind op [eiser sub 2] cliënten (productieuren [eiser sub 2] 100%) € 35.761 (Dart) + assistenten

€ 15 000 (100%) = € 50.761;

-financiering ohw/debiteuren cliënten door [eiser sub 2] ingebracht (zie bijlage 2) = circa

€ 173 000;

cliënten waar kwesties mee zijn als gevolg van (wellicht) handelen/nalaten [eiser sub 2]: Thales + PM. circa € 115.751 (100% uren [eiser sub 2]);

- incassokosten PM.

(…)

Oplossing

1 Terugbetaling te hoge bevoorschotting: in onderling overleg. (…) Ons voorstel is restitutie ad € 62 707: uit een te hoge bevoorschotting

2. Financiering ohw + debiteuren [eiser sub 2] cliënten € 122 239 (…) in onderling overleg in te kopen (…)”

2.8. Bij e-mail van 7 mei 2008 (productie 6 bij dagvaarding) schrijft [eiser sub 2] aan de heer [gedaagde sub 2], met een cc aan [naam 4], onder meer;

“(…)Zoals jij op maandagavond 28 april reeds aankondigde “vallen er een aantal uren weg, en de hoogte van het door mij te hanteren tarief is een ander probleem.”

Daarnaast heb ik inmiddels ook het memo van vandaag, met nummer m108.068 inzake bevoorschotting partnerovereenkomst, ontvangen. Met de inhoud daarvan kan ik mij eveneens volstrekt niet verenigen. (…) Onder voorbehoud van alle rechten en weren,(….)”

2.9. Bij brief van 20 juni 2008 (productie 9 bij dagvaarding) aan [gedaagden] schrijft [eisers] onder meer:

“(…)

1. Wij (…) bereikten overeenstemming over de beëindiging van onze samenwerkingsovereenkomst per 31 juli 2008 (…)

2. (…)

3. Verder spraken wij af dat ik alle cliënten die ik per 15 augustus 2005 inbracht mee zal nemen, en dit zonder meer zonder enigerlei vergoeding verschuldigd te zijn. Zoals gevraagd zend ik hierbij als bijlage 1 een kopie van de bijlage 1 bij de partnerovereenkomst, waarop deze cliënten zijn vermeld.

4. In mijn visie geldt dit laatste ook voor de door mijzelf na 15 augustus 2005 geworven cliënten die ik meeneem; u meende dat ik voor die cliënten wel een vergoeding zou moeten betalen en u niet voor de resterende door mijzelf na 15 augustus 2005 geworven cliënten, die u overneemt.

(…)

Ik maak van de gelegenheid gebruik u nogmaals te verzoeken mijn voorschotten over de maanden april en mei onmiddellijk en over juni en juli binnen de daarvoor geldende termijn daadwerkelijk uit te betalen (…)”

2.10. Bij e-mail van 30 juni 2008 (productie 10 bij dagvaarding) heeft [eiser sub 2] aan [gedaagde sub 2] in een bijlage een overdrachtslijst toegezonden. De overdrachtslijst geeft een overzicht van de stand van zaken met betrekking tot de reeds verrichte en nog te verrichten werkzaamheden door [eiser sub 2] voor cliënten en de stand van zaken met betrekking tot de overdracht daarvan. In de lijst zijn de cliënten ingedeeld in drie categorieën, te weten “Cliënten kantoor”, “Eigen cliënten per 15 augustus 2005” en “Eigen cliënten verworven na 15 augustus 2005”.

2.11. [eisers] heeft de twee door haar van [gedaagden] ontvangen voorlopige afrekeningen in het geding gebracht. Het betreft een per e-mail d.d. 30 mei 2006 (productie 15 bij dagvaarding) verzonden “Concept rekening overzicht 2005 (voorlopig)”. In de begeleidende e-mail staat onder meer: “Beste [eiser sub 2], conform afspraak bijgaand het voorlopige overzicht. Het overzicht is nog ter nadere beoordeling van de raad van bestuur”. In de bij deze e-mail gevoegde bijlage wordt bij “Beloning [eiser sub 2] (voorlopig)” onder meer een onderscheid gemaakt tussen “Produktie [eiser sub 2] op eigen cliënten”, “Productie assistenten op cliënten [eiser sub 2]” en “productie [eiser sub 2] op andere cliënten*”. Bij het * onderaan de pagina staat:

“Er is door [eiser sub 2] gewerkt op cliënten behorende tot een andere cliënthandler, waarbij de gemaakte produktie nog niet geïnd is. Indien deze definitief niet binnen komt, kan dit conform partnerovereenkomst leiden tot een correctie van de beloning. Het leidt tot correctie in negatieve zin, wanneer partner de opdracht zelf heeft gegenereerd en/of het niet inbaar zijn aan partner te verwijten is. Dit met inachtneming van de gebruikelijke voorwaarden (bijlage 2 bij partnersovereenkomst).”

In deze bijlage staat bij “BELONING [eiser sub 2] (voorlopig)” een bedrag van € 22.286,00 vermeld.

Voorts betreft het een per e-mail van 13 september 2007 (productie 16 bij dagvaarding) door [gedaagden] aan [eisers] gezonden rekening courant overzicht over 2006, eveneens onder de vermelding dat het nog ter nadere beoordeling is van de raad van bestuur. In de bij deze e-mail gevoegde bijlage inzake de aan [eiser sub 2] toekomende beloning wordt dezelfde indeling en toelichting gehanteerd als in de hiervoor genoemde bijlage voor 2005. Bij “BELONING [eiser sub 2] (voorlopig)” staat in deze bijlage een bedrag van € 99.832,00 vermeld.

2.12. Bij brief van 6 januari 2009 (productie 17 bij dagvaarding) heeft de advocaat van [eisers] aan [gedaagden] een eindafrekening toegezonden. Daarbij is het door [gedaagden] aan [eisers] nog te betalen bedrag berekend op € 368.415,00 en is [gedaagden] tot betaling gesommeerd.

2.13. Bij brief van 24 april 2009 (productie 18 bij dagvaarding) heeft [gedaagde sub 2] namens [gedaagde sub 1] Accountants & Adviseurs aan de advocaat van [eisers] een afrekening toegezonden inzake “[eiser sub 2]”. In de brief schrijft [gedaagde sub 2] onder meer:

“(…)

Uit het geheel blijkt dat er sprake is van een grote vordering van ons op uw cliënten. Voor de grondslag van onze berekeningen/stellingnamen verwijzen wij u naar hetgeen partijen zijn overeengekomen in de partnerovereenkomst met daarbij behorende bijlagen, in het bijzonder naar het bepaalde in artikel 1 lid 5 van de partnerovereenkomst. Daarbij merken wij tevens op dat uw cliënten vanaf 1 januari 2006 tot en met april 2008 de positie van kantoorleider heeft vervuld. (…) Voor de goede orde vermelden wij dat de door uw cliënten opgestelde eindafrekening d.d. januari 2009 onjuist is. (…)”

In de bij deze brief gevoegde bijlage is berekend dat [eisers] aan [gedaagden] nog in totaal een bedrag van € 753.751,00 verschuldigd is.

3. Het geschil

in conventie

3.1. [eisers] vordert samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagden] tot betaling aan eiseres sub. 1 een bedrag van € 321.232,00 vermeerderd met de lopende contractuele rente met ingang van 1 januari 2009 en voorts tot betaling van een bedrag van € 7.682,52, vermeerderd met € 971,25 alsmede met de wettelijke handelsvertragingsrente met ingang van 1 januari 2009 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede de buitengerechtelijke kosten en, hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten.

3.2. [gedaagden] voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4. [gedaagden] vordert samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling, veroordeling van [eisers], hoofdelijk, des dat de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, tot betaling van € 753.751,00, vermeerderd met buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 5.160,00 tevens vermeerderd met een rentepercentage per jaar gelijk aan staatsleningen (looptijd 5 jaar) per 1 januari plus 1,5% althans vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW, althans de wettelijke rente, vanaf 17 februari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening en met veroordeling van [eisers] in de kosten van de onderhavige procedure.

3.5. [eisers] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen de vorderingen hierna gezamenlijk beoordeeld worden.

De procespartijen

4.2. [eisers] heeft haar vorderingen ingesteld tegen de maatschap en tegen de heer [gedaagde sub 2] in privé. Tussen partijen staat als onbetwist vast dat [eisers] de overeenkomst waarop zij haar vorderingen doet steunen is aangegaan met gedaagde sub. 1 in conventie, de maatschap. Onder verwijzing naar Hoge Raad 5 november 1976, NJ 1977, 586 heeft [eisers] daarbij opgave gevraagd van degenen die - naar de rechtbank aanneemt: per 31 juli 2008, toen de overeenkomst tussen partijen is beëindigd - deel uitmaken van de maatschap. Bij gebreke van een deugdelijke opgave, zo stelt [eisers], dient gedaagde sub. 2 in conventie, [gedaagde sub 2], als maat te worden aangemerkt. Door [gedaagden] is betwist dat [gedaagde sub 2] toentertijd deel uitmaakte van de maatschap en is geen opgave gedaan van degenen die op 31 juli 2008 deel uitmaakten van de maatschap.

4.3. Uit het door [eisers] aangehaalde arrest van de Hoge Raad volgt dat indien ten behoeve of ten laste van een maatschap een vordering in rechte wordt ingesteld, in die gevallen waarin die maatschap op een voor derden duidelijke wijze onder een bepaalde naam aan het rechtsverkeer deelneemt het is toegestaan in de dagvaarding de naam van de maatschap te vermelden in plaats van de namen der afzonderlijke vennoten. Nu hier sprake is van een maatschap die op een voor derden duidelijke wijze onder een bepaalde naam aan het rechtsverkeer deelneemt – ook wel genaamd: een openbare maatschap – kon de dagvaarding op naam van de maatschap worden uitgebracht. Vergelijk het bepaalde in artikel 51 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

Uit hetzelfde arrest volgt voorts dat in dat geval [eisers] van [gedaagden] kan verlangen dat aan haar de namen en woonplaatsen van de vennoten van de maatschap (per 31 juli 2008) worden medegedeeld. Nu [gedaagden] die opgave nog niet heeft gedaan en daarentegen slechts heeft betwist dat [gedaagde sub 2] op dat moment deel uitmaakte van de maatschap, wordt [gedaagden] alsnog opgedragen, bij akte, aan te geven de namen van en woonplaatsen, althans in geval van rechtspersonen: de statutaire vestigingsplaatsen, van degenen die op 31 juli 2008 deel uitmaakten van de maatschap. Alsdan kan tevens het verweer van gedaagde sub. 2 in conventie dat hij geen deel heeft uitgemaakt van de maatschap, worden beoordeeld.

4.4. [eisers] heeft in reconventie gesteld dat [gedaagden] ten onrechte haar vorderingen ook heeft ingesteld jegens [eiser sub 2] (gedaagde sub. 2 in reconventie) en een hoofdelijke veroordeling vordert. Gelet echter op het bepaalde in artikel 10 van de overeenkomst, zoals hiervoor bij randnummer 2.1. aangehaald, is ook [eiser sub 2] partij bij de overeenkomst met [gedaagden] In zoverre heeft [gedaagden] haar vorderingen in reconventie ook kunnen richten tegen [eiser sub 2]. Het bepaalde in artikel 10 van de overeenkomst brengt echter tevens mee dat, zoals [eisers] heeft gesteld, er geen sprake is van een hoofdelijke verbondenheid van gedaagden in reconventie. Uit deze bepaling volgt immers dat [eiser sub 2] enkel voor de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen door [gedaagden] kan worden aangesproken, indien en voor zover [Naam 1] Accountancy & Advies B.V. haar verplichtingen jegens de maatschap niet nakomt.

Voorts in conventie en in reconventie

4.5. De tussen partijen bestaande geschillen waarop zij over en weer hun vorderingen hebben gebaseerd zijn, zoals ook door partijen ter comparitie is bevestigd, op hoofdlijnen terug te voeren op twee kwesties waarover zij verdeeld zijn.

In de eerste plaats is dat de vraag ten aanzien van welke cliënten [eisers] heeft te gelden als cliënthandler, dit in verband met de verstrekkende betekenis die het al of niet zijn van cliënthandler heeft voor de financiële afwikkeling van de rechtsrelatie.

In de tweede plaats is dat de vraag of en in hoeverre [gedaagden] aan [eisers] goodwill verschuldigd is in verband met de door [eisers] op persoonlijke titel en uit diens persoonlijke netwerk ingebrachte cliënten, zoals bedoeld in artikel 1 lid 4 van de overeenkomst.

Zoals ter comparitie van partijen is besproken zal de rechtbank eerst deze twee vragen behandelen. Partijen hebben ter comparitie de rechtbank voorts verzocht hoger beroep mogelijk te maken van dit tussenvonnis, welk verzoek de rechtbank zal honoreren.

Cliënthandler

4.6. In de overeenkomst (productie 1 bij dagvaarding) is in artikel 1 lid 4 onder meer bepaald (waarbij met “Partner” is bedoeld [eisers]):

“(…)

Van de door Partner op persoonlijke titel en uit het persoonlijke netwerk van partner in te brengen cliënten gedurende de periode 15 augustus 2005 tot en met 31 december 2006 door Partner ingebracht zullen [gedaagde sub 1]. en Partner in overleg een lijst opstellen welke aan deze overeenkomst wordt gehecht als bijlage 1. Toevoeging en aanvulling op deze lijst zullen niet plaatsvinden zonder overleg en eerst na goedkeuring van zowel [gedaagde sub 1]. als Partner.”

In artikel 1 lid 5 van de overeenkomst is onder meer bepaald:

“Voor de cliënten door de Partner ingebracht alsmede voor cliënten [gedaagde sub 1]. waarvoor Partner in overleg met [gedaagde sub 1]. aangewezen is als cliënthandler/accountmanager (hierna gezamenlijk te noemen cliënthandler), is de Partner cliënthandler en onder meer verantwoordelijk voor de aspecten vaktechniek, declaratie en inning van de werkzaamheden door de gehele organisatie verricht voor deze cliënten. (…) De Partner zal ter zake van voornoemde aspecten naast de werkzaamheden voor de cliënten waarvoor hij cliënthandler is, tevens werkzaamheden verrichten voor de overige cliënten van [gedaagde sub 1].”

Artikel 2 (“OPBRENGSTEN EN KOSTEN”) van de overeenkomst luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“(…)

1. De Partner zal een jaarlijkse fee ontvangen ter grootte van 60% van de jaarproductie (uren maal tarief) door de Partner voor cliënten van [gedaagde sub 1]. in rekening gebracht en geïnd volgens de bij [gedaagde sub 1]. gebruikelijke voorwaarden (…)

2. Het in lid 1 vermelde percentage van 60% zal worden verhoogd tot 65% indien in enig jaar de productie verricht voor de cliënten waarvoor de Partner cliënthandler is door assistenten en medewerkers van [gedaagde sub 1]. gelijk of groter is dan de productie van de Partner verricht voor cliënten van [gedaagde sub 1]. Beide producties dienen te zijn gedeclareerd en geïnd volgens de bij [gedaagde sub 1]. gebruikelijke voorwaarden.

3. Op deze fee worden verrekend de bij- en afschrijvingen op de productie alsmede oninbare debiteuren met betrekking tot:

- de partneruren × 60% (lid 1) c.q. 65% indien lid 2 van toepassing is;

- de overige productie, ongeacht door wie verricht voor 100%.

Voornoemde productie betreft de cliënten waarvoor Partner cliënthandler is. (...)

4. Bij wijze van voorschot op de fee zal de Partner per maand een vast bedrag ontvangen, waarvan de hoogte in onderling overleg zal worden bepaald, waarbij zal worden uitgegaan van de te prognosticeren productie van de Partner. Het voorschot zal zo mogelijk viermaandelijks doch in ieder geval per kalenderjaar worden verrekend met ontstane rechten uit hoofde van aan de Partner toekomende fee, volgens bij [gedaagde sub 1]. gebruikelijke voorwaarden. (…)”

Artikel 3 (“AF- EN BIJSCHRIJVINGEN”) van bijlage 2 bij de overeenkomst luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“(…)

1. Af- en bijschrijvingen van geproduceerde uren, ongeacht door wie geproduceerd, ten behoeve van cliënten waarvoor de partner cliënthandler is, komen geheel (100%) ten laste resp. ten gunste van de fee ex artikel 4 toekomend aan de partner uit hoofde van de partnerovereenkomst. (…)”

Artikel 4 (“VERGOEDING PARTNER”) van bijlage 2 bij de overeenkomst luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“(…)

1. De fee, toekomend aan de partner, bedraagt 60% resp. 65% van de door de partner geproduceerde uren maal het geldende tarief, met inachtneming van hetgeen bepaald in artikel 1.

2. Op de fee komen vervolgens in mindering dan wel vermeerdering de bedragen uit hoofde van hetgeen per saldo resteert na af- en bijschrijvingen conform artikel 3. (…)

5. (…)

6. Uiterlijk op 31 mei respectievelijk 1 september van het jaar volgende op het betreffende boekjaar, vindt op basis van deze overeenkomst een definitieve afrekening plaats tussen de partner en [gedaagde sub 1]. van de over het desbetreffende boekjaar betaalde fee. (…)”

4.7. Zoals door [gedaagde sub 2] ter comparitie van partijen is toegelicht houden voornoemde bepalingen in de overeenkomst een gelaagdheid in. De eerste laag is, aldus [gedaagde sub 2], dat [eisers] uren maakt op cliënten en ervoor dient te zorgen dat die uren geïnd worden. De tweede laag aldus [gedaagde sub 2] is wanneer de desbetreffende partner ook nog cliënthandler is. “Voor zover de partner cliënthandler is, zijn de afboekingen van de uren van assistenten ook voor zijn rekening”, aldus [gedaagde sub 2] ter comparitie. Deze uitleg van het begrip cliënthandler wordt door [eisers] niet betwist. Uit voornoemde contractuele bepalingen, in het bijzonder artikel 3 lid 1 van bijlage 2, en de daaraan door partijen gegeven uitleg volgt dan ook dat de vraag of de partner ten aanzien van een klant cliënthandler is, in hoge mate bepalend is voor de aan hem toekomende fee. Immers, is de partner cliënthandler van een klant dan dienen alle af- en bijschrijvingen van door assistenten voor die klanten gemaakte uren ten laste van de aan de partner toekomende fee te worden gebracht. Voor zover de partner voor een bepaalde klant niet de cliënthandler is, blijven de eventuele af- en bijschrijvingen op de door anderen voor die klanten gemaakte uren bij de vaststelling van de aan de partner toekomende fee buiten beschouwing. Het wel of niet zijn van cliënthandler heeft in deze contractuele setting derhalve grote betekenis voor het risico van oninbaarheid van gewerkte uren, en daarmee ook op de taakverdeling, met name wat betreft het aansturen van de assistenten daarop.

4.8. Partijen verschillen van mening over de vraag voor welke klanten [eisers] op het kantoor Den Haag is aangewezen als cliënthandler. De stelling van [gedaagden] is dat [eisers] van meet af aan cliënthandler was van “een groot aantal cliënten van kantoor Den Haag (…) Slechts ten aanzien van een beperkt aantal cliënten waarvan een medewerker van kantoor Den Haag cliënthandler is, is dit niet het geval” (conclusie van antwoord in conventie, tevens van eis in reconventie, o.a. randnummer 37). [eisers] heeft daarentegen gesteld dat zij slechts cliënthandler was van de klanten genoemd op de lijst waar in artikel 1 lid 4 van de overeenkomst naar is verwezen en die als bijlage 1 daarbij is gevoegd.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet zonder meer gezegd worden dat de lijst die als bijlage 1 bij de overeenkomst is gevoegd alle klanten weergeeft waarvoor [eisers] als cliënthandler heeft te gelden. Deze lijst betreft immers, zoals uit het bepaalde in artikel 1 lid 4 van de overeenkomst volgt, een lijst van de zogeheten eigen klanten van [eisers] Uit het bepaalde in artikel 1 lid 5 van de overeenkomst (zoals hiervoor ten dele geciteerd) volgt weliswaar dat [eisers] voor die klanten te gelden heeft als cliënthandler, niet kan worden uitgesloten dat [eisers] daarnaast ook voor andere klanten als cliënthandler te gelden heeft. In artikel 1 lid 5 van de overeenkomst is immers bepaald dat [eisers] cliënthandler zou zijn voor zowel zijn eigen klanten als voor klanten die partijen daartoe in overleg zouden aanwijzen. Voor de bepaling van de vraag of en voor welke klanten, naast die genoemd staan in de bijlage 1 bij de overeenkomst, [eisers] het risico van af- en bijschrijvingen draagt, is derhalve van belang of [eisers] ook nog voor andere klanten van het kantoor Den Haag tot cliënthandler is aangewezen. [gedaagden] stelt dat dit het geval is geweest voor vrijwel alle klanten van het kantoor Den Haag, [eisers] heeft dit betwist. Gelet echter op hetgeen hierna nog zal worden geoordeeld komt de rechtbank op dit punt niet aan een bewijsopdracht toe.

De rechtbank acht overigens de stelling van [gedaagden] dat [eisers] van het begin af aan cliënthandler was van het grootste deel van de klanten van het kantoor Den Haag, voorshands niet aannemelijk. Uit twee door [eisers] overgelegde, door [gedaagden] opgestelde, voorlopige afrekeningen, die hiervoor bij randnummer 2.11. zijn aangehaald, blijkt immers dat [eisers] in de jaren 2005 en 2006 het grootste deel van haar productie heeft gemaakt op klanten waarvoor zij niet de cliënthandler was. Zo staat in de voorlopige afrekening 2006 (productie 16 bij dagvaarding) dat de totale productie (uren) van [eisers] in 2006 een waarde had van € 187.087,00, die is uitgesplitst een bedrag van € 32.856,00 voor de productie gemaakt op de “eigen cliënten” en een bedrag van € 147.818,00 voor de productie gemaakt op “andere cliënten”. Bij deze laatste categorie - die derhalve het merendeel van de (voorlopig berekende) omzet van [eisers] in 2006 betreft - staat expliciet dat [eisers] gewerkt heeft voor cliënten behorend tot een andere cliënthandler, te weten [Naam 5].

Gelet op hetgeen hierna wordt geoordeeld geldt voorts nog ten overvloede dat aan de stelling van [gedaagden] dat [eiser sub 2] kantoorleider was in dit verband geen betekenis lijkt toe te komen. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is niet gebleken van enig verband of samenhang tussen de functie van kantoorleider en de in de overeenkomst gehanteerde term “cliënthandler” en de daaraan verbonden financiële aansprakelijkheid, zoals hiervoor beschreven. De stukken die [gedaagden] mogelijk daartoe bedoeld heeft bij akte na comparitie over te leggen, kunnen dan ook buiten beschouwing blijven nog daargelaten het terechte bezwaar van [eisers] dat [gedaagden] met deze akte en de daarbij overgelegde hoeveelheid producties zich heeft begeven ver buiten de haar geboden mogelijkheid om “uitsluitend” te reageren op de door [eisers] bij conclusie van antwoord in reconventie overgelegde producties.

4.9. In de door [eisers] aangevoerde verweren tegen de door [gedaagden] opgestelde eindafrekening en de daarin op de omzet in mindering gebrachte afboekingen, waar [gedaagden] haar vordering in reconventie op baseert, leest de rechtbank – onder aanvulling van de rechtsgronden - een beroep op rechtsverwerking. Bij antwoordakte na comparitie (randnummer 10) heeft [eisers] zich overigens met zoveel woorden beroepen op rechtsverwerking door [gedaagden] De daaraan ten grondslag liggende feiten en omstandigheden heeft zij reeds gesteld in de conclusie van antwoord in reconventie. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het verweer. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.10. Op grond van artikel 1 lid 4 en 5 van de overeenkomst, zoals hiervoor ten dele geciteerd, kon de partner slechts na overleg met [gedaagden] worden aangewezen tot cliënthandler. Gelet op het belang van het wel of niet zijn van cliënthandler, zoals hiervoor is uiteengezet, is de strekking van deze bepalingen naar het oordeel van de rechtbank mede gelegen in het voorkomen van onduidelijkheid over de rechtspositie van de partner en zijn potentiële financiële risico’s en kansen. In dat verband is begrijpelijk de stelling van [eisers] dat zij, als zij tijdig jaarafrekeningen had ontvangen zoals zij die na het beëindigen van de partnerovereenkomst van [gedaagden] heeft ontvangen, zij haar werkzaamheden direct zou hebben beëindigd. Gelet op voornoemde strekking van deze bepalingen acht de rechtbank het onbegrijpelijk dat [gedaagden], waar zij bij voortduring afspraken en besprekingen uitgebreid schriftelijk vastlegt, zoals blijkt uit de vele memo’s en brieven die als producties zijn overgelegd, ten aanzien van dit belangrijke punt in het geheel niet heeft voorzien in enige schriftelijke vastlegging. Aldus heeft [gedaagden] de processuele positie van [eisers], waar het gaat om het voeren van deugdelijk verweer tegen de aanspraken van [gedaagden], onnodig bemoeilijkt. Dit geldt temeer nu [gedaagden] pas enige tijd na beëindiging van de tussen partijen bestaande relatie zich op het standpunt heeft gesteld dat zij van [eisers] uit hoofde van omvangrijke afboekingen over diverse jaren een groot bedrag te vorderen heeft.

4.11. Daar komt bij dat [gedaagden] op grond van artikel 2 lid 4 van de overeenkomst zich heeft verplicht om het maandelijkse voorschot op de fee voor [eisers] “zo mogelijk viermaandelijks doch in ieder geval per kalenderjaar” te verrekenen met “de ontstane rechten uit hoofde van aan de Partner toekomende fee”. Bovendien is in artikel 4 lid 6 van bijlage 2 (zoals hiervoor geciteerd in randnummer 4.6.) bepaald dat uiterlijk op 31 mei respectievelijk 1 september van het jaar volgende op het betreffende boekjaar een definitieve afrekening dient plaats te vinden tussen de partner en [gedaagden] van de over het desbetreffende boekjaar betaalde fee. Uit deze bepalingen volgt een op [gedaagden] rustende verplichting om zoveel mogelijk op regelmatige basis doch uiterlijk in het loop van het jaar na het betreffende boekjaar de aan [eisers] toekomende fee en de al dan niet daarop toe te passen bij- en afboekingen definitief vast te stellen. Ook deze bepaling strekt er derhalve (mede) toe de partner in de gelegenheid te stellen zich een beeld te vormen van zijn verdienvermogen bij het kantoor en, indien dat voor hem ongunstig uitpakt, tijdig daaraan consequenties te kunnen verbinden. Tussen partijen staat vast dat noch een viermaandelijkse noch een jaarlijkse verrekening heeft plaatsgevonden. Pas nadat partijen in april 2008 een conflict kregen over een door [gedaagde sub 2] voorgenomen degradatie van [eiser sub 2] en deze degradatie in een hiervoor aangehaald memo van 29 april 2008 (zie randnummer 2.6.) door [gedaagde sub 2] bekend werd gemaakt, heeft [gedaagde sub 2] bij e-mail aan [eiser sub 2] van 7 mei 2008 (productie 7 bij dagvaarding) voor het eerst aangegeven dat zijns inziens de bevoorschotting reeds vanaf 2005 te hoog is geweest. Vervolgens heeft [gedaagden] pas in haar brief van 24 april 2009 (productie 18 bij dagvaarding) haar definitieve visie op die verrekening uiteengezet, derhalve geruime tijd nadat de rechtsbetrekking tussen beide partijen alweer was beëindigd. Pas in die brief heeft [gedaagden] [eisers] medegedeeld dat [eisers] op grond van te verrekenen afboekingen aan [gedaagden] nog een bedrag van € 753.751,00 dient te voldoen. Aldus heeft [gedaagden], voor zover haar aanspraken op [eisers] juist zouden zijn, [eisers] de mogelijkheid ontnomen om in een veel eerdere fase al haar werkzaamheden voor [gedaagden] te staken en/of te wijzigen teneinde haar schuld te minimaliseren. Het door [eisers] gestelde bezwaar tegen deze gang van zaken - door haar aldus samengevat dat niemand drie jaar keihard zou willen werken om vervolgens te ontdekken dat men geen cent heeft verdiend maar daarentegen ongeveer een half miljoen euro nog aan [gedaagde sub 2] moet betalen - is dan ook terecht. Weliswaar is door [gedaagden] daar nog tegenin gebracht dat wanneer [eiser sub 2] zou hebben aangedrongen die afrekeningen zeker waren vastgesteld, doch [gedaagden] gaat er daarmee aan voorbij dat het in beginsel aan haar is om zorg te dragen voor tijdige afrekeningen en dat zij, zoals [eisers] onweersproken heeft gesteld, beschikt over de administratie die nodig is om tot afrekening over te gaan. Bovendien, zo blijkt uit de producties 15 en 16 bij dagvaarding, heeft [eisers] wel degelijk meermalen om afrekeningen verzocht en ontving zij daarop voorlopige overzichten met daarbij de mededeling dat een en ander nog ter nadere beoordeling van de raad van bestuur is.

4.12. De rechtbank acht in dit verband voorts nog van belang dat gesteld noch gebleken is dat [gedaagden] gedurende het partnerschap van [eisers] op enig moment heeft getoetst of is nagegaan of de aan [eisers] betaalde voorschotten op haar fee reëel te noemen waren. Vanuit het perspectief van [gedaagden] zoals zij dat in deze procedure heeft verwoord, te weten dat [eisers] in verband met de afboekingen over de gehele periode dat zij als partner aan het kantoor te Den Haag was verbonden, nog € 753.751,00 verschuldigd is, had [gedaagden] niet kunnen volstaan met het maar blijven doorgaan van het verstrekken van voorschotten op de fee van [eisers] zonder tenminste binnen een redelijke termijn kenbaar te maken aan welke correcties zij dacht. Dat heeft zij niet gedaan waardoor [eisers] gedurende de tijd dat zij werkzaam was bij [gedaagden] ook geen enkele indicatie heeft gehad van de te verrekenen bedragen waaraan [gedaagden] kennelijk dacht. Dat klemt temeer nu [eisers], zoals blijkt uit de hiervoor bij randnummer 2.4. geciteerde notulen, in maart 2007 nog te horen had gekregen dat [gedaagden] in beginsel had ingestemd met haar toetreding tot de maatschap.

4.13. Voornoemde omstandigheden brengen mee dat [gedaagden] haar recht om ten laste van [eisers] afboekingen door te voeren op de door anderen gemaakte uren voor klanten waarvoor [eisers] cliënthandler is, heeft verwerkt. Daarmee komt aan de eis van [gedaagden] in reconventie de grondslag grotendeels te vervallen en ligt zij in zoverre voor afwijzing gereed. Voor de eis van [eisers] in conventie betekent dit dat als uitgangspunt heeft te gelden dat alle afboekingen op de uren van derden gemaakt voor klanten van [eisers] buiten beschouwing dienen te blijven, behalve voor zover het betreft de door [gedaagden] gemaakte afboekingen die [eisers] heeft erkend. Het is de rechtbank voorshands niet duidelijk in hoeverre [eisers] daarmee in haar vordering en de onderbouwing daarvan rekening heeft gehouden. De rechtbank zal partijen, [eisers] als eerste, in de gelegenheid stellen bij akte hun stellingen op voornoemd oordeel af te stemmen.

Goodwill

4.14. De vordering van [eisers] is voorts gebaseerd op een goodwill vergoeding die [gedaagden] op grond van artikel 7 lid 3 en 4 van bijlage 4 bij de overeenkomst aan [eisers] verschuldigd is. Deze bepaling luidt, voor zover hier van belang:

“(…)

3. Indien de contractuele verhouding tussen [gedaagde sub 1] en Partner een einde neemt en [gedaagde sub 1]. wensen de relatie met één of meerdere van de in bijlage 1 van de partnerovereenkomst opgenomen cliënten voort te zetten terzake van die werkzaamheden niet vallende onder de kerncompetenties van Partner, is [gedaagde sub 1]. aan Partner niet verschuldigd enige goodwillsom.

4. Indien in de situatie als benoemd onder lid 3 van dit artikel [gedaagde sub 1]. en Partner overeenkomen dat [gedaagde sub 1]. (tevens) de werkzaamheden vallende onder de kerncompetenties van Partner voort zal zetten, wordt de gefactureerde omzet terzake van de kerncompetenties van Partner bij berekening van goodwillsom inbegrepen. (….) De goodwillsom komt overeen met 1.5 maal de jaaromzet, voor zover het betreft de kerncompetenties Partner (zie artikel 7 lid 6), die [gedaagde sub 1]. bij de betreffende cliënt(en) heeft gerealiseerd. (…)”

[eisers] heeft gesteld dat op grond van deze bepaling [gedaagden], indien zij besluit de werkzaamheden voor door [eisers] zelf aangebrachte cliënten, vallend onder de kerncompetenties van [eisers], na het uiteengaan van partijen voortzet, een goodwill verschuldigd is van 1,5 maal de jaaromzet. [gedaagden] heeft gesteld dat deze door [eisers] aan de bepalingen gegeven uitleg correct is (conclusie van antwoord in conventie, tevens van eis in reconventie, randnummer 56+57). Voorts is door [gedaagden] niet betwist dat tot deze groep zogeheten “eigen cliënten” van [eisers] in ieder geval behoren de cliënten die genoemd staan in bijlage 1 bij de overeenkomst (onder meer zo in randnummer 26 bij conclusie van antwoord in conventie, tevens van eis in reconventie). Dat betreft de volgende klanten: ACP Test Services, BM Interjuris N.V., Buro 8020, Combinautic, EasySecure B.V., The Goose Company B.V., Inspectorate Antwerp N.V., KyMar Beheer B.V., MarTest Holding B.V., MarTest Reconditioning B.V., MarTest B.V. en Willem Nieland Design. Ook is onbetwist, althans onvoldoende onderbouwd weersproken dat ten aanzien van deze klanten zich de situatie voordoet als bedoeld in artikel 7 lid 4 van bijlage 4 bij de overeenkomst. Daarmee staat vast dat [gedaagden] aan [eisers] een goodwillvergoeding verschuldigd is van 1,5 maal de jaaromzet op deze klanten en de vordering van [eisers] derhalve in zoverre voor toewijzing gereed ligt. Ingevolge het bepaalde in artikel 7 lid 4 van bijlage 4 wordt die jaaromzet bepaald door het gemiddelde van de omzet per kalenderjaar van de betreffende werkzaamheden aan de klant gefactureerd in de laatste twee kalenderjaren voorafgaande aan het moment waarop de overeenkomst is beëindigd, derhalve de gemiddelde jaaromzet per klant in de kalenderjaren 2006 en 2007.

4.15. [eisers] heeft voorts gesteld dat zij in de periode na 15 augustus 2005 uit haar eigen netwerk een 11-tal klanten, genoemd bij randnummer 58 in de dagvaarding, nieuw heeft geworven waarvoor [gedaagden] eveneens conform artikel 7 lid 4 van bijlage 4 een goodwillvergoeding verschuldigd is. Nu [gedaagden] gemotiveerd heeft betwist dat [eisers] deze klanten zelf heeft verworven zal [eisers] dienen te bewijzen dat de aldaar genoemde klanten “eigen klanten” zijn in de zin van de overeenkomst. Gelet op hun stellingen over en weer zijn partijen het er over eens dat daarvoor maatgevend is de vraag of de klant na 15 augustus 2005 als nieuwe klant van [gedaagden] is geworven uit het persoonlijke netwerk van [eisers] Het komt de rechtbank voor dat in het kader van de bewijslevering daarbij belang toekomt aan de vraag of de betreffende klant juist vanwege de aanwezigheid van [eiser sub 2] gebruik is gaan maken van de dienstverlening van [gedaagden]

Gelet op het door [eisers] gedane bewijsaanbod zal zij tot dit bewijs worden toegelaten.

4.16. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4.17. Om redenen die hiervoor zijn genoemd zal de rechtbank tussentijds hoger beroep van dit vonnis toestaan.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. verwijst de zaak naar de rol van 2 maart 2011, voor het nemen van een akte aan de zijde van [gedaagden] over hetgeen is vermeld in rechtsoverweging 4.3,

5.2. verwijst de zaak naar de rol van 2 maart 2011, voor het nemen van een akte aan de zijde van [eisers] over hetgeen is vermeld in rechtsoverweging 4.13,

5.3. draagt voorts [eisers] op te bewijzen dat zij in de periode na 15 augustus 2005 uit haar persoonlijke netwerk het 11-tal klanten, genoemd bij randnummer 58 in de dagvaarding, nieuw heeft geworven,

5.4. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 2 maart 2011 voor uitlating door [eisers] of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

5.5. bepaalt dat [eisers], indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

5.6. bepaalt dat [eisers], indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden maart tot en met mei 2011 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.7. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. P.F.A. Bierbooms in het gerechtsgebouw te Zutphen aan de Martinetsingel 2,

5.8. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.9. houdt iedere verdere beslissing aan,

in reconventie

5.10. houdt iedere verdere beslissing aan,

In conventie en in reconventie

5.11. bepaalt dat van dit vonnis hoger beroep kan worden ingesteld.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op

16 februari 2011.