Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BP5315

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
21-02-2011
Datum publicatie
22-02-2011
Zaaknummer
06/922003-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een verdachte is vrijgesproken van fraude met betrekking tot ingediende voorlopige teruggaven inkomstenbelasting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

politierechter

parketnummer: 06/922003-10

uitspraak van: 21 februari 2011

tegenspraak/dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] (Sovjetunie) op [1980],

wonende te [plaats].

Raadsman: mr. B.J. Schadd, advocaat te Arnhem.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 februari 2011.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij, op of omstreeks 30 november 2008 en/of 28 januari 2009, te Apeldoorn,

althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met één of meer

rechtsperso(o)n(en) en/of een of meer natuurlijke perso(o)n(en), (telkens)

opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de

Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) (elektronisch(e))

aangifte(n)/aangiftebiljet(ten) voor de inkomstenbelasting/premie

volksverzekeringen over het/de jaar/jaren 2007 en/of 2008 ten name gesteld van

[verdachte] onjuist en/of onvolledig heeft gedaan bij de inspecteur der

belastingen, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd

geheven, hebbende die onjuistheid en/of onvolledigheid hierin bestaan dat in

die/dat (elektronische) aangifte(n)/aangiftebiljet(ten), (telkens) een te hoog

bedrag aan ingehouden loonheffing en/of buitengewone uitgaven en/of giften was

aangegeven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

artikel 69 lid 2 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen

artikel 68 lid 2, aanhef en onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft het standpunt ingenomen dat de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijn vervolging van de verdachte moet worden verklaard. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er aan de hand van een willekeurig criterium per belastingdienstregio tot vervolging is overgegaan. Daardoor kan niet uitgesloten worden dat in andere regio's bij zaken met hogere fraudebedragen dan waar het hier om gaat, niet tot vervolging is overgegaan.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat hij (wel) ontvankelijk is in de vervolging.

Uit circa vierhonderd bij de Belastingdienst bekende vergelijkbare vermoedelijke fraudegevallen is aan de hand van een aantal criteria een selectie van strafrechtelijk te vervolgen zaken gemaakt. Eén van die selectiecriteria betrof de hoogte van het vermoedelijke fraudebedrag1. Van veertig zaken is per belastingdienstregio een aantal zaken voor strafrechtelijke vervolging aangeboden. Als een verdachte niet meer traceerbaar was, zou een zaak uit die regio met een lager fraudebedrag in de plaats worden gesteld. Als een verdachte wel traceerbaar was, maar als werd ingeschat dat het onderzoek niet tot succesvolle strafrechtelijke vervolging kon leiden, dan zou daarvoor geen andere zaak in de plaats komen.

De politierechter is van oordeel dat niet willekeurig tot vervolging van de verdachte is overgegaan. Evenmin is aannemelijk geworden dat in zaken uit andere belastingdienstregio's met een hoger fraudebedrag niet tot vervolging zou zijn overgegaan. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging.

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs2

De Belastingdienst/Haaglanden heeft onderzoek gedaan naar in oktober 2008 ingediende voorlopige teruggaven inkomstenbelasting. Er is geconstateerd dat een tweetal IP-adressen bij meer dan 6.000 aangiften inkomstenbelasting waren gebruikt. Daardoor ontstond het vermoeden dat er sprake was van fraude in georganiseerd verband. In het tripatiete overleg is besloten dat een veertigtal personen vervolgd zou worden. De aangiften inkomstenbelasting over 2007 en 2008 van de verdachte zijn als één van de nader te onderzoeken zaken aangemeld. Er is vastgesteld dat de Belastingdienst een bedrag van € 9.622,- (inclusief heffingsrente) heeft overgemaakt naar een bankrekening van de verdachte en dat de voorlopige teruggaven waren gebaseerd op voor de Belastingdienst onbekende (inkomens)gegevens.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde. De verdachte heeft, door de wijze waarop hem door een derde om zijn persoonlijke gegevens was gevraagd en door deze aan die persoon te verstrekken, willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat daarmee een strafbaar feit zou worden gepleegd. De officier van justitie acht (alleen) niet bewezen dat het feit tezamen en in vereniging met één of meer anderen is begaan.

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat geen sprake is geweest van medeplegen. De rol van de verdachte en [naam], degene die de aangiften opgemaakt zou hebben, zijn niet uitwisselbaar. Bovendien heeft de verdachte geen opzet gehad, ook niet in voorwaardelijke vorm, op het onjuist of onvolledig doen van aangiften. De verdachte verkeerde in de veronderstelling dat [naam] hem hielp bij zijn asielprocedure en speciaal bij een procedure om financiële hulp van de regering te krijgen, op welke steun hij wegens langdurig verblijf in Nederland recht zou hebben.

De politierechter is van oordeel dat voor een bewezenverklaring, naast wat door de opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD-ECD is vastgesteld, steunbewijs voor het tenlastegelegde voorhanden moet zijn. Verdachtes verklaring, waarin hij ter terechtzitting heeft volhard, komt erop neer dat hij ontkent opzet op fraude te hebben gehad en daarmee ook ontkent het tenlastegelegde te hebben gepleegd. Tegelijkertijd kan uit de bevindingen van de Belastingdienst/fiscale recherche in combinatie met de gang van zaken zoals die door de verdachte is beschreven nog niet worden afgeleid dat het niet anders zou kunnen zijn dan dat de verdachte ten minste in voorwaardelijke vorm opzet op de hem verweten gedragingen heeft gehad. Van belang hierbij is dat de zich bij de stukken bevindende verklaring van de (hoofd)verdachte [naam] niets inhoudt over het doen van aangifte ten name van de verdachte.

Nu in het procesdossier geen dan wel onvoldoende steunbewijs voorhanden is, behoort de verdachte van het ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Beslissing

De politierechter:

* verklaart niet bewezen wat aan de verdachte ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Aldus gewezen door mr. Van Lookeren Campagne, politierechter, in tegenwoordigheid van Jansen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 februari 2011.

Voetnoten:

1 Ambtsedige verklaring van Zwolsman, Coördinator Fraudezaken bij de Belastingdienst, AH-001.

2 Als hierna wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer 45922, Belastingdienst/FIOD-ECD, kantoor Utrecht, gesloten en ondertekend op 4 februari 2010.