Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BP3594

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
08-02-2011
Datum publicatie
08-02-2011
Zaaknummer
06/940338-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte veroordeeld terzake poging doodslag op een motoragent en poging zwaar lichamelijk letsel op andere agenten. Verdachte is onvolledig ontoerekeningsvatbaar en de rechtbank gelast plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar. Gelet op de ontoerekeningsvatbaarheid is het niet mogelijk om OBM op te leggen. De ontoerekingsvatbaarheid van verdachte staat het toewijzen van de vorderingen benadeelde partij niet in de weg. Nu sprake is van overmacht aan de zijde van verdachte, welke wordt aangemerkt als rechtvaardigingsgrond in de zin van artikel 6:162 lid 2 BW, betekent dat dat de vorderingen worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/940338-10

Uitspraak d.d.: 8 februari 2011

tegenspraak / dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats op 1984],

wonende te [plaats, adres].

Raadsman: mr. K. Durdu, advocaat te Rotterdam.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

25 januari 2011.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 24 augustus 2010 op de Rijksweg A1 in de gemeente

Apeldoorn ter hoogte van hectometerpaal 87.7, althans elders in Nederland, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon

genaamd [slachtoffer A], brigadier van politie, team Deventer Centrum,

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met zijn

auto met hoge snelheid (vanuit stilstand snel optrekkend), in te rijden op de

auto van deze [slachtoffer A], terwijl deze [slachtoffer A] zich in deze auto bevond,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 24 augustus 2010 op de Rijksweg A1, in de gemeente

Deventer, ter hoogte van hectometerpaal 97.3, althans in de gemeente Voorst,

althans elders in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen

misdrijf om opzettelijk [slachtoffer B], politieambtenaar in dienst van de politie

IJsselland, van het leven te beroven, met dat opzet met hoge snelheid rijdende

(ongeveer 170 km per uur) over de A1 (met kracht) op zijn rem heeft getrapt

waardoor hij, verdachte zeer abrupt tot stilstand kwam, en/of (zodoende) een

noodstop heeft gemaakt, terwijl voornoemde [slachtoffer B] op korte afstand achter het

voertuig van verdachte reed, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 24 augustus 2010 op de Rijksweg A1, in de gemeente

Deventer ter hoogte van hectometerpaal 97.3, althans in de gemeente Voorst,

althans elders in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen

misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer B], politieambtenaar in dienst

van de politie IJsselland, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te

brengen, met dat opzet met hoge snelheid rijdende (ongeveer 170 km per uur)

over de A1 (met kracht) op zijn rem heeft getrapt waardoor hij, verdachte zeer

abrupt tot stilstand kwam, en/of (zodoende) een noodstop heeft gemaakt,

terwijl voornoemde [slachtoffer B] op korte afstand achter het voertuig van verdachte

reed, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 24 augustus 2010 op de Rijksweg A1, in de gemeente

Apeldoorn, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer C], politieambtenaar in dienst

van de politie Noord- en Oost-Gelderland en/of [slachtoffer D] politieambtenaar

in dienst van de politie Noord- en Oost-Gelderland, van het leven te beroven,

met dat opzet met hoge snelheid rijdende over de A1 (met kracht) op zijn rem

heeft getrapt waardoor hij, verdachte zeer abrupt tot stilstand kwam, en/of

(zodoende) een noodstop heeft gemaakt, terwijl voornoemde [slachtoffer C] en/of [slachtoffer D] op korte afstand achter het voertuig van verdachte re(e)d(en) en/of een

aanrijding niet meer kon(den) voorkomen, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 24 augustus 2010 op de Rijksweg A1, in de gemeente

Apeldoorn, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer C], politieambtenaar

in dienst van de politie Noord- en Oost-Gelderland en/of [slachtoffer D]

politieambtenaar in dienst van de politie Noord- en Oost-Gelderland,

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met hoge

snelheid rijdende over de A1 (met kracht) op zijn rem heeft getrapt waardoor

hij, verdachte zeer abrupt tot stilstand kwam, en/of (zodoende) een noodstop

heeft gemaakt, terwijl voornoemde [slachtoffer C] en/of [slachtoffer D] op korte afstand

achter het voertuig van verdachte re(e)d(en) en/of een aanrijding niet meer

kon(den) voorkomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Aanleiding van het onderzoek

Op 24 augustus 2010 kwam een melding bij de politie binnen dat een auto op de rijksweg A1 reed die gevaarlijk rijgedrag vertoonde. Verbalisant [slachtoffer B] ging op de motor ter plaatse. De verbalisanten [slachtoffer A] en [verbalisant 2], respectievelijk [verbalisant 3] en [verbalisant 5], respectievelijk [verbalisant 6] en [verbalisant 7] respectievelijk [verbalisant 8] en [verbalisant 9] gingen -al dan niet in opvallende politievoertuigen- ook ter plaatse. Op de A1 achtervolgden verbalisanten de betreffende auto en probeerden zij die auto klem te rijden. Nadat de auto tot stilstand was gebracht, is verdachte aangehouden als zijnde de bestuurder van de auto.

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het onder 1, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging nu hij ontoerekeningsvatbaar beschouwd dient te worden.

Standpunt van de verdachte

De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit van alle aan verdachte ten laste gelegde feiten nu het opzet bij verdachte, ook in voorwaardelijke zin, ontbreekt. Subsidiair heeft hij gesteld dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat verdachte ontoerekeningsvatbaar beschouwd dient te worden.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde

[slachtoffer B] was op 24 augustus 2010 werkzaam als brigadier van politie, team Deventer-Noord/Diepenveen en in dienst van politie IJsselland.

[slachtoffer B] reed op een opvallende politiesurveillance motor en reed op de Rijksweg A1 links, ter hoogte van hectometerpaal 97,3 binnen de gemeente Deventer.2

Tijdens het passeren van een Mercedes met kenteken [kenteken] had hij oogcontact met de bestuurder. Hij zag dat de bestuurder vanuit zijn auto zijn hoofd in de richting van [slachtoffer B] wendde en hem aankeek. Hij zag dat er nog een hand- of vingerbeweging in zijn richting werd gemaakt door een schuif-/kanteldak. [slachtoffer B] volgde de auto op gepaste afstand. Nadat de Mercedes een eerste noodstop maakte, maakte [slachtoffer B] gebruik van optische- en geluidsignalen. De auto voerde de snelheid op en [slachtoffer B] zag de snelheidsmeter van zijn motor oplopen tot 170km/u.3 Hij zag dat de bestuurder (kennelijk met kracht op de rem trapte en) nogmaals een noodstop maakte. Hij zag namelijk dat de snelheid van het voertuig abrupt van hoge snelheid tot stilstand werd gebracht op de rijbaan en hij zag ook dat er rook onder de banden van de auto vandaan kwam.4

Gedurende die manoeuvre moest [slachtoffer B] heftig remmen en een zeer snelle zijwaartse stuurcorrectie uitvoeren om de voor hem sterk afremmende auto te ontwijken. Deze uitwijkmanoeuvre kon hij ternauwernood uitvoeren. Als hij die manoeuvre niet had uitgevoerd, zo verklaart [slachtoffer B], had hij met hoge snelheid achter op de voor hem rijdende auto gebotst, met mogelijke fysieke gevolgen. [slachtoffer B] schrok hevig van de reactie van de automobilist. Achteraf bezien had hij de overtuiging dat dit hem bij een mogelijke botsing het leven gekost zou kunnen hebben, dan wel dat hij zwaar lichamelijk letsel zou hebben opgelopen.

[slachtoffer B] is ervan overtuigd dat de bestuurder zich bewust was van het feit dat hij werd achtervolgd door de politie. Ook is hij ervan overtuigd dat de bestuurder er willens en wetens op uit was om, gelet op zijn onverwachte noodstopactie, een ernstige aanrijding te forceren. Het doel en het gevolg daarvan zou zijn, dat [slachtoffer B] achterop de bedoelde auto zou botsen.5

Verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 5] hebben verklaard, dat tijdens de achtervolging door de bestuurder van de Mercedes tweemaal een manoeuvre werd gemaakt om kennelijk de motorrijder van de weg te duwen.6 Verbalisanten zagen dat de Mercedes tot tweemaal toe een abrupte beweging in de richting van de motorrijder maakte en ze zagen dat de motorrijder met moeite de Mercedes kon ontwijken.7 Verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] hebben meerdere keren gedacht dat de bestuurder van de Mercedes hard zou remmen met de bedoeling dat [slachtoffer B] met zijn motor achterop de Mercedes zou rijden.8

Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij zag dat de Mercedes hem met grote snelheid aan de linkerzijde voorbij reed en dat de motoragent dat op hetzelfde moment ook deed. De Mercedes reed met nog hogere snelheid weg. Meteen daarop zag [getuige] de remlichten van de Mercedes oplichten. Hij zag dat de voorzijde van de Mercedes sterk naar voren dook en hij zag dat er rook van de voorbanden af kwam.9 Hij zag dat de Mercedes tot stilstand kwam. Meteen daarna zag [getuige] dat de Mercedes gas gaf en zag hij de motoragent een uitwijkende manoeuvre maken. Hij had het idee dat de motoragent werd aangereden door de Mercedes.10

[slachtoffer B] vroeg met spoed om assistentie van opvallende politieauto's omdat de situatie voor hem als motorrijder te gevaarlijk werd.11 [slachtoffer A], brigadier van politie, team Deventer Centrum werkzaam als politieambtenaar in dienst van regiopolitie IJsselland, kwam ter plaatse in een opvallend dienstvoertuig samen met [verbalisant 2] en zag dat het zeer druk was op de weg.12 Hij zag dat de spitsstrook open was en dat de matrixborden boven de weg de maximumsnelheid van 100 km/u aangaven. [slachtoffer A] zag dat de bestuurder van de Mercedes als een dolle reed en dat de bestuurder het overige verkeer aan alle kanten voorbij reed met zeer hoge snelheden.13

De bestuurder vertoonde weer soortgelijk gevaarlijk verkeersgedrag. Het is een wonder dat er geen aanrijdingen zijn ontstaan met het overige verkeer, aldus [slachtoffer A]. Het lukte verbalisanten weer om de Mercedes in te sluiten. In de achteruitkijkspiegel zag [slachtoffer A] dat de Mercedes tegen de links van hem rijdende opvallende politieauto aanreed en vervolgens tegen de rechts van hem rijdende opvallende politieauto.

De bestuurder van de Mercedes gaf gas en stuurde naar links, in de richting van de stilstaande dienstvoertuigen. Hierbij raakte hij het linker dienstvoertuig van [slachtoffer C] en [slachtoffer D], hoofdagent respectievelijk agent van politie Noord-Oost Gelderland.14 Nadat hij dat voertuig had geraakt, gaf de bestuurder gas bij, stuurde hij weer naar rechts en botste ter hoogte van hectometerpaal 87.7 in de gemeente Apeldoorn tegen de linkervoorzijde van het dienstvoertuig van [verbalisant 8] en [verbalisant 9].15

[slachtoffer C] en [slachtoffer D] zagen dat de Mercedes zeer hard remde en stil kwam te staan.16 [slachtoffer C] moest ook heel hard remmen en kon een aanrijding niet meer voorkomen. Het politievoertuig raakte met de rechtervoorzijde hard de linkervoorzijde van de Mercedes.17 [slachtoffer C] en [slachtoffer D] kregen sterk de indruk dat de bestuurder van de Mercedes opzettelijk een aanrijding met de verbalisanten forceerde.18

Verbalisant [verbalisant 8] besloot rechts naast de Mercedes te gaan rijden. De bestuurder van de Mercedes minderde zijn snelheid en bracht zijn voertuig bijna tot stilstand op de linkerrijstrook. De bestuurder keek de verbalisant aan en had nog steeds een lach op zijn gezicht.19 [verbalisant 8] besloot om het dienstvoertuig schuin voor de rechterzijde van de Mercedes te plaatsen om de bestuurder te beletten zijn weg te vervolgen. De bestuurder gaf weer gas en botste tegen de linkervoorzijde van het dienstvoertuig.20

[slachtoffer A] zag daarna dat de Mercedes weer een noodstop maakte.21 [slachtoffer A] heeft meteen hard afgeremd tot hij volledig stilstond op de rijbaan. Hij keek over zijn linkerschouder en zag de Mercedes stilstaan.

Om een einde aan de gevaarlijke situatie te maken en te voorkomen dat de Mercedes weer verder ging rijden, besloot [slachtoffer A] achterwaarts te rijden in de richting van de voorzijde van achter hem de stilstaande Mercedes. Toen hij met gematigde snelheid achteruit reed, zag hij in zijn achteruitkijkspiegel dat de Mercedes vol gas gaf en hard op hem in kwam rijden. Op dat moment wist hij zeker dat de bestuurder hem wilde rammen met de auto. [slachtoffer A] heeft hard op de rem getrapt en zich schrap gezet. Het was voor hem duidelijk dat het dienstvoertuig waar hij in zat een doelwit was geworden voor de bestuurder van de Mercedes.22 Hij had het idee dat de bestuurder een aanrijding wilde veroorzaken om zodoende verder te kunnen rijden. [slachtoffer A] reed het voertuig achteruit om te voorkomen dat verdachte zou ontkomen, aldus [verbalisant 2].23

Na de aanrijding trok de Mercedes hard op en reed verder. De andere politieauto was de Mercedes voorbij gereden en dertig meter voor de Mercedes stil gaan staan. De Mercedes trok heel hard op en reed achterop de politieauto in.24 Dit laatst bedoelde voertuig, betrof het voertuig van [slachtoffer A]. [slachtoffer A] voelde dat hij hard van achteren werd aangereden door de Mercedes. Dat ging zo hard dat de mobilofoon en andere apparatuur volledig losgeslagen waren uit het dashboard. 25 De voertuigen botsten met behoorlijke snelheid op elkaar, aldus verbalisant [verbalisant 2].26 Door deze forse aanrijding kon de Mercedes geen kant meer op en waren alle betrokken voertuigen zwaar beschadigd.27 [verbalisant 6] en [verbalisant 7] en [slachtoffer C] en [slachtoffer D] hoorden dat de bestuurder continu gas bleef geven, ondanks dat hij vastzat tegen de achterzijde van een dienstvoertuig.28 Door de klap van de aanrijding was [slachtoffer A] even beduusd.29 Als gevolg van de aanrijding kreeg [slachtoffer A] hevige nek- en spierpijn.30

Bij de politie en ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij op 24 augustus 2010 een Mercedes met het kenteken [kenteken] op de rijksweg A1 heeft bestuurd.31 Ter gelegenheid van zijn verhoor bij de politie heeft verdachte voorts verklaard: "de politie heeft gewonnen" en "ze (lees: de politie) reden overal en hebben mij klemgereden. Ik gaf expres gas." 32

Is er sprake van (voorwaardelijk) opzet bij verdachte?

De raadsman heeft gesteld dat het (voorwaardelijk) opzet ontbreekt, nu bij verdachte ten tijde van het handelen ieder inzicht in de draagwijdte van de gedraging en de mogelijke gevolgen daarvan heeft ontbroken. Uit het psychologisch en psychiatrisch rapport volgt immers dat verdachte op de dag van het ten laste gelegde feit een eigen beleving van de werkelijke situatie had, waaruit blijkt dat hij geen controle danwel inzicht had over de draagwijdte van zijn handelen.

De officier van justitie heeft gesteld dat het opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, niet afgeleid kan worden uit de conclusies van de deskundigen. Die rapporten zien op de situatie of de strafbare gedragingen toe te rekenen zijn aan verdachte en behelzen niet een beantwoording van de vraag of sprake is van opzet.

Het namens verdachte gevoerde verweer dat er bij verdachte, gelet op diens ernstige geestelijke stoornis zoals beschreven in de omtrent hem opgemaakte rapporten van de gedragsdeskundigen, geen sprake is geweest van opzet, wordt verworpen. Daarvan zal slechts bij hoge uitzondering sprake zijn, te weten indien bij een verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen zou hebben ontbroken.33 Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan, in het licht van de eigen verklaringen van verdachte, geen sprake. Hij heeft immers, zoals hierboven reeds deels is opgenomen kort na de aanhouding verklaard: 'de politie heeft gewonnen' en daags na zijn aanhouding heeft hij ter gelegenheid van het verhoor - onder meer - verklaard: '(...) Vraag: Wat is er gisteren op de snelweg gebeurd? Antwoord: Dat heb ik gisteren al verteld. U was daar toch bij toen ik dat vertelde. Vraag: Heb jij onderweg ook politie gezien en heb jij gezein dat jij een stopteken kreeg? Antwoord: Ze reden overal en ze hebben mij klemgereden. Ik gaf expres gas (...)'. Verdachte was zich aldus in voldoende mate bewust van wat hij op die bewuste dag heeft gedaan. Hetgeen de gedragsdeskundigen omtrent verdachtes psychische toestand hebben verklaard, doet hieraan niet af nu dit niet zozeer ziet op de bewustheid van verdachte, maar veeleer op de toerekenbaarheid.

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Op grond van de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan. Daarbij overweegt de rechtbank in het bijzonder dat verdachte nadat hij het dienstvoertuig van [slachtoffer A] heeft geraakt, de motor liet draaien en het gaspedaal ingetrapt heeft gehouden.

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Verbalisant [slachtoffer B] reed op een herkenbare politiemotor en maakte gebruik van optische en geluidssignalen. Tijdens de achtervolging reed verdachte met een veel hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 100 km/u. Verdachte trapte kennelijk met kracht op de rem waardoor hij een noodstop maakte. Ook kwam er rook onder de banden vandaan en stuurde hij richting [slachtoffer B]. [slachtoffer B] moest daardoor heftig remmen en een zeer snelle zijwaartse stuurcorrectie uitvoeren om de voor hem sterk remmende auto te ontwijken.

Gezien de kwetsbare positie die motorrijders in het verkeer hebben en de snelheid van ongeveer 170 km/u waarmee werd gereden, was de kans dat de motorrijder een aanrijding niet zou overleven naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te noemen. Het gedrag van de verdachte is naar de uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht geweest op het veroorzaken van een fataal verkeersongeval dat het niet anders kan zijn dan dat hij de kans op de dood van [slachtoffer B] heeft aanvaard. Op grond hiervan acht de rechtbank het voor poging doodslag benodigde opzet, ten minste in voorwaardelijke vorm, bewezen. Het onder 2 primair ten laste gelegde is dan ook wettig en overtuigend bewezen.

ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

Doordat verdachte hard remde en stil kwam te staan, konden verbalisanten [slachtoffer C] en [slachtoffer D] een aanrijding niet voorkomen. Het politievoertuig raakte met de rechtervoorzijde hard de linkervoorzijde van de Mercedes. Door met een personenauto zodanig rijgedrag te vertonen, heeft verdachte het risico aanvaard dat de politieauto van de weg raakt, kantelt of ergens tegen aan botst. Een dergelijk ongeval kan er toe leiden dat de inzittenden van de auto in ieder geval ernstig gewond raken. Verdachte heeft door aldus te handelen de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat de agenten in de auto ernstig gewond zouden raken. De rechtbank zal verdachte van het onder 3 primair verdachte vrijspreken en acht het onder 3 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op 24 augustus 2010 op de Rijksweg A1 in de gemeente Apeldoorn ter hoogte van hectometerpaal 87.7, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer A], brigadier van politie, team Deventer Centrum,

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met zijn auto met hoge snelheid vanuit stilstand snel optrekkend, in te rijden op de auto van deze [slachtoffer A], terwijl deze [slachtoffer A] zich in deze auto bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. (primair)

hij op 24 augustus 2010 op de Rijksweg A1, in de gemeente Deventer, ter hoogte van hectometerpaal 97.3, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen

misdrijf om opzettelijk [slachtoffer B], politieambtenaar in dienst van de politie

IJsselland, van het leven te beroven, met dat opzet met hoge snelheid rijdende

ongeveer 170 km per uur over de A1 met kracht op zijn rem heeft getrapt

waardoor hij, verdachte zeer abrupt tot stilstand kwam en zodoende een

noodstop heeft gemaakt, terwijl voornoemde [slachtoffer B] op korte afstand achter het

voertuig van verdachte reed, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet is voltooid;

3. (subsidiair)

hij op 24 augustus 2010 op de Rijksweg A1, in de gemeente

Apeldoorn, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer C], politieambtenaar in dienst van de politie Noord- en Oost-Gelderland en [slachtoffer D] politieambtenaar in dienst van de politie Noord- en Oost-Gelderland, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met hoge

snelheid rijdende over de A1 met kracht op zijn rem heeft getrapt waardoor

hij, verdachte zeer abrupt tot stilstand kwam, en zodoende een noodstop

heeft gemaakt, terwijl voornoemde [slachtoffer C] en [slachtoffer D] op korte afstand

achter het voertuig van verdachte reden en een aanrijding niet meer

konden voorkomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

Feit 1 en 3 (subsidiair): telkens, poging tot zware mishandeling

Feit 2 (primair): poging tot doodslag

Strafbaarheid van de verdachte

Omtrent de persoon van verdachte is psychologisch en psychiatrisch onderzoek verricht, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport gedateerd 26 november 2010 opgemaakt door drs. S. Labrijn (GZ-psycholoog) en een rapport gedateerd 6 december 2010, opgemaakt door drs. A.K. Boksem (psychiater). In het rapport van Labrijn wordt het volgende vermeld:

"Er is sprake van een chronische posttraumatische stressstoornis en er zijn psychotische problemen en denkstoornissen die kunnen worden omschreven als psychotische stoornis NAO. Daarnaast is er sprake van afhankelijkheid van wiet en van alcohol. De realiteitstoetsing was ten gevolge van zowel de PTSS als de psychotische stoornis ernstig verstoord ten tijde van het ten laste gelegde. Er was sprake van denkstoornissen, hallucinaties en verdachte kampte met paranoïde angstigheid en hoge prikkelbaarheid. Verdachte werd maximaal beïnvloed in zijn denken, voelen en handelen door de opeenstapeling van problematiek."

In het rapport van Boksem wordt het volgende vermeld:

"Er is sprake van een psychotische stoornis NOA, mogelijk in het kader van schizofrenie paranoïde type of bijvoorbeeld naar aanleiding van middelenmisbruik. Daarnaast is er sprake van PTSS en misbruik van cannabis en alcohol."

Zowel Labrijn als Boksem adviseert verdachte ontoerekeningsvatbaar te beschouwen.

Met de conclusies en het advies in deze rapporten kan de rechtbank zich verenigen en zij neemt deze over. Verdachte is dan ook niet strafbaar.

Oplegging van maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging en dat aan hem de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden opgelegd voor de duur van één jaar.

De raadsman heeft zich verzet tegen oplegging van de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis. Daartoe heeft hij aangevoerd dat verdachte zich tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis aan de voorwaarden heeft gehouden en inmiddels -op eigen initiatief- ook al een ambulante behandeling ondergaat bij Dimence in Apeldoorn en ook contacten onderhoudt met de reclassering.

Uit de rapporten van de psycholoog en psychiater volgt dat het recidiverisico hoog is. Er is een gebrek aan zelfinzicht en er zijn actieve psychotische symptomen. Evenmin is sprake van werk en in geringe mate van vrijetijdsbesteding. Verdachte is reeds drie jaar in behandeling geweest en hij lijkt daarvan weinig te hebben geprofiteerd. Een dwingend karakter is wenselijk en geadviseerd wordt de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis op te leggen.

Uit het reclasseringsrapport d.d. 21 december 2010 blijkt dat het recidiverisico hoog is als er geen behandeling plaats zal vinden. Verdachte heeft weinig inzicht in zijn problemen en legt de problemen buiten zichzelf, waardoor verdachte slechts beperkt aan te spreken is op zijn gedrag. De reclassering onderschrijft het advies van de psychiater en psycholoog om verdachte op grond van artikel 37 in een psychiatrisch ziekenhuis te plaatsen.

Ter terechtzitting heeft verdachte aangegeven bereid te zijn mee te werken aan een opname in een psychiatrisch ziekenhuis indien dat zal worden bepaald.

De rechtbank geeft kennis genomen van het feit dat verdachte inmiddels een ambulante behandeling volgt bij Dimence, maar ziet geen afdoeningsmodaliteiten om het ingegane traject te vervolgen, nu verdachte immers ontoerekeningsvatbaar is geacht ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten. De rechtbank volgt de raadsman op dit punt dan ook niet.

De rechtbank zal, nu de strafbare feiten wegens een gebrekkige ontwikkeling en

ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens niet aan verdachte kunnen worden toegerekend,

de verdachte gevaarlijk is voor anderen en hij een gevaar oplevert voor de algemene veiligheid van personen en goederen, plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis gelasten.

Voor zover de officier van justitie de rechtbank in overweging heeft gegeven een ontzegging

tot het besturen van motorrijtuigen op te leggen overweegt de rechtbank dat, gelet op de artikelen 179 en 179a van de Wegenverkeerswet 1994 juncto artikel 9 lid 5 van het Wetboek van Strafrecht, oplegging van een ontzegging een bijkomende straf is. Een (bijkomende) straf kan ingevolge artikel 351 van het Wetboek van Strafvordering alleen worden opgelegd indien het een strafbaar feit en een strafbare verdachte betreft. Nu verdachte ontoerekeningsvatbaar is en derhalve niet strafbaar, zal geen ontzegging tot het besturen van motorrijtuigen kunnen worden opgelegd.

Vordering benadeelde partij

[slachtoffer A] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en gesteld dat hij ten gevolge van hetgeen aan verdachte onder 1 is ten laste gelegd, immateriële schade heeft geleden ten bedrage van € 600,--, waarvan hij vergoeding vordert.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft [slachtoffer B] zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en gesteld dat hij ten gevolge van hetgeen aan verdachte is onder 2 ten laste is gelegd, immateriële schade heeft geleden ten bedrag van € 200,--, waarvan hij vergoeding vordert.

De officier van justitie heeft tot integrale toewijzing van beide vorderingen geconcludeerd. De ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte staat aan het toewijzen van de vorderingen niet in de weg.

De raadsman heeft primair gesteld dat de benadeelde partijen [slachtoffer A] en [slachtoffer B] niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen nu hij vrijspraak van het ten laste gelegde heeft bepleit. Subsidiair heeft hij niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partijen bepleit nu verdachte ontoerekeningsvatbaar dient te worden geacht.

Voorop dient te staan dat de benadeelde partijen ontvankelijk zijn in hun vorderingen nu ingevolge het bepaalde in artikel 361 lid 2 sub a Sv onder maatregel als bedoeld in dat lid ook de maatregel van artikel 37 lid 1 Sr valt. Nu echter sprake is van overmacht aan de zijde van verdachte, welke overmacht wordt aangemerkt als een rechtvaardigingsgrond in de zin van het bepaalde in artikel 6:162 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek, neemt dat het onrechtmatige karakter van het gedrag weg. Dat betekent dat de vorderingen van [slachtoffer A] en [slachtoffer B] worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 37, 45, 57, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 3 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

* verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 primair en 3 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

Feit 1 en 3 (subsidiair): telkens, poging zware mishandeling

Feit 2 (primair): poging doodslag;

* verklaart verdachte niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;

* gelast dat verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst voor een

termijn van één jaar;

* wijst de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer A] en [slachtoffer B] af.

Aldus gewezen door mrs. Heenk, voorzitter, Van der Hooft en Ouweneel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Soest, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 februari 2011.

Voetnoten:

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer PL062B 2010125244-23, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Apeldoorn, gesloten en ondertekend op 7 september 2010.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer B] (pagina 40).

3 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer B] (pagina 41).

4 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer B] (pagina 41).

5 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer B] (pagina 41).

6 Proces-verbaal relaas [verbalisant 3] en [verbalisant 5] (pagina 46).

7 Proces-verbaal relaas [verbalisant 3] en [verbalisant 5] (pagina 46).

8 Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 6] en [verbalisant 7] (pagina 50).

9 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] (pagina 59).

10 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] (pagina 59).

11 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer A] (pagina 35).

12 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer A] (pagina 34 en 35).

13 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer A] (pagina 36).

14 Proces-verbaal van bevindingen van [slachtoffer C] en [slachtoffer D] (pagina 54).

15 Proces-verbaal relaas [verbalisant 3] en [verbalisant 5] (pagina 47) en proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer A] (pagina 34) en proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 9] en [verbalisant 8] (pagina 52).

16 Proces-verbaal van bevindingen van [slachtoffer C] en [slachtoffer D] (pagina 55).

17 Proces-verbaal van bevindingen van [slachtoffer C] en [slachtoffer D] (pagina 55).

18 Proces-verbaal van bevindingen van [slachtoffer C] en [slachtoffer D] (pagina 55).

19 Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 8] en [verbalisant 9] (pagina 51).

20 Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 8] en [verbalisant 9] (pagina 51).

21 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer A] (pagina 36).

22 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer A] (pagina 36).

23 Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] (pagina 13).

24 Proces-verbaal van bevindingen van [slachtoffer C] en [slachtoffer D] (pagina 55).

25 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer A] (pagina 37).

26 Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] (pagina 13).

27 Proces-verbaal relaas [verbalisant 3] en [verbalisant 5] (pagina 47).

28 Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 6] en [verbalisant 7] (pagina 50) en proces-verbaal van bevindingen van [slachtoffer C] en [slachtoffer D] (pagina 55).

29 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer A] (pagina 37).

30 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer A] (pagina 37).

31 Proces-verbaal van verhoor van verdachte (pagina 27).

32 Proces-verbaal van aanhouding (pagina 19) en proces-verbaal van verhoor van verdachte (pagina 30).

33 HR d.d. 9 december 2008 (LJN BD2775, NJ 2009, 157)