Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BP3584

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
08-02-2011
Datum publicatie
08-02-2011
Zaaknummer
13/447804-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank te Zutphen heeft vandaag een 41-jarige man veroordeeld voor mishandeling, maar vrijgesproken van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Gelet op het tijdsverloop tussen de vechtpartij en het vaststellen van de dubbele kaakbreuk, kan de rechtbank niet bewezen verklaren dat die kaakbreuk door deze mishandeling is ontstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/950699-10

Vord. na voorw. veroord: 13/447804-08

Uitspraak 8 februari 2011

Tegenspraak / dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [plaats op 1970]0,

wonende te [plaats],

verblijvende in de PI Overijssel, HvB Karelskamp te Almelo.

Raadsman: mr. H.M. Punt, advocaat te Amsterdam.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 januari 2011.

Beslissing voorlopige hechtenis na sluiting onderzoek

Bij afzonderlijke beslissing van 31 januari 2011 heeft de rechtbank het bevel tot voorlopige hechtenis tegen verdachte opgeheven.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 12 oktober 2010 te Apeldoorn aan [slachtoffer] opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel (een dubbele kaakbreuk), heeft toegebracht, door deze

opzettelijk meerdere malen in/tegen het gezicht en/of het hoofd en/of het

lichaam te slaan en/of te stompen en/of te trappen/schoppen;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 12 oktober 2010 te Apeldoorn opzettelijk mishandelend

[slachtoffer] meerdere malen in/tegen het gezicht en/of het hoofd en/of het

lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of heeft getrapt/geschopt, tengevolge

waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (een dubbele kaakbreuk), althans enig

lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Aanleiding van het onderzoek

[slachtoffer] doet op 18 oktober 2010 aangifte van zware mishandeling, gepleegd op 12 oktober 2010. De politie start daarop een onderzoek.2

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 12 oktober 2010 [slachtoffer] een dubbele kaakbreuk heeft bezorgd, door hem opzettelijk meerdere malen te stompen en te trappen.

De officier van justitie gaat voor een bewezenverklaring uit van de verklaring van verdachte dat hij heeft geslagen, de verklaring van aangever dat hij meteen pijn aan zijn kaak had én van de camerabeelden die ter terechtzitting zijn getoond, waarop volgens de officier van justitie is te zien dat [slachtoffer] naar zijn kaak grijpt en pijn heeft. Het feit dat er vervolgens enige tijd heeft gezeten tussen het toebrengen van het letsel en het tijdstip van de medische verklaring, is naar het oordeel van de officier van justitie goed verklaarbaar, nu [slachtoffer] pas de volgende dag naar het ziekenhuis is gegaan toen hij last kreeg met eten en het enige dagen duurt voordat een medische verklaring wordt opgemaakt.

De officier van justitie kwalificeert de dubbele kaakbreuk als zwaar lichamelijk letsel en heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij [slachtoffer] heeft geschopt en geslagen, maar stelt dat dit slaan en schoppen niet de gebroken kaak van [slachtoffer] heeft veroorzaakt. Iemand anders moet op een later moment [slachtoffer] die gebroken kaak hebben bezorgd. De raadsman heeft ter onderbouwing van dit standpunt erop gewezen dat [slachtoffer], gelet op de datum van de medische verklaring, pas een week na het voorval naar het ziekenhuis is gegaan. Dit tijdsverloop komt de raadsman onwaarschijnlijk voor in het geval van een dubbele kaakbreuk. Verder kan volgens de verdediging niet worden uitgesloten dat [slachtoffer] gezien zijn provocerende houding na zijn treffen met verdachte, elders met anderen heeft gevochten waardoor diens kaak is gebroken.

De verdediging stelt zich daarom primair op het standpunt dat geen causaal verband kan worden vastgesteld tussen de handelingen van verdachte en de gebroken kaak bij [slachtoffer]. De raadsman heeft verzocht om verdachte daarom van het primair tenlastegelegde vrij te spreken.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de te verwachten hersteltijd van de kaak zes weken bedroeg en [slachtoffer] ook geen blijvend letsel aan deze breuk heeft overgehouden, zodat dit letsel niet is te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel. Verdachte zou daarom van het primair tenlastegelegde én van de strafverzwarende omstandigheid bij het subsidiair tenlastegelegde moeten worden vrijgesproken.

Voor wat betreft een bewezenverklaring van de subsidiair tenlastegelegde mishandeling, zonder de strafverzwarende omstandigheid van zwaar lichamelijk letsel, heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

[slachtoffer] heeft op 18 oktober 2010 bij de politie aangifte gedaan van zware mishandeling.3 Hij verklaart daarover dat hij op 12 oktober 2010 bij het Omnizorgcentrum in Apeldoorn was toen er een grote jongen op hem afkwam, met welke jongen hij vervolgens ruzie heeft gekregen over een mobiele telefoon. Deze jongen heeft vervolgens meermalen [slachtoffer] met een gebalde vuist harde slagen in zijn gezicht gegeven, waardoor [slachtoffer] hevige pijn voelde en zijn mond begon te bloeden. [slachtoffer] is na deze vechtpartij naar huis gereden en is daags daarna naar het ziekenhuis gegaan. Op de Eerste Hulp zijn toen foto's gemaakt en daarop was te zien dat hij twee breuken had, een breuk aan de rechterkant van zijn kaak en een breuk rechts aan zijn kin. Nadat de zwelling was gezakt, is de kaak vervolgens op 14 oktober 2010 gespalkt.4

In het dossier bevindt zich een aanvraagformulier medische informatie over [slachtoffer], ingevuld door een geneeskundige, gedateerd 20 oktober 2010. Hierin staat vermeld dat [slachtoffer] een kaakfractuur aan de rechterkant en een kaakfractuur aan de linkerkant van zijn gezicht heeft. Deze fracturen zijn gespalkt en moeten minstens zes weken dicht blijven op spalken bij een zacht dieet.5

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij op 12 oktober 2010 te Apeldoorn [slachtoffer] heeft geschopt en geslagen, maar stelt dat [slachtoffer] daardoor geen dubbele kaakbreuk kan hebben opgelopen.6

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of er causaal verband kan worden vastgesteld tussen de gebroken kaak van [slachtoffer] en het slaan en schoppen van verdachte.

De rechtbank stelt vast dat de aangifte van [slachtoffer] is opgenomen op 18 oktober 2010, terwijl de medische verklaring dateert van 20 oktober 2010. De vechtpartij vond plaats op 12 oktober 2010. Het dossier bevat verder geen stukken waaruit blijkt op welke data [slachtoffer] in het ziekenhuis is behandeld. Evenmin bevinden zich daarin stukken, anders dan de verklaring van [slachtoffer] zelf, waaruit blijkt wat [slachtoffer] heeft gedaan na zijn treffen met verdachte.

Uit de camerabeelden kan weliswaar worden vastgesteld dat verdachte [slachtoffer] heeft getrapt en geslagen, dat [slachtoffer] daarbij ook een aantal keer uit balans is geraakt en dat hij na afloop op zijn hurken is gezakt en zijn hoofd heeft ondersteund, maar de rechtbank acht dit onvoldoende om aan de hand - zelfstandig of in onderlinge samenhang met de aangifte en de medische verklaring beschouwd- daarvan te kunnen vaststellen dat op 12 oktober 2010 aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (een dubbele kaakbreuk) is toegebracht.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat het verweer van de verdediging dat iemand anders [slachtoffer] op een later moment het letsel kan hebben toegebracht, niet zo onaannemelijk dat dit buiten beschouwing kan worden gelaten. De rechtbank acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen dat het letsel van [slachtoffer] het gevolg is van het handelen van verdachte. De verdachte zal daarom van het primair tenlastegelegde en van de strafverzwarende omstandigheid bij het subsidiair tenlastegelegde worden vrijgesproken.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank, behoudens de strafverzwarende omstandigheid waarvan verdachte wordt vrijgesproken, wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] heeft mishandeld.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op 12 oktober 2010 te Apeldoorn opzettelijk mishandelend

[slachtoffer] meerdere malen in/tegen het gezicht en het hoofd en het

lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of heeft getrapt/geschopt, tengevolge

waarvan deze pijn heeft ondervonden.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht. Bij deze strafeis heeft de officier van justitie in het nadeel van verdachte ermee rekening gehouden dat verdachte langdurig en vele malen geweld jegens aangever heeft gebruikt en een lange lijst met veroordelingen heeft. In het voordeel van verdachte heeft de officier van justitie mee laten wegen dat aangever zelf ook een rol in de vechtpartij heeft gehad en dat verdachte wil worden behandeld en deze behandeling ook nodig heeft.

De raadsman heeft voorop gesteld dat verdachte graag klinisch wil worden behandeld en heeft de rechtbank verzocht om daarom aan verdachte op te leggen de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht, met daaraan gekoppeld een klinische behandeling, door de reclassering nader in te vullen. Verder heeft de raadsman verzocht om de eis van de officier van justitie enigszins te matigen.

De rechtbank overweegt als volgt. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer]. Bij deze mishandeling heeft verdachte [slachtoffer] gedurende langere tijd diverse malen geslagen en getrapt, ten gevolge waarvan [slachtoffer] pijn heeft ondervonden. Dit is een ernstig feit, te meer daar deze mishandeling buiten heeft plaatsgevonden en dus voor passanten zichtbaar is geweest. Dergelijke feiten dragen bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving wanneer toevallige voorbijgangers met dat soort geweld worden geconfronteerd. De rechtbank zal bij het bepalen van de strafmaat daarmee rekening houden. In het nadeel van verdachte zal zij eveneens rekening houden met het feit dat verdachte reeds eerder voor dergelijke feiten is veroordeeld en zelfs nog in een proeftijd liep voor een soortgelijk feit.7 Kennelijk heeft verdachte een kort lontje en heeft de lopende proeftijd hem niet ervan weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen.

In het voordeel van verdachte zal de rechtbank rekening houden met het feit dat, blijkens de beelden van het gebeuren op 12 oktober 2010 die door de rechtbank ter terechtzitting zijn bekeken, aangever zich ook niet onbetuigd heeft gelaten en een aandeel in de vechtpartij heeft gehad.

Over verdachte is namens Tactus Verslavingszorg een rapport opgemaakt.8 Daaruit volgt dat het recidiverisico door de reclassering als hoog wordt geschat. Zij signaleert dat alle leefgebieden van verdachte problematisch zijn, maar ook dat verdachte gemotiveerd is om zijn leven te veranderen. In eerste instantie is daarom geprobeerd verdachte klinisch te plaatsen bij Stichting de Ontmoeting, maar dat is niet gelukt. Omdat verdachte wel nog steeds gemotiveerd is om behandeld te worden, adviseert de reclassering daarom aan verdachte op te leggen een deels voorwaardelijke straf met daarbij de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal houden aan de aanwijzingen hem door of namens de reclassering te geven, ook als dat inhoudt het volgen van een ambulante behandeling in een polikliniek voor emotieregulering en een meldingsgebod.9

De rechtbank is, mede in het licht van de eerdere veroordelingen van verdachte en de ernst van het feit, van oordeel dat voor een dergelijk ernstig feit geen andere straf passend is dan een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het in het belang van verdachte én in het belang van de maatschappij is dat verdachte, samen met de reclassering, aan zichzelf gaat werken om herhaling in de toekomst te voorkomen. Het opleggen van een klinische behandeling, zoals is verzocht door de raadsman, is op dit moment niet mogelijk, omdat niet bekend is in welke kliniek een eventuele behandeling kan plaatsvinden of hoe lang een eventuele behandeling zal gaan duren. Omdat het bij een klinische behandeling feitelijk gaat om vrijheidsbeneming, is het wettelijk gezien niet mogelijk te bepalen dat dergelijke voorwaarden, die nu nog niet zijn ingevuld, op een later tijdstip worden ingevuld door de reclassering, zoals is verzocht door de raadsman. De rechtbank zal daarom van de op te leggen gevangenisstraf een deel voorwaardelijk opleggen en daaraan de bijzondere voorwaarde verbinden dat verdachte zich gedurende de proeftijd van twee jaren zal houden aan de aanwijzingen hem door of namens de reclassering te geven, ook als dat inhoudt het volgen van een ambulante behandeling.

De op te leggen straf is lager dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat de rechtbank, anders dan de officier van justitie, het subsidiair tenlastegelegde bewezen acht.

Vordering tenuitvoerlegging

Door de officier van justitie is de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank in Amsterdam van 3 februari 2009 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, te weten een gevangenisstraf van 2 maanden.

De raadsman heeft verzocht de vordering af te wijzen en in plaats daarvan de proeftijd te verlengen met één jaar.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich opnieuw heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. De bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank te Amsterdam van 3 februari 2009 (parketnummer 13/447805-08) voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf dient daarom tenuitvoergelegd te worden. De rechtbank ziet geen aanleiding om de proeftijd te verlengen, zoals is verzocht door de raadsman. Verdachte wist dat hij in een proeftijd liep en wist wat de gevolgen zouden zijn wanneer hij zich opnieuw zou schuldig maken aan een strafbaar feit. Nu verdachte dit toch heeft gedaan, komen de gevolgen daarvan geheel voor zijn eigen rekening. De vordering van de officier van justitie zal daarom worden toegewezen.

Vordering tot schadevergoeding

Door de benadeelde partij [slachtoffer] is een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van

€ 1.165, -, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, ingediend, bestaande uit:

- € 1.000 ,- voor geleden immateriële schade;

- € 165,- voor geleden materiële schade, zijnde het verlies van het eigen risico van de zorgverzekering.

De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht het gedeelte van de vordering dat ziet op materiële schade geheel toe te wijzen. Voorts heeft de officier van justitie verzocht het gevorderde bedrag voor geleden immateriële schade toe te wijzen tot een bedrag van € 300,-.

Hij heeft gevorderd dat daarbij de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot de hoogte van die bedragen. De officier van justitie heeft de rechtbank verder verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in het overige deel van de vordering.

De raadsman van verdachte heeft verzocht de vordering af te wijzen omdat de gevorderde bedragen onvoldoende vast staan.

De rechtbank overweegt dat de vergoeding voor geleden materiële schade ziet op verlies van eigen risico van de zorgverzekering als gevolg van behandelingen in verband met een gebroken kaak. Verdachte wordt van het toebrengen van dit letsel vrijgesproken. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering.

Wat betreft het gedeelte van de vordering dat ziet op vergoeding van immateriële schade overweegt de rechtbank dat, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan.

Naar het oordeel van de rechtbank is het niet mogelijk om in deze strafprocedure de exacte omvang van de immateriële schade vast te stellen. De rechtbank acht wel aannemelijk dat de immateriële schade van de benadeelde op dit moment naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid in ieder geval moet worden geschat op € 250, -. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2010. Inhoudelijke behandeling van het overige gedeelte van de vordering brengt een onevenredige belasting van het strafgeding met zich mee. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige gedeelte van de vordering.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som gelds ten behoeve van genoemd slachtoffer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart niet bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

mishandeling;

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;

* bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) maand niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

* stelt als bijzondere voorwaarden dat:

o veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen van Reclassering Nederland, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

o veroordeelde zich binnen 14 dagen na het onherroepelijk worden van zijn vonnis melden bij de Tactus Verslavingsreclassering op het telefoonnummer [telefoonnummer] en zich daarna moet blijven melden, zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;

o veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

* beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, in mindering zal worden gebracht op het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

* veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan [slachtoffer], [adres en plaats], rekeningnummer [nummer] van een bedrag van € 250, -, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van

€ 250, - vanaf 12 oktober 2010, met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 250,- met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 5 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

* bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

* verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het overige deel van haar vordering en bepaalt dat de benadeelde partij dit gedeelte van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

* gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van rechtbank te Amsterdam van 3 februari 2009, te weten 2 maanden gevangenisstraf.

Aldus gewezen door mrs. Van Valderen, voorzitter, Van der Mei en Draisma,

rechters, in tegenwoordigheid van mr. Janssen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 februari 2011.

Mr. Draisma is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

aal,

Voetnoten:

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer PL0621 2010151296-1, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Apeldoorn, gesloten en ondertekend op 2 november 2010.

2 Het proces-verbaal nummer PL0621 2010151296-1, opgemaakt door een verbalisant van Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Apeldoorn, gesloten op 2 november, p. 3.

3 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer], proces-verbaalnummer PL0621 2010151296-1, opgemaakt door een verbalisant van Regio Noord- en Oost Gelderland, district Apeldoorn, gesloten op 18 oktober 2010, p. 1.

4 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer], proces-verbaalnummer PL0621 2010151296-1, opgemaakt door een verbalisant van Regio Noord- en Oost Gelderland, district Apeldoorn, gesloten op 18 oktober 2010, p. 2.

5 Een schriftelijk bescheid, te weten een aanvraagformulier medische gegevens, opgemaakt op 20 oktober 2010 door een geneeskundige, paginanummer 2.

6 De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 25 januari 2011.

7 Uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 29 oktober 2010.

8 Reclasseringsadvies Tactus Verslavingszorg, gedateerd 21december 2010, opgemaakt door L.R. Grooten, reclasseringswerker.

9 Reclasseringsadvies Tactus Verslavingszorg, gedateerd 17 januari 2011, opgemaakt door L.R. Grooten, reclasseringswerker.