Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BP3560

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
08-02-2011
Datum publicatie
08-02-2011
Zaaknummer
06/940423-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank te Zutphen heeft vandaag een 31-jarige man veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden voor het plegen van een tasjesroof. Het plan voor de tasjesroof maakte de man met de bestuurder van de auto. Vanuit een rijdende auto heeft verdachte een tas gegrepen die bij het slachtoffer aan het stuur van haar fiets hing. Het slachtoffer is daardoor over de kop geslagen en hard op straat gevallen, met alle gevolgen van dien.

De rechtbank heeft verdachte van de overige tenlastegelegde feiten vrijgesproken wegens gebrek aan steunbewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/940423-10

Uitspraak 8 februari 2011

Tegenspraak / dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte B],

geboren op [1979 te Apeldoorn],

wonende te [plaats],

verblijvende in HvB Ooyerhoekseweg Zutphen.

Raadsman: mr. A.W. Syrier, advocaat te Utrecht.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 januari 2011.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 10 oktober 2010, te Apeldoorn, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening heeft weggenomen een tas met inhoud (o.a. mobiele telefoon en/of

een portemonnee en/of geld en/of een bankpas en/of een OV chipkaart en/of een

bril, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd

van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer A], gepleegd met het

oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om

bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s)

aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken, en/of het bezit van het

gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin

bestond(en) dat verdachte, tezamen met zijn mededader(s), met een auto naast

die [slachtoffer A], die op een fiets zat, hebben/heeft gereden en vervolgens die

tas, die aan om/aan het stuur van de fiets zat, heeft/hebben vastgepakt en aan

die tas heeft/hebben gerukt en/of getrokken, althans (met verhoogde snelheid)

zijn doorgereden, waardoor die [slachtoffer A] met haar fiets kwam te vallen;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 14 oktober 2010, te Apeldoorn, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening heeft weggenomen een of meer kentekenplaten (kenteken [kenteken 1]),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer B], in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 14 oktober 2010, te Apeldoorn, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid benzine, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [tankstation], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 14 oktober 2010, te Apeldoorn, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een aantal liters

benzine, in elk geval een hoeveelheid benzine, geheel of ten dele toebehorende

aan [tankstation], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), welke benzine verdachte en/of zijn mededader(s) bij een voor

zelfbediening ingerichte benzinepompinstallatie, gelegen aan de Lange

Americaweg, had(den) getankt, onder gehoudenheid die benzine te betalen en

welke benzine verdachte en/of zijn mededader(s) aldus anders dan door misdrijf

onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 19 oktober 2010, te Apeldoorn, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toëeigening heeft weggenomen een portemonnee"(o.a. inhoudende geld en/of een

bankpas en/of een ID kaart en/of sleutels, in elk geval enig(e) goed(eren),

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer C] in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Aanleiding van het onderzoek

Op zondag 10 oktober 2010 wordt er bij de meldkamer van de politie te Apeldoorn melding gemaakt van een aanrijding met letsel op de Badhuisweg te Apeldoorn. Ter plaatse aangekomen constateren de betrokken verbalisanten dat de fietser niet is aangereden, maar dat zij is gevallen doordat iemand vanuit een auto haar handtas van het stuur van haar fiets heeft getrokken.2 De politie start daarop een onderzoek naar het genoteerde kenteken van de betrokken auto en verdachte wordt in dit onderzoek gehoord.

In oktober 2010 is van de overige tenlastegelegde feiten eveneens aangifte gedaan en verdachte is gedurende het onderzoek ook over die drie feiten gehoord.

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie acht, op grond van de aangiftes, de bekennende verklaring van [medeverdachte A] en de verklaringen van [slachtoffer C], wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 primair en 4 tenlastegelegde heeft gepleegd. De officier van justitie acht daarbij eveneens bewezen dat verdachte deze feiten tezamen en in vereniging heeft gepleegd met [medeverdachte A]. Anders dan de raadsman is de officier van justitie van oordeel dat de verklaring van [medeverdachte A] daaromtrent betrouwbaar is, omdat [medeverdachte A] naast verdachte ook zichzelf belast, hij daderinformatie heeft en hij consistent en consequent heeft verklaard.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

Verdachte heeft ter terechtzitting ontkend bij de tenlastegelegde feiten betrokken te zijn geweest.

De raadsman heeft aangevoerd dat de betrokkenheid van verdachte uitsluitend kan volgen uit de verklaringen van [medeverdachte A], welke verklaringen onlogisch, ongeloofwaardig en in strijd met de overige bewijsmiddelen zouden zijn. Nu de betrouwbaarheid van [medeverdachte A] niet vast staat en er voor geen enkel feit steunbewijs aanwezig is, behoort verdachte naar het oordeel van de raadsman van alle feiten te worden vrijgesproken.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1

[slachtoffer A] heeft bij de politie verklaard dat zij op 10 oktober 2010 omstreeks 21.39 uur met haar vriend over de Badhuisweg in Apeldoorn fietste, toen zij een auto van achteren hoorde naderen. Toen de auto ongeveer een meter naast haar reed, doofde de bestuurder de lichten van de auto. [slachtoffer A] merkte toen dat ze met haar fiets door de auto werd meegesleurd. Het volgende wat [slachtoffer A] zich daarna weer weet ter herinneren, is dat ze op de grond lag en dat de ambulance kwam. Zij zag toen dat haar fiets vijf meter verderop lag en dat haar tas, die aan de linkerzijde van de fiets met de hengsels om het stuur hing, verdwenen was.3 In die tas zat een telefoon, een portemonnee met daarin een ov-chipkaart en een bankpas, en een zonnebril. [slachtoffer A] kan door het gebeuren op het moment van aangifte niet meer op haar enkel lopen, heeft een bult op haar hoofd en is draaierig en misselijk. Ook is haar fiets beschadigd.4

Getuige [getuige] heeft verklaard dat [slachtoffer A] bij het passeren van de auto een zwieper maakte met de fiets, over de kop sloeg en hard op straat terecht kwam.5

Een getuige van het voorval heeft het kenteken van de betrokken auto ([kenteken 2]) genoteerd en vertelt daags na het voorval hierover op zijn werk.6 Zijn werkgever herkent vervolgens het kenteken als het kenteken van één van zijn bedrijfsauto's, welke auto sinds een week gekocht is en gebruikt wordt door één van zijn werknemers, de heer [medeverdachte A]. De getuige stapt vervolgens met dit verhaal naar de politie.7

[medeverdachte A] wordt vervolgens gehoord en bekent de diefstal van de tas te hebben gepleegd. [medeverdachte A] verklaart daarbij dat hij de diefstal heeft gepleegd met [verdachte B], verdachte. [verdachte B] kwma met het plan om het tasje te pakken. [medeverdachte A] zou daarbij de auto hebben bestuurd, dicht naast de fietser zijn gaan rijden en de lichten van de auto hebben gedoofd, terwijl verdachte uit het raam zou hebben gehangen en de tas van het stuur van de fiets zou hebben gerukt. Daarna zouden ze zijn weggereden. [medeverdachte A] heeft nog wel gehoord dat de vrouw viel.8

Verdachte ontkent bij de diefstal betrokken te zijn geweest, maar heeft bij de politie wel verklaard dat hij ongeveer een maand geleden op een avond rond 23.00 uur bij [medeverdachte A] in de auto heeft gezeten, toen [medeverdachte A] ineens onwel werd. Verdachte zou vervolgens de auto het terrein van de [tankstation] benzinepomp in Apeldoorn op hebben gestuurd. Daar zouden [medeverdachte A] en verdachte geholpen zijn door een beveiligingsmedewerker en zou [medeverdachte A] weer zijn bijgekomen. Vervolgens zouden [medeverdachte A] en verdachte weer zijn weggereden.9 Verdachte heeft ter terechtzitting deze verklaring bevestigd.10

Vervolgens is door de politie een medewerker gehoord van het beveiligingsbedrijf dat iedere avond tussen 22.30 en 23.00 uur sluitingsrondes bij de [tankstation] tankstations doet. Deze medewerker verklaart dat hij zich kan herinneren dat hij op 10 oktober 2010 in de tankshop van [tankstation] in Apeldoorn stond en dat er toen een man in paniek binnen kwam lopen. De man vertelde hem dat zijn vriend in de auto onwel was geworden. De beveiligingsmedewerker is vervolgens met deze man meegelopen naar de auto.11 Daar heeft hij gezien dat de man weer bijkwam, waarna de mannen zijn weggereden.12 De beveiligingsmedewerker verklaart verder nog dat hij eerst dacht dat het voorval had plaatsgevonden op 3 oktober 2010, maar dat hij nu, nadat hij nog eens in zijn agenda had gekeken en met zijn vrouw had gesproken die zich het incident kon herinneren, tot de conclusie komt dat het 10 oktober 2010 tussen 22.30 uur en 23.00 uur is geweest.13

Op grond van de verklaring van verdachte en de beveiliger komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte in ieder geval de avond van 10 oktober 2010 bij [medeverdachte A] in de auto heeft gezeten. De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of [medeverdachte A] en verdachte ook die avond samen de tasjesroof hebben gepleegd.

[medeverdachte A] heeft daarover verklaard dat hij dit feit met verdachte heeft gepleegd.

De raadsman heeft aangevoerd dat deze verklaring onbetrouwbaar is en deze verklaring niet zou worden ondersteund door enig ander bewijsmiddel.

De rechtbank overweegt dat deze verklaring wel wordt ondersteund door een ander bewijsmiddel, namelijk door de verklaring van verdachte dat hij die avond bij [medeverdachte A] in de auto heeft gezeten. Dat [medeverdachte A] die avond verdachte eerst naar huis zou hebben gebracht, dat hij toen zou zijn weggegaan en vervolgens weer terug is gekomen, zoals verdachte ter terechtzitting heeft verklaard, acht de rechtbank onaannemelijk, omdat verdachte hierover niet bij de politie maar pas ter zitting heeft verklaard.

Daar komt bij dat de rechtbank, anders dan door de raadsman is betoogd, niet is gebleken van inconsistentie of onbetrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte A] op dit punt, temeer niet nu [medeverdachte A] ook zichzelf belast. Dat de verklaring van [medeverdachte A] afgelegd tegenover de politie, wellicht op details afwijkt van de verklaring van [medeverdachte A] afgelegd tegenover de rechter-commissaris, maakt dat niet anders. Van belang is dat de door [medeverdachte A] beschreven toedracht van de tasjesroof op het nivo van de relevante bijzonderheden overeenkomt met de verklaring van aangeefster en getuige [getuige]. Bovendien is de buit (deels) teruggevonden op aanwijzingen van [medeverdachte A].

Nu de verklaring van [medeverdachte A] steun vindt in overige bewijsmiddelen, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de inhoud van deze verklaring te twijfelen. De rechtbank acht daarom op grond van de verklaring van [medeverdachte A] in samenhang met bovengenoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde tezamen en in vereniging heeft gepleegd met [medeverdachte A].

Feit 2 en Feit 3

Mevrouw [slachtoffer B] heeft op 16 oktober 2010 aangifte gedaan van dieftal van een kentekenplaat van haar auto (kenteken [kenteken 1]), gepleegd in Apeldoorn in de periode van 13 oktober 2010 tot en met 16 oktober 2010.14 [medeverdachte A] heeft verklaard dat hij de kentekenplaat op 14 oktober 2010 in Apeldoorn heeft gestolen, samen met verdachte.15

De heer [naam], daartoe gerechtigd, doet op 28 oktober 2010 namens [tankstation] aangifte van diefstal van een hoeveelheid brandstof bij de [tankstation] in Apeldoorn, gepleegd op 14 oktober 2010.16 [medeverdachte A] heeft verklaard dat hij op 14 oktober 2010 in Apeldoorn bij de [tankstation], samen met verdachte, een hoeveelheid brandstof heeft getankt en dat hij vervolgens is weggereden zonder die brandstof te betalen.17

In het dossier bevinden zich, in tegenstelling tot het onder 1 tenlastegelegde, geen overige bewijsmiddelen die de stelling van [medeverdachte A] dat hij het feit tezamen en in vereniging heeft gepleegd met verdachte, zou kunnen ondersteunen. Nu dergelijke ondersteuning ontbreekt, acht de rechtbank de verklaring van [medeverdachte A] onvoldoende om hier tot een bewezenverklaring te komen. Verdachte zal daarom van deze feiten worden vrijgesproken wegens gebrek aan steunbewijs. Het verweer van de raadsman dat de verklaring van [medeverdachte A] onbetrouwbaar is, behoeft daarom voor deze feiten geen verdere bespreking.

Feit 4

Mevrouw [slachtoffer C] doet bij de politie aangifte van diefstal uit haar woning in Apeldoorn. Zij verklaart daarbij dat de haar bekende [medeverdachte A] op dinsdag 19 oktober 2010 bij haar aan de deur komt en haar om een glaasje water vraagt. Als ze het glaasje gaat halen, hoort ze plotseling de deur dichtslaan en loopt ze terug naar de woonkamer.18 Daar ziet ze dat haar portemonnee weg is. [slachtoffer C] loopt dan naar de galerij en ziet daar dat [medeverdachte A] bij verdachte in de auto stapt. Vervolgens hoort ze [medeverdachte A] zeggen: "gas geven, wegwezen", waarna de auto wegrijdt. [slachtoffer C] mist haar portemonnee, met daarin onder andere contant geld, een bankpas, een ID-kaart en haar sleutels.19

[slachtoffer C] heeft vervolgens ook bij de rechter-commissaris een verklaring afgelegd. Zij komt daar terug op haar verklaring afgelegd bij de politie en verklaart daar dat zij niet meer weet wie er in de auto bij [medeverdachte A] zat.20

[medeverdachte A] heeft verklaard dat hij dit feit heeft gepleegd en dat hij dit samen met verdachte heeft gedaan.21

De rechtbank overweegt dat [slachtoffer C] in eerste instantie wel verdachte belast, maar dat zij dit deel van haar tegenover verdachte belastende verklaring, tegenover een rechter intrekt. Dit brengt met zich mee dat de rechtbank deze belastende verklaring thans niet voor het bewijs kan bezigen.

Verder bevinden zich in het dossier geen overige bewijsmiddelen die de verklaring van [medeverdachte A] omtrent het medeplegen door verdachte zouden kunnen ondersteunen. Nu dergelijke ondersteuning ontbreekt, acht de rechtbank de verklaring van [medeverdachte A] onvoldoende om hier tot een bewezenverklaring te komen. Verdachte zal daarom ook van het onder 4 tenlastegelegde worden vrijgesproken wegens gebrek aan steunbewijs. Het verweer van de raadsman dat de verklaring van [medeverdachte A] onbetrouwbaar is, behoeft daarom ook voor dit feit geen verdere bespreking.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op 10 oktober 2010, te Apeldoorn, tezamen en in vereniging

met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tas met inhoud (o.a. mobiele telefoon en een portemonnee en een bankpas en een OV chipkaart en een bril, toebehorende aan [slachtoffer A], welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer A], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat verdachte, tezamen met zijn mededader, met een auto naast

die [slachtoffer A], die op een fiets zat, heeft gereden en vervolgens die

tas, die aan om/aan het stuur van de fiets zat, heeft vastgepakt en aan

die tas heeft gerukt en getrokken, waardoor die [slachtoffer A] met haar fiets kwam te vallen;

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

feit 1 diefstal vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, onder 2, onder 3 primair en onder 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Bij deze strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met het feit dat verdachte ernstige feiten heeft gepleegd, waarbij de officier van justitie vooral het onder 1 tenlastegelegde zwaar heeft laten meewegen in zijn strafeis.

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit en heeft zich niet uitgelaten over de strafmaat in het geval van een veroordeling.

De rechtbank overweegt als volgt. Verdachte heeft zich, samen met zijn mededader, schuldig gemaakt aan een tasjesroof door vanuit een rijdende auto een tas te grijpen die bij een vrouw aan het stuur van haar fiets hing. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij geen oog heeft gehad voor de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer. Verdachte heeft door dit handelen het grote risico genomen dat de fietser ten val zou komen en gewond zou raken. Helaas heeft dat gevaar zich hier ook verwezenlijkt en heeft het slachtoffer door haar val onder andere een hersenschudding opgelopen. Het is niet ondenkbaar dat het nog ernstiger was afgelopen. Uit de door haar overgelegde slachtofferverklaring volgt dat de gevolgen van het feit voor haar groot zijn geweest. Zo heeft zij bijvoorbeeld studievertraging opgelopen omdat zij als gevolg van de hersenschudding niet meer lang kon lezen en heeft zij door het voorval gedurende een tijd nachtmerries gehad. Dit is het gevolg van het handelen van verdachte en de rechtbank zal bij het bepalen van de strafmaat rekening houden met deze aan verdachte toe te rekenen gevolgen van het feit voor het slachtoffer. Daarbij komt dat verdachte, zij het langere tijd geleden, eerder voor vermogensdelicten is veroordeeld.22

Het LOVS hanteert voor tasjesroof die plaatsvindt met verbale dreiging en/of een enkele ruk en zonder noemenswaardige verwondingen een oriëntatiepunt van 12 weken gevangenisstraf. In geval van een veelpleger is het uitgangspunt 4 maanden gevangenisstraf. De rechtbank is, mede in het licht van de eerdere veroordelingen van verdachte en de ernst van het feit van oordeel dat voor dergelijk ernstig feit geen andere straf passend is dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De straf is lager dan is geëist, omdat de rechtbank, anders dan de officier van justitie, uitsluitend tot een veroordeling van het onder 1 tenlastegelegde komt.

Vordering tot schadevergoeding

Door de benadeelde partij [slachtoffer A] is een vordering ingediend tot vergoeding van immateriële ten bedrage van € 510, -, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. De exacte schade is volgens [slachtoffer A] moeilijk vast te stellen.

De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de vordering geheel toe te wijzen en heeft gevorderd dat daarbij de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot de hoogte van dit bedrag.

De raadsman van verdachte heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen rechtstreeks nadeel is toegebracht dat in ieder geval niet uit vermogensschade bestaat. Verdachte is hiervoor naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk. De rechtbank acht het gevorderde bedrag voldoende onderbouwd. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. De rechtbank zal de vordering daarom geheel toewijzen, inclusief de gevorderde wettelijke rente. Ook zal de rechtbank bepalen dat verdachte niet langer gehouden is te betalen wanneer het volledige bedrag door zijn mededader is of wordt voldaan.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som gelds ten behoeve van genoemd slachtoffer. De hechtenis zal worden beperkt tot de helft van het bedrag, gelet op de hoofdelijke aansprakelijkheid.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 27, 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 2, 3 primair en subsidiair en 4 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

feit 1 diefstal vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen ;

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden;

* beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, in mindering zal worden gebracht op de opgelegde gevangenisstraf;

* veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan [slachtoffer A], Van [adres, plaats], rekeningnummer [nummer] van een bedrag van € 510, -, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van

€ 510, - vanaf 10 oktober 2010, met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer A], een bedrag te betalen van € 510, - met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 5 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

* bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

* verstaat dat indien en voor zover door de mededader het schadebedrag betreffende de benadeelde partij is of wordt betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd.

Aldus gewezen door mrs. Draisma, voorzitter, Van Valderen en Van der Mei,

rechters, in tegenwoordigheid van mr. Janssen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 februari 2011.

Voetnoten:

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer PL0620 2010158891, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Apeldoorn, gesloten en ondertekend op 19 november 2010.

2 Het proces-verbaal, p. 4.

3 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer A], p. 16.

4 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer A], p. 17.

5 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige], p 113.

6 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 2], p. 115.

7 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 2], p. 116.

8 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte A], p. 79.

9 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 104.

10 De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 25 januari 2011.

11 Het proces-verbaal van verhoor van [beveiliger]g, p. 122.

12 Het proces-verbaal van verhoor van [beveiliger]g, p. 123.

13 Het proces-verbaal van verhoor van [beveiliger]g, p. 122.

14 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer B], p. 32 en p. 33.

15 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte A], p. 91.

16 Het proces-verbaal van aangifte van [naam], p. 35 en p. 36.

17 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte A], p. 91.

18 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer C] p. 25.

19 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer C] p. 26.

20 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer C] rc-nummer 10/890, afgelegd tegenover de rechter-commissaris op 14 januari 2011.

21 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte A], p. 83.

22 Uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 2 november 2010.