Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BP3544

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
08-02-2011
Datum publicatie
08-02-2011
Zaaknummer
06/916402-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In de zaak tegen verdachte [naam bedrijf] VOF lag de vraag voor of de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging. In de onderhavige zaak is van belang op welk tijdstip de vervolging is aangevangen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vervolging is aangevangen op 27 oktober 2009, op welke datum een doorzoeking onder leiding van de rechter-commissaris heeft plaatsgevonden. De raadsman is van mening dat op 26 oktober 2010, het moment van dagvaarden, de vervolging is aangevangen. Onder de (BOB-)gedingstukken bevindt zich een ‘Vordering doorzoeking ter inbeslagneming (art. 110 Sv)’ in het kader van een op overtreding van artikelen 2 jo. 10 Opiumwet en artikel 4 Wet Voorkoming Misbruik Chemicaliën gestoelde verdenking jegens (onder meer) [naam bedrijf] VOF. De officier van justitie vordert daarbij de rechter-commissaris machtiging te verlenen terzake twee in de vordering genoemde adressen. De rechter-commissaris heeft bij beslissingen van 21 oktober 2009 de vordering toegewezen. Op 27 oktober 2009 hebben onder leiding van de rechter-commissaris doorzoekingen op beide adressen plaatsgevonden. De vervolging van [naam bedrijf] VOF is derhalve aangevangen door het betrekken van de rechter-commissaris in de zaak van verdachte op 16 oktober 2009. Hieraan doet niet af dat de vordering zich richtte op twee woonadressen, niet zijnde vestigingsadres(sen) van [naam bedrijf] VOF.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/916402-09

Uitspraak d.d.: 8 februari 2011

Tegenspraak / NB

Raadsman: mr. A.A. Bos te Zwolle

Tussenbeslissing

in de zaak tegen:

[naam bedrijf] VOF,

Gevestigd te [plaats, adres],

Raadsman: mr A. Bos, advocaat te Zwolle.

Onderzoek van de zaak

Deze tussenbeslissing is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 februari 2011.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Zij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 april 2008 tot en met 13 april 2010 te Twello (gemeente Voorst), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, als marktdeelnemer, de bevoegde instanties opzettelijk niet in kennis heeft gesteld van (een) voorval(len) met betrekking tot geregistreerde stoffen, dat/die er op wijst/wijzen of kan wijzen, dat deze in de handel te brengen geregistreerde stoffen wellicht misbruikt zullen worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen, hebbende zij, verdachte, en/of haar mededader(s) meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk (een) (grote) hoeveelheid/hoeveelheden zoutzuur en/of zwavelzuur en/of aceton en/of tolueen verkocht en/of geleverd;

(De terminologie is gebruikt in de zin van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën en de Verordening (EG) nummer 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake drugsprecursoren)

(art 2 onder a van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën jo art 8 lid 1 van de EG-verordening nr. 273/2004)

art 4 lid 2 Wet voorkoming misbruik chemicaliën

2.

Zij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 01 april 2008 tot en met 13 april 2010 te Twello, (gemeente Voorst), in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van amfetamine en/of metamfetamine en/of MDMA en/of MDEA en/of MDA en/of cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of metamfetamine en/of MDMA en/of MDEA en/of MDA en/of cocaïne, zijnde amfetamine en/of metamfetamine en/of MDMA en/of MDEA en/of MDA en/of cocaïne (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of een

ander middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer anderen heeft/hebben getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan verdachte wist of ernstige redenen had om te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft zij, verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) (al dan niet via (een) ander(en)):

- hardware/laboratoriumbenodigdheden (onder meer twee destillatieapparaten en/of een vacuümcontroller en/of meerdere rondbodemkolven, -welke voorwerp(en) benodigd is/zijn, althans kunnen worden gebruikt, bij/voor de bereiding en/of verwerking en/of vervaardiging van MDMA en/of MDEA en/of MDA en/of amfetamine en/of cocaïne en/of metamfetamine, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I -), voorhanden gehad en/of verkocht en/of geleverd en/of besteld en/of

- (een) stof(fen), te weten (een) (grote) hoeveelheid/-heden aceton en/of zoutzuur en/of zwavelzuur en/of mierenzuur en/of rode fosfor en/of jodium en/of hexaan en/of methanol en/of formamide en/of natriumhydroxide en/of wasbenzine (petroleum ether) en/of tolueen en/of fosforzuur en/of safrol (- welke stof(fen) benodigd is/zijn, althans kunnen worden gebruikt, bij/voor de bereiding en/of verwerking en/of vervaardiging van MDMA en/of MDEA en/of MDA en/of amfetamine en/of cocaïne en/of metamfetamine, in elk geval een

middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I -) besteld, vervoerd, opgeslagen, verpakt, bereid, bewerkt, verwerkt, afgeleverd, verstrekt, gekocht, verkocht, gefinancierd, ter beschikking gesteld en/of voorhanden gehad en/of doen/laten bestellen en/of vervoeren en/of opslaan en/of verpakken en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of afleveren

en/of verstrekken en/of kopen en/of verkopen en/of financieren en/of ter beschikking stellen en/of voorhanden hebben en/of

- tot bovenomschreven feiten opdracht gegeven en/of daartoe hand- en spandiensten verricht.

art 10a lid 1 ahf/sub 1 alinea Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet

Overwegingen ten aanzien van de derde voorvraag ex artikel 348 van het Wetboek van Strafvordering, te weten de ontvankelijkheid van de officier van justitie

1. In haar tussenbeslissing d.d. 16 november 2010 heeft deze rechtbank bepaald dat de officier van justitie en de verdachte in de gelegenheid worden gesteld zich alsnog uit te laten over de vraag welke gevolgen dienen te worden verbonden aan de omstandigheid dat de officier van justitie in oktober 2010 een (op de voet van artikel 51 van het Wetboek van Strafvordering met een rechtspersoon gelijkgestelde) vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid heeft gedagvaard, die op dat moment niet meer zou bestaan.

2. De officier van justitie heeft geconcludeerd dat voorop dient te worden gesteld dat de strafbare gedragingen worden verweten aan [naam bedrijf] in de tijd dat deze onderneming (onbetwist) als vennootschap onder firma (hierna: VOF) werd gedreven.

Samengevat komt de stelling van het openbaar ministerie er op neer dat:

a. [naam bedrijf] VOF nog steeds (civiel- en strafrechtelijk) bestaat;

b. De vervolging van [naam bedrijf] VOF is aangevangen voordat [naam bedrijf] volgens het handelsregister (weer) een eenmanszaak is geworden.

Ad a.

Sinds 1 april 2008 wordt [naam bedrijf] gedreven als een VOF met als vennoten [vennoot 1 en vennoot 2]. De rechtbank te Zutphen heeft op 30 juli 2010 aan [vennoot 2] als voorwaarde voor de schorsing van zijn voorlopige hechtenis opgedragen dat hij zich zo spoedig mogelijk zal laten uitschrijven bij de Kamer van Koophandel als vennoot van [naam bedrijf]. Dit heeft [vennoot 2] een aantal dagen later gedaan, waarna de onderneming op

2 augustus 2010 volgens het handelsregister nog uitsluitend (als eenmanszaak) voor rekening van [vennoot 1] wordt gedreven.

De officier van justitie is van mening dat geen sprake is van een van de in artikel 7A:1683 van het Burgerlijk Wetboek opgenomen wijzen van ontbinding van een vennootschap onder firma. Dat de VOF civielrechtelijk niet is ontbonden, blijkt ook uit de verklaring van mr. Yildirim, raadsman van [vennoot 1], ter terechtzitting d.d. 9 november 2010 in de zaak tegen [naam bedrijf] VOF: "cliënt is niet de enige vennoot van verdachte, [vennoot 2] is dat ook". Hieruit blijkt dat [naam bedrijf] volgens [vennoot 1] nog steeds twee vennoten heeft.

Op 20 december 2010 is de tussenbeslissing van de rechtbank aan [vennoot 1] betekend. [vennoot 1] heeft toen aan degene die het stuk uitreikte, verklaard, dat hij bestuurder was en heeft het stuk voor [naam bedrijf] VOF in ontvangst genomen. De oproep voor de zitting van 1 februari 2011 voor [naam bedrijf] VOF heeft hij vervolgens geweigerd, naar de mening van de officier van justitie omdat hij toen wist wat de consequenties waren. Naar de mening van de officier van justitie probeert [naam bedrijf] VOF onder strafrechtelijke aansprakelijkheid uit te komen.

Onder verwijzing naar het vonnis d.d. 16 januari 2010 van de rechtbank Almelo (LJN: BL8311) stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat het enkele feit dat iemand zich heeft doen uitschrijven uit het handelsregister nog niet met zich brengt dat er sprake is van een opzegging in de zin van de wet. [vennoot 2] heeft zich alleen laten uitschrijven uit het handelsregister en heeft verder geen enkele (rechts)handeling verricht om de ontbinding van [naam bedrijf] VOF te bewerkstellingen.

Maar zelfs als zou blijken dat de VOF wel is ontbonden, geldt in het strafrecht dat de maatschappelijke realiteit in gevallen als de onderhavige beslissend dient te zijn (HR 28 oktober 1980, NJ 1981, 123). Het kan niet zo zijn dat in het geval de delinquerende rechtspersoon (in de zin van artikel 51 lid 3 Wetboek van Strafrecht) wordt ontbonden en de werkzaamheden aantoonbaar worden voortgezet, op die wijze de strafrechtelijke aansprakelijkheid wordt ontlopen. De onderneming [naam bedrijf] heeft nog steeds dezelfde naam, dezelfde bedrijfsruimte, hetzelfde adres, dezelfde directeur, hetzelfde assortiment, hetzelfde Postbanknummer, dezelfde ongewijzigde website etc.

Zelfs in een nog verderstrekkende situatie, namelijk als een rechtspersoon failliet gaat, doet dat het recht tot strafvervolging niet vervallen (HR 20 maart 1990, NJ 1991, 8).

Conclusie van het bovenstaande: de VOF bestaat in ieder geval strafrechtelijk nog en kan worden vervolgd.

Ad b.

[naam bedrijf] VOF dient er sinds 27 oktober 2009 (de dag waarop doorzoekingen en inbeslagnames onder leiding van de rechter-commissaris in de strafzaak tegen -onder meer- verdachte [naam bedrijf] VOF hebben plaatsgevonden) rekening mee te houden dat zij (en haar beide vennoten) zullen worden vervolgd.

Naar het oordeel van het openbaar ministerie is de vervolging (er is een onafhankelijke rechter in de zaak betrokken) aangevangen voordat [naam bedrijf] VOF blijkens het handelsregister een eenmanszaak is geworden.

In dit verband verwijst de officier van justitie tevens naar het arrest d.d. 16 november jl. van de Hoge Raad (BM3630).

Gelet op het bovenstaande is het openbaar ministerie van oordeel dat [naam bedrijf] VOF juist is gedagvaard en de vervolging tegen haar kan worden voortgezet.

3. De raadsman heeft bepleit dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging van [naam bedrijf] VOF. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Op 13 april 2010 worden [vennoot 1], [vennoot 2] en [naam A] in verzekering gesteld. Op 17 april 2010 wordt [vennoot 1] door de rechter-commissaris geschorst met als voorwaarde een contactverbod. Zoals blijkt uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel (dossierpagina 246) is [naam bedrijf] VOF op 1 april 2008 opgericht met als vennoten [vennoot 1] en [vennoot 2]. Op 30 juli 2010 is [vennoot 2] door de rechtbank geschorst op voorwaarde dat hij zich bij de Kamer van Koophandel als vennoot van [naam bedrijf] VOF laat uitschrijven en alle banden met [naam bedrijf] VOF verbreekt. Op 2 augustus 2010 heeft [vennoot 2] zich uitgeschreven als vennoot van [naam bedrijf] VOF bij de Kamer van Koophandel. Op 18 augustus 2010 heeft [naam bedrijf] VOF zich uitgeschreven (overgedragen) en op 26 oktober 2010 is [naam bedrijf] VOF gedagvaard.

Een VOF heeft geen rechtspersoonlijkheid (ex artikel 2:3 Burgerlijk Wetboek (BW)), maar valt ex artikel 51 lid 3 Wetboek van Strafrecht wel onder het strafrechtelijk begrip rechtspersoon.

Een vennootschap onder firma is een maatschap waarin onder gemeenschappelijke naam een bedrijf wordt uitgeoefend. De artikelen 7A:1655 e.v. BW (maatschap) zijn derhalve van toepassing. Daarnaast zijn de artikelen 30 e.v. Wetboek van Koophandel (WvK) van toepassing.

Uit artikel 7A:1683 BW volgt op welke wijze een vennootschap onder firma kan worden ontbonden. Onder meer wordt de opzegging expliciet genoemd als ontbindingsgrond.

[vennoot 2] heeft opgezegd. Uit het feit dat de rechtbank [vennoot 2] heeft geschorst onder de voorwaarde dat hij zich zou laten uitschrijven als vennoot en alle banden met [naam bedrijf] VOF dient te verbreken, valt geen andere conclusie te trekken. Die opzegging is ook ex artikel 31 WvK ingeschreven. Vervolgens is er vereffend en is de onderneming als eenmanszaak door [vennoot 1] voortgezet. Een en ander is op 18 augustus 2010 in het Handelsregister verwerkt.

Uit HR 16 november 2010 (LJN: BM3630) en 2 oktober 2007 (BA5825) volgt dat indien op het tijdstip dat een vervolging wordt ingesteld voor derden kenbaar is (bijvoorbeeld door publicatie in het Handelsregister) dat een rechtspersoon of een daarmee gelijkgestelde entiteit is ontbonden, het recht tot strafvervolging als vervallen moet worden beschouwd.

De vervolging vangt aan op het moment dat het OM de strafrechter in de zaak betrekt. Voor wat betreft cliënte is dat het moment waarop de dagvaarding is betekend, zijnde 26 oktober 2010. Toen was de VOF reeds ontbonden. Dat was voor het OM kenbaar uit het Handelsregister en de schorsingsbeslissing van [vennoot 2]. Het OM is dus niet-ontvankelijk in de vervolging.

Mocht de vervolging van de VOF voor de ontbinding zijn aangevangen, dan wist het OM door de schorsingsbeslissing van [vennoot 2] op het moment van dagvaarding eveneens dat de VOF toen niet meer bestond, althans was zij gehouden tot nader onderzoek. Ook dan is het OM niet-ontvankelijk.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Voor de beantwoording van de vraag op welk tijdstip het recht tot strafvordering tegen een rechtspersoon of tegen een ingevolge het derde lid van artikel 51 Wetboek van Strafrecht met een rechtspersoon gelijkgestelde entiteit vervalt nadat aan zijn bestaan een einde is gekomen, geldt het volgende. Indien op het tijdstip dat een vervolging wordt ingesteld voor derden kenbaar is (bijvoorbeeld door publicatie in het Handelsregister) dat een rechtspersoon of een daarmee gelijkgestelde entiteit is ontbonden, moet het recht tot strafvordering tegen die rechtspersoon of die entiteit als vervallen worden beschouwd. Is de vervolging ingesteld voordat voor derden kenbaar was dat de rechtspersoon of gelijkgestelde entiteit ontbonden is, dan is het recht tot strafvordering door de ontbinding niet komen te vervallen.

6. In de onderhavige zaak is dan ook van belang op welk tijdstip de vervolging is aangevangen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vervolging is aangevangen op 27 oktober 2009, op welke datum een doorzoeking onder leiding van de rechter-commissaris heeft plaatsgevonden. De raadsman is van mening dat op 26 oktober 2010, het moment van dagvaarden, de vervolging is aangevangen.

7. De vervolging vangt aan op het moment dat een rechter (op initiatief van het OM) in de zaak wordt betrokken, te weten door bijvoorbeeld het uitbrengen van een dagvaarding, het vorderen van een gerechtelijk vooronderzoek of het vorderen van een bevel tot voorlopige hechtenis.

8. Onder de (BOB-)gedingstukken bevindt zich een 'Vordering doorzoeking ter inbeslagneming (art. 110 Sv)' in het kader van een op overtreding van artikelen 2 jo. 10 Opiumwet en artikel 4 Wet Voorkoming Misbruik Chemicaliën gestoelde verdenking jegens (onder meer) [naam bedrijf] VOF1. De officier van justitie vordert daarbij de rechter-commissaris machtiging te verlenen terzake twee in de vordering genoemde adressen. De rechter-commissaris heeft bij beslissingen van 21 oktober 2009 de vordering toegewezen.2 Op 27 oktober 2009 hebben onder leiding van de rechter-commissaris doorzoekingen op beide adressen plaatsgevonden.

9. De vervolging van [naam bedrijf] VOF is derhalve aangevangen door het betrekken van de rechter-commissaris in de zaak van verdachte op 16 oktober 2009. Hieraan doet niet af dat de vordering zich richtte op twee woonadressen, niet zijnde vestigingsadres(sen) van [naam bedrijf] VOF.

10. Blijkens het door de raadsman ter zitting overgelegde uittreksel uit het Handelsregister is de ontbinding van [naam bedrijf] VOF met ingang van 2 augustus 2010 op 18 augustus 2010 ingeschreven in het Handelsregister, zodat derden vanaf die datum middels raadpleging van dit openbare register daarvan op de hoogte hadden kunnen zijn. Echter, aangenomen dat [naam bedrijf] VOF in zowel civiel- als strafrechtelijke zin daardoor is ontbonden, en dat dit voor derden kenbaar was vanaf de datum van inschrijving van die ontbinding, dan nog staat vast dat de vervolging van [naam bedrijf] VOF ruim 10 maanden eerder is aangevangen. Het openbaar ministerie is naar het oordeel van de rechtbank dan ook ontvankelijk in de vervolging van de VOF.

11. De rechtbank stelt vast dat de verzoeken en stukken uit het BOB-dossier zoals gebruikelijk niet aan de raadsman zijn gezonden, echter had de raadsman deze stukken bij de rechtbank kunnen inzien of daarom kunnen vragen.

Verdere onderzoekshandelingen

12. In de connexe strafzaken tegen [vennoot 1], [naam A] en [vennoot 2] heeft een verwijzing naar de rechter-commissaris plaatsgevonden voor het horen van getuigen. De raadsman van de VOF, die ook voor verdachte [vennoot 1] optreedt, en de officier van justitie hebben aangegeven, in het geval het openbaar ministerie ontvankelijk is, er mee in te kunnen stemmen dat de VOF zich bij die verhoren aansluit.

13. De rechtbank acht het van belang dat deze getuigen ook in de strafzaak tegen de verdachte VOF zullen worden gehoord en dat de raadsman aanwezig kan zijn bij dit verhoor.

14. De rechtbank bepaalt voorts dat een open verwijzing naar de rechter-commissaris zal worden gegeven. Het is praktisch en de huidige stand van zaken in het dossier maakt het eveneens mogelijk.

15. De rechtbank verzoekt de officier van justitie het aangekondigde aanvullend proces-verbaal dat zal worden opgemaakt naar aanleiding van het proces-verbaal omtrent het onderzoek naar de aanhangwagen van 2 november 2010, ook in het dossier van de verdachte VOF te doen voegen.

16. De rechtbank schorst het onderzoek in deze zaak in het belang van de verdediging van verdachte voor onbepaalde tijd en stelt de stukken in handen van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, zulks ten behoeve van het horen van de navolgende getuigen:

[vennoot 2],

[adres en plaats],

en

[vennoot 1],

[adres en plaats],

en

[getuige 1],

[adres en plaats],

en

[getuige 2],

[adres en plaats],

en voorts teneinde datgene te doen hetgeen de rechter-commissaris in deze verder dienstig voorkomt.

De rechtbank beveelt de oproeping van verdachte tegen de nader te bepalen terechtzitting met kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.

17.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart vervallen het verleende verstek tegen de verdachte "[naam bedrijf] VOF";

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de strafvervolging van de verdachte [naam bedrijf] VOF;

- schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd;

- draagt de officier van justitie op het aangekondigde aanvullend proces-verbaal dat zal worden opgemaakt naar aanleiding van het proces-verbaal omtrent het onderzoek naar de aanhangwagen van 2 november 2010, in het dossier van de verdachte [naam bedrijf]VOF te doen voegen;

- stelt de stukken in handen van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, zulks ten behoeve van het horen van getuigen en voorts teneinde datgene te doen hetgeen de rechter-commissaris in deze verder dienstig voorkomt;

- beveelt de oproeping van verdachte tegen de nader te bepalen terechtzitting met kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.

Aldus gewezen door mrs. Van der Mei, voorzitter, Van de Wetering en Gilhuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Hoesstee, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 februari 2011.

Voetnoten:

1 Vordering doorzoeking ter inbeslagneming, 16 oktober 2009, pag. 1422

2 Beslissing doorzoeking d.d. 21 oktober 2009 (D-182); beslissing doorzoeking d.d. 21 oktober 2009 (D-184)