Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BP2331

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
26-01-2011
Datum publicatie
28-01-2011
Zaaknummer
09-1055
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vrijstelling en bouwvergunning voor de bouw van een appartementengebouw met 6 appartementen aan de Arnhemseweg te Apeldoorn. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: 09/1055

Uitspraak in het geding tussen:

[eiser]

te [plaats],

eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn

verweerder.

[derde partij] bv

derde-partij.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 april 2008 heeft verweerder aan de derde-partij vrijstelling en reguliere bouwvergunning verleend voor het oprichten van een appartementengebouw met 6 appartementen op het perceel, plaatselijk bekend [adres te plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 27 mei 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken

ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 6 januari 2011, waar eiser is verschenen, bijgestaan door W. Hilbink, werkzaam bij ARAG Rechtbijstand te Leusden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.M. van Wegen. De derde-partij is vertegenwoordigd door [naam] en haar gemachtigde mr. M.R. Plug, advocaat te Delft.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien, voor zover van belang, het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 19, derde lid, van de, inmiddels vervallen, Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1º, van het, inmiddels vervallen, Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: BRO) komt voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO in aanmerking een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft.

2.2 Het perceel is gelegen binnen de begrenzingen van het bestemmingsplan “Apeldoorn-Zuid” (hierna: bestemmingsplan). Op het perceel rust de bestemming “Centrumdoeleinden, gebied I (Arnhemseweg)”.

Op grond van artikel 3.2, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan (hierna: planvoorschriften) is deze grond, zowel op de begane grond als op de verdiepingen, voor zover thans van belang, bestemd voor woningen.

Uit de zogenoemde bebouwingsmatrix, opgenomen in artikel 3.11, tweede lid, van de planvoorschriften volgt voor wat betreft “laagbouwwoningen gebied I (Arnhemseweg)”, dat de maximale hoogte 9 meter bedraagt, tenzij de plankaart anders aangeeft, en dat de afstand tot afscheiding en/of tussen woningen/woonblokken 2,50 meter tot de erfafscheiding en

5 meter tussen woningen en woonblokken bedraagt.

2.3 De derde-partij heeft ter zitting betoogd dat laatstgenoemd planvoorschrift, zoals uitgewerkt in de bebouwingsmatrix, voor wat betreft de hoogte van laagbouwwoningen onverbindend is. De rechtbank zal deze grond echter niet in de beoordeling betrekken, reeds omdat die vraag niet is terug te voeren op de beroepsgronden en de rechtbank niet gehouden is tot een ambtshalve beoordeling van de verbindendheid van planvoorschriften.

2.4 De rechtbank stelt vast, en tussen partijen is niet in geschil, dat met de oprichting van het appartementengebouw sprake is van “laagbouwwoningen” in vorenbedoelde zin. Evenmin is in geschil dat het bouwplan de maximaal toegestane hoogte, namelijk 9,83 in plaats van 9 meter, overschrijdt en dat niet wordt voldaan aan de vereiste minimale afstand tot de erfgrens, te weten 0,72 in plaats van 2,50 meter. Het bouwplan is dan ook op deze onderdelen in strijd met het bestemmingsplan. Daarom heeft verweerder vrijstelling verleend op de voet van artikel 19, derde lid, van de WRO, gelezen in verbinding met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1º, van het BRO. De rechtbank stelt vast, en tussen partijen is niet in geschil, dat het bouwplan valt onder het toepassingsbereik van die bepalingen. De conclusie moet dan ook zijn dat verweerder bevoegd is tot verlening van vrijstelling.

2.5 Eiser, die de eigenaar is van een naastgelegen pand, heeft betoogd dat met het besluit tot vrijstelling sprake is van ernstige aantasting van het woongenot, nu realisering van de appartementen zal leiden tot vermindering van zonlichttoetreding. Het pand zal daardoor in waarde dalen. Daarnaast had verweerder volgens eiser een zwaarder gewicht moeten toekennen aan de belangen van eiser dan die van de derde-partij. Daarbij heeft eiser erop gewezen dat niet aannemelijk is dat behoefte bestaat aan de te realiseren appartementen.

2.6 De beslissing al dan niet vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheden van in dit geval verweerder, waarbij verweerder beleidsvrijheid heeft, zodat de rechter de beslissing in zoverre terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid tot zijn besluit om de vrijstelling te verlenen heeft kunnen komen.

2.7 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ter bepaling van zijn standpunt dat voor het verlenen van vrijstelling het belang van de derde-partij zwaarder dient te wegen dan het belang van eiser, van doorslaggevende betekenis mogen achten dat, gelet op voormelde bebouwingsmatrix, de planologische beperking dat een afstand van tenminste 2,50 meter tot de erfafscheiding in acht moet worden gehouden, niet geldt voor gebouwen niet zijnde laagbouwwoningen. Dit brengt namelijk met zich dat bijvoorbeeld winkels, horeca- en maatschappelijke voorzieningen tot op de erfgrens mogen worden opgericht. Verweerder kan worden gevolgd dat dergelijke voorzieningen meer belastend voor het woonklimaat zijn dan woningen als de onderhavige. Nu het bestemmingsplan deze mogelijkheid biedt, moet het (op zichzelf te respecteren) belang dat eiser heeft bij voldoende zonlicht worden geacht bij de vaststelling van het bestemmingsplan voldoende te zijn afgewogen. Daarnaast kan er niet aan worden voorbij gezien dat in artikel 4.1 van de planvoorschriften is voorzien in de mogelijkheid om vrijstelling te verlenen om op het perceel bebouwing op te richten tot een hoogte van 9,90 meter. De in het bouwplan voorziene bouwhoogte blijft hieronder. Ook in dit opzicht is het belang van eiser bij voldoende zonlicht reeds door de planwetgever in zekere mate meegewogen. De rechtbank wijst er voorts op dat het pand van eiser op een geringere afstand dan de toegestane 2,50 meter van de erfgrens is opgericht.

Aan de omstandigheid dat thans nog geen zekerheid bestaat of, en zo ja binnen welke termijn van de bouwvergunning gebruik zal worden gemaakt, heeft verweerder ten slotte niet de door eiser gewenste betekenis hoeven toekennen. Indien binnen de in de bouwverordening bepaalde termijn geen begin is gemaakt met de bouwwerkzaamheden, kan verweerder de bouwvergunning op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet intrekken.

2.8 De rechtbank vindt dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid tot verlening van vrijstelling heeft kunnen komen en dat verweerder ten onrechte bouwvergunning heeft verleend.

2.9 Indien eiser meent dat zijn pand door de vrijstelling in waarde is gedaald en dat hij voor vergoeding van planschade in aanmerking dient te komen, kan hij een daartoe strekkend verzoek bij verweerder indienen.

2.10 Het beroep is ongegrond. Voor een veroordeling in proceskosten bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. van Breda. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2011.