Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BP2324

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
26-01-2011
Datum publicatie
28-01-2011
Zaaknummer
10-57
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vrijstelling en bouwvergunning voor de bouw van een brandwerende overkapping aan de Eperweg te Epe. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2011/4659
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: 10/57

Uitspraak in het geding tussen:

[eiser]

te [plaats],

eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Epe

verweerder.

[derde partij] bv

derde-partij.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2009 heeft verweerder binnenplanse vrijstelling en reguliere bouwvergunning verleend voor de oprichting van een brandwerende overkapping op het perceel, plaatselijk bekend [adres te plaats] (hierna: het perceel).

Eiser heeft beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 6 januari 2011, waar eiser is verschenen, bijgestaan door mr. J.C.F. Kooijmans, advocaat te Zwolle. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Oostwoud en S. van der Maden. De derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door M.S.G.U. de Vries en mr. N.S. Commijs, advocaat te Zwolle.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied, 4e correctieve herziening” (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming “bedrijfsdoeleinden”.

Ingevolge artikel 16.1.1 van de voorschriften van het bestemmingsplan zijn de gronden op de kaart aangewezen voor bedrijfsdoeleinden bestemd voor bedrijven als genoemd in bijlage 5¹, met, voor zover hier van belang, daarbij behorende gebouwen en andere bouwwerken.

Ingevolge artikel 16.2 mogen op de tot bedrijfsdoeleinden bestemde gronden met inachtneming van het bepaalde in artikel 43 (bebouwingsgrenzen) uitsluitend worden gebouwd bouwwerken ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat voor:

• (artikel 16.2.1) gebouwen geldt dat:

a. de gezamenlijke oppervlakte, exclusief de oppervlakte van een bedrijfswoning, per bestemmingsvlak niet meer bedraagt dan in bijlage 5¹ is aangegeven;

b. de hoogte ten hoogste 10 m bedraagt;

(….).

• (artikel 16.2.3) andere bouwwerken geldt dat de hoogte ten hoogste 5 m bedraagt, met uitzondering van erfafscheidingen waarvan de hoogte ten hoogste 2,50 m bedraagt.

Artikel 1, onder 29, definieert gebouw als elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

Ingevolge artikel 43.1.1 dienen, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen, wanneer gebouwen worden gebouwd op gronden grenzend aan de bestemming verkeersdoeleinden, de in deze bepaling vermelde afstanden uit de as van de op de kaart nader onderscheiden wegen in acht [te worden] genomen.

Ingevolge artikel 43.1.2 zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in 43.1.1, indien en voor zover uit overleg met de wegbeheerder blijkt dat daartegen uit hoofde van het wegbeheer, de verkeersveiligheid daaronder begrepen, geen bezwaar bestaat.

2.2 Eiser betoogt dat de brandwerende overkapping in strijd is met het bestemmingsplan. Eiser voert daartoe allereerst aan dat – kort gezegd – de overkapping geen gebouw maar een erfafscheiding dan wel een ander bouwwerk is, omdat het niet overdekt en niet voor mensen toegankelijk is. Daarvan uitgaande wordt de toegestane bouwhoogte overschreden, aldus eiser.

2.2.1 Naar het oordeel van de rechtbank dient de overkapping te worden aangemerkt als een gebouw. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt vast dat de overkapping een hoogte van 8 meter en één achterwand met een lengte van 43,02 meter heeft. Daarnaast heeft het bouwwerk twee zijwanden, die, zoals bij de bestudering van de bouwtekeningen ter zitting is komen vast te staan, elk een lengte van 1,10 meter hebben. Voorts is het bouwwerk voorzien van een kap over de gehele lengte en breedte. Hiermee is sprake van een overdekte ruimte.

In verband met de vraag of het bouwwerk een gebouw is acht de rechtbank voorts, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling), waaronder de uitspraken van 27 juni 2007 (zaak nr. 200608501/1) en 18 februari 2009 (zaak nr. 200803313/1), beide uitspraken gepubliceerd op www.raadvanstate.nl, de buitenmaten van het bouwwerk van doorslaggevende betekenis. Niet noodzakelijk is dat daadwerkelijk verblijf in het bouwwerk mogelijk is. De rechtbank is van oordeel dat de overkapping qua omvang voor mensen toegankelijk is. Dat verblijf daarin moeilijk dan wel onmogelijk wordt gemaakt door de opslag van houtmaterialen, doet er, gelet op voormelde uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2007, niet aan af dat verweerder de overkapping heeft kunnen aanmerken als gebouw.

Nu sprake is van een gebouw, kan van een ander bouwwerk dan wel erfafscheiding in de zin van de planvoorschriften geen sprake zijn. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 29 november 2006 (zaak nr. 200601791/1, gepubliceerd op www.raadvanstate.nl).

Uit het voorgaande volgt dat de hoogte van het gebouw voldoet aan de in artikel 16.2.1 van de planvoorschriften maximaal toegelaten bouwhoogte.

2.3 Eiser heeft daarnaast betoogd dat het bouwwerk in strijd is met het bestemmingsplan, omdat met de brandwerende overkapping de in de planvoorschriften maximaal toegestane bebouwingsoppervlakte is overschreden.

2.3.1 De rechtbank verwerpt ook dit betoog. Vaststaat dat de bebouwde oppervlakte vóór de uitvoering van het bouwplan 1.120 m² was. Zoals volgt uit rechtsoverweging 2.2.1 heeft het bouwwerk een oppervlakte van (44,3 x 1,10 m =) ruim 47 m² en niet van ruim 64 m², als betoogd door eiser. De bebouwde oppervlakte op het perceel ná de uitvoering van het bouwwerk bedraagt in dat geval 1.167 m². Uit artikel 16.2.1 van de planvoorschriften en bijlage 5 – lijst bedrijfsdoeleinden, die als bijlage deel uitmaakt van de voorschriften – volgt dat op het perceel maximaal 1.175 m², exclusief bedrijfswoning(en), aan bebouwing is toegestaan. Met het bouwplan wordt de in de planvoorschriften maximaal toegestane bebouwingsoppervlakte niet overschreden.

2.4 De rechtbank stelt vervolgens vast, en tussen partijen is niet in geschil, dat het bouwplan in strijd is met artikel 43.1.1 van de planvoorschriften. Om realisering van het bouwplan mogelijk te maken heeft verweerder krachtens artikel 43.1.2 van de planvoorschriften vrijstelling verleend. De rechtbank stelt vast, en tussen partijen is niet in geschil, dat verweerder tot verlening van vrijstelling bevoegd is.

2.5 Eiser heeft betoogd dat verweerder bij de verlening van vrijstelling geen acht heeft geslagen op de bezwaren met betrekking tot de vermindering van lichtinval, de aantasting van het uitzicht, de waardedaling van de woning en het karakter van het buitengebied. Daarbij is het volgens eiser onduidelijk of en op welke wijze is onderzocht of realisering van het bouwplan leidt tot verslechtering van de verkeersveiligheid.

2.5.1 Verweerder heeft bij de motivering van de verlening van vrijstelling in aanmerking genomen dat eiser en de derde-partij beiden bedrijven hebben die tegen elkaar aan zijn gegroeid, dat eiser open haarden en de derde-partij bouw- en tuinmaterialen verkoopt, dat verweerder in verband met eisen van brandveiligheid heeft geëist dat een brandwerende overkapping geplaatst wordt en dat bij percelen als de onderhavige, waar twee bedrijven tegen elkaar zijn gegroeid, wat betreft hinderaspecten (uitzicht, bezonning en privacy) andere normen van toepassing zijn. Voorts heeft verweerder in de afweging betrokken dat realisering van het bouwwerk volgens de gemeentelijke verkeersdeskundige geen belemmering vormt voor de verkeersveiligheid.

2.5.2 De beslissing al dan niet vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheden van in dit geval verweerder, waarbij verweerder beleidsvrijheid heeft, zodat de rechter de beslissing in zoverre terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid tot zijn besluit om de vrijstelling te verlenen heeft kunnen komen.

2.5.3 De rechtbank stelt vast dat de planwetgever, zoals verweerder in het verweerschrift heeft toegelicht, het mogelijk heeft gemaakt om ter plaatse, tegen de perceelsgrens, aan de zijde van het bedrijf van de derde-partij, een gebouw op te richten met een maximale hoogte van 10 meter, terwijl met het bouwplan – ruimschoots – onder die bouwhoogte wordt gebleven. De door eiser ervaren vormen van hinder zijn aspecten die moeten worden geacht bij de totstandkoming van het bestemmingsplan te zijn betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij de verlening van de vrijstelling ook in ogenschouw mogen nemen dat bij het wonen in een bedrijfswoning meer hinder kan worden ondervonden dan in een burgerwoning het geval zou zijn. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat bij een burgerwoning het wonen daarin en het genot daarvan voorop staat en bij een bedrijfswoning het woongenot weliswaar zeker niet onbelangrijk, maar wel ondergeschikt is aan de bedrijfsfunctie waartoe het pand behoort. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2007 (LJN: BA6002). Indien en voor zover eiser meent dat zijn bedrijfswoning door het bestreden besluit in waarde is gedaald, kan dit niet in de onderhavige procedure worden betrokken, maar kan hij bij verweerder een verzoek om schadevergoeding indienen. Daarnaast heeft verweerder in ogenschouw kunnen nemen dat de gemeentelijke verkeersdeskundige met het bouwplan geen belemmeringen voor de verkeersveiligheid aanwezig heeft geacht. Ter zitting heeft verweerder daaromtrent toegelicht hoe het advies van de verkeersdeskundige tot stand is gekomen. De bouwtekeningen zijn naar de verkeersdeskundige gezonden, verweerder heeft het bouwplan tegenover die deskundige toegelicht en op basis daarvan heeft de deskundige vervolgens advies uitgebracht. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder dat advies, dat aldus tot stand is gekomen, niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen.

Gelet op het bovenstaande en in aanmerking genomen het hiervoor in 2.5.2 weergegeven beoordelingskader, heeft verweerder in redelijkheid kunnen besluiten vrijstelling te verlenen.

2.6 De conclusie is dat verweerder terecht reguliere bouwvergunning heeft verleend.

2.7 Het beroep is ongegrond. Voor een veroordeling in proceskosten bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. van Breda. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2011.