Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BP1121

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
19-01-2011
Datum publicatie
19-01-2011
Zaaknummer
103930 - HA ZA 09-802
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Waardering van tegenbewijs tegen de op de dwingende bewijskracht van een schuldbekentenis gebaseerde voorshandse aanname dat gedaagde uit hoofde van geldlening en achterstallig honorarium aan eiser een bepaald bedrag verschuldigd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 103930 / HA ZA 09-802

Vonnis van 19 januari 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

advocaat mr. P.G.F.M. van Oss te Ermelo,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde,

advocaat mr. N. Huppes te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 3 maart 2010

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 25 mei 2010

- de akte inzake getuigenverhoor d.d. 9 juni

- de conclusie na getuigenverhoor met producties d.d. 7 juli 2010

- de antwoordconclusie na getuigenverhoor met producties d.d. 1 september 2010

- de akte uitlating producties van [gedaagde] d.d. 29 september 2010

- de antwoordakte van [eiser] d.d. 27 oktober 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. In het onder 1.1 vermelde tussenvonnis heeft de rechtbank [gedaagde] toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshandse aanname dat [gedaagde] uit hoofde van geldlening en achterstallig honorarium een bedrag van in totaal € 78.494,--, alsmede een contractuele rente van 5% over dat bedrag, verschuldigd is aan [eiser]. Met het oog daarop zijn door [gedaagde] drie getuigen opgeroepen, te weten de heer [getuige 1] (hierna: [getuige 1]), de heer [getuige 2] (hierna: [getuige 2]) en de heer [getuige 3] (hierna: [getuige 3]). Ter zitting van 25 mei 2010 is [getuige 1] gehoord. [getuige 2] en [getuige 3] zijn niet verschenen en [gedaagde] heeft bij akte afstand gedaan van deze twee getuigen. [eiser] heeft afgezien van contra-enquête.

2.2. Getuige [getuige 1] heeft onder meer het volgende verklaard:

“[…] Ik ken [gedaagde] die ik hierna [gedaagde] zal noemen, als collega bij [bedrijf in plaats]. Ik ben in 1997 bij [bedrijf] vertrokken en [gedaagde] een paar jaar later, ik meen in 2000/2001. [gedaagde] en ik hebben eind 2000 samen een project gedaan bij [Omroep] en dat was goed bevallen. [gedaagde] had software nodig en dat heb ik bij wijze van ontwikkelingshulp voor hem gemaakt. […]

Ik heb de schuldbekentenissen waar het hier om gaat gezien. Ik werk nog steeds samen met [gedaagde]. Op een gegeven moment kwam [eiser], die ik hierna [eiser] zal noemen, voor in het verhaal. Ik hoorde van [gedaagde] dat [eiser] langs was geweest met het bewuste document.

Dat hoorde ik eind 2008. [gedaagde] werd door [eiser] aangesproken tot terugbetaling van de schuld, naar ik meen zo’n € 80.000,--. Ik heb toen die schuldbekentenissen gezien. [gedaagde] zei dat hij zich niet echt kon herinneren dat hij die schuldbekentenissen ondertekend had, maar nu zijn handtekening eronder stond, het dan wel zo zou zijn.

Ik was er niet mee bekend dat [gedaagde] en [eiser] in de periode dat de schuldbekentenissen werden ondertekend, een BV hadden opgericht. Ik heb in de periode 2001 tot 2004 intensief gewerkt met [gedaagde]. […] In die periode heb ik wel 16 uur per dag voor [gedaagde] gewerkt. […]

Ik vond het wel vreemd dat in de schuldbekentenissen niet vermeld staat ter zake waarvan de schuld was ontstaan. Normaal gesproken staat daar toch de tegenprestatie in. […]

Op vragen van mr. Huppes antwoord ik als volgt.

In de periode van 2003 tot 2005 zag ik [gedaagde] meerdere keren per maand bij [gedaagde] thuis. Dat was aan de [adres 1]. In die periode zag ik dat [gedaagde] moe was. Hij had meer dan een dagtaak, ook vanwege zijn drumschool. Zijn eenmanszaak was gevestigd op de [adres]. [gedaagde] woont daar beneden en op de eerste verdieping voert hij zijn bedrijf met alles wat daar bij hoort. Overal ligt iets. Het was een ruimte van zo’n 50 m2 en de ruimte was geschikt om daarin machines te ontwikkelen. In die periode was nog geen sprake van grote aantallen machines. In 2005 ben ik voor het eerst aan de [adres 2] geweest. Ik weet niet of het een idee van [gedaagde] was om daar naartoe te gaan. Ik heb voor [bedrijf 1] gewerkt. Eerst aan de [adres 1] en later aan de [adres 2]. De twee partners in de vennootschap zaten niet bij elkaar en ik ontdekte pas in 2005 dat de vennootschap was opgericht en dat [eiser] erbij zat. De locatie aan de [adres 2] was meer geschikt voor de productie van grotere aantallen. Voor de ontwikkeling was de [adres 1] voldoende. […]

Aan het voorgaande wens ik nog het volgende toe te voegen: eind 2008 waren wij bezig met een heel ander project. De opdrachtgever heeft toen individuele royaltycontracten aan [gedaagde] en mij voorgelegd en voordat [gedaagde] en ik dat zouden bespreken, had [gedaagde] zijn contract al ondertekend. Dit brengt mij tot de conclusie dat [gedaagde] gewoon alles tekent wat hem voorgelegd wordt.”

2.3. Naar het oordeel van de rechtbank is [gedaagde] niet geslaagd in het bijbrengen van het benodigde tegenbewijs, omdat de hiervoor weergegeven getuigenverklaring en hetgeen [gedaagde] bij conclusie na enquête en akte uitlating producties heeft gesteld en overgelegd – in onderlinge samenhang bezien - de juistheid van de voorshandse aanname, als hiervoor onder 2.1 weegegeven, niet alsnog twijfelachtig maken. Hiertoe is het volgende van belang.

2.4. Vooropgesteld zij dat hetgeen [getuige 1] heeft verklaard omtrent de schuldbekentenissen als zodanig, geen aanleiding geeft tot twijfel over de juistheid van hetgeen daarin is vastgelegd. Dat [gedaagde] zich het ondertekenen van de schuldbekentenissen later niet meer zou kunnen herinneren hoeft immers niet te betekenen dat hij destijds niet welbewust de schuldbekentenissen van een handgeschreven goedschrift en handtekening heeft voorzien. Op hetgeen [getuige 1] heeft verklaard over de panden aan de [adres 1] en [adres 2] zal hierna worden ingegaan.

Overigens noopt hetgeen [getuige 1] heeft verklaard over de moeheid van [gedaagde] in de periode 2003 tot 2005 en zijn conclusie dat [gedaagde] gewoon alles tekent wat hem wordt voorgelegd niet tot een ander oordeel omtrent de in het tussenvonnis van 3 maart 2010 (rov. 5.7 t/m 5.10) reeds verworpen verweren ter zake van het ontbreken van een op een rechtsgevolg gerichte wil, misbruik van omstandigheden en bedrog.

2.5. Voor het overige richt de (tegen)bewijslevering door [gedaagde] zich tegen specifieke kostenposten die [eiser] volgens [gedaagde] aan de in de schuldbekentenissen genoemde vorderingen ten grondslag legt.

2.6. Bij de verdere beoordeling dient als uitgangspunt te gelden dat, nu [eiser] zich ten bewijze van zijn vordering op [gedaagde] beroept op een tweetal onderhandse akten (de schuldbekentenissen d.d. 5 oktober 2004 en 11 maart 2005) waarin, naar vaststaat, [gedaagde] in verband met een in die akten vermelde rechtsverhouding heeft verklaard een bepaalde geldsom aan [eiser] te zullen betalen, [eiser] in beginsel zijn vorderingsrecht met betrekking tot die geldsom heeft bewezen, ook voor zover in de akten in kwestie niet is uitgedrukt uit welken hoofde de betaling aan [eiser] dient te geschieden. Het ligt op de weg van [gedaagde] om feiten te stellen en te bewijzen waaruit volgt dat het door [eiser] gestelde vorderingsrecht hem niet toekomt (vgl. HR 13 juni 1997, NJ 1997, 562). Dit heeft onder meer tot consequentie dat bewijs van de zijde van [gedaagde] gericht tegen bedragen genoemd in de door [eiser] in het geding gebrachte producties, slechts kan bijdragen aan het vereiste tegenbewijs indien en voor zover aannemelijk is dat de door [gedaagde] aldus ter discussie gestelde (kosten)posten deel uitmaken van de in de schuldbekentenissen bedoelde vorderingen.

2.7. [gedaagde] heeft bij conclusie na enquête gesteld dat het vrijwel zeker is dat [eiser] de in de schuldbekentenissen genoemde bedragen (in totaal € 78.494,--) heeft gebaseerd op de in productie 6 t/m 11 van [eiser] genoemde posten, die volgens de berekeningen van [gedaagde] (productie 13 bij de conclusie na enquête) opgeteld

€ 77.716,68 bedragen, een bedrag dat slechts € 800,-- afwijkt van het totaalbedrag van de schuldbekentenissen. Dit kan volgens [gedaagde] geen toeval zijn. Zijdens [eiser] is (ter comparitie en bij antwoordakte van 27 oktober 2010) benadrukt dat de hoogte van zijn vordering blijkt uit de schuldbekentenissen en dat de door hem overgelegde bewijsstukken (slechts) dienden ter illustratie van de onjuistheid van de stelling van [gedaagde] dat van enige schuld geen sprake was. Naar aanleiding van de hierna te bespreken stellingen van [gedaagde] inzake dubbeltellingen heeft [eiser] voorts – kort gezegd - betwist dat alle in de producties 6 t/m 11 genoemde bedragen opgeteld in zijn vorderingen zijn betrokken. Mede gelet op deze gemotiveerde betwisting door [eiser] is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan dat het totaalbedrag van de schuldbekentenissen een optelsom is van alle in de producties 6 t/m 11 van [eiser] genoemde posten zoals door [gedaagde] voorgerekend en betoogd. Niet uitgesloten is dan ook dat nog andere dan de in de producties genoemde posten en bedragen deel uitmaken van de in de schuldbekentenissen bedoelde vorderingen.

2.8. [gedaagde] heeft bij conclusie na enquête gesteld dat een aantal door [eiser] opgevoerde posten (genoemd in zowel productie 6 als productie 8 van [eiser]) dubbel is geteld bij het berekenen van de in de schuldbekentenissen vastgelegde vorderingen. [eiser] heeft deze stelling bij antwoordconclusie na enquête en bij antwoordakte d.d. 27 oktober 2010 gemotiveerd betwist. Nu - zoals hiervoor overwogen - niet is komen vast te staan dat de vordering van [eiser] bestaat uit een optelsom van de in diens producties 6 t/m 11 genoemde bedragen, en [gedaagde] voor zijn stelling dat sprake is van een dubbeltelling geen ander bewijs heeft bijgebracht dan juist een dergelijke optelsom, wordt de hiervoor onder 2.1 weergegeven voorshandse aanname daardoor niet alsnog onaannemelijk gemaakt.

2.9. Voorts stelt [gedaagde] in zijn conclusie na enquête dat in de door [eiser] overgelegde posten (waarmee kennelijk wordt gedoeld op de producties 6 t/m 11 van [eiser]) geen rekening is gehouden met bedragen die [gedaagde] aan [eiser] heeft voldaan, waaronder een bedrag van totaal € 35.245,19 (gelet op het in randnr. 6.4 van de conclusie van antwoord en productie 9 van [gedaagde] genoemde bedrag gaat de rechtbank er van uit dat dit een verschrijving is en dat € 24.245,19 wordt bedoeld) dat [eiser] in de periode van begin 2002 tot eind 2004 heeft ontvangen vanaf de zakelijke rekening van [gedaagde]. [gedaagde] verwijst in dat kader naar het door hem als productie 9 overgelegde overzicht met onderliggende bankafschriften.

Nu niet aannemelijk is geworden dat de vorderingen uit de schuldbekentenissen (uitsluitend) gebaseerd zijn op (een optelsom van) de in producties 6 t/m 9 van [eiser] genoemde posten, maakt het feit dat bij die posten geen melding wordt gemaakt van een bedrag dat [eiser] reeds zou hebben ontvangen naar het oordeel van de rechtbank niet dat onaannemelijk wordt dat [gedaagde] de in de schuldbekentenissen genoemde bedragen aan [eiser] verschuldigd is. [gedaagde] heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat de door [eiser] ontvangen bedragen aan hem zijn betaald ter zake van de in de schuldbekentenissen bedoelde vorderingen. Dit klemt temeer nu de schuldbekentenissen dateren van respectievelijk 5 oktober 2004 en 11 maart 2005, terwijl het merendeel van de door [gedaagde] overgelegde rekeningafschriften ziet op betalingen die zijn verricht vóór 5 oktober 2004, en geen enkele van die betalingen dateert van na 31 december 2004. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt dan ook niet in te zien waarom het door [eiser] ontvangen bedrag in mindering zou dienen te worden gebracht op de (nadien) in de schuldbekentenissen vastgelegde schuld van [gedaagde] aan [eiser].

2.10. [gedaagde] refereert in zijn conclusie na enquête ook aan de bij conclusie van antwoord reeds genoemde lening van [naam Beheer] aan [gedaagde] ter hoogte van

€ 10.000,--, welk bedrag zou zijn uitgekeerd aan [eiser]. In het tussenvonnis

d.d. 3 maart 2010 (rov. 5.14) is reeds uiteengezet waarom dit verweer wordt gepasseerd; het gestelde in de conclusie na enquête vormt geen aanleiding om op die beslissing terug te komen.

2.11. [gedaagde] stelt voorts dat een aantal kostenposten met betrekking tot het bedrijfspand aan de [adres 2] (bestaande uit huurkosten over de jaren 2002 t/m 2004 en andere kosten, waaronder de kosten van een in 2002 uitgevoerde verbouwing) niet voor rekening van [gedaagde] hadden mogen worden gebracht, omdat - kort gezegd – deze kosten betrekking hebben op een periode waarin de bedrijfsvoering van zijn (destijds nog) eenmanszaak [bedrijf 1] nog niet was gevestigd aan de [adres 2], maar aan de [adres 1]. De bedrijfsvoering van [bedrijf 1] is pas na de oprichting van [bedrijf 1] B.V. in januari 2005 naar het bedrijfspand aan de [adres 2] verhuisd; vóór januari 2005 maakte alleen [bedrijf 2], de eenmanszaak van [eiser], gebruik van het pand aan de [adres 2] en was de bedrijfsruimte van [bedrijf 1] gevestigd aan de [adres 1], aldus [gedaagde]. [eiser] heeft (onder meer bij antwoordconclusie na enquête) gemotiveerd bestreden dat de bedrijfsvoering van [bedrijf 1] pas met ingang van 2005 aan de [adres 2] is gevestigd.

2.12. De rechtbank stelt voorop dat het antwoord op de vraag vanaf welk moment [bedrijf 1] (en/of [bedrijf 1] B.V.) gebruik heeft gemaakt van de bedrijfsruimte aan de [adres 2] gelet op het hiervoor (onder 2.6) overwogene slechts relevant is voor zover aannemelijk is gemaakt dat de op de periode 2002 t/m 2004 betrekking hebbende kosten deel uitmaken van de in de schuldbekentenissen bedoelde vorderingen. Dit betekent dat het antwoord op deze vraag ten aanzien van de huurlasten over de jaren 2002 en 2003 niet relevant is, omdat gesteld noch gebleken is dat deze kosten door [eiser] zijn meegenomen in het berekenen van laatstgenoemde vorderingen. [eiser] heeft zich daarover niet uitgelaten (en was daartoe gelet op de dwingende bewijskracht van de schuldbekentenissen ook niet gehouden). [gedaagde] heeft slechts gesteld dat deze huurbedragen in de jaarrekeningen van [bedrijf 1] van 2002 en 2004 (ten onrechte) voor rekening van [bedrijf 1] zijn gebracht, doch níet dat ze ook deel uitmaakten van de in de schuldbekentenissen bedoelde vorderingen, laat staan dat hij dit aannemelijk heeft gemaakt. Ook overigens valt uit het dossier niet op te maken of, en zo ja in hoeverre, de huurkosten van de [adres 2] over 2002 en 2003 van die vorderingen deel uitmaken.

2.13. Met het oog op de huurlasten over het jaar 2004, de facturen met betrekking tot verbouwingskosten uit 2002 en 2003 (producties 7 en 9 van [eiser]) en de facturen uit 2003 en 2004 met betrekking tot andere kosten in verband met de [adres 2] (producties 6 en 9 van [eiser]) is wél relevant wanneer [bedrijf 1] gebruik is gaan maken van de bedrijfsruimte aan de [adres 2], nu de rechtbank gelet op de stellingen van [eiser] – onder meer in de begeleidende brief bij producties 6 t/m 11 en ter comparitie – aannemelijk acht dat die kosten in ieder geval deels zijn meegerekend in de vorderingen uit de schuldbekentenissen.

2.14. Naar het oordeel van de rechtbank is [gedaagde] er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat [bedrijf 1] pas met ingang van januari 2005, en niet reeds eerder, gebruik is gaan maken van de bedrijfsruimte aan de [adres 2]. De hiervoor geciteerde verklaring van getuige [getuige 1] sluit niet uit dat [bedrijf 1] – naast de werkruimte bij [gedaagde] thuis aan de [adres 1] – tevens gebruik maakte van een bedrijfsruimte aan de [adres 2] reeds vóór het moment - in 2005 - dat [getuige 1] daar voor het eerst is geweest. De als productie 12 door [gedaagde] en als productie 11 door [eiser] overgelegde facturen leveren - anders dan [gedaagde] heeft betoogd – evenmin het vereiste tegenbewijs, nu daaruit slechts blijkt dat [bedrijf 1] in de periode 2002 t/m 2004 afwisselend op beide adressen ([adres 2] en [adres 1]) facturen en leveringen heeft ontvangen, terwijl niet uitgesloten is dat facturatie en levering van goederen heeft plaatsgevonden op een ander adres dan de op dat moment in gebruik zijnde bedrijfsruimte (bijvoorbeeld het woonadres van [gedaagde], eigenaar van [bedrijf 1]). Bovendien moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat [bedrijf 1] – zoals gesteld door [eiser] – gedurende een bepaalde periode van twee bedrijfsruimten gebruik heeft gemaakt. De aan [bedrijf 2] gerichte facturen zijn met het oog op de bewijsopdracht niet relevant, nu uit het feit dat [bedrijf 2] facturen en/of leveringen ontving aan het adres [adres 2] geen conclusies kunnen worden getrokken met betrekking tot het (feitelijke) vestigingsadres van [bedrijf 1].

2.15. [eiser] heeft in reactie op de stellingen van [gedaagde] gesteld dat op 14 december 2002 een openingsfeest van [bedrijf 1] aan de [adres 2] heeft plaatsgevonden. Door [gedaagde] is, onder verwijzing naar de in zijn akte uitlating producties afgedrukte uitnodiging voor het betreffende feest, betwist dat dit feest ter ere van de opening van [bedrijf 1] aan de [adres 2] was. De rechtbank merkt op dat, wat er ook zij van het onderwerp en doel van het feest in kwestie, de stellingen van partijen inzake dit feest niet kunnen bijdragen aan het ontzenuwen van de hiervoor onder 2.1 weergegeven voorshandse aanname, nu gesteld noch gebleken is dat voorafgaand aan enige officiële opening van de bedrijfsruimte van [bedrijf 1] aan de [adres 2] (hoe en wanneer die ook mag hebben plaatsgevonden) die ruimte niet door [bedrijf 1] gebruikt, gehuurd en/of verbouwd zou kunnen zijn.

2.16. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde] noch met betrekking tot de huur- en overige kosten van de bedrijfsruimte aan de [adres 2] over het jaar 2004, noch met betrekking tot de in 2002 en 2003 gemaakte (verbouwings)kosten aannemelijk heeft gemaakt dat deze kosten ten onrechte zijn meegenomen bij de berekening van de in de schuldbekentenissen bedoelde vorderingen.

2.17. Met betrekking tot de post “per 31 december 2004 nog te vorderen honorarium” van totaal € 27.240,-- in de schuldbekentenis d.d. 11 maart 2005 heeft [gedaagde], onder verwijzing naar de jaarrekening van [bedrijf 1] over 2004 (productie 14 [gedaagde]) en de door [eiser] overgelegde facturen (productie 11), gesteld dat [eiser] over het jaar 2002 een bedrag van € 5.399,98, over 2003 € 14.051,84 en over 2004 géén honorarium aan [bedrijf 1] in rekening heeft gebracht. Omdat partijen hebben nagelaten om duidelijke afspraken te maken over het honorarium zal volgens [gedaagde] moeten worden uitgegaan van de in de jaarrekeningen genoemde bedragen ten aanzien van het honorarium. Dat over 2004 geen honorarium in rekening is gebracht is terecht omdat [bedrijf 1] in 2005 een B.V. is geworden waarin [eiser] participeert, zodat hij in 2004 feitelijk al voor zijn eigen zaak werkte, aldus [gedaagde]. Verder stelt [gedaagde] onder verwijzing naar een door hem overgelegd overzicht (productie 9) dat hij over de periode januari 2002 tot eind 2004 reeds € 13.520,-- aan honorarium heeft betaald, zodat hij nog maximaal € 6.494,98 aan honorarium verschuldigd is aan [eiser]. [eiser] heeft gemotiveerd betwist dat [gedaagde] nog slechts € 6.494,98 aan honorarium verschuldigd is. Uit het feit dat geen honorariumfactuur uit 2004 is overgelegd mag volgens [eiser] niet worden afgeleid dat over dat jaar geen honorarium (meer) verschuldigd is; dat [eiser] op een gegeven moment geen facturen meer verzond heeft ermee te maken dat ook over facturen die niet betaald worden inkomstenbelasting en BTW moeten worden betaald. De rechtbank acht het, mede gelet op het feit dat over 2002 en 2003 wel degelijk honorarium aan [bedrijf 1] in rekening is gebracht terwijl gesteld noch gebleken is dat [eiser] in 2004 minder werkzaamheden voor [bedrijf 1] heeft verricht dan in de voorgaande jaren, niet aannemelijk dat [bedrijf 1] over het jaar 2004 in het geheel geen honorarium verschuldigd zou zijn, daargelaten welk bedrag precies verschuldigd is. Er kan derhalve niet, zoals kennelijk door [gedaagde] bepleit, van uit gegaan worden dat in het in de schuldbekentenis d.d. 11 maart 2005 genoemde “per 31 december 2004 nog te vorderen honorarium” geen honorarium over 2004 begrepen is. De door [gedaagde] aan zijn verweer ten grondslag gelegde stelling dat de hoogte van het totaal over 2002 t/m 2004 verschuldigde honorarium een optelsom is van de in de jaarrekening 2004 en de overgelegde facturen genoemde bedragen over 2002 en 2003 is dan ook niet aannemelijk geworden, waarmee de basis komt te ontvallen aan de door [gedaagde] in de conclusie na enquête gepresenteerde berekening van het nog verschuldigde honorarium. Dat [gedaagde] reeds € 13.520,-- aan honorarium heeft betaald, zoals hij onbetwist stelt, staat er dan ook niet aan in de weg dat hij het in de schuldbekentenis genoemde bedrag aan achterstallig honorarium (nog steeds) verschuldigd is. Ook wat betreft het honorarium is dus niet onaannemelijk gemaakt dat [gedaagde] de in de schuldbekentenissen genoemde bedragen aan [eiser] verschuldigd is.

2.18. Ten slotte heeft [gedaagde] in zijn conclusie na enquête gesteld dat in de door [eiser] overgelegde facturen verschillende posten worden opgevoerd die [gedaagde] onbekend voorkomen en dat tevens een groot bedrag wordt opgevoerd aan kosten die in december 2004 zijn gemaakt ten behoeve van [bedrijf 1] B.V. Uit de jaarrekeningen (productie 14) kan bovendien worden opgemaakt dat er ook energiekosten ten behoeve van de bedrijfsruimte aan de [adres 2] voor rekening van [gedaagde] zijn gekomen. Voor zover [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat deze kosten van het in de schuldbekentenissen genoemde bedrag moeten worden afgetrokken wordt zijn stelling als onvoldoende onderbouwd gepasseerd, nu [gedaagde] heeft nagelaten te specificeren om welke kosten het gaat.

2.19. Nu [gedaagde] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de inhoud van de schuldbekentenissen in strijd met de waarheid is, is de meer subsidiaire vordering van [eiser] wat betreft de hoofdsom van € 78.494,-- toewijsbaar.

2.20. De meer subsidiaire vordering van [eiser] bedraagt totaal € 99.782,91, te vermeerderen met wettelijke rente. Uit het gestelde in de dagvaarding maakt de rechtbank op dat het bedrag van € 99.782,91 bestaat uit de hoofdsom van € 78.494,--, vermeerderd met een contractuele rente van 5% per jaar (als genoemd in de schuldbekentenissen) gerekend van 1 januari 2004 tot en met 12 november 2008 (de datum van de door [eiser] als productie 3 overgelegde sommatiebrief). Nu [gedaagde] tegen de toepassing van de contractuele rente en tegen de periode waarover deze dient te worden berekend geen verweer heeft gevoerd, zal de vordering tot betaling van een bedrag van € 99.782,91 worden toegewezen.

2.21. [eiser] vordert vergoeding van de wettelijke rente over het bedrag van

€ 99.782,91 vanaf 1 januari 2006, althans vanaf 19 mei 2009, althans vanaf 15 juni 2009. Hiertegen is evenmin verweer gevoerd, zodat ook dit onderdeel van de vordering zal worden toegewezen, met dien verstande dat [gedaagde] zal worden veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv), te rekenen vanaf 12 november 2008 in plaats van 1 januari 2006 aangezien artikel 119, lid 3 Rv zich ertegen verzet dat [gedaagde] over de periode van

1 januari 2006 tot en met 12 november 2008 zowel de contractuele rente als de wettelijke rente verschuldigd zou zijn.

2.22. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal - mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport Voor-werk II - worden afgewezen. [eiser] heeft immers niet gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan [eiser] vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

2.23. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 90,15

- vast recht € 2.215,00

- salaris advocaat € 4.263,00 (3 punten × tarief € 1.421,00)

Totaal € 6.568,15

2.24. De rechter, ten overstaan van wie het getuigenverhoor is gehouden, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen om organisatorische redenen.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 99.782,91 (negenennegentigduizend zevenhonderdtweeëntachtig euro en éénennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf 12 november 2008 tot de dag van volledige betaling,

3.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 6.568,15,

3.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E Boerwinkel en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2011.