Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:3486

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
18-02-2014
Zaaknummer
122370 / HA ZA 11-521 A
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding bij seksueel misbruik.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 122370 / HA ZA 11-521

Vonnis van 23 november 2011

in de zaak van

[eiser ],

wonende te [plaats],

eiser,

advocaat mr. L.H. Poortman-de Boer te Drachten,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde,

advocaat mr. H. Grootjans te Doetinchem.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 24 augustus 2011

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 21 oktober 2011

  • -

    de brief van de advocaat van eiser d.d. 25 oktober 2011

  • -

    de brief van de advocaat van gedaagde d.d. 28 oktober 2011.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Bij onherroepelijk vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 26 oktober 2010 is ten laste van gedaagde bewezen verklaard dat:

“hij op tijdstippen in de periode van 14 mei 1993 tot 14 mei 2003 te [plaats] ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [eiser ], geboren op [1988], immers heeft verdachte, opzettelijk ontuchtig, de (blote) billen en/of de (blote) geslachtsdelen van die [eiser ] betast”.

Ten laste van gedaagde is eveneens bewezen verklaard dat hij in dezelfde periode de geadopteerde broer van eiser, [broer eiser] (geboren op [1986]), op soortgelijke wijze seksueel heeft misbruikt.
De rechtbank heeft gedaagde deswege veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één jaar alsmede een werkstraf gedurende 240 uren. Bij de straftoemeting heeft de rechtbank onder meer meegewogen “dat de door verdachte gepleegde ontuchtige handelingen enige jaren na de begindatum van de tenlastegelegde periode zijn aangevangen, zodat de delictsperiode iets korter is dan in de tenlastelegging is opgenomen (…) Daarnaast is de kans reëel dat verdachte bij de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zijn bedrijf verliest.”


2.2. Gedaagde (geboren op [1949]) is een oom van eiser. Het misbruik vond plaats tijdens logeer-/verblijfsmomenten bij gedaagde thuis.

2.3.

Op 27 april 2011 heeft eiser ten laste van gedaagde conservatoir beslag gelegd op de aan gedaagde in eigendom toebehorende onroerende zaak zoals nader omschreven in het proces-verbaal van beslaglegging.

3 De vordering

3.1.

Eiser vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
A. gedaagde zal veroordelen tot betaling aan hem binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis van:
a. een bedrag van € 15.000,-- ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over voormeld bedrag vanaf 14 mei 1993 tot en met 20 april 2011, groot
€ 28.366,60 en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 april 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

b. een bedrag van € 8.381,82 ter zake van materiële schade, vermeerderd met de kosten van therapie die eiser nog zal maken en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 mei 2011 tot aan het moment van algehele voldoening;

c. een bedrag van € 516.000,-- ter zake van verlies van arbeidsvermogen,
B. gedaagde zal veroordelen in de kosten van dit geding (de kosten van de gelegde beslagen daaronder begrepen) alsmede de nakosten volgens het liquidatietarief, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis, en -voor het geval dat voldoening van de (na-)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na-)kosten vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.2.

Eiser legt aan zijn vorderingen, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, de navolgende stellingen ten grondslag.
Gedaagde heeft door het plegen van ontucht onrechtmatig jegens eiser gehandeld.
Als gevolg van de veelvuldig gepleegde ontucht kampt eiser met verschillende psychische klachten. Daarvoor is eiser vanaf januari 2009 onder behandeling bij een therapeute, die bij eiser een Post Traumatisch Stress Syndroom heeft gediagnosticeerd. Eiser mist door het misbruik het vertrouwen in anderen, waardoor hij weinig vrienden heeft gehad en hij ook moeilijk relaties met volwassenen kan aangaan. Het aangaan van een vaste relatie met een vrouw kan eiser verwarren als het gaat om communicatie en verwachtingen. Het houdt eiser veel bezig dat hij nooit zal weten wie hij was geworden wanneer hij niet slachtoffer van seksueel misbruik zou zijn geweest. Het misbruik weggedacht zou eiser naar alle waarschijnlijkheid een universitaire studie hebben kunnen afronden, hetgeen hem in andere sociale kringen zou hebben gebracht en hem een ander arbeidsperspectief zou hebben gegeven. De emotionele schade heeft de draagkracht van eiser fors verstoord en het lijkt er op dat eiser blijvend niet in staat zal zijn onder druk te moeten presteren. Druk kan hem desoriënteren en vergeetachtig maken. Sinds eiser in therapie is, gebruikt hij antidepressiva, waardoor zijn depressieve gemoedstoestand, waarvan hij zolang als hij zich weet te herinneren last heeft, minder heftig aanwezig is. Gedurende depressieve buien heeft eiser geautomutileerd, waarvan de littekens op zijn armen nog steeds pijnlijk zichtbaar zijn en hem aan dit misbruik herinneren. Eiser heeft een moeizame verstandhouding met zijn ouders, hetgeen hij wijt aan het niet mogen praten over hetgeen gedaagde hem aandeed. Van zijn vader heeft hij begrepen dat vanaf zijn tiende levensjaar zijn spontaniteit verdween en dat hij tot een sombere tiener uitgroeide die weinig of niets over zichzelf losliet. Ook had eiser driftbuien. Aanhankelijke momenten kende eiser niet. Gedaagde heeft eiser zijn kinder- en jeugdjaren ontnomen. De relatie met zijn ouders en zijn broertje -die eveneens door gedaagde is misbruik- is ernstig verstoord geraakt. Onder al deze omstandigheden komt een immateriële schadevergoeding van € 15.000,-- billijk voor.

Gedaagde is wettelijke rente over dit bedrag verschuldigd vanaf het moment waarop de schade is geleden. Eiser gaat ervan uit dat de schade is ingetreden vanaf het moment dat het misbruik een aanvang nam:14 mei 1993. Tot en met 20 april 2011 bedraagt deze rente € 28.366,60.

Eiser procedeert op basis van een toevoeging. Die toevoeging wordt ingetrokken indien het bedrag dat aan eiser in het kader van de onderhavige procedure wordt toegekend uitkomt boven het maximumbedrag om voor gefinancierde rechtshulp in aanmerking te komen. In dat geval komen de tot aan het uitbrengen van de dagvaarding door zijn advocaat gemaakte kosten ad
€ 2.682,84 voor rekening van eiser. Hetzelfde geldt voor de -op dit moment nog onbekende- kosten van het beslag.

Eiser heeft reiskosten moeten maken voor het doen van aangifte, zijn therapie, de rechtszaak en het bezoek van zijn advocaat ad in totaal € 452,52.
Eiser is tijdens deze ritten door zijn moeder begeleid. Zij heeft hem met haar auto vervoerd. Deze tijd/kosten ad € 114,34 kunnen als mantelzorg worden aangemerkt.
De kosten van therapie bedragen tot op heden een bedrag van € 3.228,12.

Het Instituut voor Berekening Letselschade (IVBR) heeft op verzoek van eiser een berekening van de schade wegens verlies aan arbeidsvermogen gemaakt. De kosten daarvan bedragen € 1.904,--. Het totaal van deze materiële schadeposten bedraagt tot op heden

€ 8.381,82.

Eiser zal blijvend kampen met de gevolgen van het seksueel misbruik. Ook zal dit zijn werkzame leven beïnvloeden. Eiser zal hooguit parttime (gedurende drie dagen per week) kunnen werken. Hij had graag -zoals zijn ouders- een universitaire studie willen afronden, hetgeen hem gezien zijn intelligentie en afgaand op het door zijn ouders gerealiseerde had moeten lukken. Eiser zal als gevolg van het misbruik een inkomensniveau kunnen bereiken dat past bij een afgeronde HBO opleiding. Dit inkomensniveau ligt lager dan het inkomen dat hij met een afgeronde wetenschappelijke studie zou hebben kunnen verdienen. Aan eiser mogen geen strenge eisen worden gesteld met betrekking tot het te leveren bewijs van de arbeidsinkomsten die hij in de toekomst zou hebben genoten in de hypothetische situatie dat het seksueel misbruik niet zou hebben plaatsgevonden. Het verlies aan verdienvermogen is door het IVBL begroot op € 516.000,--.

4 Het verweer

4.1.

Gedaagde concludeert dat de rechtbank eiser niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vorderingen, althans hem deze zal ontzeggen met zijn veroordeling in de kosten van het geding.

4.2.

Gedaagde voert de navolgende verweren aan.

Eiser is tijdens zijn jeugdjaren door zijn ouders flink onder druk gezet om goed te presteren om te kunnen voldoen aan de maatstaven van zijn ouders. Het is niet onvoorstelbaar dat die druk een dusdanige invloed op eiser heeft gehad dat hij daardoor psychische klachten heeft gekregen. Niet zonder meer kan ervan worden uitgegaan dat de psychische klachten van eiser enkel het gevolg zijn van het seksueel misbruik. Daarbij komt dat [broer eiser] thans niet kampt met psychische problemen, terwijl gedaagde in dezelfde mate en ernst ontucht heeft gepleegd met [broer eiser]. [broer eiser] is niet, dan wel in veel mindere mate, onder druk gezet om goed te presteren. De predispositie van eiser moet in deze kwestie in aanmerking worden genomen.

Het is zeer de vraag of eiser, het misbruik weggedacht, een universitaire studie zou hebben kunnen afronden. Dat zijn ouders wel een universitaire graad hebben behaald, behoeft niet vanzelfsprekend te betekenen dat eiser dit ook zou kunnen.

Ter zake van immateriële schadevergoeding komt -gelet op het arrest van het Hof Arnhem van 30 oktober 2007 (NJF 2008,2) een bedrag van € 13.000,-- billijk voor.
Gelet op dit bedrag zou de wettelijke rente € 23.613,57 bedragen. De wettelijke rente over een bedrag van € 15.000,-- bedraagt over de door eiser genoemde periode € 27.246,43.
De door eiser berekende kilometervergoeding is te hoog. Uitgaande van € 0,19 per kilometer bedragen de voor vergoeding in aanmerking komende reiskosten € 286,60.
De bijstand van de moeder van eiser valt onder de normale verzorgingsverplichting van ouders jegens hun kinderen en moet als mantelzorg worden aangemerkt.
Voor wat betreft de post verlies aan verdienvermogen moet ervan worden uitgegaan dat eiser ook zonder de gebeurtenis slechts op HBO-niveau zou hebben kunnen functioneren. Overigens is het nog maar de vraag of eiser na een HBO-opleiding minder zal gaan verdienen dan het geval zou zijn geweest indien eiser een universitaire studie zou hebben afgerond. De toekomst moet dit uitwijzen. Het is niet duidelijk waarom eiser slechts voor 60% kan werken en niet voor een hoger percentage. Het kan ook een eigen keuze van eiser zijn om parttime te gaan werken.
In de schadeberekening wordt er ten onrechte van uit gegaan dat eiser 96 jaar oud zal worden.
De wijngaard die gedaagde exploiteert, is geen € 500.000,-- waard. Als de vordering integraal wordt toegewezen zal gedaagde alles kwijtraken.

5 De beoordeling

5.1.

Het in kracht van gewijsde gegaan, op tegenspraak gewezen, strafvonnis van deze rechtbank d.d. 26 oktober 2010, waarbij bewezen is verklaard dat gedaagde eiser (meerdere malen) seksueel heeft misbruikt, levert -behouden tegenbewijs- dwingend bewijs op van dit feit.
Gedaagde heeft in het kader van de onderhavige procedure erkend dat hij eiser (meerdere malen) seksueel heeft misbruikt. Gedaagde heeft derhalve geen tegenbewijs ter zake aangeboden. Hiermee staat ook in het kader van de onderhavige procedure vast dat gedaagde eiser (meerdere malen) seksueel heeft misbruikt. Ook staat niet ter discussie dat dit misbruik zich over vele jaren heeft uitgestrekt.

5.2.

In het kader van de onderhavige procedure dient te worden vastgesteld welke de aard en de omvang is van de schade die eiser als gevolg van het misbruik heeft geleden en in de toekomst nog zal lijden.

Immateriële schade

5.3.

Bij deze schadepost gaat het om de begroting van de naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor het niet in vermogensschade bestaande nadeel dat is geleden door een persoon die als gevolg van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, letsel heeft opgelopen. Bij deze begroting houdt de rechtbank rekening met alle omstandigheden, waaronder enerzijds de aard van de aansprakelijkheid en anderzijds de aard van het letsel, de duur en de intensiteit van het verdriet en de gederfde levensvreugde. Zij houdt bij deze begroting ook rekening met de ernst van de inbreuk op het rechtsgevoel van de benadeelde en let bij de begroting tevens op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, daaronder begrepen de maximaal toegekende bedragen, een en ander met in aanmerkingneming van de sedert de betreffende uitspraken opgetreden geldontwaarding.

5.4.

Gedaagde heeft hetgeen eiser heeft gesteld ten aanzien van de impact die het door gedaagde gepleegde seksueel misbruik op hem heeft gehad niet weersproken. Als rode draad door het relaas van eiser komt naar voren dat het seksueel misbruik door gedaagde van eiser een ander mens heeft gemaakt. Van een vrolijk onbekommerd kind is hij veranderd in een teruggetrokken persoon met weinig sociale contacten. Eiser heeft jarenlang (tot aan zijn 20e levensjaar) een geheim bij zich moeten dragen. Zijn zelfvertrouwen is sterk verminderd. Eiser worstelt met de vraag wie hij zou zijn geworden indien gedaagde hem niet seksueel zou hebben misbruikt. Naar gedaagde ook heeft erkend, zal eiser hetgeen hem is overkomen altijd bij zich dragen. De rechtbank acht dit alles overziende een vergoeding van € 15.000,-- als door eiser gevorderd een redelijke genoegdoening voor hetgeen gedaagde eiser heeft aangedaan. Ter comparitie heeft gedaagde zich overigens niet langer tegen toewijzing van dit bedrag verzet.

5.5.

Gedaagde heeft met betrekking tot de gevorderde wettelijke rente over de immateriële schadevergoeding enkel aangevoerd dat eiser de rente tot en met 20 april 2011 niet juist heeft berekend. Volgens gedaagde bedraagt de wettelijke rente over
€ 15.000,-- van 14 mei 1993 tot en met 20 april 2011 € 27.246,43. Eiser heeft ter comparitie dit laatste bedrag als juist erkend. De rechtbank zal de rente tot en met 20 april 2011 evenwel niet begroten op laatstgenoemd bedrag. Daaraan doet niet af dat eiser ter comparitie met recht heeft opgemerkt dat gedaagde de ingangsdatum van de wettelijke rente niet heeft bestreden. Hiervoor is het navolgende redengevend. Eiser heeft voor de ingangsdatum van de wettelijke rente aansluiting gezocht bij het door hem overgelegde strafvonnis, waarin bewezen is verklaard dat gedaagde hem in de periode van 14 mei 1993 tot 14 mei 2003 seksueel heeft misbruikt. Van dat strafvonnis maakt de strafmotivering een niet te scheiden onderdeel uit. Uit de strafmotivering blijkt dat de rechtbank ervan is uitgegaan dat het misbruik eerste enige jaren na 14 mei 1993 is begonnen. Daarmee is niet verenigbaar dat eiser uitgaat van een ingangsdatum van 14 mei 1993. Eiser heeft weliswaar gesteld dat het misbruik op 14 mei 1993 is begonnen, maar hij heeft geen bewijsaanbod ter zake gedaan. In deze dient dan ook ervan te worden uitgegaan dat het seksueel misbruik van eiser enige jaren na 14 mei 1993 is begonnen. Voorts kan in deze niet ervan worden uitgegaan dat het geestelijk letsel zich bij eiser in volle omvang heeft gemanifesteerd vanaf de eerste keer dat gedaagde eiser seksueel heeft misbruikt. Uit de verklaring van eiser tegenover de politie kan immers worden afgeleid dat het besef bij eiser dat wat gedaagde bij hem deed niet in orde was, eerst geleidelijk is ontstaan, zo ook het verzet van eiser tegen dat gedrag van gedaagde. Dit betekent dat er voor wat betreft de omvang van de geestelijke schade als gevolg van het seksueel misbruik moet worden uitgegaan van een zich ontwikkelend proces, waarbij het niet goed mogelijk is een moment aan te wijzen waarop de geestelijke schade zich ten volle bij eiser heeft gemanifesteerd. Een en ander brengt de rechtbank ertoe om de hoogte van de wettelijke rente tot en met 20 april 2011 ex aequo et bono vast te stellen op € 15.000,--.

materiële schade (exclusief verlies aan verdienvermogen)

5.6.

Gedaagde heeft ter comparitie de omvang en de verschuldigdheid van de door eiser in dit verband gestelde schade ad in totaal € 8.381,82 niet langer bestreden, zodat de rechtbank de hierin begrepen schadeposten op evengemeld totaalbedrag zal begroten.
Dit bedrag zal thans niet worden vermeerderd met de kosten van therapie die eiser nog zal maken. De hoogte van de in dit verband toekomstige schade kan immers op basis van de huidige gegevens niet worden begroot, zodat iedere verdere beslissing op dit punt wordt aangehouden.
De gevorderde wettelijke rente (met ingang van 11 mei 2011) zal worden toegewezen over de bedragen ter zake van de gevolgde therapie, de reiskosten en de kosten van het opstellen van de schadeberekening door het IVBL (ad in totaal € 5.584,64). Met betrekking tot de overige posten die bij dit onderdeel van de schade behoren staat ten aanzien van de kosten van rechtsbijstand vast dat deze tot op heden niet door eiser zijn vergoed en is ten aanzien van de kosten van mantelzorg niet aannemelijk dat eiser het daarvoor gevorderde bedrag reeds aan zijn ouders heeft betaald.

verlies aan verdienvermogen

5.7.

Gelet op het gemotiveerde verweer van gedaagde kan voor het begroten van deze schadepost niet zonder meer worden uitgegaan van de in opdracht van eiser door het IVBL vervaardigde schadebegroting. De schriftelijke verklaring van [naam], maatschappelijk werker/psychosociaal therapeut d.d. 30 april 201(1?) is niet genoegzaam om de beperkingen die eiser als gevolg van het seksueel misbruik zal ondervinden bij het betreden van en zich handhaven op de arbeidsmarkt te kunnen onderbouwen.

5.8.

De rechtbank acht een onderzoek door een deskundige noodzakelijk om inzicht te krijgen in de geestelijke en mentale beperkingen die eiser ondervindt van het seksueel misbruik door gedaagde. Na afronding van dit traject zal een arbeidskundige worden benoemd om met inachtneming van de bevindingen van bedoelde deskundige, voor zover deze door de rechtbank worden overgenomen, een prognose te geven over de reële mogelijkheden van eiser op de arbeidsmarkt en het daarmee te genereren inkomen.
Het voorschot op het honorarium van de te benoemen deskundigen zal als gebruikelijk in zaken als de onderhavige integraal voor rekening van gedaagde worden gebracht.

5.9.

Zoals reeds ter comparitie met partijen is besproken zullen partijen zich bij akte mogen uitlaten over de hoedanigheid van de deskundige, de naam van de voor benoeming tot deskundige in aanmerking komende persoon alsmede de aan deze te stellen vragen. Partijen wordt daarbij in overweging gegeven om ter zake tot een eensluidende voordracht te komen. Indien mogelijk staat het partijen vanzelfsprekend vrij om bedoelde akte op een eerder tijdstip te nemen dan hierna zal worden vermeld.

5.10.

Het vorenoverwogene brengt met zich dat de vorderingen, voor zover de toewijsbaarheid daarvan hiervoor is komen vast te staan, zullen worden toegewezen en dat iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

6. De beslissing

De rechtbank

6.1.

veroordeelt gedaagde om aan eiser binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis te betalen:
a. ter zake van immateriële schadevergoeding (inclusief wettelijke rente tot en met 20 april 2011) een bedrag van € 30.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente over voormeld bedrag vanaf 21 april 2011 tot aan de dag der algehele voldoening,

b. ter zake van vergoeding van materiële schade (exclusief de schade wegens verlies van verdienvermogen) een bedrag van € 8.381,82, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 5.584,64 vanaf 11 mei 2011 tot aan de dag der algehele voldoening,

6.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.3.

wijst ten aanzien van de hiervoor onder 6.1.a. bedoelde post af hetgeen meer of anders is gevorderd,

6.4.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 21 december 2011 voor het nemen van een akte door eiser over hetgeen is vermeld onder 5.9. waarna gedaagde op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kan nemen,

6.5.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. Strens-Meulemeester en in het openbaar uitgesproken op 23 november 2011.1

1 Th/St