Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BQ0424

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
07-04-2011
Zaaknummer
109265 - HA ZA 09-1582
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis onduidelijkheid mbt aanvaarding nalatenschap (eindvonnis gepubliceerd onder LJN BP7432).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 109265 / HA ZA 09-1582

Vonnis van 21 juli 2010

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [plaats],

eiseres,

advocaat mr. M.J. Meijer te Haarlem,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde,

advocaat mr. M. van Kan te Zutphen.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op [1978] is overleden [vader]. (hierna te noemen: [vader]). Zijn echtgenote was [moeder]. (hierna te noemen: [moeder])

Vader en [moeder] waren de ouders van [gedaagde] en haar broer, [broer gedaagde]. [broer gedaagde] is overleden op [1995]. [eiseres] is de weduwe van [broer gedaagde]. [moeder] is overleden op [2007].

2.2. Bij notariële akte van 17 augustus 1979 zijn de erfdelen vastgesteld van de nalatenschap van [vader]. In deze akte (productie 1 bij dagvaarding) is het volgende te lezen:

“(…) Comparanten, (…) verklaarden, dat bij voormeld testament zijn toebedeeld aan de comparante sub 1 ([moeder]), alle voormelde baten, waartegenover zij voor haar rekening heeft genomen om als eigen schuld te voldoen, (…) alle voormelde schulden, begrafeniskosten, successierechten en boedelberedderingskosten, terwijl zij moet uitkeren aan ieder der overige erfgenamen, de comparante sub 2 [[gedaagde], rechtbank] en de lastgever sub 1.b [ [broer gedaagde], rechtbank], ieders zuiver erfdeel uitmakende het voormeld bedrag ad vijf en twintig duizend driehonderd negen en zestig gulden en dertig cent (…), welke uitkeringen eerst opvorderbaar zullen zijn, wanneer de comparante sub 1, mocht komen te overlijden (…), zonder bijberekening van rente. (…)”.

2.3. De kinderen van [broer gedaagde] (hierna ook genoemd: de kleinkinderen) hebben op 22 januari 1996 de nalatenschap van hun vader verworpen.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van € 11.512,09, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 december 2007, dan wel 14 december 2009 tot de dag der algehele voldoening, alsmede [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van € 625,00 aan buitengerechtelijke kosten en in de proceskosten, waaronder nakosten.

3.2. [eiseres] voert daartoe aan dat zij de enig erfgename is van [broer gedaagde]. Tot de nalatenschap behoort het erfdeel van [vader], groot ƒ 25.369,30, thans € 11.512,09, dat na het overlijden van [moeder] opvorderbaar geworden is. [gedaagde] heeft de nalatenschap van [moeder] zuiver aanvaard en is gehouden het thans opvorderbaar erfdeel aan [eiseres] uit te keren.

Voor de invordering zijn buitengerechtelijke kosten gemaakt. Er is 5 uur á € 125,00 aan de kwestie besteed, zodat een vergoeding van € 625,00 redelijk is.

3.3. [gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van [eiseres], althans afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiseres], uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten.

[gedaagde] acht [eiseres] niet ontvankelijk, nu zij niet alle erfgenamen in rechte heeft betrokken. Niet alleen [gedaagde], maar ook de kleinkinderen zijn erfgenamen van [moeder]. [gedaagde] betwist dat zij de nalatenschap van [moeder] zuiver heeft aanvaard. Voorts voert zij aan dat de nalatenschap van [moeder] een negatief saldo kende, zodat geen uitkering kon plaatsvinden. De vordering van [broer gedaagde] is overigens in het verleden al door [moeder] voldaan.

Tenslotte betwist [gedaagde] dat buitengerechtelijke kosten die voor vergoeding in aanmerking komen zijn gemaakt. Zo er al buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht, wat [gedaagde] betwist, zijn deze gedekt door de rechtsbijstandsverzekering. Voor een proceskostenvergoeding ten laste van [eiseres] is wel aanleiding. De familieband van partijen is al jaren niet meer aanwezig.

4. De beoordeling

4.1. De vordering van [eiseres] betreft de nalatenschap van [moeder]. [gedaagde] stelt dat niet alleen zij, maar ook de kleinkinderen, die in de plaats zijn getreden van hun vooroverleden vader [broer gedaagde], erfgenamen zijn van [moeder], zodat ook zij in de procedure betrokken hadden moeten worden en [eiseres] niet-ontvankelijk verklaard moet worden.

4.2. Ten tijde van het overlijden van [moeder] was haar zoon, [broer gedaagde] reeds overleden. Gelet op de wettelijke bepalingen daaromtrent zijn de kinderen van [broer gedaagde] bij plaatsvervulling als erfgenamen in de nalatenschap van [moeder] geroepen. Deze plaatsvervulling vloeit niet voort uit de nalatenschap van [broer gedaagde] zelf, maar uit de wet, zodat de verwerping van de nalatenschap van [broer gedaagde] door zijn kinderen daarop geen invloed heeft.

4.3. Tot het vermogen van [moeder] behoorde, op het moment van haar overlijden, een niet-opeisbare schuld aan (de erven van) [broer gedaagde]. Door haar overlijden werd deze schuld opeisbaar. De stelling van [gedaagde], dat deze schuld al voor het overlijden van [moeder] is voldaan is op geen enkele wijze onderbouwd en wordt dan ook gepasseerd.

Het is de vraag of [eiseres], die deze schuld thans opeist, gehouden is de vordering daartoe in te stellen tegen alle erfgenamen van [moeder], dan wel mag volstaan met het instellen van een vordering tegen één van hen.

4.4. Uit artikel 4:182 BW volgt, dat de erfgenamen van rechtswege schuldenaar worden van de schulden van de erflater die niet met zijn dood zijn tenietgegaan. In het geval van een deelbare prestatie, waartoe de betaling van een geldbedrag gerekend kan worden, zijn zij ieder voor een gedeelte aansprakelijk, evenredig aan hun erfdeel. Dit brengt mee, dat [eiseres] ontvankelijk is in haar vordering tegen [gedaagde], maar dat de procedure niet meer kan betreffen dan dat deel van de prestatie dat evenredig is met het erfdeel van [gedaagde]. Welk deel dit betreft zal afhankelijk zijn van de vraag of [gedaagde] en/of (één van) de kleinkinderen de nalatenschap van [moeder] heeft verworpen.

4.5. [eiseres] stelt dat [gedaagde] de nalatenschap van [moeder] zuiver heeft aanvaard door zich als een zuiver aanvaard hebbend erfgenaam te gedragen. [gedaagde] betwist dat zij de nalatenschap heeft aanvaard. Zij stelt dat zij de nalatenschap ook nog niet heeft verworpen, maar voornemens is dat zonodig te doen en geen daden van aanvaarding heeft verricht. Geen van partijen heeft aangegeven of de kleinkinderen de nalatenschap hebben aanvaard dan wel verworpen. De standpunten van partijen zijn onvoldoende duidelijk en onderbouwd om tot een oordeel te kunnen komen. [eiseres] word dan ook in de gelegenheid gesteld bij akte nader aan te geven welke erfgenaam/erfgenamen de nalatenschap van [moeder] hebben aanvaard of verworpen en waaruit dat concreet blijkt. [gedaagde] zal hierop bij antwoordakte mogen reageren. Indien [gedaagde] tot verwerping van de nalatenschap zou overgaan, ligt het op haar weg een bewijsstuk daarvan in de procedure in te brengen.

4.6. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 18 augustus 2010 voor het nemen van een akte door [eiseres] over hetgeen is vermeld onder 4.5, waarna de wederpartij op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kan nemen,

5.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Engelbert-Clarenbeek en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2010.