Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BP0422

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
25-08-2010
Datum publicatie
11-01-2011
Zaaknummer
105034 FA RK 09-1513
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De moeder is op basis van een huwelijksakte en haar verklaring bij de IND in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven als weduwe. Zij was er kennelijk van overtuigd dat haar echtgenoot was overleden. Volgens verklaring van de gezinsvoogd heeft een vriendin van de moeder verteld dat de moeder in de veronderstelling verkeerde dat haar echtgenoot was overleden totdat zij in 2006 vernam dat hij in [land B] woonde. De rechtbank is van oordeel dat het huwelijk met de echtgenoot in 2007 is geëindigd door het overlijden van de moeder. Er heeft geen procedure plaatsgevonden tot het verkrijgen van een verklaring dat er een rechtsvermoeden van overlijden is. De minderjarige is in het huwelijk van de moeder en haar echtgenoot geboren. Voldoende staat vast dat de echtgenoot niet de biologische vader is, maar hij is wel de juridische vader en dient daarom als belanghebbende te worden aangemerkt. Aanhouding van de zaak voor overlegging adresgegevens. (Eindbeschikking d.d. 16 december 2010 LJN BP0423)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Familie

Zaaknummer: 105034 / FARK 09-1513

beschikking van de meervoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 25 augustus 2010

op het verzoek van:

[verzoeker A]

en

[verzoekster B],

wonende te [plaats],

echtgenoten, hierna te noemen verzoekers,

advocaat: mr. A.J. Verweij te Ermelo.

Het verdere procesverloop

Dit verdere verloop blijkt uit:

- de tussenbeschikking van deze rechtbank van 7 januari 2010;

- de brief met bijlagen van Bureau Jeugdzorg Gelderland van 9 februari 2010;

- de brief met bijlagen van Bureau Jeugdzorg Gelderland van 20 april 2010;

- de brief van mr. Verweij van 4 juni 2010;

- de brief van Bureau Jeugdzorg Gelderland van 2 juli 2010;

- de brief van mr. Verweij van 7 juli 2010.

De verdere beoordeling

De rechtbank handhaaft hetgeen zij in voormelde tussenbeschikking heeft overwogen en beslist en volhardt daarin. In die beschikking is onder meer overwogen dat er meer duidelijkheid diende te worden verkregen over de biologische vader van de twee oudste kinderen van [moeder minderjarige], de moeder van [minderjarige], geboren op [2003 te plaats] (hierna respectievelijk te noemen de moeder en de minderjarige). Reden hiervoor is dat deze man mogelijk de juridische vader van de minderjarige is.

Uit de nadere informatie van de gezinsvoogd is gebleken dat de moeder altijd heeft verklaard dat de heer [naam A], de biologische vader van haar oudste twee kinderen, met wie zij gehuwd was, in [land A] is overleden. Na het overlijden van de moeder kwam deze vader echter alsnog in beeld. De gezinsvoogd heeft in een gesprek met een vriendin van de moeder, [naam B], naar de heer [naam A] gevraagd. Deze vertelde dat de moeder altijd in de veronderstelling was dat de heer [naam A] zou zijn overleden in [land A], totdat zij in 2006 via landgenoten vernam dat hij in [land B] woonde. Vervolgens is er weer contact tussen hen beiden tot stand gekomen. Ten tijde van de geboorte van de minderjarige wist de moeder volgens [naam B] niet dat de heer [naam A] nog leefde.

Bij de overgelegde stukken bevindt zich onder meer een kopie van een vertaling van het Tolk- en Vertaalcentrum Nederland van een huwelijksakte waarop de naam van de moeder en de naam van de heer [naam A] vermeld zijn. Mede op basis van dat stuk en de verklaring van de moeder bij de IND is de moeder indertijd in de gemeente Apeldoorn als weduwe van de heer [naam A] ingeschreven.

Namens verzoekers is aangevoerd dat duidelijk is dat de moeder er ten tijde van de geboorte van de minderjarige van overtuigd was dat de heer [naam A] was overleden. Nu zij pas in 2006 weer met hem in contact is gekomen, staat in ieder geval vast dat de heer [naam A] niet de biologische vader van de minderjarige is. Hij dient niet als de juridische vader te worden aangemerkt, omdat er van een (normaal) huwelijk al jaren geen sprake meer was.

De rechtbank is van oordeel dat uit de overgelegde stukken kan worden afgeleid dat sprake is geweest van een huwelijk tussen de moeder en de heer [naam A]. Dit huwelijk is eerst geëindigd door het overlijden van de moeder in 2007. Weliswaar heeft de moeder als weduwe van de heer [naam A] ingeschreven gestaan in de registers van de burgerlijke stand, maar dit is enkel gebeurd op basis van de verklaring van de moeder dat zij aannam dat de heer [naam A] was overleden. Er heeft geen procedure plaatsgevonden tot het verkrijgen van een verklaring dat er een rechtsvermoeden van overlijden is. Gelet hierop moet achteraf geconstateerd worden dat de moeder immer gehuwd is gebleven met de heer [naam A] en dat zij ten onrechte als weduwe is opgenomen in de registers van de burgerlijke stand. Analoge toepassing van het bepaalde in artikel 1:425 lid 1 Burgerlijk Wetboek is dan ook niet aan de orde, nog daargelaten dat de minderjarige niet uit of voorafgaand aan een nieuw huwelijk is geboren.

Nu de minderjarige is geboren in het huwelijk van de moeder en de heer [naam A], acht de rechtbank de heer [naam A] belanghebbende, ook al staat voor de rechtbank voldoende vast dat hij niet de biologische vader is. In juridische zin is hij wel de vader. De rechtbank is daarom voornemens een nieuwe mondelinge behandeling te beleggen, waarbij de heer [naam A] als belanghebbende zal worden opgeroepen. Alvorens hiertoe kan worden overgegaan, zal de gezinsvoogd in de gelegenheid worden gesteld te laten weten of het mogelijk is (met hulp van [naam B]) aan adresgegevens van de heer [naam A] te komen. Indien dit niet mogelijk blijkt zal openbare oproeping plaatsvinden.

Het is de rechtbank duidelijk dat het voorgaande voor verzoekers niet de gewenste uitkomst is, nu de moeder hen heeft gezegd dat zij niet wenst dat de heer [naam A] op de hoogte wordt gesteld van het bestaan van de minderjarige. Om die reden zal de rechtbank de mogelijkheid van hoger beroep openstellen tegen de beslissing om de heer [naam A] als belanghebbende te beschouwen. Aldus kunnen verzoekers een afweging maken of zij ermee instemmen dat de heer [naam A] op de hoogte wordt gebracht, ofwel de procedure willen intrekken, ofwel de vraag of de heer [naam A] als belanghebbende dient te worden beschouwd wensen voor te leggen aan het gerechtshof.

De beslissing

De rechtbank:

houdt de behandeling van de zaak aan tot de pro forma terechtzitting op woensdag 13 oktober 2010 voor overlegging van adresgegevens van de heer [naam A] door de gezinsvoogd;

bepaalt dat tegen de beslissing om de heer [naam A] als belanghebbende aan te merken tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld door verzoekers;

houdt voor het overige iedere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J.H. Schuurman, C.J.M. van Apeldoorn en R.A. Eskes en uitgesproken door mr. Schuurman ter openbare terechtzitting van 25 augustus 2010, in tegenwoordigheid van de griffier.