Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BO4538

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
19-11-2010
Datum publicatie
19-11-2010
Zaaknummer
06/850265-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een agente die op 5 september 2009 een inbreker heeft beschoten en verwond, ontslagen van alle rechtsvervolging. De rechtbank heeft geoordeeld dat de agente, in strijd met de schietinstructies, direct is gaan schieten zonder eerst te waarschuwen. Dat is een strafbaar feit. De agente kan kan echter, zo oordeelt de rechtbank, van dat feit geen verwijt worden gemaakt. De omstandigheden waaronder het schietincident hebben plaatsgevonden - het was donker, de agente droeg geen kogelvrij vest en zij kon en mocht denken dat zij gevaar liep gelet op het gedrag van de inbreker - brengen mee dat er sprake is van afwezigheid van alle schuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2011/27
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/850265-09

Uitspraak 19 november 2010

Tegenspraak / dnip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [plaats],

wonende aan [adres, postcode, plaats].

Raadsman: mr. P. Reitsma, advocaat te Nijkerk.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 november 2010.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 05 september 2009 te Didam, gemeente Montferland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk

[slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans

eenmaal, met een vuurwapen (merk Walther, type P5) in/tegen het lichaam van

die [slachtoffer] heeft geschoten, in elk geval meermalen, althans eenmaal op en/of

in de richting van die [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

zij op of omstreeks 05 september 2009 te Didam, gemeente Montferland,

aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een of meer

kogel- of schotverwonding(en) aan/in de linkervoet), heeft toegebracht, door

opzettelijk met een vuurwapen (merk Walther, type P5) in/tegen het lichaam (in

de linker voet) van die [slachtoffer] te schieten;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

zij op of omstreeks 05 september 2009 te Didam, gemeente Montferland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon

genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet meermalen, althans eenmaal, in/tegen het lichaam van die

[slachtoffer] heeft geschoten, althans op en/of in de richting van die [slachtoffer]

heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Overwegingen ten aanzien van het bewijs [voetnoot 1]

A. Vaststaande feiten

Verdachte heeft op 5 september 2009 te Didam, gemeente Montferland, tweemaal met een vuurwapen (merk Walther, type P5) geschoten op [slachtoffer]. [slachtoffer] is hierbij geraakt en heeft schotverwondingen opgelopen in de hak van zijn linkervoet en in zijn rechterknie [voetnoot 2].

B. Standpunten van het openbaar ministerie

De officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft willen beroven, noch dat zij willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] als gevolg van het schieten zou komen te overlijden. De officier van justitie stelt zich verder op het standpunt dat het letsel van [slachtoffer] niet is aan te merken als zwaar lichamelijk letsel.

Zij heeft daarom geëist dat verdachte van het primair en het subsidiair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte door het schieten op [slachtoffer] willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] zou veroorzaken. De officier van justitie acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het meer subsidiair tenlastegelegde, te weten een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

C. Standpunten van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van het primair tenlastegelegde aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet op de dood van [slachtoffer] heeft gehad, nu verdachte aantoonbaar op de benen van [slachtoffer] heeft geschoten.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde is ook de raadsman van mening dat het letsel van [slachtoffer] niet is aan te merken als zwaar lichamelijk letsel.

De raadsman heeft verzocht om daarom verdachte van het primair en subsidiair tenlastegelegde vrij te spreken.

Wat betreft het meer subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

D. Beoordeling door de rechtbank

Aan verdachte is primair tenlastegelegd dat zij geprobeerd heeft om [slachtoffer] dood te schieten. Daartoe is noodzakelijk dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, heeft gehad op de dood van [slachtoffer].

Verdachte heeft over het schieten verklaard dat zij bewust op de benen van [slachtoffer] heeft gericht. Verdachte heeft dus geen opzet gehad om [slachtoffer] van het leven te beroven. Verder is verdachte een ervaren politieagente, die in 2009 aan alle beroepsvaardigheidstrainingen had voldaan. Verdachte is daarmee aan te merken als een geoefend schutter. De rechtbank is van oordeel dat de kans dat een geoefend schutter tóch iemand dodelijk raakt, terwijl zij die persoon primair niet heeft willen doodschieten, niet aanmerkelijk te noemen is. Verdachte heeft dus ook geen voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] gehad.

De rechtbank zal verdachte daarom van het primair tenlastegelegde vrijspreken.

Subsidiair is aan verdachte tenlastegelegd dat zij zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] heeft toegebracht. Vast staat dat [slachtoffer] letsel heeft opgelopen door de door verdachte afgeschoten kogels: [slachtoffer] heeft schotverwondingen opgelopen in de hak van zijn linkervoet en in zijn rechterknie. De vraag is of die verwondingen kunnen worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Uitgangspunt daarbij is of er sprake is van letsel dat voldoende ernstig is om naar gewoon spraakgebruik te kunnen worden aangeduid als zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank overweegt dat uit het aanvullend opgemaakte proces-verbaal betreffende het letsel, d.d. 27 september 2010, volgt dat de blauwe plekken en de verwondingen van [slachtoffer] vanzelf zijn genezen en dat fysiotherapie niet nodig is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit dat het letsel van [slachtoffer], hoe vervelend en hinderlijk dit letsel voor hem ook geweest kan zijn, naar gewoon spraakgebruik niet is aan te merken als zwaar lichamelijk letsel. Verdachte zal daarom ook van het subsidiair tenlastegelegde worden vrijgesproken.

Meer subsidiair is aan verdachte tenlastegelegd dat zij heeft geprobeerd aan verdachte zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat het met een vuurwapen schieten op de benen van een persoon een kans op zwaar lichamelijk letsel oplevert en dat die kans naar algemene maatstaven ook aanmerkelijk te noemen is. Verdachte was een geoefend schutter en wist van dit risico. Door met die wetenschap toch ervoor te kiezen te schieten, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het gevolg van zwaar lichamelijk letsel zou intreden. Verdachte heeft daarmee voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel gehad en de rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

zij op 05 september 2009 te Didam, gemeente Montferland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, in het lichaam van die

[slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

A. Standpunten van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte rechtvaardiging toekomt op grond van een wettelijk voorschrift, te weten de Ambtsinstructie voor de Politie, KMAR en andere buitengewone opsporingsambtenaren (hierna: de Ambtsinstructie). Hij heeft daartoe aangevoerd dat het die avond donker was, dat verdachte alleen op de parkeerplaats stond en geen kogelwerend vest droeg, dat zij in de schijnwerpers van de politieauto stond terwijl [slachtoffer] en [naam] in het donker liepen, dat zij hun handen niet kon zien én dat [slachtoffer] en [naam] op enig moment riepen dat zij gewapend waren. De raadsman heeft gesteld dat verdachte onder die omstandigheden redelijkerwijs mocht aannemen dat de [slachtoffer] en [naam] een wapen bij zich droegen. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat er in die situatie voor verdachte geen tijd was om voor het schieten een waarschuwing af te geven. De raadsman heeft betoogd dat verdachte in die situatie op grond van de ambtsinstructie mocht schieten. Hij heeft primair verzocht om verdachte daarom te ontslaan van alle rechtsvervolging.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte ten onrechte meende dat zij de Ambtsinstructie zo mocht uitleggen dat zij in dit geval mocht schieten. Naar de mening van de raadsman kan deze foutieve uitleg, gelet op de split second waarin verdachte een beslissing moest nemen, haar niet worden verweten, waardoor er sprake is van gerechtvaardigde dwaling omtrent het bestaan van een rechtvaardiging op grond van de Ambtsinstructie.

De raadsman heeft meer subsidiair bepleit dat verdachte een beroep toekomt op artikel 7, lid 1 onder b van de Ambtsinstructie, waarbij het weliswaar niet gaat over de inbraak, maar over het bezit van een vuurwapen en de dreiging die daarmee wordt geuit. Naar de mening van de verdediging creëert dit een eigen bevoegdheid op grond van de geweldsinstructie.

Meest subsidiair heeft de raadsman gesteld dat verdachte zich in de situatie zeer bedreigd heeft gevoeld, dat zij vreesde voor haar leven en dat zij daarbinnen gepast heeft gehandeld. Bovendien heeft de raadsman aangevoerd dat, wanneer gemaskerde mannen in de nachtelijke uren op je afrennen terwijl zij schreeuwen dat ze bewapend zijn, een politieambtenaar ervan uit mag gaan dat dit ook zo is. De raadsman heeft zich daarmee op het standpunt gesteld dat verdachte een beroep op noodweer toekomt.

B. Standpunten van het openbaar ministerie

Ten aanzien van het primaire standpunt van de verdediging, namelijk dat verdachte een rechtvaardiging op grond van de Ambtsinstructie toekomt, heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat niet gezegd kan worden dat de situatie zodanig was dat kon worden aangenomen dat ook daadwerkelijk een vuurwapen tegen personen zou worden gebruikt, noch dat er sprake was van een situatie die een ernstige aantasting vormde van de lichamelijke integriteit of persoonlijke levenssfeer noch dat de situatie door zijn gevolg bedreigend was of kon zijn voor de samenleving. Naar de mening van de officier van justitie had verdachte daarom niet mogen schieten en komt haar dus ook geen rechtvaardiging op grond van de Ambtsinstructie toe.

De officier van justitie heeft zich niet uitgelaten over het subsidiair en meer subsidiair gevoerde verweer.

Wat betreft het meest subsidiair gevoerde verweer, het beroep op noodweer, heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich mocht verdedigen, nu [slachtoffer] en [naam] niet op haar afliepen en ook niet is gebleken dat zij bewapend waren. Bovendien heeft verdachte door het schieten de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit overschreden. De officier van justitie is daarom van mening dat verdachte geen beroep op (putatief) noodweer toekomt.

C. Beoordeling van de standpunten

De raadsman heeft primair gesteld dat verdachte op grond van de Ambtsinstructie gerechtvaardigd heeft gehandeld. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 10a van de Ambtsinstructie een ambtenaar, onmiddellijk voordat hij/zij gericht met een vuurwapen zal schieten, met luide stem of op andere niet mis te verstane wijze waarschuwt dat er geschoten zal worden, indien niet onverwijld het gegeven bevel (in dit geval stilstaan) wordt opgevolgd. Deze waarschuwing, die zo nodig vervangen kan worden door een waarschuwingsschot, mag slechts achterwege blijven wanneer de omstandigheden de waarschuwing niet toelaten. De rechtbank stelt vast dat verdachte géén waarschuwingsschot heeft gelost, noch anderszins een waarschuwing heeft gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat er sprake was van een omstandigheid die een dergelijke waarschuwing niet toeliet. Ondanks dat de rechtbank met de raadsman onderkent dat het allemaal heel snel zal zijn gegaan, is zij van oordeel dat verdachte in ieder geval de tijd heeft gehad om met luide stem te kennen te geven dat zij voornemens was te schieten. Nu verdachte dit niet heeft gedaan, terwijl zij dit wel had moeten doen, faalt een beroep op de Ambtsinstructie. Het verweer van de raadsman dat er sprake was van een situatie waarin het voor verdachte gerechtvaardigd was om te schieten, behoeft derhalve geen verdere bespreking. Het primair gevoerde verweer faalt.

De raadsman heeft subsidiair aangevoerd dat verdachte mocht denken dat het op grond van de Ambtsinstructie gerechtvaardigd was om te schieten en zij derhalve daaromtrent verschoonbaar heeft gedwaald. De rechtbank overweegt dat verdachte een ervaren politieagent is van wie verwacht mag worden dat zij op de hoogte is van de regels aangaande het gebruik van het vuurwapen. Dat dergelijke beslissingen soms in heel korte tijd moeten worden genomen, doet daaraan niet af. Van verdachte mag, in haar functie, verwacht worden dat zij dergelijke kennis te allen tijde paraat heeft en daarom kan niet worden gezegd dat verdachte verschoonbaar heeft gedwaald omtrent de uitvoering van de Ambtsinstructie. Het subsidiair gevoerde verweer van de raadsman wordt verworpen.

Ten aanzien van het meer subsidiair gevoerde verweer overweegt de rechtbank dat ook hier het ontbreken van een waarschuwing in een situatie waarin wel een waarschuwing had moeten worden gegeven, aan een gerechtvaardigd beroep op de Ambtsinstructie in de weg staat. Ook het meer subsidiair gevoerde verweer van de raadsman wordt verworpen.

Meest subsidiair heeft de verdediging een beroep gedaan op noodweer. Voor een geslaagd beroep op noodweer dient er sprake te zijn van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich noodzakelijkerwijs mocht verdedigen. Daarbij is niet de maatstaf of er in de ogen van verdachte een noodzaak tot verdediging was, maar gaat het erom of er objectief gezien sprake is geweest van een dergelijke situatie. De rechtbank overweegt dat niet is gebleken dat [slachtoffer] of [naam] een vuurwapen bij zich droeg. Dit betekent dat niet aannemelijk is geworden dat er daadwerkelijk sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Dat dit door verdachte anders is ervaren, doet hieraan niet af. Het meest subsidiair gevoerde verweer wordt verworpen.

D. Conlusie

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

A. Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, wanneer de rechtbank van oordeel zou zijn dat er geen sprake is van een noodweersituatie, verdachte een gerechtvaardigd beroep toekomt op putatief noodweer.

B. Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie is van oordeel dat verdachte geen beroep op (putatief) noodweer toekomt.

C. Beoordeling van de standpunten

De rechtbank stelt voorop dat in situaties waarin niet is gebleken van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, het nog wel zo kan zijn dat een verdachte denkt en ook mag denken dat er sprake is van een dergelijke situatie. Er is dan sprake van gerechtvaardigde dwaling bij verdachte omtrent het bestaan van een noodweersituatie. Verdachte komt dan een beroep toe op putatief noodweer en zal in die situaties wegens afwezigheid van alle schuld worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Zoals de rechtbank eerder heeft overwogen, is er geen sprake geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Verdachte heeft gesteld dat zij dacht dat er sprake was van een dergelijke situatie. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is of verdachte dat in deze situatie ook mocht denken. Heeft verdachte verschoonbaar gedwaald omtrent het bestaan van een noodweersituatie?

De rechtbank gaat voor de beoordeling van de situatie uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verdachte heeft zich op 5 september 2009, omstreeks 02.00 uur, met drie collega’s naar de parkeerplaats van de C1000 in Didam begeven, nadat er een melding was binnengekomen dat er werd ingebroken in die C1000 [voetnoot 3]. Haar drie collega’s zijn daar de C1000 binnen gegaan en verdachte is alleen op de parkeerplaats achtergebleven [voetnoot 4]. Verdachte droeg op dat moment geen kogelwerend-vest [voetnoot 5]. Op de parkeerplaats was het erg donker, maar verdachte zelf stond in het licht [voetnoot 6].

Terwijl verdachte daar stond, kwamen (naar later bleken te zijn) [slachtoffer] en [naam] uit de C1000 rennen. Zij renden in het donker in de richting van verdachte en passeerden haar op een afstand van ongeveer vier meter. Verdachte sommeerde hen te blijven staan, maar de jongens liepen door [voetnoot 7]. Verdachte kon hen op dat moment niet goed waarnemen [voetnoot 8].

Verdachte stelt vervolgens dat één van de jongens tijdens het passeren tegen haar riep: “ga weg, wij zijn bewapend”, of woorden van gelijke aard of strekking. [naam] zegt daarover dat hij op enig moment hoorde dat een man of jongen iets riep als: “ik heb een wapen”of “jij hebt een wapen”, of iets dergelijks, waarna hij een vrouwelijke stem hoorde reageren met ”stilstaan”, of zo iets [voetnoot 9]. [slachtoffer] zegt daarover dat hij heeft gehoord dat iemand riep: “niet schieten, we zijn van de bewaking” [voetnoot 10].

De rechtbank stelt vast dat de stelling van verdachte dat er geroepen is dat men gewapend was, steun vindt in de verklaring van [naam] als ook in de verklaring van [slachtoffer]. [naam] heeft immers gehoord dat er werd geroepen “ik heb een wapen”en het is denkbaar dat [slachtoffer] of verdachte de woorden “we zijn van de bewaking”heeft verstaan als “we zijn bewapend” of vice versa. De rechtbank acht het daarom aannemelijk dat de woorden “ga weg, we zijn bewapend”, dan wel woorden van soortgelijke strekking, zijn geuit en gaat daarom ervan uit dat dergelijke woorden tegen verdachte zijn geroepen. Vervolgens schoot verdachte vrijwel meteen gericht op de benen van de achterste jongen [voetnoot 11].

De rechtbank is van oordeel dat uit de uitlatingen van één van de jongens door verdachte in ieder geval mocht worden afgeleid dat hij het op haar gemunt had. Dit en de overige omstandigheden van het geval, namelijk dat het donker was, dat verdachte daardoor niet goed kon waarnemen, dat zij geen kogelwerend vest droeg en alleen op de parkeerplaats stond, dat de jongens haar op korte afstand naderden én dat verdachte in een split second de situatie moest inschatten, in aanmerking genomen, maakt dat de rechtbank van oordeel is dat verdachte onder deze specifieke omstandigheden gerechtvaardigd kon en mocht vrezen dat er een vuurwapen tegen haar gebruikt kon worden en dat er dus een noodweersituatie ging ontstaan (welke noodweersituatie zij niet hoefde af te wachten) in welk geval zij zich mocht verdedigen. Verdachte dacht dat zij gevaar liep en verdachte kon dat in deze omstandigheden ook redelijkerwijs denken.

Verdachte heeft ter verdediging gebruik gemaakt van haar vuurwapen en heeft tweemaal geschoten. De rechtbank is van oordeel dat verdachte daarmee binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit heeft gehandeld. Gelet op de afstand tussen [slachtoffer], [naam] en verdachte, die slechts een meter of vier bedroeg, behoorde naar het oordeel van de rechtbank het gebruik van peperspray of wapenstok niet tot de mogelijkheden. Bovendien heeft verdachte niet meer geweld toegepast dan noodzakelijk was geweest wanneer er daadwerkelijk sprake was geweest van een noodweersituatie. Verdachte, die een geoefend schutter is, heeft immers maar twee keer, meteen achter elkaar, geschoten en heeft daarbij op de benen van de jongens gericht.

Alles afwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte verschoonbaar heeft gedwaald en daarbij de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit niet heeft overschreden. . De rechtbank zal verdachte daarom ontslaan van alle rechtsvervolging wegens afwezigheid van alle schuld.

Beslissing

De rechtbank:

• verklaart niet bewezen dat verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

• verklaart bewezen dat verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan;

• verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

• verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

poging tot zware mishandeling.

• verklaart verdachte niet strafbaar en ontslaat verdachte voor het meer subsidiair

tenlastegelegde van alle rechtsvervolging;

Aldus gewezen door mrs. Feraaune, voorzitter, Kleinrensink en Davids,

rechters, in tegenwoordigheid van mr. Janssen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 november 2010.

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer 20090072, opgemaakt door de Rijksrecherche, gesloten en ondertekend op 9 oktober 2009, tenzij anders aangegeven.

2 De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 5 november 2010, het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer], p. 34 en p. 35 en een schriftelijk bescheid, te weten een letselbeschrijving van de GGD, p. 70.

3 Het relaas proces-verbaal, p. 3.

4 De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 5 november 2010 en het proces-verbaal van verhoor van M. van der Ven, p. 11.

5 De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 5 november 2010.

6 De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 5 november 2010 en het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer], p. 34.

7 Zie voetnoot 6.

8 Zie voetnoot 5.

9 Het proces-verbaal van verhoor van [voornaam] [naam], proces-verbaalnummer 2009052935-36, opgemaakt door verbalisanten van regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, gesloten op 6 september 2009, p. 5 van dat proces-verbaal.

10 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer], p. 34.

11 De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 5 november 2010.