Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BO4170

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
17-11-2010
Datum publicatie
17-11-2010
Zaaknummer
117113 KG ZA 10/851
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank wijst het verzoek tot wraking van rechters af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Meervoudige wrakingskamer

Rekestnummer: 117113 KG ZA 10/851

Beslissing van 17 november 2010 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van:

[verzoeker],

geboren op [1981 te plaats],

wonende te [plaats],

thans verblijvende in het huis van bewaring te Doetinchem,

verzoeker,

advocaat: mr. R.B. Schmidt,

strekkende tot wraking van:

[rechters],

rechters in de meervoudige strafkamer in deze rechtbank,

verweerders.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de wrakingsprocedure blijkt uit:

- het verzoek tot wraking, mondeling gedaan ter terechtzitting van 2 november 2010, strekkende tot wraking van de meervoudige strafkamer;

- het proces-verbaal van de terechtzitting van de meervoudige strafkamer in deze rechtbank van 2 november 2010, betreffende de behandeling van de zaak tegen verzoeker, bekend onder parketnummer 06/580620-09;

- het proces-verbaal van de behandeling van het wrakingsverzoek ter terechtzitting van

10 november 2010, waarbij verzoeker, bijgestaan door mr. Schmidt, verweerders en officier van justitie mr. P. de Boer aanwezig waren.

2. Het wrakingsverzoek

Verzoeker heeft aan zijn wrakingsverzoek, voor zover voor de beoordeling relevant, het volgende ten grondslag gelegd.

2.1. Door de rechtbank is ter terechtzitting aan verzoeker – zakelijk samengevat – gevraagd om te vertellen wat in zijn beleving de invloed van zijn gewijzigde proceshouding, te weten ontkennend in plaats van bekennend, zou zijn op het verwerkingsproces van [dochter verzoeker] in het scenario dat het misbruik had plaatsgevonden en dus in het geval een veroordeling van verzoeker van het vermeende misbruik van [dochter verzoeker] zou worden uitgesproken.

2.2. Deze vraag betreft geen vraag naar de feiten, maar is te typeren als een morele strikvraag waarin suggestie ligt besloten. De door de rechtbank gestelde vraag deed een moreel appél op verzoeker en daarbij werd gesuggereerd dat het misbruik van [dochter verzoeker] heeft plaatsgevonden.

2.3. De rechtbank heeft volgens verzoeker een hypothetische en suggestieve vraag gesteld die niet gericht was op feiten of waarheidsvinding, maar waarin besloten lag een veroordeling voor het hem ten laste gelegde misbruik van zijn dochter [dochter verzoeker]. Op grond van deze gang van zaken tijdens de ondervraging heeft verzoeker de objectief gerechtvaardigde vrees bekomen dat de rechtbank niet onpartijdig is.

3. Standpunt van verweerders

Verweerders hebben ter terechtzitting het verzoek tot wraking gemotiveerd weersproken. Op hetgeen is aangevoerd zal hierna, indien van belang, nader worden teruggekomen.

4. Beoordeling door de rechtbank

4.1. Ingevolge artikel 512 Wetboek van Strafvordering kan op verzoek van verdachte of het Openbaar Ministerie elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

4.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 14 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

4.3. Beoordeeld moet worden of de door verzoeker aangevoerde gronden dergelijke uitzonderlijke omstandigheden opleveren.

4.4. Aan het wrakingsverzoek ligt één specifieke vraag en de door verweerders ten tijde van de behandeling van 2 november 2010 gegeven toelichting op deze vraag ten grondslag. De bedoelde vraag luidt als volgt:

“Ik wil u iets vragen, maar daar eerst nog een inleiding op geven. Het lijkt erop alsof er in deze zaak verschillende scenario’s op tafel liggen. Los van de uiteindelijke uitkomst van de zaak, bent en blijft u samen een gezin, moet u in de toekomst samen verder en zal er op enig moment iets samen verwerkt moeten worden. Als je kijkt naar de verschillende scenario’s waarover de rechtbank zich moet buiten, en er één uithaalt, wat daar ook van zij, wat zou dan in uw beleving, in uw ogen, een gevolg kunnen zijn van uw gewijzigde opstelling, uw intrekking, voor een eventueel verwerkingsproces van [dochter verzoeker]? Het is een wat ingewikkelde vraag, maar kunt u er antwoord op geven?”

Door verzoeker is niet gesteld dat uit deze vraag blijkt dat er sprake is van vooringenomenheid bij verweerders, doch dat door deze vraag bij verzoeker de – objectief gerechtvaardigde – schijn van partijdigheid is gewekt.

4.5. Door verweerders is gesteld dat bij de vraag de nodige voorbehouden zijn gemaakt en dat de bedoeling van de vraag was om enig inzicht te verkrijgen in de beleving van verzoeker ten aanzien van de gebeurtenissen in de zaak. Verweerders geven aan geen onderscheid te hebben gemaakt tussen of een keuze uit de verschillende scenario’s. Tevens hebben verweerders aangegeven dat het gebruik van het woord ‘verwerkingsproces’ evenmin duidt op vooringenomenheid, want het strafproces heeft, wat de uitkomst ook zal zijn, immers in alle gevallen gevolgen gehad voor verzoeker en zijn gezin.

4.6. De rechtbank stelt vast dat door verweerders geen uitleg aan verzoeker is gegeven op welke scenario’s de desbetreffende vraag zag. Bij de vraag hebben verweerders, zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 2 november 2010, aangegeven één scenario uit de verschillende scenario’s waarover de rechtbank moet oordelen te halen, zonder deze scenario’s nader te specificeren. Tevens is in het bijzonder gevraagd naar het verwerkingsproces van [dochter verzoeker] en niet in het algemeen naar het verwerkingsproces van het gehele gezin. Onder deze omstandigheden en eens te meer nu ook de nadruk is gelegd op de gewijzigde opstelling van verzoeker, is de rechtbank van oordeel dat verzoeker uit de vraag kon afleiden dat hem werd gevraagd naar een scenario waarbij van een bewezenverklaring uit werd gegaan. Dat verzoeker hier ook van uitging blijkt ook uit zijn antwoord op de vraag.

4.7. De vraag van de verweerders dient echter niet als een op zichzelf staande en geïsoleerde vraag beoordeeld te worden, maar in het licht van het gehele onderzoek ter terechtzitting en de in dat kader eerder aan verzoeker gestelde vragen. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 2 november 2010 blijkt, dat de vragen voorafgaand aan de bewuste vraag zagen op de wijziging in de proceshouding van verdachte. De wijziging in proceshouding, van bekennend naar ontkennend, ziet alleen op het ten laste gelegde met betrekking tot [dochter verzoeker], zodat de vraag daarbij aansluit. Een vraag naar de gevolgen hiervan is in dat licht bezien niet een uitzonderlijke omstandigheid die de vrees van partijdigheid bij verzoeker objectief rechtvaardigt.

4.6. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat er geen sprake is geweest van uitzonderlijke omstandigheden zoals onder 4.2 bedoeld. Het verzoek tot wraking van

[rechters] zal dan ook worden afgewezen.

5. Beslissing

De rechtbank:

5.1. wijst het verzoek tot wraking van [rechters] af;

5.2. bepaalt dat de procedure, bij de rechtbank bekend onder parketnummer 06/580620-09, zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment dat het onderhavige wrakingsverzoek werd ingediend.

Deze beslissing is gegeven door mr. J.B. de Groot, voorzitter, mrs. C.N. Dijkstra en

M. Engelbert-Clarenbeek, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2010 in aanwezigheid van mr. F.A. Demmers, griffier.