Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BO3336

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
09-11-2010
Datum publicatie
09-11-2010
Zaaknummer
06/950298-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Oplichting van een 82-jarige man leidt, in samenhang met ernstige recidive van soortgelijke feiten, tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van veertien maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer 06/950298-10

Vord. na voorw. veroord. 01/840646-08

Uitspraak d.d. 9 november 2010

Tegenspraak / dip - oip (2 x)

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats op 1954],

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting voor vrouwen "Overijssel" te Zwolle.

Raadsvrouw mr. Van der Koelen, advocaat te Tegelen.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 3 augustus 2010 en 26 oktober 2010.

De tenlastelegging

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting is gewijzigd is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1.

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 februari 2009

tot en met 2 april 2010, te Gendringen, gemeente Oude IJsselstreek, althans in

Nederland, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en)

wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van

een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door

een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] (geboren op [1927]) (telkens) heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (-in

totaal- 57.284,46 Euro, althans 40.154,56 Euro), in elk geval van geld,

hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven -

valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- aan die [slachtoffer ] verteld dat ze gedetineerd zat wegens de handel in

verdovende middelen, dat ze op 21 februari 2009 vrij zou komen en/of

- aan die [slachtoffer ] verteld dat ze geen dak boven haar hoofd zou hebben

en/of

- aan die [slachtoffer ] verteld dat ze een woning kon krijgen en/of

- aan die [slachtoffer ] verteld dat ze (daarvoor) geld nodig had voor

leeghalen van die woning aan de [adres in plaats] en/of voor het

overnemen van de/een inboedel en/of

- met die [slachtoffer ] afgesproken dat ze voor de aanschaf van een auto 7500

Euro zou lenen en/of (daartoe) een schuldbekentenis (voor in 10.000 Euro) met

die [slachtoffer ] ondertekend en/of

- aan die [slachtoffer ] voorgesteld om 40.000 Euro over te schrijven naar de

[bank 1 in plaats], omdat hij daar 5% rente zou krijgen over zijn

spaartegoed en/of

- aan die [slachtoffer ] verteld dat ze daarvoor een (spaar)rekening had

geopend bij die [bank 1] op naam van die [slachtoffer ] en/of

- ter onderbouwing van het openen van die rekening een of meerdere

"fake"mail(s) met [naam 1], medewerker van de [bank 2],

gemaakt en/of (vervolgens) getoond en/of afgegeven aan die [slachtoffer ] en/of

- aan die [slachtoffer ] een vals of ververvalste rekeningafshrift van de

bankrekening [banknummer A slachtoffer] heeft getoond en/of afgegeven en/of

- aan die [slachtoffer ] verteld dat ze voor onderhoud aan de auto 4000 Euro

nodig had en/of

- aan die [slachtoffer ] aangegeven dat ze 11.000 Euro zou krijgen voor het

schrijven van een boek en dat ze die zou storten op de spaarrekening en/of

- een hernieuwde schuldbekentenis voor 15.000 Euro met die [slachtoffer ]

ondertekend,

- op (een) door [slachtoffer] ondertekend(e) overschrijvingsformulier(en) een bedrag

van € 45,00 gewijzigd in € 345,00 en/of een bedrag van € 350,00 gewijzigd in €1.350,00,

waardoor voornoemde [slachtoffer ] (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte,

art 326 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

zij in of omstreeks in de periode van 1 augustus 2009 tot en met 2 april 2010,

te Nunspeet en/of te Gendringen, gemeente Oude IJsselstreek, althans in

Nederland, (telkens) opzettelijk geld -in totaal- 40.154,56 Euro, in elk geval

geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte, welk geld [slachtoffer] op haar

rekening had overgemaakt, teneinde op een spaarrekening bij een bank in

Nunspeet te zetten en/of welk geld was verkregen uit de verkoop van goederen

-via marktplaats- voor/van die [slachtoffer ] en aldus en in elk geval

(telkens) anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft

toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

2.

zij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 1 augustus 2009 tot en met

2 april 2010, te Nunspeet, althans in Nederland,

een rekeningafschrift van de [bank 2] - zijnde een geschrift

dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft

opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte valselijk een rekeningafschrift

gemaakt met daarop de naam en/of adres van [slachtoffer], wonende aan de

[adres te plaats] als houder van bankrekeningnr.

[banknummer A slachtoffer] en/of dat daarop 20.000 Euro en/of 1000 Euro zou zijn gestort door

[verdachte] via bankrekeningnummer [banknummer verdachte], zulks met het oogmerk om dat

geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen

gebruiken;

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht.

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Door de officier van justitie is een wijziging van de tenlastelegging gevorderd ten aanzien van feit 1 primair, waarbij een laatste gedachtestreepje is ingevoegd en de daarbij behorende tekst.

Daarbij is over het hoofd gezien dat logischerwijze aan de tekst behorende bij het voorgaande gedachtestreepje diende te worden toegevoegd "en/of". De rechtbank leest dat alsnog in. De verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

In het primair tenlastegelegde is sprake van een kennelijke misslag in bedrag van 40.154,56 Euro; de rechtbank leest daarin een bedrag van 40.154,46 Euro.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

A. Vaststaande feiten / aanleiding tot het onderzoek.

Aanleiding voor het onderzoek was een aangifte door de zoon van [slachtoffer], die op 21 maart 2010 namens zijn 83-jarige vader aangifte deed van oplichting.

B. Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden op basis van onder meer:

de verklaring van aangever [zoon slachtoffer] bij de politie en zijn verklaring bij de rechter-commissaris,

de aangifte namens zijn vader door de zoon van aangever, [zoon slachtoffer],

de schuldbekentenis van 10.000 euro,

een bankafschrift van de [bank 2] inzake de storting van een bedrag van € 20.000,-- en een bedrag van € 1.000,--,

een tweetal emailberichten van [naam 1] namens de medewerkers van de [bank 2], onderscheidenlijk verzonden op 22 augustus 2009 en 17 oktober 2009,

de bevindingen als weergegeven in het proces-verbaal "aanvullend financieel onderzoek",

alsmede de verklaring van verdachte. De officier van justitie gaat daarbij uit van een bedrag van € 41.454,56 totaal.

Het onder 2 ten laste gelegde feit wordt door de officier van justitie eveneens bewezen geacht en wel op basis van de bekennende verklaring van verdachte, de hiervoor al aangeduide aangifte van [slachtoffer] en de overige aangehaalde stukken.

C. Standpunt van de verdachte / de verdediging

Door de raadsvrouw is aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. Verdachte heeft weliswaar in korte tijd veel geld van [slachtoffer] gekregen, maar dat is uit vrije wil gebeurd. De verklaring die [slachtoffer] heeft afgelegd omtrent de spaarrekening staat weliswaar haaks op de verklaring die verdachte daarover heeft afgelegd, maar dat past binnen de verklaring van aangever dat hij helemaal geen aangifte heeft willen doen en dat hij door de familie onder druk is gezet. Voor het geval de rechtbank tot een ander oordeel mocht komen, is de vraag voor welk bedrag [slachtoffer] is benadeeld. Duidelijk is immers dat er een schuldbekentenis ligt en dat [slachtoffer] gelden en goederen aan verdachte heeft geschonken.

Verdachte vindt niet dat ze zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting. Al het geld is haar aangeboden en door [slachtoffer] geschonken.

Het bankafschrift en de emailberichten van [naam 1] heeft zij valselijk opgemaakt, omdat er iets voorhanden moest zijn om verantwoording af te leggen ten opzichte van de fiscus.

Ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde valsheid in geschrift heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

D. Beoordeling door de rechtbank

Verdachte heeft over het onder 2 ten laste gelegde feit een bekennende verklaring afgelegd, zodat de discussie zich toespitst op het onder feit 1 aan verdachte tenlastegelegde.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de ten laste gelegde feiten uit van de volgende feiten en omstandigheden.

In dossier bevinden zich verschillende stukken, waaronder verklaringen van diverse personen en bescheiden, zoals hierna zakelijk en verhalenderwijs weergegeven:

- Op 21 maart 2010 heeft [zoon slachtoffer] namens zijn vader [slachtoffer] aangifte2 gedaan van oplichting door verdachte, gepleegd tussen 30 december 2008 en 26 januari 2010. Zijn vader woont aan de [adres te plaats] en is 83 jaren oud. Hij woont daar al ruim vijf jaren alleen, nadat zijn vrouw is opgenomen in een verzorgingstehuis.

In december 2009 bleek dat zijn vader rood stond bij de bank. Zijn vader kon dat niet verklaren. Dit wekte bij hem argwaan en hij heeft toen een overzicht aangevraagd bij de [bank 3] van de betalingen en overschrijvingen van zijn vaders rekening.

Op 20 maart 2010 bleek hem dat zijn vader in december 2008 een advertentie had geplaatst in de Telegraaf. Verdachte, mevrouw [verdachte], had op die advertentie gereageerd. . Vanaf 30 december 2008 heeft zijn vader bij de [bank 3] aan de [adres in plaats] regelmatig grote bedragen contant opgenomen. Van de directeur van deze bank heeft hij vernomen dat zijn vader bij deze opnames steeds in gezelschap was van een en dezelfde, voor de directeur onbekende, vrouw.

Vanaf 31 maart 2009 zijn er meerdere bedragen overgemaakt van de bankrekening van zijn vader ([bank 3] [rekening B slachtoffer]) naar de betaalrekening van verdachte ([rekening verdachte]). Op 26 januari 2010 vond de laatste overschrijving plaats.

Verdachte heeft zijn vader voorgehouden dat hij het geld van zijn spaarrekening bij de [bank 3] beter op een andere rekening kon zetten. Op deze rekening zou namelijk een half procent meer rente worden uitgekeerd.

Op 22 augustus 2009 kreeg zijn vader van verdachte een e-mail van [naam 1] van de [bank 2 plaats]. In deze mail werd bevestigd dat er een spaarrekening was geopend op naam van zijn vader. Dit bleek echter niet zo te zijn.

Eind augustus 2009 kreeg zijn vader van verdachte een bankafschrift van de [bank 2 uit plaats] van rekeningnummer [rekeningnummer A]. Met dit bankafschrift suggereerde verdachte dat zij het van zijn vader ontvangen geld had overgemaakt naar de zogenaamde nieuwe spaarrekening. Navraag bij de [bank 2] wees uit dat er bij de [bank 2] nooit een rekening met nummer [rekeningnummer A] op naam van zijn vader heeft gestaan.

Op 17 oktober 2009 kreeg zijn vader wederom van verdachte een mail van [naam 1]. In deze mail wordt nogmaals bevestigd dat er een rekening is geopend op zijn, vaders, naam. Volgens de [bank 2] hebben zij echter helemaal geen [naam 1] in dienst. Ook gezien het mailadres van de afzender ([e-mailadres]) is de e-mail niet afkomstig van de [bank 2].

Deze twee e-mails en het bankafschrift zijn bij de aangifte gevoegd.

Het gaat daarbij om een rekeningafschrift3 van rekeningnummer [banknummer A slachtoffer] van de [bank 2]. Uit dit afschrift blijkt dat het saldo € 21.000,00 bedraagt, opgebouwd uit een bedrag van € 20.000,-- gestort op 17 augustus 2008 en een bedrag van € 1.000,-- gestort op 28 augustus 2008.

Verder gaat het om twee e-mails van [bank 2]-medewerker [naam 1]. In de e-mail van 22 augustus 20094 wordt bevestigd dat er op naam van [slachtoffer] een rekening is geopend bij de [bank 2] met het nummer [rekeningnummer A] en dat er € 20.000,00 op deze rekening is gestort. In de e-mail van 17 oktober 20095 wordt bevestigd dat er op naam van [slachtoffer] een rekening is geopend bij de [bank 2] met het nummer 10.72.16.132.

- Op 3 april 2010 is [slachtoffer] gehoord6 door de politie naar aanleiding van de namens hem gedane aangifte. Hij heeft verklaard dat hij in februari 2009 een advertentie had geplaatst in de Telegraaf. Hij wilde aanspraak, omdat zijn vrouw in het [naam te plaats] verbleef en hij alleen was. Verdachte heeft schriftelijk op deze advertentie gereageerd, zo is hij met haar in contact gekomen. Verdachte schreef dat zij gedetineerd was door de handel van haar man in verdovende middelen en dat zij op 22 februari 2009 vrij zou komen na een jaar celstraf.

Op 22 februari 2009 werd hij gebeld door verdachte met de mededeling dat zij geen dak boven haar hoofd had, omdat ze nog niet bij de crisisopvang terecht kon. Hij heeft haar toen gezegd dat ze wel bij hem kon komen. Die nacht heeft verdachte bij aangever doorgebracht. Aangever heeft haar de volgende ochtend € 100,00 gegeven voor de terugreis naar Nunspeet. Sindsdien is verdachte vaak langs geweest bij aangever. Verdachte wilde niet dat zijn kinderen haar zagen.

Zij gingen geregeld uit en hij heeft geregeld dingen voor haar betaald en dat hoefde zij van hem niet aan hem terug te betalen. Zij regelde ook wel bankzaken voor hem. Zij wist dat hij meer geld had, want dat had hij haar verteld. Zij heeft hem voorgesteld om € 40.000,00 over te schrijven naar de [bank 1 te plaats]. Hier betaalde men volgens haar vijf procent rente. Hij heeft vervolgens dat bedrag in twee instanties aan haar overgemaakt en zij zou het dan voor hem op de op zijn naam te openen spaarrekening zetten. Na maanden geen documenten te hebben ontvangen van de bank heeft hij haar hiernaar gevraagd. Hij kreeg toen twee papieren van verdachte waarin stond dat er een rekening was geopend. Hij ging er vanuit dat de papieren afkomstig waren van de bank uit Nunspeet, omdat ze waren ondertekend door [naam 1] van de bank. Later bleek dat deze papieren niet echt waren en dat [naam 1] niet bij de bank werkt. Hij kreeg van haar ook een bankafschrift van de nieuwe rekening, waarop stond dat het saldo van de nieuwe rekening € 21.000,00 bedroeg. Later bleek dat dit allemaal gelogen was.

Verdachte heeft ook verschillende zaken van hem, materialen voor een bakkerij en een hometrainer, op zijn verzoek verkocht via Marktplaats. De opbrengst hiervan zou ook worden gestort op de spaarrekening.

Als verdachte de zaken niet zo mooi had voorgespiegeld, had hij zijn geld op de [bank 3] laten staan. Doordat zij alles voor elkaar zou maken is hij overstag gegaan. Hij vertrouwde haar volledig. Het was de bedoeling het geld op een spaarrekening te zetten bij de bank in Nunspeet tegen een rente van vijf procent;

- [slachtoffer] heeft bij de rechter-commissaris7 verklaard dat hij verdachte meermaals cadeaus en geld heeft gegeven. Over het geld dat was bedoeld voor de spaarrekening is hij stellig: "Het was de bedoeling om geld op de [bank 1 in plaats] te zetten. Ik heb haar dat geld niet gegeven en ook niet geschonken. Het zou op een rekening worden gezet tegen een rente van 5 procent. We waren een keer bij de regiobank in Gendringen toen zij vertelde van een actie van de [bank 1 in plaats] die 5 procent spaarrente aanbood";

- Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard8 dat zij bedoeld rekeningafschrift en beide mailberichten heeft opgesteld/gemaakt en dat zij deze stukken in ieder geval aan [slachtoffer] zal hebben gegeven in de week dat ze deze stukken zal hebben opgemaakt;

- Verdachte heeft verklaard dat zij eind 2008 naar aanleiding van een advertentie in de Telegraaf in contact is gekomen met [slachtoffer]. Op 21 februari 2009 is zij naar hem toegegaan vanuit de gevangenis. Vanaf die tijd is zij wekelijks 2 tot 3 keer bij hem geweest;

- Tegenover de politie heeft verdachte - in het kader van de spaarrekening voor [slachtoffer] bij de [bank 2] in Nunspeet - verklaard9 dat zij een zogenaamde rekening heeft gemaakt.

Verdachte heeft verder verklaard10 dat het rekeningnummer [rekening verdachte] op naam van [verdachte] haar bankrekeningnummer betreft;

- Uit het financieel onderzoek11 dat in deze zaak is ingesteld blijkt dat op 14 augustus 2009 van het rekeningnummer [rekening B slachtoffer] (de betaalrekening van [slachtoffer]) naar rekeningnummer [rekening verdachte] (de betaalrekening van verdachte) is overgemaakt een bedrag van € 20.000,-- met de omschrijving: "[verdachte] tbv spaarrek"

en dat op 29 oktober 2009 van de bankrekening van [slachtoffer] een bedrag van

€ 20.154,46 is overgemaakt naar de bankrekening van verdachte met de omschrijving: "[verdachte] bekend".

Hoewel verdachte de mening is toegedaan dat zij zich niet heeft schuldig gemaakt aan oplichting van [slachtoffer], is de rechtbank op basis van de hiervoor aangegeven bewijsmiddelen van oordeel dat zij zich voor zover het gaat om haar handelwijze in verband met de beoogde spaarrekening bij de [bank 2] wel degelijk heeft schuldig gemaakt aan dat strafbare feit. De stelling van verdachte dat zij geen wetenschap had van het doel van de gelden, namelijk ten behoeve van het openen van een spaarrekening, wordt alleen al gelogenstraft door de omschrijving die op de overschrijving in augustus 2009 is vermeld, te weten de omschrijving: "[verdachte] tbv spaarrek".

De verklaring van verdachte dat [slachtoffer] haar (ook) deze bedragen (twee maal

€ 20.000,--) heeft geschonken, acht de rechtbank niet aannemelijk, gelet op de verklaring die [slachtoffer] bij de Rechter-commissaris heeft afgelegd. Daaruit blijkt weliswaar dat hij de drijfveer van zijn kinderen bekritiseert en dat hij genegenheid voelt voor verdachte en dat hij haar heeft willen verwennen, maar hij is consistent in zijn verklaring waar het gaat om het initiatief van het open van een spaarrekening bij de [bank 2] en verdachtes rol daarin. Voor het doel van de emailberichten van de door haar verzonnen [bank 2] medewerker [naam 1] heeft verdachte bovendien geen aannemelijke verklaring kunnen geven, mede in het licht van de verklaringen van [slachtoffer].

Het ligt daarnaast niet voor de hand dat [slachtoffer], in het licht van zijn verklaring bij de rechter-commissaris, omwille van verdachte zijn gehele spaartegoed heeft willen opheffen.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank, bij gebrek aan stukken, niet bewezen dat

verdachte door [slachtoffer] ondertekende overschrijvingsformulieren heeft vervalst door daarin bedragen te veranderen.

Voor het overige bewijs van het onder 2 ten laste gelegde feit wordt verwezen naar eerder genoemd rekeningafschrift en de aangifte van [slachtoffer] senior.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

zij op tijdstippen in de periode van 22 februari 2009 tot en met 2 april 2010, te Gendringen, gemeente Oude IJsselstreek, althans in Nederland, telkens met het oogmerk om zich

wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] (geboren op [1927]) heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (in totaal 40.154,46 Euro),

hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- aan die [slachtoffer ] voorgesteld om 40.000 Euro over te schrijven naar de

[bank 1 in plaats], omdat hij daar 5% rente zou krijgen over zijn

spaartegoed en

- aan die [slachtoffer ] verteld dat ze daarvoor een (spaar)rekening had

geopend bij die [bank 1] op naam van die [slachtoffer ] en/of

- ter onderbouwing van het openen van die rekening "fake" mails met [naam 1], medewerker van de [bank 2],

gemaakt en vervolgens getoond en afgegeven aan die [slachtoffer ] en/of

- aan die [slachtoffer ] een vals rekeningafschrift van de

bankrekening [banknummer A slachtoffer] heeft getoond en afgegeven,

waardoor voornoemde [slachtoffer ] (telkens) werd bewogen tot

bovenomschreven afgifte,

2.

zij in de periode van 1 augustus 2009 tot en met 2 april 2010, te Nunspeet, althans in Nederland, een rekeningafschrift van de [bank 2] - zijnde een geschrift

dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte valselijk een rekeningafschrift gemaakt met daarop de naam en adres van [slachtoffer], wonende aan de [adres te plaats] als houder van bankrekeningnr. [banknummer A slachtoffer] en dat daarop 20.000 Euro en 1000 Euro zou zijn gestort door

[verdachte] via bankrekeningnummer [banknummer verdachte], zulks met het oogmerk om dat

geschrift als echt te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

feit 1 primair: oplichting, meermalen gepleegd;

feit 2: valsheid in geschrift.

Strafbaarheid van de verdachte

Over verdachte is een rapport opgemaakt door de psychiater Westerborg12 in het kader van een trajectconsult.

Door de psychiater is, mede op basis van eerder over verdachte uitgebrachte pro-justitia rapportages, geconcludeerd dat een hernieuwd psychiatrisch/psychologisch onderzoek niet zal bijdragen aan beter begrip of betere diagnostiek over verdachte. Over verdachte is in 1999 gerapporteerd door psychiater Pen en psycholoog Baneke, terwijl in januari 2004 door psycholoog Van Eynde is gerapporteerd.

In 1999 is verdachte door het NIFP gediagnosticeerd13 als iemand met een gemengde persoonlijkheidsstoornis met antisociale, borderline-theatrale en narcistische trekken, terwijl tevens sprake is van pseudologica fantastica.

In zijn rapport14 van 17 januari 2004 is door psycholoog Van Eynde geconcludeerd dat het persoonlijkheidsonderzoek al zeer lange tijd, zoals blijkt uit de voorgeschiedenis, wijst op een therapieresistente persoonlijkheidsstoornis, met een grove vorm van pseudologica fantastica. De pseudologica fantastica is dermate verankerd in de persoonlijkheid van betrokkene, dat van een zeer ernstige karakterstoornis kan worden gesproken. Verdachte werd destijds licht verminderd toerekeningsvatbaar geacht.

Gelet op de bevindingen en de conclusies van voormelde gedragsdeskundigen en verdachte zich thans heeft te verantwoorden voor dezelfde soort feiten waarvoor zij in het verleden met justitie in aanraking is gekomen, gaat de rechtbank er vanuit dat verdachte ook ten aanzien van de thans te beoordelen feiten als licht verminderd toerekeningsvatbaar is te beschouwen.

Verdachte is strafbaar nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De officier van justitie heeft in zijn eis betrokken dat verdachte langere tijd misbruik heeft gemaakt van een, gelet op zijn omstandigheden, kwetsbare bejaarde man die behoefte had aan gezelschap, alsmede gelet op het forse benadelingsbedrag en het aanzienlijke strafblad van verdachte op het terrein van oplichting, flessentrekkerij en valsheid in geschrift.

De gevorderde straf is met name ingegeven om de maatschappij langere tijd tegen verdachte te beschermen.

Door de raadsvrouw is geen strafmaat verweer gevoerd.

De rechtbank heeft het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft vanuit de gevangenis gereageerd op een advertentie van een 82-jarige man, die behoefte had aan gezelschap en aanspraak. In het contact dat daaruit ontstond heeft zij gebruik gemaakt van de vrijgevigheid en het vertrouwen dat [slachtoffer] in haar stelde en heeft zij hem weten te bewegen tot het overmaken van aanzienlijke bedragen, zogenaamd om daarmee een spaarrekening voor hem te openen. Zij heeft zich daarbij onder meer bediend van een valselijk opgemaakt bankafschrift en valselijk opgemaakte emailberichten.

Verdachte heeft dusdoende het door deze kwetsbare man in haar gestelde vertrouwen ernstig geschaad. Daar komt bij dat verdachte over een uitgebreid strafblad15 beschikt met meerdere veroordelingen ter zake van oplichting en valsheid in geschrifte. Verdachte is voor oplichting ondermeer veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf in 2004 (rechtbank Arnhem), 7 maanden gevangenisstraf in 2007 (rechtbank Roermond) en 15 maanden gevangenisstraf in 2008 (rechtbank Arnhem).

Deze ernstige recidive maakt dat de rechtbank, rekening houdende met de licht verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, een onvoorwaardelijke straf van veertien maanden op zijn plaats vindt. Dat is lager dan geëist, maar de rechtbank acht deze straf in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Vordering tot schadevergoeding

Namens [slachtoffer] is in het kader van tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij ingediend van € 57.284,46. Daarnaast is aan advocatenkosten gevorderd een bedrag van € 1.979,62, zodat in totaal een bedrag wordt gevorderd een bedrag van € 59.264,08.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat deze vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van € 40.154,56 en een bedrag van € 1.400, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Naast de genoemde bedragen dient het gevorderde bedrag aan advocatenkosten eveneens te worden toegewezen.

Door de raadsvrouw van verdachte is primair aangevoerd dat de vordering moet worden afgewezen, subsidiair dat de benadeelde partij niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering omdat deze niet van eenvoudige aard is.

De gevorderde advocaatkosten zijn volgens de raadsvrouw buitensporig hoog.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen rechtstreeks tot een bedrag van € 40.154,46 schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering is in zoverre voor toewijzing vatbaar.

De benadeelde partij heeft na dat de zaak uitkwam, een advocaat ingeschakeld voor juridisch advies en bijstand. De omvang van de daarvoor gemaakte kosten groot € 1.979,62 (honorarium advocaat) zijn inzichtelijk gemaakt aan de hand van een gespecificeerde opgave van de raadsman. Het gaat daarbij uitdrukkelijk niet om kosten gemoeid met het indienen van de onderhavige vordering. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het om kosten die door toedoen van verdachte zijn gemaakt en voor hem schade vormen waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De rechtbank acht in dit geval dit onderdeel voldoende aannemelijk geworden en derhalve voor toewijzing vatbaar.

Totaal wordt derhalve toegewezen een bedrag van (€ 40.154,46 + € 1.979,62) € 42.134,08.

De benadeelde partij zal voor het overige niet ontvankelijk worden verklaard in haar vordering, omdat deze in zoverre niet voldoende eenvoudig van aard is.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een na te melden bedrag ten behoeve van genoemd slachtoffer.

Vordering tenuitvoerlegging

Nu is bewezen dat verdachte zich opnieuw heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, dient de bij vonnis van de politierechter te 's-Hertogenbosch van 29 januari 2009 (parketnummer 01/840646-08) voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht ten uitvoer gelegd te worden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 10, 24c, 27, 36f, 57, 225 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit als:

1 primair: oplichting, meermalen gepleegd;

2: valsheid in geschrift.

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden;

beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

* veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], [plaats, adres] (bankrekeningnummer [banknummer C slachtoffer]), van een bedrag van € 42.134,08, vermeerderd met betaling van de kosten van het gedingen de kosten van de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.

en bepaalt dat de benadeelde partij haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke

rechter kan aanbrengen;

* legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voornoemd een bedrag te betalen van € 42.134,08, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 245 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

* bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

* gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te 's-Hertogenbosch van 29 januari 2009 (parketnummer

01/840646-08), te weten van:

een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Aldus gewezen door mrs. Borgerhoff Mulder, voorzitter, Van der Hooft en Van der Mei, rechters, in tegenwoordigheid van Van Bun, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 november 2010.

Voetnoten:

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het stamproces-verbaal met het registratienummer 1010039732-25, van de Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district / team recherche Achterhoek, gedateerd 7 mei 2010.

2 Aangifte [zoon slachtoffer] (jr) namens [slachtoffer] (sr), dossierpagina's 12 tot en met 14, 17 tot en met 20.

3 Bijlage bij aangifte, dossierpagina 18

4 Bijlage bij aangifte, dossierpagina 20

5 Bijlage bij aangifte, dossierpagina 19

6 Verhoor aangever, dossierpagina's 21 tot en met 24

7 Verhoor getuige [slachtoffer] op 11 oktober 2010 door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank

8 Proces-verbaal terechtzitting 26 oktober 2010

9 Verklaring verdachte d.d. 4 april 2010, dossierpagina's 46 tot en met 52.

10 Verklaring verdachte d.d. 22 april 2010, dossierpagina 56

11 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, gesloten en ondertekend op 8 juni 2010 door inspecteur [inspecteur], in samenhang met de bijlagen 3 en 4

12 Rapport Trajectconsult gedateerd 10 juli 2010, opgemaakt door de psychiater drs. M.A. Westerborg

13 Reclasseringsadvies d.d. 23 juli 2010, opgemaakt door de reclasseringswerker Reumerman

14 Pro Justitia rapport gedateerd 17 januari 2004, opgemaakt door drs. J.E.I.M. van Eynde, klinisch psycholoog-psychotherapeut

15 Uittreksel justitiële documentatie gedateerd 19 oktober 2010