Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BO3332

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
09-11-2010
Datum publicatie
09-11-2010
Zaaknummer
06/940171-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gewelddadigheden tegen een bevriende relatie van een buurvrouw van een verdachte leiden tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer 06/940171-10

Uitspraak d.d. 9 november 2010

Tegenspraak / dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats op 1961],

wonende te [plaats, adres].

Raadsvrouw mr. Bongaarts-Tangelder, advocaat te Aalten.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting 26 oktober 2010.

De tenlastelegging

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting is gewijzigd is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 07 mei 2010 in de gemeente

Zutphen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

(telkens) opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven,

met dat opzet (meermalen) met zijn arm om de hals van die [slachtoffer] heeft geklemd

en/of geklemd gehouden en/of een zogenaamde wurggreep heeft toegepast op die

[slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans dat, indien het voorgaande niet tot een veroordeling zou kunnen leiden:

hij op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 07 mei 2010 in de gemeente

Zutphen (telkens) opzettelijk mishandelend zijn arm om de hals van [slachtoffer] heeft geklemd en/of geklemd gehouden en/of een zogenaamde wurggreep heeft toegepast op die

[slachtoffer] waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden

art 300, eerste lid, Wetboek van Strafrecht

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 07 mei 2010 in de gemeentte

Zutphen opzettelijk mishandelend [slachtoffer] meermalen, (met gebalde vuisten)

in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of lichaam heeft geslagen en/of

gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 19 november 2009 in de gemeente Zutphen opzettelijk

mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]),

meermalen, althans eenmaal (met kracht) in/op/tegen het gezicht, althans

op/tegen het hoofd heeft geslagen en/of gestompt, waardoor deze letsel heeft

bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(parketnummer 103847-10)

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 19 november 2009 in de gemeente Zutphen opzettelijk en

wederrechtelijk een fiets en/of kleding, in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

(parketnummer 103847-10)

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht.

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Het gaat daarbij onder meer om feiten 4 en 5 die abusievelijk in de in de tenlastelegging niet als feiten 3 en 4 zijn genummerd.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

A. Vaststaande feiten / aanleiding tot het onderzoek.

T.a.v. de feiten 1 en 21

Aanleiding voor het onderzoek was een melding bij de meldkamer op 7 mei 2010 omstreeks 12.21 uur, dat er aan de [adres te plaats] een man mishandeld zou zijn en dat deze man in elkaar was gezakt op de oprit van de buurman. Door de surveillance-eenheid die vervolgens ter plaatse kwam, werd op de oprit van de tegenoverliggende woning een erg overstuur zijnde man aangetroffen met diverse verwondingen aan zijn hoofd, handen en voeten. Deze man bleek te zijn de in de dagvaarding genoemde [slachtoffer]. Door [slachtoffer] werd aangifte gedaan tegen verdachte.

T.a.v. feiten 4 en 52

Een aangifte van [slachtoffer] op 19 november 2009 was aanleiding voor onderzoek door de politie Team Zutphen.

B. Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair tenlastegelegde niet tot een bewezenverklaring kan leiden en verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Verdachte heeft ontkend opzet te hebben gehad op de dood van [slachtoffer] door het aanleggen van een houdgreep om de hals van [slachtoffer]. De vraag is dan in hoeverre verdachte onder de gegeven omstandigheden de aanmerkelijke kans daarop op de koop heeft toegenomen. Voor wat betreft de houdgreep bij de voordeur dient volgens de officier van justitie voormelde vraag negatief te worden beantwoord, nu de houdgreep daarvoor niet lang genoeg heeft geduurd. Wel heeft [slachtoffer] toe pijn ondervonden. Ter zake van de tweede - steviger - houdgreep, in de kelder, is die vraag volgens de officier lastig te beantwoorden, aangezien weliswaar kan worden vastgesteld dat verdachte een wurggreep heeft aangelegd en [slachtoffer] zuurstofgebrek heeft gehad, maar niet of de wurggreep zodanig lang is toegepast dat dit als mogelijk gevolg de dood zou kunnen hebben.

Daarnaast heeft de officier van justitie als standpunt ingenomen dat de aanmerkelijke kans ook in de toekomst kan liggen, daarmee het oog hebbend op de uitvoeringshandeling. In dit geval is het ongewis hoe lang verdachte zou zijn doorgegaan, terwijl onduidelijk is wanneer in de gegeven situatie zo'n gevolg zou zijn ingetreden.

Het subsidiaire feit onder 1 en de overige ten laste gelegde feiten kunnen volgens de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen worden op basis van de bekentenissen van verdachte, de verklaring van aangever, de verklaring van de GGD-arts, de geneeskundige verklaring d.d. 24 november 2009, de waarnemingen van de politie en de verklaring van de getuige [getuige].

C. Standpunt van de verdachte / de verdediging

Door de raadsvrouw is ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde aangevoerd dat verdachte daarvan bij gebrek van bewijs dient te worden vrijgesproken, danwel verdachte dient te worden ontslagen van rechtsvervolging omdat er geen sprake is van een strafbare poging, aangezien er sprake is van vrijwillige terugtred. Verdachte had niet de opzet om [slachtoffer] van het leven te beroven. Zijn intentie was enkel om [slachtoffer] pijn te doen.

Voor het onder 1 subsidiair tenlastegelegde is volgens de raadsvrouw voldoende bewijs voorhanden. Ten aanzien van de overige de onder 2, 4 en 5 aan verdachte ten laste gelegde feiten kan eveneens een bewezenverklaring volgen, dat wil zeggen voor feit 2 'het slaan tegen het lichaam', voor feit 4 'het geven van één klap'.

D. Beoordeling door de rechtbank

T.a.v. feit 1 primair

Zowel de officier van justitie als de raadsvrouw zijn van mening, weliswaar om verschillende redenen, dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder 1 primair ten laste gelegde feit. Het gaat daarbij om een poging tot doodslag op 7 mei 2010 door verdachte op [slachtoffer] door - kort gezegd - het meermalen toepassen van een (wurg)greep om de hals van genoemde [slachtoffer]. Verdachte heeft toegegeven een paar keer zijn arm om de hals van [slachtoffer] te hebben geklemd en flink stevig te hebben gedrukt

De rechtbank is eveneens van oordeel dat verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken en wel om de volgende redenen. Het toepassen van de houdgreep, dat wil zeggen een klemvaste houdgreep nadat [slachtoffer] samen met verdachte van de keldertrap af was gevallen, geeft de rechtbank onvoldoende overtuiging dat het benauwd worden van [slachtoffer] enkel is te duiden als het gevolg van die houdgreep. [slachtoffer] had zich eerder al ontworsteld aan de greep van verdachte, terwijl hij bovendien klappen had gekregen van verdachte en hij bovendien - samen met verdachte - van de trap was gevallen en verdachte na die val vervolgens op de keldervloer bovenop [slachtoffer] was beland. De eerste houdgreep, bij de voordeur, kan naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot vaststelling van een poging doodslag reeds nu aangever heeft verklaard dat deze greep niet klemvast was en hij nog wel adem kon halen.

De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte dit feit heeft begaan.

T.a.v. de overige feiten

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de ten laste gelegde feiten uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [slachtoffer] op 7 mei 2010 in de woning op verschillende momenten heeft geslagen en dat hij [slachtoffer] verscheidene malen met zijn arm om diens hals in een houdgreep heeft genomen3. Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] heeft geslagen, maar niet in het gezicht of op het hoofd.

In het dossier bevinden zich verschillende stukken, waaronder verklaringen van diverse personen en bescheiden, zoals hierna zakelijk en verhalenderwijs weergegeven:

T.a.v. feit 1 subsidiair en feit 2

- Bij de politie heeft verdachte verklaard4 dat er iets in zijn hoofd knapte en dat hij [slachtoffer] in de eetkamer van de woning aan de [adres te plaats] meerdere klappen heeft gegeven en hem vervolgens om zijn nek heeft gepakt, wat redelijk strak kan zijn geweest. [slachtoffer] heeft zich een paar keer los geworsteld. Hij heeft hem toen weer geslagen en om de nek gepakt. Tijdens de worsteling zijn ze van de trap gevallen, waarbij hij bovenop [slachtoffer] terecht is gekomen.

Verdachte heeft verder verklaard5 dat hij [slachtoffer] met de volle vuist heeft geslagen. Hij wilde hem alleen maar pijn doen en hem "een bloedneus of blauw oog slaan". Hij heeft hem in de eetkamer in de houdgreep genomen en flink/stevig gedrukt. Hij heeft hem losgelaten toen hij een soort (wurg)geluid maakte en [slachtoffer] is toen uit de eetkamer gevlucht. In de gang heeft hij [slachtoffer] weer weten vast te pakken. Daarbij zijn ze beiden van de trap af gegleden. Hij heeft hem in de eetkamer, gang en nadat ze van de trap waren gegleden in een houdgreep om de nek gepakt.

- De verklaring die verdachte heeft afgelegd sluit in grote lijnen aan bij de verklaring van aangever [slachtoffer]. [slachtoffer] heeft verklaard6 dat hij in de woonkamer door verdachte met gebalde vuisten werd geslagen en daarbij in eerste instantie op zijn borst werd geraakt en later ook in het gezicht. Hij slaagde er in verdachte richting voordeur te duwen. Ondertussen bleef verdachte hem slaan op hoofd en lichaam, wat hem behoorlijk pijn deed. Ze zijn bij de voordeur beiden komen te vallen. Verdachte wist echter sneller overeind te komen en heeft hem daar toen meerdere malen op zijn neus, slaap en hoofd geslagen. Dit deed erge pijn. Vervolgens heeft verdachte hem van achteren bij de hals gepakt in een zgn. wurggreep. Hij kon echter loskomen. Hij voelde op het moment dat verdachte hem vasthield erge pijn in zijn nek en hals. Vervolgens zijn ze beiden komen te vallen en via de trap in de kelder terecht gekomen, waarbij verdachte bovenop hem terecht is gekomen. Hij zag en voelde dat verdachte toen opnieuw een wurggreep aanlegde. Verdachte drukte goed door en pakte hem op dezelfde manier om zijn nek. Hij kreeg het heel benauwd, maar wist zich toch op eigen kracht los te werken/wurmen.

De rechtbank acht op grond van deze verklaringen bewezen dat verdachte de onder 1 subsidiair en 2 verweten mishandelingen heeft gepleegd. Weliswaar heeft verdachte ter terechtzitting verklaard [slachtoffer] niet in het gezicht of op het hoofd te hebben geslagen, maar dat verdraagt zich niet met zijn intentie zoals weergegeven bij de politie, terwijl dat laatste ook spoort met de verklaring die aangever [slachtoffer] daarover heeft afgelegd.

T.a.v. de feiten 4 en 5 (nummering tenlastelegging)

Verdachte heeft bekend7 op 19 november 2009 in Zutphen [slachtoffer] een klap met zijn vuist te hebben gegeven. Volgens zijn verklaring bij de politie heeft hij [slachtoffer] toen op zijn kaak geslagen8.

Verdachte heeft verder verklaard9 dat hij daarna [slachtoffer] nog bij zijn kleren heeft vastgepakt en getracht heeft hem vanuit de deuropening naar buiten te trekken, waarbij de jas van [slachtoffer] is gescheurd. Na die ruzie heeft hij de fiets van [slachtoffer] uit kwaadheid een trap gegeven.

[slachtoffer] heeft verklaard10 dat hij op 19 november 2009 in de deuropening stond van de woning van zijn vriendin [getuige] in Zutphen en hij van verdachte een harde klap met de vuist tegen het hoofd kreeg, ter hoogte van zijn slaap boven of naast zijn rechteroog en dat dit pijn deed. Hij is daarop weer naar binnen gegaan, maar is kort daarop weer naar buiten gegaan om verdachte te zeggen dat hij beter weg kon gaan. Verdachte greep hem daarop echter bij de revers van zijn jas en hij kreeg ondertussen meerdere klappen en vuistslagen op zijn gezicht en hoofd. Hij zag en voelde dat zijn kleding kapot ging. Door het handelen van [slachtoffer] had hij een dikke lip opgelopen en pijn ondervonden. Hij is daarna de woning van zijn vriendin binnengevlucht Hij hoorde dat verdachte vervolgens tegen de voordeur stond te beuken. Later zag hij dat zijn fiets was vernield. Hij had wel gehoord dat verdachte bezig was met het vernielen van de fiets.

De verhorende verbalisant heeft opgemerkt11 dat duidelijk zichtbaar was dat de rechtermouw van de jas van aangever was los gescheurd en onherstelbaar was vernield, evenals de daaronder gedragen blouse en t-shirt.

[getuige] heeft verklaard dat zij hoorde dat [slachtoffer] de voordeur opende. Door het keukenraam zag zij dat verdachte [slachtoffer] een vuistslag in het gezicht gaf en dat [slachtoffer] door de klap achterover viel. [slachtoffer] kwam de woning weer binnen en heeft de politie gebeld. Toen [slachtoffer] daarna de voordeur weer opende kwam verdachte als een dolle stier op hem af en gaf hem weer een vuistslag tegen het gezicht.

Door de huisarts12 van [slachtoffer] is op 19 november 2009 als letsel waargenomen een blauwe plek / bloeduitstorting van de bovenlip.

De rechtbank acht op grond van de vermelde bewijsmiddelen de onder 4 en 5 vermelde feiten bewezen. Uit de verklaringen van aangever en de getuige [getuige] volgt in ieder geval dat - anders dan door verdachte is verklaard - [slachtoffer] meerdere malen door verdachte is geslagen.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2, en met verbetering van de nummers: thans 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1 subsidiair.

hij op tijdstippen op 7 mei 2010 in de gemeente Zutphen opzettelijk mishandelend zijn arm om de hals van [slachtoffer] heeft geklemd en geklemd gehouden of een zogenaamde wurggreep heeft toegepast op die [slachtoffer], waardoor deze pijn heeft ondervonden;

2.

hij op tijdstippen op 7 mei 2010 in de gemeente Zutphen opzettelijk mishandelend [slachtoffer] (met gebalde vuisten) in het gezicht en tegen het hoofd en lichaam heeft geslagen en/of gestompt, waardoor deze pijn heeft ondervonden;

3.

hij op 19 november 2009 in de gemeente Zutphen opzettelijk mishandelend een persoon te weten [slachtoffer] meermalen met kracht in het gezicht, althans tegen het hoofd heeft gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

4.

hij op 19 november 2009 in de gemeente Zutphen opzettelijk en wederrechtelijk een fiets en kleding, toebehorende aan [slachtoffer], heeft vernield en/of beschadigd.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

1. subsidiair: mishandeling, meermalen gepleegd;

2. mishandeling, meermalen gepleegd;

3. mishandeling;

4. opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander

toebehoort, vernielen of beschadigen.

Strafbaarheid van de verdachte

Over verdachte is een rapport opgemaakt door de psycholoog Ter Borg13.

Deze deskundige komt tot de conclusie dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde lijdende was aan zodanige persoonlijkheidsproblemen dat gesproken kan worden van een stoornis in de zin van een depressieve stoornis met daarnaast kenmerken van een obsessief-dwangmatige persoonlijkheidsstoornis, zodat deze feiten hem slechts in licht verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Gelet op de bevindingen en de conclusies van de gedragsdeskundige, die de rechtbank overneemt, is de rechtbank van oordeel dat het tenlastegelegde verdachte in licht verminderde mate kan worden toegerekend.

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, alsmede een werkstraf van honderdtachtig uur subsidiair negentig dagen vervangende hechtenis met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De officier van justitie heeft in zijn eis betrokken de ernst van de feiten, het rapport van de psycholoog Ter Borg, het plotseling kunnen vervallen in agressie na het langdurig opkroppen van boosheid en mogelijke jaloezie (met verwijzing naar het rapport van de psycholoog Ter Borg), de reële kans op recidive gelet op de ongewijzigde woonsituatie van verdachte en het feit dat verdachte kennelijk is gebaat bij een behandeling van de onderliggende psychische problematiek.

Een contact/straatverbod acht de officier van justitie niet geïndiceerd.

Door de raadsvrouw is aangevoerd dat verdachte een first-offender is, het tenlastegelegde hem in licht verminderde mate kan worden toegerekend, hij het gebeurde betreurt en hulp heeft gezocht en in dat kader onder behandeling is van een psycholoog om te leren omgaan met emoties en dat de kans op recidive gering is. De raadsvrouw heeft bepleit om conform het advies van de reclassering een voorwaardelijke straf met meldingsplicht en behandelingsverplichting als voorwaarde op te leggen.

De rechtbank heeft het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is op 19 november 2009 en 7 mei 2010 in agressie vervallen tegen een bevriende relatie van mevrouw [getuige], de heer [slachtoffer]. Bij beide voorvallen 'knapte' er naar zeggen van verdachte iets, voortkomende uit de affectieve gevoelens die hij koesterde voor [getuige] en de relatie die zij onderhield met [slachtoffer]. Hij verloor de beheersing en heeft zijn agressie botgevierd op [slachtoffer].

Verdachte heeft dusdoende zijn slachtoffer grote angst en schrik aangejaagd, zodanig dat deze ook nu nog elk contact met verdachte wil mijden.

Uit het rapport van de psycholoog14 blijkt dat verdachte gepreoccupeerd was door de relatie die hij had met zijn buurvrouw, [getuige], en de rol die [slachtoffer] daarin vervulde. Hij kon dat niet uit zijn gedachten zetten. In dat geheel speelde ook een rol zijn eerdere scheiding, de teleurstelling over de manier waarop [getuige] met hem was omgegaan en het zich miskend voelen tengevolge van de bejegening door genoemde [slachtoffer]. Dit had een extra verstorende werking op zijn stabiliteit en hij was niet in staat de ontstane situatie te relativeren. Hij kon zichzelf niet meer tot rust manen en de opeenstapeling van frustraties raakte vermoedelijk aan een gevoel van vernedering en miskenning, waardoor er een kortsluiting bij hem optrad en het tot een impulsuitbraak is gekomen.

Bezien vanuit de dwangmatige persoonlijkheidstrekken is er een verhoogde kans op recidive. Belangrijk is dat het toegepaste geweld niet geënsceneerd was. Verdachte werd plotseling gewelddadig en de agressie die hem overviel was ook voor hem onverwacht. Hij is niet eerder met justitie in contact geweest en heeft zelf hulp gezocht om te leren omgaan met dwanggedachten. Betrokkene is zich bewust van zijn onjuist handelen. In dat perspectief bezien moet het recidiverisico als laag worden aangemerkt.

In overleg met de reclassering wordt geadviseerd om een voorwaardelijke straf op te leggen met een verplicht reclasseringscontact, ook als de aanwijzingen van de reclassering inhouden het volgen van een ambulante behandeling.

Door de reclassering is gerapporteerd15 dat verdachte sedert 23 juni 2010 behandelgesprekken volgt bij de psycholoog Verbunt en dat de behandeling volgens de psycholoog nog geruime tijd in beslag zal nemen. Er wordt gerefereerd aan het eerder gegegeven advies16 om als voorwaarden een meldingsgebod en een behandelverplichting op te nemen.

Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven baat te hebben bij die behandeling en daardoor zijn rust te hebben hervonden.

Verdachte heeft een blanco strafblad17.

In het voorstaande ziet de rechtbank aanleiding om het voorstel van de officier van justitie te volgen.

De rechtbank acht deze straf in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Een strafoplegging zoals door de raadsvrouw bepleit doet naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de ernst van de door verdachte gepleegde feiten.

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 957,65 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat deze vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van € 440,--, bestaande uit het eigen risico AGIS en de gevorderde immateriële schade van € 275,--.

Voor het overige - schade aan een WC deur - dient de benadeelde partij niet ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering. Daarnaast heeft de officier van justitie toepassing van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

De gevorderde immateriële schade is door de raadsvrouw niet betwist. Ten aanzien van de gevorderde schade aan de WC deur is door de raadsvrouw betoogd dat er geen vernieling van die deur ten laste is gelegd, terwijl uit het dossier evenmin is gebleken dat de schade door het voorval op 7 mei 2010 is ontstaan.

Datzelfde geldt voor het verplichte eigen risico, nu uit het formulier van AGIS niet blijkt dat het eigen risico geheel voortkomt uit het voorval op 7 mei 2010.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen rechtstreeks tot het gevorderde bedrag schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. Gelet op de beschrijving van de gebeurtenissen in de aangifte en het verhandelde ter terechtzitting is voldoende aannemelijk gemaakt dat de schade aan de WC deur is ontstaan tijdens de schermutselingen tussen verdachte en de benadeelde op de bewuste dag van 7 mei 2010. Hetzelfde geldt voor het eigen risico, nu uit bijlage 5 bij het voegingsformulier blijkt, dat van "deze zorgkosten" (ambulancevervoer op 07-05-2010)

€ 165,-- voor het eigen risico van de benadeelde partij komen.

De vordering is voor toewijzing vatbaar.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een na te melden bedrag ten behoeve van genoemd slachtoffer.

In beslag genomen voorwerpen

Door de officier van justitie is de teruggave gevorderd aan verdachte van een onder hem in beslag genomen jas en handschoen.

De rechtbank zal daarvan de teruggave bevelen, nu zich daartegen geen strafvorderlijk belang meer verzet.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 27, 36f, 57, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair, 2, en, na verbetering van de nummers: 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit als:

1 subsidiair: mishandeling, meermalen gepleegd;

2: mishandeling, meermalen gepleegd;

3. mishandeling;

4. opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander

toebehoort, vernielen of beschadigen.

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (een) maand;

* bepaalt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de reclassering, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt, ook als dit inhoudt dat veroordeelde zich ambulant zal laten behandelen;

* veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende 180 (honderdtachtig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 (negentig) dagen;

* beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;

* gelast de teruggave van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen aan veroordeelde, te weten: een rode jas en een witte handschoen;

* veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], [adres, plaats] (bankrekeningnummer [nummer]), van een bedrag van € 957,65, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2010 en de kosten van de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voornoemd een bedrag te betalen van € 957,65, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 19 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

* bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

* heft op het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door mrs. Borgerhoff Mulder, voorzitter, Van der Hooft en Van der Mei, rechters, in tegenwoordigheid van Van Bun, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 november 2010.

Voetnoten:

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het stamproces-verbaal met het registratienummer PL0630 2010075273-39, van de Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district IJsselstreek, gedateerd 23 juni 2010 (ziende op het onder 1 en 2 tenlastegelegde)

2 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte [slachtoffer], nr. 2009092729-1, gedateerd 19 november 2009 door [hoofdagent A], hoofdagent Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district IJsselstreek

3 Proces-verbaal terechtzitting 26 oktober 2010

4 Verklaring verdachte d.d. 7 mei 2010, doorgenummerde dossierpag. 74

5 Verklaring verdachte d.d. 8 mei 2010, doorgenummerde dossierpag. 79

6 Verklaring aangever [slachtoffer] d.d. 7 mei 2010, doorgenummerde dossierpag. 37/38, 42

7 Verklaring verdachte ter terechtzitting en bij de politie op 19 november 2009 (zie volgende voetnoot)

8 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte, nr. 2009092729-3, gedateerd 19 november 2009 door [hoofdagent B], hoofdagent politie Team Zutphen, doorgenummerde dossierpag 17

9 Verklaring verdachte, doorgenummerde dossierpag 17/18

10 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte [slachtoffer], nr. 2009092729-1, gedateerd 19 november 2009 door [hoofdagent A], hoofdagent Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district IJsselstreek, doorgenummerde dossierpag. 4 en 5

11 Relaas verbalisant in proces-verbaal van aangifte, nr. 2009092729-1, doorgenummerde dossierpag. 5

12 Geneeskundige verklaring d.d. 24 november 2010 van M.P. Norg, doorgenummerde dossierpag. 10, behorende bij proces-verbaal nr. nr. 2009092729-1

13 Pro Justitia rapport gedateerd 24 augustus 2010, opgemaakt door de psycholoog drs. H.R.J. ter Borg

14 Eerdergenoemde Pro Justitia rapportage

15 Voortgangsverslag reclassering gedateerd 21 oktober 29010

16 Reclasseringsadvies 19 juli 2010

17 Uitreksel justitiële documentatie gedateerd 13 mei 2010