Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BO3243

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
05-11-2010
Datum publicatie
08-11-2010
Zaaknummer
06/940350-10, 06/460273-09 (tul), 06/940086/10 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heropent het onderzoek in een een zaak tegen een verdachte. De rechtbank wil de verdachte ter terechtzitting beelden tonen die zijn gemaakt met beveiligingscamera's en wil hem daarover vragen stellen. Verder wil de rechtbank nader geïnformeerd worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummers: 06/940350-10, 06/460273-09 (tul), 06/940086/10 (tul)

Uitspraak d.d.: 5 november 2010

Tegenspraak / dip

Tulzaken: oip

TUSSENVONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats op 1980],

wonende te [plaats],

thans gedetineerd in PI Arnhem - De Berg, Arnhem Noord, Arnhem.

Raadsman: mr. Visschers advocaat te Elst.

Onderzoek van de zaak

Dit tussenvonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

22 oktober 2010.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 18 augustus 2010 te Doetinchem met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een laptop, en/of een

schoudertas, en/of een portemonnee, en/of vijf euro althans enig geldbedrag,

en/of een ING betaalpas, en/of een lidmaatschapskaart, en/of een of meer

andere goederen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer A] en/of [school te plaats], in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 27 augustus 2010 te Doetinchem met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een rijbewijs (op naam van

[slachtoffer B]), en/of een Rabobank Europas althans een bankpas (op naam van

[slachtoffer B]), en/of een Rabobank Goldcard althans een creditcard (op naam

van [slachtoffer B]), en/of een identiteitskaart (op naam van [slachtoffer B]), en/of een kentekenbewijs, en/of autopapieren, en/of een

portemonnee, en/of een portefeuille, en/of 80 euro althans enig geldbedrag,

en/of een mobiele telefoon (merk Nokia, type 3720), althans een of meer

goederen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer B] en/of [slachtoffer C], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van

geweld en/of bedreiging met geweld tegen deze [slachtoffer B] en/of deze [slachtoffer C]

en/of [slachtoffer D], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te

bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan

zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin

bestond(en) dat verdachte tijdens zijn vlucht een mes heeft getoond en/of

voorgehouden aan deze [slachtoffer B] en/of [slachtoffer C] en/of [slachtoffer D];

art 310 SR

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij in of omstreeks de periode van 28 augustus 2010 tot en met 29 augustus

2010 te Doetinchem met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit de

woning van [slachtoffer E] heeft weggenomen een radio, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan deze [slachtoffer E], in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats

des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn

bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

4.

hij in of omstreeks de periode van 28 augustus 2010 tot en met 29 augustus

2010 te Doetinchem met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft

weggenomen een konijn, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan [slachtoffer E], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

Heropening onderzoek

Het is de rechtbank tijdens de beraadslaging in raadkamer gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van alle aan verdachte ten laste gelegde feiten. Zij heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot:

primair: de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren;

subsidiair: de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren in de zaak met parketnummer 940086/10;

meer subsidiair: een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden en de tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 06/460273/09 voorwaardelijk opgelegde straf op grond van overtreding van de algemene dan wel de bijzondere voorwaarde, met verlenging van de proeftijd van de voorwaardelijk opgelegde maatregel in de zaak met parketnummer 940086/10 met een jaar.

De rechtbank zal het bewijsverweer dat in het kader van de heropening van het onderzoek van belang is, bespreken. De overige verweren zullen, indien deze worden gehandhaafd, bij eindvonnis worden besproken.

De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat het beeldmateriaal dat op de dvd's staat en hetgeen naar aanleiding van de waarneming van die beelden daaruit is voortgevloeid, uitgesloten dient te worden van het bewijs. De aangifte door [slachtoffer A], pag. 41 en verder, is opgenomen op 19 augustus 2010. Zij heeft tijdens die aangifte verklaard dat de school de beelden aan de politie beschikbaar wilde stellen voor onderzoek. Dit komt niet overeen met het proces-verbaal van bevindingen van [naam 1] (pag. 49), waarin deze stelt dat hij op 18 augustus 2010 werd gebeld over de diefstal, dat hij die middag de beelden heeft ontvangen en bij de aangifte heeft gevoegd. Dit is praktisch niet mogelijk, aangezien er op 18 augustus 2010 nog geen aangifte was opgenomen.

Nu die beelden en alles wat daaruit voortvloeit van het bewijs uitgesloten dient te worden, dient er vrijspraak voor feit 1 te volgen, aldus de raadsman.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Uit de vordering van de benadeelde partij blijkt dat er goederen in beslag zijn genomen en terug zijn gegeven, maar hiervan is in het dossier niets te vinden. Verdachte is in zijn verdediging geschaad omdat niet valt uit te sluiten dat dit voor verdachte ontlastend materiaal kan opleveren. Door kennelijke teruggave van die goederen is onderzoek naar bijvoorbeeld vingerafdrukken niet meer mogelijk.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat niet valt uit te sluiten dat een ander dan verdachte de diefstal heeft gepleegd. Er zijn opnames gemaakt van een ruimte waar verdachte binnen is geweest, de conciërgeruimte. Gesteld wordt dat verdachte daar goederen en geld zou hebben gestolen. Op de opnames is te zien dat kort nadat verdachte in die ruimte is geweest, ook een schoonmaakster in die ruimte is geweest. Hoewel in de beschrijving van die beelden (pag. 71 en verder) staat vermeld dat de op de beelden zichtbare vrouw naar de conciërgekamer loopt, de deur opent en vervolgens weer sluit zonder de kamer te betreden, is op de beelden waar te nemen dat zij lang uit beeld is geweest. Mogelijk heeft zij de betreffende goederen gestolen. Daar komt nog bij dat verdachte is meegetrokken in de richting van de uitgang en dat hij daarbij hardhandig in aanraking is gekomen met de drie mannen. Het is onaannemelijk dat, indien verdachte deze goederen bij zich zou hebben gedragen, deze goederen daarbij niet op de grond zouden zijn gevallen, aldus de raadsman.

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat zij het dossier zo leest dat de verbalisant heeft bedoeld te zeggen dat hij de beelden heeft ontvangen op 18 augustus 2010 en dat hij deze na het opmaken en ondertekenen van de aangifte bij die aangifte heeft gevoegd.

Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht de zaak aan te houden voor het laten opmaken van een aanvullend proces-verbaal.

Ten aanzien van het verweer dat een ander dan verdachte de goederen zou hebben weggenomen is zij van oordeel dat verdachte een ongeloofwaardige verklaring heeft afgelegd waarom hij zich in die ruimte heeft begeven. De getuige [slachtoffer B] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte een op een portemonnee gelijkend voorwerp achter zijn broeksband had. De officier van justitie acht het niet aannemelijk dat een dergelijk voorwerp tijdens een eventuele botsing niet achter een broeksband blijft zitten en dit lijkt dan ook het geval te zijn, aangezien aangever het voorwerp ziet.

De rechtbank leest het proces-verbaal van bevindingen1 dat op 31 augustus 2010 door [naam 1] is opgemaakt zo, dat de verbalisant de beelden die zijn gemaakt door de beveiligingscamera op 18 augustus 2010 in ontvangst heeft genomen en dat hij deze in de periode gelegen na het doen van aangifte door [slachtoffer A] op 19 augustus 2010 en het op 31 augustus 2010 opmaken van het proces-verbaal van bevindingen, aan dat proces-verbaal van aangifte heeft toegevoegd.

De rechtbank verwerpt het verweer dat deze beelden en hetgeen daaruit is voortgevloeid van het bewijs uitgesloten dient te worden.

De rechtbank acht termen aanwezig het onderzoek ter terechtzitting te heropenen en aan te houden tot een nadere zitting, teneinde die beelden ter zitting te tonen en verdachte daarover vragen te stellen.

Voorts wil de rechtbank bij aanvullend proces-verbaal nader geïnformeerd worden over het navolgende:

- de plek waar aangever [slachtoffer B] zijn tas met portemonnee heeft achtergelaten en waar hij deze tas ten tijde van het constateren van de diefstal weer heeft aangetroffen; bij voorkeur dient [slachtoffer B] daar zelf over gehoord te worden;

- of de toegangsdeur van de conciërgeruimte die op de beveiligingsbeelden zichtbaar is een (bijvoorbeeld door middel van een veer/dranger) zelfsluitende deur is of dat deze met de hand gesloten moet worden.

- welke goederen zijn er in deze zaak, naast de in beslag genomen zwart leren jas, een schroevendraaier en een kleine hasjpijp2, verder nog aangetroffen, en zo ja waar? Zijn deze goederen eventueel in beslag genomen en op welke wijze heeft de afwikkeling daarvan plaatsgevonden? De rechtbank wil hier nader over geïnformeerd worden nu uit het voegingsformulier van de benadeelde partij [slachtoffer B] valt af te leiden dat hij al zijn spullen, behalve het geld, heeft terug gekregen van de politie.

Voorts wil de rechtbank beschikken over een plattegrond van de school. Daarop moeten de gangen, de cameraposities behorende bij de overgelegde camerabeelden en de conciërgeruimte zijn aangegeven en van de conciërgeruimte moet(en) de toegangsdeur(en) en het balieraam worden ingetekend.

In de tijd die gemoeid zal zijn met de onderzoekshandelingen en in het zittingsrooster van de rechtbank ziet de rechtbank klemmende redenen als bedoeld in artikel 282 van het Wetboek van Strafvordering, om het onderzoek langer te schorsen dan één maand.

De raadsman heeft, in geval de rechtbank zou besluiten het onderzoek te heropenen en aan te houden voor nader onderzoek, verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte te schorsen.

De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier kan worden afgeleid dat de ernstige bezwaren en gronden voor de voorlopige hechtenis nog onverkort aanwezig zijn. Deze staan aan een schorsing in de weg. Het verzoek zal worden afgewezen. Ook doet zich de situatie als bedoeld in artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering thans nog niet voor.

Beslissing:

De rechtbank:

* heropent het onderzoek en schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd, doch maximaal voor drie maanden ter fine als voormeld;

* beveelt de oproeping van verdachte tegen de nader te bepalen terechtzitting en kennisgeving van die datum en het tijdstip aan de raadsman;

* wijst het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis af;

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. Follender Grossfeld, voorzitter, Krijger en Davids, rechters, in tegenwoordigheid van Jansen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 november 2010.

Mr. Follender Grossfeld is buiten staat mede te ondertekenen.

Voetnoten:

1 Proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door [naam 1], pag. 49

2 Proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [naam 2], pag. 69