Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BO0531

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
15-10-2010
Datum publicatie
15-10-2010
Zaaknummer
10/1536 GEMWT en 10/1537 GEMWT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Weigering handhavend op te treden tegen de aanleg van een noodweg op het traject aan de Ruimzichtlaan en het treffen van verkeersmaatregelen en het plaatsten van verkeerstekens aan de Keppelseweg te Doetinchem. De aanleg van de noodweg is niet in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Voor een aantal verkeerstekens- en maatregelen aan de Keppelseweg is een verkeersbesluit vereist. Er is geen aanleiding voor toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening omdat ook verzoekers zijn gebaat bij een spoedige afronding van de werkzaamheden die samenhangen met de noodweg en de verkeerstekens- en maatregelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Voorzieningenrechter

Reg.nrs.: 10/1536 GEMWT en 10/1537 GEMWT

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:

Hadeco Doetinchem B.V., Autoschade De Achterhoek B.V. en Carwash De Achterhoek B.V.

te Doetinchem,

verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doetinchem

verweerder.

1. Procesverloop

Bij brief van 1 september 2010 hebben verzoekers verweerder verzocht handhavend op te treden tegen de handelingen aan de Ruimzichtlaan en de Keppelseweg te Doetinchem.

Mr. F. van Dam, advocaat te Rotterdam, heeft namens verzoekers bij brief van 9 september 2010 bezwaar gemaakt bij verweerder tegen het niet tijdig beslissen op dat verzoek. Verweerder heeft dit bezwaar ter behandeling als beroep doorgezonden aan de rechtbank.

Bij brief van eveneens 9 september 2010 heeft mr. Van Dam namens verzoekers een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 14 september 2010 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 23 september 2010 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder, onder verwijzing naar het verweerschrift, het verzoek om handhavend op te treden, afgewezen.

Bij brief van 27 september 2010 heeft mr. Van Dam namens verzoekers de gronden van het verzoek aangevuld.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 8 oktober 2010, waar verzoekers zijn verschenen bij [naam A] en mr. Van Dam. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door ing. G.J. Alffenaar en mr. D. van Hijkoop, advocaat te Doetinchem.

2. Overwegingen

2.1 De voorzieningenrechter ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of aanleiding bestaat toepassing te geven aan artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en overweegt daaromtrent als volgt.

Ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt.

Ingevolge het vierde lid kan de beslissing op het beroep worden verwezen naar een ander orgaan waarbij bezwaar of beroep tegen het alsnog genomen besluit aanhangig is, dan wel kan of kon worden gemaakt of ingesteld.

Nu het besluit van 23 september 2010 strekt tot afwijzing van het handhavingsverzoek, kan niet worden geoordeeld dat aan het (inleidende) beroep is tegemoetgekomen. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is derhalve mede gericht tegen het bestreden besluit.

Gelet evenwel op de omstandigheid dat eerst tijdens de beroepsfase een reëel besluit is genomen op dat verzoek, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om met toepassing van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb de beslissing op het beroep (zowel voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig beslissen als voor zover dat is gericht tegen het reële besluit) naar verweerder te verwijzen. Hieruit volgt dat het aan verweerder is om ook een oordeel te geven over de vraag of niet tijdig is beslist op het verzoek om handhaving en het betoog van verzoekers dat zij daardoor schade hebben geleden.

De voorzieningenrechter zal dan ook geen toepassing geven aan artikel 8:86 van de Awb.

2.2 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist.

2.3 De voorzieningenrechter ziet zich in de eerste plaats gesteld voor de vraag of verweerder zich terecht niet bevoegd heeft geacht om handhavend op te treden tegen de handelingen aan de Ruimzichtlaan.

2.3.1 Vast staat dat de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij uitspraak van 14 oktober 2009 (zaak nr. 200903363/2) het gedeelte van het bestemmingsplan "Het Loo 2007" dat ziet op de Ruimzichtlaan heeft geschorst. Ten gevolge van die schorsing herleeft voor wat betreft de Ruimzichtlaan het voorheen geldende bestemmingsplan "Het Loo-Hofstraat". Op grond van dat bestemmingsplan rust op het traject van de Ruimzichtlaan thans de bestemming 'Verkeersdoeleinden', behoudens voor wat betreft een gedeelte bij de aansluiting met de Keppelseweg, waarop de bestemming 'Benzineservicestation' rust. Niet is in geschil dat de aanleg van de Ruimzichtlaan op grond van dat bestemmingsplan niet is toegestaan.

Bij besluit van 18 oktober 2007 is op de voet van artikel 19, tweede lid, van de – inmiddels vervallen – Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling verleend voor het bouwrijpmaken van het Lookwartier. Met gebruikmaking van deze vrijstelling is op het traject van de Ruimzichtlaan een wegbedekking aangebracht. Het terrein van het voormalige benzineservicestation valt buiten deze vrijstelling. Verweerder heeft, na de gedeeltelijke schorsing van het bestemmingsplan "Het Loo 2007", om dit terrein een hek geplaatst.

2.3.2 Verzoekers betogen dat – kort gezegd – de aanleg van een weg op het traject van de Ruimzichtlaan in strijd is met het ter plaatse vigerende bestemmingsplan “Het Loo – Hofstraat”. Volgens verzoekers wordt een deel van de weg aangelegd op de bestemming “Benzineservicestation”.

2.3.3 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de Ruimzichtlaan op dit moment nog niet als zodanig wordt aangelegd. Ten behoeve van de ontwikkeling van het bouwterrein (project het Lookwartier) en de ontsluiting van woningen, appartementengebouwen en kantoorgebouwen wordt wel een noodweg aangelegd, aldus verweerder.

2.3.4 De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat de desbetreffende weg moet worden aangemerkt als een noodweg. Gelet op het verhandelde ter zitting is de voorzieningenrechter er voorts niet van overtuigd dat deze noodweg gedeeltelijk is gesitueerd op de bestemming “Benzineservicestation”, als betoogd door verzoekers. Hieruit volgt dat de noodweg naar voorlopige oordeel niet in strijd is met het vigerende bestemmingsplan, met inbegrip van de verleende vrijstelling. Verweerder heeft zich dan ook terecht niet bevoegd geacht hiertegen handhavend op te treden.

2.4 Vervolgens ziet de voorzieningenrechter zich gesteld voor de vraag of verweerder zich terecht niet bevoegd heeft geacht handhavend op te treden ten aanzien van de handelingen aan de Keppelseweg.

2.4.1 Verzoekers hebben betoogd dat aan de Keppelseweg verkeerstekens zijn geplaatst en verkeersmaatregelen zijn genomen zonder dat daarvoor een verkeersbesluit is genomen.

2.4.2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat, gelet op artikel 17 van de Wegenverkeerswet 1994, gelezen in verbinding met de artikelen 34, 35 en 37 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (hierna: het Bawv), er geen verkeersbesluit nodig was voor de betreffende handelingen.

2.4.3 Op grond van artikel 34, aanhef en onder a, van het Bawv – voor zover hier van belang – kunnen door het bevoegd gezag, in geval van de uitvoering van werken, voor de duur van die werken verkeerstekens worden geplaatst alsmede maatregelen worden uitgevoerd.

Ingevolge artikel 35 van het Bawv kunnen de plaatsing van verkeerstekens en het uitvoeren van maatregelen, bedoeld in artikel 34, geschieden zonder een daaraan ten grondslag liggend verkeersbesluit.

Ingevolge artikel 37 van het Bawv geschieden, in afwijking van artikel 35, de tijdelijke plaatsing en de tijdelijke maatregel krachtens een verkeersbesluit indien de omstandigheden die tot de tijdelijke plaatsing of tot de tijdelijke maatregel leiden van langere duur zijn dan vier maanden dan wel zich regelmatig voordoen.

2.4.4 Op grond van de ter zitting overgelegde foto's van de Keppelseweg stelt de voorzieningenrechter vast dat daar meerdere verkeerstekens zijn geplaatst en verkeersmaatregelen zijn genomen die klaarblijkelijk van tijdelijke aard zijn. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat verweerder ter zitting – onbetwist – heeft gesteld dat de werkzaamheden uiterlijk 22 november 2010 zullen zijn afgerond. Echter, er is de voorzieningenrechter ook gebleken van tekens en maatregelen die geen verband houden met de werkzaamheden aan de weg, maar een definitief karakter hebben. Deze zijn geplaatst dan wel genomen zonder dat daarvoor een verkeersbesluit is genomen. Verweerder heeft zich ten onrechte niet bevoegd geacht daartegen handhavend op te treden.

2.5 De voorzieningenrechter ziet in het vorenstaande echter geen grond voor toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening. Voor zover zou zijn verzocht om het staken van de werkzaamheden aan de Keppelseweg, ziet de voorzieningenrechter niet in dat daarmee enig redelijk belang is gediend, nog daargelaten de vraag of een dergelijke voorziening zich goed verhoudt tot de geconstateerde overtredingen. Ook verzoekers zijn erbij gebaat dat die werkzaamheden op de kortst mogelijke termijn worden afgerond. Dat verzoekers dat ook vinden, leidt de voorzieningenrechter af uit het bij pleidooi uitgesproken verzoek om de voorziening te treffen dat de Keppelseweg zo snel mogelijk toegankelijk wordt gemaakt. Verweerder heeft ter zitting overigens verklaard dat er alles aan wordt gedaan om de werkzaamheden zo spoedig mogelijk af te ronden. Voor zover verzoekers hebben gesteld te vrezen dat de verkeerslichten op de hoek van de Keppelseweg en de aan te leggen Ruimzichtlaan zullen leiden tot files op de Keppelseweg, heeft verweerder toegezegd dat die verkeerslichten zo zullen worden afgesteld, dat een goede bereikbaarheid van de bedrijven van verzoekers gewaarborgd wordt.

2.6 Gelet op het vorenstaande komt het verzoek om een voorlopige voorziening niet voor inwilliging in aanmerking.

2.7 Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. van Breda. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2010.