Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BN7097

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
15-09-2010
Datum publicatie
15-09-2010
Zaaknummer
09/662
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BQ7916, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering aanlegvergunning voor het planten van houtopstanden op een perceel te Gaanderen. De bomen en struiken, waarvoor de aanlegvergunning is geweigerd, staan niet ten dienste van de op het perceel rustende bestemming.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/74
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: 09/662

Uitspraak in het geding tussen:

[eiser]

te Gaanderen,

eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem

verweerder.

[derde-partijen]

te Gaanderen,

derde-partijen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2008 heeft verweerder aan eiser een aanlegvergunning verleend voor het planten van houtopstanden op het perceel, plaatselijk bekend [adres] te Gaanderen.

Bij besluit van 8 april 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder de daartegen door derde-partijen gemaakte bezwaren gegrond verklaard, het besluit van 4 juli 2008 herroepen en de gevraagde aanlegvergunning alsnog geweigerd.

Eiser heeft beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 24 februari 2010, waar eiser is verschenen, bijgestaan door H.A. Wieringa, werkzaam bij Stichting Univé Rechtshulp te Assen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door M.G.P. Derks en H. Radstaak. De derde-partijen zijn verschenen. De derde-partij [naam] is vertegenwoordigd door haar dochter [naam], bijgestaan door mr. D. Pool, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand te Tilburg.

Ter zitting is het onderzoek geschorst om partijen de mogelijkheid te geven het geschil door middel van mediation op te lossen. Partijen hebben echter geen overeenstemming bereikt.

Vervolgens heeft de rechtbank, met schriftelijke toestemming van partijen, bepaald dat nader onderzoek ter zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1 Ter beoordeling staat of verweerder terecht heeft geweigerd aan eiser een aanlegvergunning te verlenen.

2.2 Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de – inmiddels vervallen – Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) mag alleen en moet een aanlegvergunning worden geweigerd, indien het werk of de werkzaamheid in strijd zou zijn met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.

Op het perceel waarop de aanlegvergunning betrekking heeft, rust ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied 2000, herziening 2002” de bestemming “agrarisch gebied met landschapswaarden”, op de plankaart nader aangeduid als “AL (o,r)”.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan zijn de op de plankaart als “Agrarisch gebied met landschapswaarden” aangewezen gronden, voor zover thans van belang, bestemd voor,

a. agrarische bedrijvigheid,

b. instandhouding van de aldaar voorkomende dan wel daaraan eigen landschapswaarden, waaronder hier in ieder geval zijn begrepen de landschapswaarden die hierna zijn vermeld bij de code, waarmee de desbetreffende gronden op de plankaart zijn aangeduid:

code o (openheid) en code r (reliëf van de bodem).

In artikel 33, eerste lid, van de planvoorschriften is bepaald dat, voor zover thans van belang, het is verboden zonder schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) om gronden met aanduiding (o) open landschap, te bebossen of anderszins te beplanten met houtopstanden, waaronder begrepen het kweken en telen van bomen, struiken en heesters.

Ingevolge het derde lid zijn werken en werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid slechts toelaatbaar, indien door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, één of meer waarden of functies van de in die artikelen bedoelde gronden, welke het plan beoogt te beschermen, niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden of functies niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

Ingevolge artikel 34, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden de in het plan begrepen gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot en doel, strijdig met de in het plan aan de gronden gegeven bestemming en het in of krachtens het plan ten aanzien van het gebruik van deze gronden en bouwwerken bepaalde.

2.3 Alvorens toe te komen aan de vraag of de werkzaamheden in overeenstemming zijn met het bepaalde in artikel 33, derde lid, van de planvoorschriften, ziet de rechtbank, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), waaronder haar uitspraak van 21 maart 2007 (zaak nr. 200604344/1, gepubliceerd op www.raadvanstate.nl), zich gesteld voor de daaraan voorafgaande vraag of de beplanting strekt ten dienste van de op het perceel rustende bestemming "agrarisch gebied met landschapswaarden".

2.4 De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de bomen en struiken, waarvoor aanlegvergunning is geweigerd, niet ten dienste staan van die bestemming. Met eisers beplantingsplan is, mede gelet op de bij de aanvraag gevoegde situatietekening, niet aannemelijk gemaakt dat dat plan strekt tot instandhouding van de landschapswaarde “open landschap”. Veeleer is aannemelijk geworden dat de van het beplantingsplan deel uitmakende bomen en struiken strekken tot bescherming van de privacy en ter vergroting van het woongenot van eiser, die zijn woning als burgerwoning in gebruik heeft. De rechtbank wijst er in dit verband op dat het beplantingsplan voorziet in het volledig volplanten van de noordelijke en oostelijke grens van het perceel. De rechtbank verwijst in dit verband naar een uitspraak van de Afdeling van 13 oktober 2004 (LJN: AR3788), waarin de Afdeling in een vergelijkbare situatie tot een zelfde oordeel is gekomen. Weliswaar heeft verweerder bij besluit van 25 september 2007 aan eiser een kapvergunning verleend, waaraan een herplantplicht was verbonden, maar dat betekent niet dat het dwingend bepaalde in artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, van de WRO ter zijde kon worden geschoven. Verweerder heeft dan ook terecht alsnog geweigerd de aanlegvergunning te verlenen.

2.5 Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. A.L.M. Steinebach-de Wit en mr. J. Robbe, leden. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 september 2010.