Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BN5607

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
31-08-2010
Datum publicatie
31-08-2010
Zaaknummer
06/460178-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Steekpartij nabij station in Ermelo op 26 april 2009 leidt tot een veroordeling wegens poging tot doodslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer 06/460178-09

Uitspraak 31 augustus 2010

Tegenspraak - dip / aanzegging/ onip / oip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [1989],

wonende te [plaats, adres].

Raadsman: mr. G. Tuenter, advocaat te Apeldoorn.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 5 augustus 2009, 30 oktober 2009, 20 mei 2010 en 17 augustus 2010.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 26 april 2009 in (de gemeente) Ermelo ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet een of meermalen met een mes,

althans een scherp voorwerp (stekende) bewegingen en/of zwaaiende bewegingen

heeft gemaakt in de richting van (het lichaam van) die [slachtoffer], terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 26 april 2009 in (de gemeente) Ermelo ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met

dat opzet een of meermalen met een mes, althans een scherp voorwerp (stekende)

bewegingen en/of zwaaiende bewegingen heeft gemaakt in de richting van (het

lichaam van) die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf

niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 26 april 2009 in (de gemeente) Ermelo opzettelijk en

wederrechtelijk een ruit/raam (van het toilet in een trein), in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan Nederlandse Spoorwegen B.V./NS

Reizigers B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft

vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt (door de ruit/het raam

eruit te trappen);

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

A. Vaststaande feiten / aanleiding tot het onderzoek.

Aanleiding voor het onderzoek was een melding2 bij de regionale meldkamer op 26 april 2009 omstreeks 21.54 uur van een geweldpleging met een wapen (mes) aan [adres te plaats]. De dader was een donkere jongen met kort haar en een klein staartje met een blauw t-shirt. Het slachtoffer bloedde hevig aan zijn arm en de dader zou naar het station zijn gegaan.

Omstreeks 21.58 uur werd gemeld dat de dader in de trein was gestapt naar 's-Gravenhage en dat hij mogelijk de voornaam [verdachte] had.

Om 22.06 uur kwam de melding binnen dat de dader was 'ontsnapt' uit de trein door een raam en dat hij langs het spoor liep.

Door de politie werd ter plaatse het 'slachtoffer' aangetroffen, genaamd [slachtoffer], die vervolgens per ambulance werd overgebracht naar het St Jansdal ziekenhuis in Harderwijk.

Op het plein bij het NS station werd door de politie een afgebroken mes aangetroffen; het lemmet en heft werden veiliggesteld. Door de politie werden ter plekke diverse getuigen gehoord.

Verdachte werd op 27 april 2009 in een woning in Harderwijk aangehouden en overgebracht naar het politiebureau aldaar.

B. Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair tenlaste- gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden op basis van de aangifte van [slachtoffer] en de verschillende verklaringen van getuigen, waaruit blijkt dat verdachte na een mes te hebben opgehaald rechtstreeks op aangever is toegelopen en vervolgens een steekbeweging in de richting van de borst van aangever heeft gemaakt. De verklaring die verdachte over de toedracht van het gebeurde heeft gegeven wordt volgens de officier van justitie niet bevestigd door anderen, terwijl het bij aangever geconstateerde letsel evenmin strookt met de verklaring van verdachte.

Het onder 2 ten laste gelegde feit wordt door de officier van justitie eveneens bewezen geacht en wel op basis van de aangifte namens de NS en de bekennende verklaring die verdachte daarover heeft afgelegd.

C. Standpunt van de verdachte / de verdediging

Door de raadsman is aangevoerd dat er onvoldoende feitelijke basis is om tot een veroordeling terzake het onder 1 primair aan verdachte tenlastegelegde te komen. Door aangever is niet duidelijk aangegeven hoe het steken door verdachte exact heeft plaatsgevonden, terwijl details over afstand tussen aangever en verdachte ontbreken en onduidelijk is wat aangevers eigen aandeel op dat moment was. De getuigenverklaringen geven daarover volgens de raadsman evenmin uitsluitsel. Volgens de raadsman kan niet worden uitgesloten dat aangever bang was in de borst te worden gestoken, maar feitelijk is dat in de visie van de raadsman niet gebleken.

Door de raadsman is vrijspraak bepleit van het onder 1 primair tenlastegelegde.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

D. Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de ten laste gelegde feiten uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Ten aanzien van feit 1

Door aangever is verklaard3 dat hij op 26 april 2009 rond 20.00 uur samen met [naam 1], [naam 2], [naam 3] en [naam 4] op het station in Ermelo aankwam. Hij had sinds twee weken een relatie met [naam 2]. Daarvoor had zij omgang gehad met [verdachte], een jongen uit Den Haag, die hij - aangever - ook kende vanuit Groot Emaus [de rechtbank begrijpt dat aangever met "[verdachte]" doelt op verdachte]. Verdachte stond hen bij het station op te wachten en wilde met hem praten. Op een gegeven moment waren ze boos op elkaar en zijn ze, inmiddels aanbeland bij een cafetaria bij het station genaamd '[naam cafetaria]', met elkaar aan het vechten geweest. Na de vechtpartij trok verdachte [naam 2] mee en toen zij tegen hem zei dat hij beter weg kon gaan, zei verdachte dat hij pas wegging als hij bloed zag.

Toen zij later weer bij '[naam cafetaria]' kwamen, is verdachte het cafetaria binnengegaan en kwam hij kort daarna naar buiten met een mes. Verdachte kwam op hem af gelopen en wilde hem met het mes in de borst steken, maar aangever kon zich afweren. De derde keer dat verdachte hem probeerde te steken werd aangever geraakt in zijn rechteronderarm. Het mes ging daarbij kapot. Verdachte rende vervolgens naar het station en stapte in de trein.

Door het Forensisch Team van de politie zijn foto's gemaakt van het bij aangever geconstateerde letsel en het door de politie op de plaats delict veiliggestelde mes. Door de technisch rechercheur werd waargenomen dat aangever twee snijverwondingen op zijn rechteronderarm had4. Verder is op die foto's te zien, zoals de rechtbank tijdens de zitting ook heeft waargenomen, dat het metalen deel van het lemmet zelf is gebroken.

Bij de behandeling ter terechtzitting van 17 augustus 20105 heeft de rechtbank uit eigen waarneming op de foto's gezien dat deze verwondingen zich bevinden aan de binnenzijde van de rechteronderarm, hetgeen de tekst onder die foto's ook vermeldt..

[naam 3] heeft verklaard6 dat zij op 26 april 2009 samen met [slachtoffer], [naam 2], [naam 4] en [naam 5] op het station in Ermelo aankwam. Bij het station stond de ex-vriend van [naam 2] en bij hem stond een jongen genaamd [naam 6].

Na het gevecht tussen verdachte en [slachtoffer] hebben zij geprobeerd [naam 2] uit de buurt van verdachte te houden. Toen zij op een gegeven moment weer langs snackbar '[naam cafetaria]' liepen, zag zij dat verdachte daar naar binnen ging en een mes pakte. Zij zag vervolgens dat verdachte met het mes naar [slachtoffer] toeliep. Hij hield het mes boven zijn hoofd geheven en maakte twee of drie keer een stekende beweging naar voren, in de richting van de borst van [slachtoffer]. Zij zag dat [slachtoffer] afweerde en gestoken werd met het mes. Verdachte ging er vervolgens vandoor en stapte in de trein.

[naam 2] heeft verklaard7 dat zij op 26 april 2009 met vier vrienden op het station in Ermelo aankwam

Zij zag daar haar ex-vriend [verdachte] staan, samen met [naam 6]. [verdachte] begon te schreeuwen en riep dat hij eerst bloed wilde zien voordat hij wegging. [verdachte] en [slachtoffer] raakten in een gevecht. [verdachte] dwong haar vervolgens mee te lopen in de richting van cafetaria '[naam cafetaria]'. Zij heeft tegen [verdachte] gezegd dat hij kon gaan en dat zij niet met hem wilde praten. [verdachte] liep toen het cafetaria '[naam cafetaria]' binnen. Zij zag dat de cafetaria-eigenaar [verdachte] een mes gaf. Zij zag dat hij het cafetaria uitkwam en vervolgens rennend op [slachtoffer] afliep en met het mes op [slachtoffer] instak. Zij zag dat [slachtoffer] gewond was aan zijn onderarm en dat het mes in twee stukken op de grond lag.

[naam 2] heeft bij de rechter-commissaris nog verklaard8 dat verdachte het mes duidelijk zichtbaar in zijn hand had ter hoogte van zijn hoofd en dat hij op borsthoogte op [slachtoffer] instak.

[naam 5] heeft verklaard9 dat verdachte in de snackbar een mes in ontvangst heeft genomen. Verdachte kwam vervolgens al zwaaiend met het mes op [slachtoffer] afgelopen en maakte stekende bewegingen in de richting van diens borstkast. Toen het mes de onderarm van [slachtoffer] raakte is het mes afgebroken.

[naam 4] heeft verklaard10 dat verdachte de snackbar in is gegaan en even later terug kwam met een mes in de hand en richting [slachtoffer] liep, daarbij het mes omhoog houdend.

Genoemde [naam 6] heeft verklaard11 dat hij op 26 april 2009 [verdachte] tegenkwam bij het station in Ermelo en dat [verdachte] hem vroeg of hij zijn vriendin had gezien. Hij kende [verdachte] vanuit groot Emaus. Op een gegeven moment zei [verdachte] dat hij [slachtoffer] zou pakken.

Toen [verdachte] [naam 2] zag, begon hij tegen haar te schreeuwen. [naam 2] wilde niet met hem praten. Er ontstond nabij de patatzaak (cafetaria '[naam cafetaria]') een gevecht tussen [verdachte] en [slachtoffer]. Hij is toen tussen beiden gekomen. [verdachte] is daarna naar de patatzaak gelopen en kreeg daar een mes mee. Hij zag dat [verdachte] snel kwam en stekende bewegingen in de richting van [slachtoffer] maakte. Hij zag dat [slachtoffer] in zijn arm werd geraakt.

[naam 7], de eigenaar van de snackbar '[naam cafetaria]' heeft verklaard12 dat op 26 april 2009, omstreeks 21.55 uur, een jongen aan hem vroeg of hij een mes kon lenen, omdat er iets met een fiets was. Die jongen vroeg dat heel rustig en beleefd. Hij heeft de jongen vervolgens een mes gegeven. De jongen liep daarop weer rustig naar buiten. Eenmaal buiten begon de jongen te rennen richting station. Hij zag dat hij ruzie had met een andere jongen. Iets later zag hij dat een jongen op de grond lag en dat de jongen met het mes er bij was. Iets later zag hij die jongen naar het station lopen..

Bij de rechter-commissaris heeft de getuige [naam 7] nog verklaard13 dat hij de jongen plotsklaps zag wegrennen toen hij bij de buitendeur was. De jongen sprintte rechtstreeks in één streep naar een groepje, op ongeveer 50 meter afstand van de snackbar. Vervolgens zag hij dat de jongen met het mes begon te vechten met een andere jongen, die bij het groepje stond.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard14 dat hij met [slachtoffer] heeft gevochten en dat hij daarna het mes bij de snackbar heeft gehaald.

Verdachte heeft aangevoerd dat hij [slachtoffer] niet heeft gestoken met het mes, maar dat hij, toen hij werd tegengehouden in het handgemeen met [slachtoffer], is gaan 'blokken' en [slachtoffer] zich daarbij kennelijk aan het mes heeft verwond. Hij heeft pas in de trein gehoord dat [slachtoffer] gewond was geraakt. Verdachte heeft verder aangevoerd gehoord te hebben dat verschillende ooggetuigen hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd, om zodoende [slachtoffer] buiten schot te houden.

Gelet op de tijdstippen waarop de verhoren van de verschillende door verdachte bedoelde getuigen zijn afgenomen, grotendeels kort na het voorval op de avond van 26 april 2009, is er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende steun voor de stelling van verdachte dat verklaringen op elkaar zijn afgestemd om zodoende aangever [slachtoffer] te ontzien.

Ook overigens biedt het dossier geen ondersteuning voor de verklaring van verdachte dat hij niet heeft gestoken. Verdachte heeft zelf steeds wisselende verklaringen afgelegd over zijn handelen. Zijn verklaring dat de door aangever opgelopen verwondingen zijn ontstaan bij het afblokken, vindt geen bevestiging in verklaringen van anderen.

De bij aangever geconstateerde verwondingen passen echter wel in de verschillende verklaringen, die er op neer komen dat aangever zich heeft afgeweerd tegen de stekende bewegingen van verdachte met het mes, mede gezien de verwondingen aan de binnenzijde van de arm van aangever.

Door de raadsman is geen beroep gedaan op noodweer/noodweerexces. Voor zover dat verweer in het relaas van verdachte ter terechtzitting besloten ligt, acht de rechtbank zo'n noodweersituatie niet aannemelijk geworden en kan dit, gelet op de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen, op feitelijke gronden al worden geworpen.

Algemeen bekend is, dat zich in het bovenlichaam vitale organen bevinden. Voor zover door de verdachte is aangevoerd dat hij niet de opzet had om [slachtoffer] te doden, laten de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs geen andere conclusie toe dan dat verdachte, gelet op het geweld dat verdachte heeft toegepast door onverhoeds en meermalen met een mes richting het bovenlichaam van [slachtoffer] te steken, zich ten minste willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer door zijn handelwijze zou worden gedood en heeft hij die kans bewust aanvaard. Dat aangever de stekende bewegingen heeft geblokt met zijn onderarm, doet hieraan niet af.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich aldus heeft schuldig gemaakt aan de hem ten laste gelegde poging tot doodslag.

Ten aanzien van feit 2

Namens de Nederlandse Spoorwegen B.V. / NS Reizigers B.V. is aangifte15 gedaan van

vernieling van een ruit van een toilet in de trein van Amersfoort naar Zwolle op zondag 26 april 2009 door een persoon die kennelijk achterna werd gezeten door een andere persoon.

Verdachte heeft bekend16 dat hij de ruit van het WC compartiment eruit heeft getrapt omdat hij kwaad was en dat hij vervolgens daaruit is weggevlucht.

Naast de verklaring van verdachte zijn nog voorhanden de verklaring van de conductrice17 van de betreffende trein inzake de gebeurtenissen in de trein tijdens een stop van de trein in Ermelo en een - eveneens bij de NS werkzame - treinreiziger18.

De rechtbank acht op grond van die bekennende verklaring van verdachte en de overige aangeduide verklaringen bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de hem ten laste gelegde vernieling.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op 26 april 2009 in (de gemeente) Ermelo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen met een mes, (stekende) bewegingen heeft gemaakt in de richting van het lichaam van die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 26 april 2009 in (de gemeente) Ermelo opzettelijk en wederrechtelijk een ruit/raam (van het toilet in een trein), toebehorende aan Nederlandse Spoorwegen B.V./NS Reizigers B.V., heeft vernield (door de ruit/het raam eruit te trappen).

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

1 primair: poging tot doodslag;

2: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort,

vernielen.

Strafbaarheid van de verdachte

Over verdachte zijn rapporten opgemaakt door de orthopedagoog-generalist Bökkers19 en de psychiater in opleiding Hipke onder supervisie van de psychiater Kwidama 20.

Drs. Bökkers komt tot de conclusie dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde lijdende was aan een zodanig ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, alsmede dat deze feiten hem slechts in verminderde mate kunnen worden toegerekend. Er is sprake van een sociaal-emotioneel weinig uitgerijpte, op licht zwakzinnig cognitief niveau functionerende man, met een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Daarmee samenhangend vertoont verdachte beïnvloedbaar gedrag, een zwakke impuls- en agressieregulatie en een onrijp functionerend geweten.

Drs. Hipke en Kwidama komen tot de conclusie verdachte lijdende is aan een chronische ziekelijke stoornis (een ontwikkeling richting antisociale persoonlijkheidsstoornis) en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens (lichte zwakzinnigheid), alsmede dat het tenlastegelegde hem, indien bewezen, slechts in sterk verminderde mate kan worden toegerekend.

Gelet op de bevindingen en de conclusies van de gedragsdeskundigen, neemt de rechtbank, zoals door officier van justitie en de raadsman ook is voorgesteld, de conclusie van de psychiater dat verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar is, over.

Verdachte is strafbaar nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan een gedeelte van twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht, ook als dat inhoudt een ambulante behandeling bij de De Waag en/of Palier of een soortgelijke instelling.

De officier van justitie heeft in haar eis betrokken de ernst van met name het onder 1 primair ten laste gelegde feit, de sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en het reclasseringsadvies van 18 mei 2010.

De gevorderde straf vormt voor de officier van justitie de ondergrens dat voor een dergelijk feit kan worden opgelegd.

Door de raadsman is aangevoerd dat verdachte bereid is een poliklinische behandeling te ondergaan. De probleemstelling is volgens de raadsman door de reclassering goed ingeschat en verdachte is in dat opzicht in de afgelopen periode ook begeleidbaar gebleken.

Het strafvoorstel zoals door de officier van justitie geformuleerd is niet bezwaarlijk, mits het onvoorwaardelijk deel van de vrijheidsstraf niet langer is dan de tijd in voorarrest doorgebracht.

De rechtbank heeft het volgende in aanmerking genomen.

Uit de over verdachte uitgebrachte deskundigen rapporten21 volgt onder meer dat de combinatie van stoornissen maakt dat verdachte impulsiever, meer beïnvloedbaar, agressiever en kwetsbaarder is voor drugsgebruik, zeker wanneer hij onder spanning staat. Daardoor wordt verdachte op alle leefgebieden beperkt. Door zijn egocentrisch wereldbeeld en mede door een gebrekkige gewetensontwikkeling is hij onvoldoende in staat zich in anderen in te leven en de consequenties van zijn gedrag te overzien door gebrek aan sociaal invoelend vermogen. Bevrediging van eigen behoeften staat bij hem op de voorgrond.

Zonder een adequate behandeling zal er waarschijnlijk meer maatschappelijke teloorgang plaatsvinden. Mede gelet op de diagnostische gegevens van internaat Groot Emaus waar verdachte in het verleden heeft verbleven, waardoor de prognose voor verdachte enkel slechter zal worden. Daarnaast zal gevaar voor derden aanwezig kunnen blijven.

De behandeling zou zich moeten richten op impuls- en agressieregulatie, structuur aanbrengen in zijn leven en meer inzicht verkrijgen in zijn gedrag. Een klinische setting biedt daarvoor de meeste structuur en van daaruit kan worden toegewerkt naar een geschikte woonvorm. Vanwege het gebrek aan motivatie van verdachte wordt een poliklinische setting onvoldoende geacht. De kans op recidive wordt hoog ingeschat, vanwege het gebrek aan inzicht .

Door de gedragsdeskundigen wordt een substantieel voorwaardelijk strafdeel aanbevolen, met als bijzondere voorwaarde bij voorkeur een klinische behandeling in LVG-instelling Hoeve Boschoord of een soortgelijke instelling en reclasseringsbegeleiding gedurende het hele traject.

Vanwege de wachttijden die bestaan voor de klinische opname is volgens de psychiater een intensieve poliklinische behandeling zoals aanbevolen door de Reclassering Den Haag een goed tussentijds alternatief

Door de reclassering is geadviseerd22 een deels voorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte op te leggen, waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte gelijk is aan de tijd in voorarrest doorgebracht. Aan het voorwaardelijk deel dient de bijzondere voorwaarde te worden verbonden van een intensief reclasseringscontact met een behandeling bij centrum voor ambulante forensische psychiatrie De Waag en/of Palier forensische en intensieve zorg of een soortgelijke instantie. Verder is een onvoorwaardelijke werkstraf geadviseerd.

Het recidiverisico wordt door de reclassering als hoog ingeschat in verband met zijn vaardigheidstekorten ten gevolge van zijn psychiatrische problematiek en de omstandigheid dat zijn leefsituatie hem belemmert in het leiden van een stabiel leven.

In het verleden is verdachte door gebrek aan inzicht en motivatie moeilijk begeleidbaar gebleken, maar hij lijkt nu meer open te staan voor een verplicht reclasseringscontact.

Verdachte heeft zich op 26 april 2009 in Ermelo schuldig gemaakt aan een ernstig geweldsdelict tegen [slachtoffer], door op hem af te stormen en met een scherp mes op borsthoogte op hem in te steken, met alle mogelijke fatale gevolgen van dien. Verdachte heeft het slachtoffer verwond, omstanders schrik aangejaagd en voor veel consternatie gezorgd, ook tijdens zijn vlucht naar en uit de trein. Sturend voor dit alles was dat verdachte meende nog een relatie te hebben met de zich bij het groepje bij genoemde [slachtoffer] bevindende [naam 2].

Dit soort geweld zorgt voor een toenemend onveiligheidsgevoel in de samenleving, nog daargelaten de traumatische ervaring die het slachtoffer er aan over kan houden.

Uit het strafblad van verdachte blijkt bovendien dat hij verschillende keren met justitie in contact gekomen terzake van openlijke geweldplegingen (15 en 18 januari 2006) en baldadigheid op de openbare weg (24 november 2005 en 26 oktober 2004)23.

De rechtbank acht op grond van het vorenstaande een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf zoals door de officier van justitie geëist op zijn plaats en in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Vanuit de hulpverlening bestaat verschil van inzicht over de setting waarin verdachte behandeld zou moeten worden. Een klinische behandeling is op korte termijn niet realiseerbaar gebleken. Verdachte heeft ter terechtzitting uitdrukkelijk verklaard gemotiveerd te zijn voor een ambulante behandeling zoals door de reclassering geadviseerd en dat zijn leefsituatie inmiddels wijziging heeft ondergaan.

De rechtbank zal verdachte de kans bieden inhoud te geven aan het voornemen om daadwerkelijk invulling te geven aan het door de reclassering verantwoord geachte traject en het daarvoor opgestelde plan van aanpak. Het aanzienlijk voorwaardelijke strafdeel dient daarbij ter motivatie van verdachte als stok achter de deur. Verdachte dient zich de mogelijke consequenties van het eventueel niet naleven van de bijzondere voorwaarde bewust te zijn.

Een en ander brengt tevens met zich dat het geschorste bevel voorlopige hechtenis dient te worden opgeheven, gelet op de periode die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.

Vordering tot schadevergoeding

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de benadeelde partij NS Reizigers B.V.24 zich met een vordering tot schadevergoeding van € 577,70 gevoegd in het strafproces.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat deze vordering genoegzaam is onderbouwd en integraal kan worden toegewezen, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Door de raadsman van verdachte is daarop geen verweer gevoerd.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen rechtstreeks tot het gevorderde bedrag schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering is voor toewijzing vatbaar.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een na te melden bedrag ten behoeve van genoemd slachtoffer.

In beslag genomen voorwerpen

Onder verdachte zijn in beslag genomen een (bebloed) blauw t-shirt en een wit t-shirt.

Door de officier van justitie is de verbeurdverklaring gevorderd van deze voorwerpen, alsmede van het op de plaats van het delict aangetroffen (gebroken) mes.

Anders dan door de officier van justitie gevorderd zal de rechtbank de onttrekking aan het verkeer bevelen van het in beslag genomen (afgebroken) mes, nu het bewezen verklaarde feit met behulp daarvan is begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

Van de t-shirts zal de teruggave worden bevolen aan de rechtmatige eigenaar, nu zich daartegen geen strafvorderlijk belang meer verzet.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 24c, 27, 36b, 36c, 36f, 45, 57, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit als:

1 primair: poging tot doodslag;

2. opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden;

Bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot twaalf maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de reclassering, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt,

ook als dit inhoudt dat veroordeelde zich ambulant zal laten behandelen bij centrum voor ambulante forensische psychiatrie De Waag en/of Palier forensische en intensieve zorg of een soortgelijke instelling overeenkomstig het door de reclassering opgestelde plan van aanpak. De veroordeelde zal zich dan houden aan regels die hem door of namens de leiding van die instelling zullen worden gegeven;

* beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

* beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een (gebroken) steakmes;

* gelast de teruggave van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen aan veroordeelde, te weten: een (bebloed) blauw t-shirt en een wit t-shirt;

* veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij NS Reizigers BV, Postbus 19298, 3501 DG Utrecht (bankrekeningnummer [nummer]), van een bedrag van € 577,70, met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voornoemd een bedrag te betalen van € 577,70, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 11 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

* bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

* heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door mrs. Van der Mei, voorzitter, Van Valderen en Heenk, rechters, in tegenwoordigheid van Van Bun, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 31 augustus 2010.

Voetnoten:

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit delen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, als bijlagen opgenomen bij stamproces-verbaal nr. PL0610/09-203693 van de Regiopolitie Noord-Oost Gelderland, district Noord-West Veluwe, gedateerd 7 juni 2009 (voor zover niet anders is vermeld)

2 Relaas verbalisanten, doorgenummerde dossierpag. 5, 6 en 15

3 Aangifte en verklaring van [slachtoffer] d.d. 26 april 2009, doorgenummerde dossierpag. 29, 31 en 32

4 Proces-verbaal van bevindingen Team Forensische Opsporing, doorgenummerde dossierpag. 43 t/m 46

5 Proces-verbaal behandeling ter terechtzitting van 17 augustus 2010

6 Verklaring [naam 3] d.d. 26 april 2009, doorgenummerde dossierpag. 47 en 48

7 Verklaring [naam 2] d.d. 26 april 2009, doorgenummerde dossierpag. 52 en 53

8 Proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris op 8 juli 2009

9 Verklaring [naam 5] d.d. 26 april 2009, doorgenummerde dossierpag. 51

10 Verklaring [naam 4] d.d. 26 april 2009, doorgenummerde dossierpag 56

11 Verklaring [naam 6] d.d. 11 mei 2009, doorgenummerde dossierpag. 61 en 62

12 Verklaring [naam 7], doorgenummerde dossierpag. 66

13 Proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris op 3 augustus 2009

14 Proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting van 17 augustus 2010

15 Aangifte [naam 8] namens de Nederlandse Spoorwegen B.V. / NS Reizigers B.V., doorgenummerde dossierpag 82

16 Verklaring verdachte, doorgenummerde dossierpag. 79

17 Verklaring getuige [naam 9], doorgenummerde dossierpag. 84 en 85

18 Verklaring getuige [naam 10], doorgenummerde dossierpag. 87 en 88

19 Pro Justitia rapport gedateerd 1 juli 2009, opgemaakt door de orthopedagoog-generalist drs. M. Bökkers, pagina 17 en 18

20 Pro Justitia rapport gedateerd 10 mei 2010, opgemaakt door de psychiater in opleiding drs. C.C.W. Hipke onder supervisie van de psychiater drs. E. Kwidama, pagina 16 en 18

21 Eerdergenoemde rapporten van orthopedagoog-generalist drs. M. Bökkers, en de psychiater in opleiding drs. C.C.W. Hipke

22 Reclasseringsadvies Reclassering Nederland gedateerd 18 mei 2010, opgemaakt door de reclasseringswerkster M. Rogge

23 Uittreksel justitiële documentatie gedateerd 17 augustus 2010

24 Voegingsformulier benadeelde partij N.S. Reizigers B.V. gedateerd 6 juli 2009