Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BN5605

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
25-08-2010
Datum publicatie
31-08-2010
Zaaknummer
110839 - HA ZA 10-894
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vennootschap dagvaardt rechtspersoon en vordert veroordeling tot betaling van een geldsom wegens geleverde diensten. Rechtspersoon stelt dat zij door de kamer van koophandel is ontbonden, omdat zij, rechtspersoon, geen geld (bekende baten) meer heeft en dat zij is opgehouden te bestaan. Rechtspersoon stelt met succes dat zij om die reden niet meer in rechte kan worden betrokken. De procedure wordt geschorst. Rechtbank wijdt beschouwingen aan wat de gevolgen kunnen zijn indien later mocht blijken dat er bij vennootschap toch baten aanwezig zijn.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 19
Burgerlijk Wetboek Boek 2 19a
Burgerlijk Wetboek Boek 2 23a
Burgerlijk Wetboek Boek 2 23c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2010/763
NJF 2011/207
JRV 2010, 865

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 110839 / HA ZA 10-894

Vonnis in incident van 25 augustus 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam]K ACCOUNTANTS EN BELASTINGADVISEURS B.V.,

gevestigd te [plaats],

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. E.F.E. van Essen te Apeldoorn,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam] BEHEER B.V.,

gevestigd te [plaats],

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. M. Brink te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de akte houdende aanzegging tot schorsing van het geding ex artikel 225 RV van de zijde van [gedaagde]

- de antwoordakte van de zijde van [eiseres].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De beoordeling in het incident

2.1. [gedaagde] heeft bij akte de schorsing aangezegd van de door [eiseres] bij dagvaarding van 11 februari 2010 jegens haar aanhangig gemaakte procedure, waarin [eiseres] -kort gezegd- van [gedaagde] betaling vordert voor de door [eiseres] aan [gedaagde] uit hoofde van opdracht verrichte werkzaamheden.

[gedaagde] stelt dat zij op initiatief van de Kamer van Koophandel per 20 mei 2010 is ontbonden, omdat geen bekende baten meer aanwezig zouden zijn. De ontbinding is gepubliceerd in de Staatscourant van 28 mei 2010. Zij is per 20 mei 2010 opgehouden te bestaan en kan om die reden niet meer in rechte worden betrokken voor de vorderingen van [eiseres].

Op het verweer van [eiseres] voert wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

2.2. Op grond van artikel 2:19a lid 1 BW wordt een in het handelsregister ingeschreven besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid door een beschikking van de Kamer van Koophandel en Fabrieken, waar die rechtspersoon is ingeschreven, ontbonden, indien de Kamer is gebleken dat ten minste twee van de daarna in dat artikellid vermelde vier omstandigheden zich voordoen.

2.3. [eiseres] heeft gesteld dat bij navraag bij de Kamer van Koophandel is gebleken dat het ontbindingsbesluit van 20 mei 2010 is gegrond op alle vier de voorwaarden genoemd in artikel 2:19a lid 1 BW. Ofschoon [eiseres] haar stelling niet nader heeft onderbouwd door het overleggen van een fotokopie van dat besluit en het door [gedaagde] als productie 1 overgelegde uittreksel uit het handelsregister van de kamer van koophandel ter zake geen duidelijkheid verschaft, zal de rechtbank in deze uitgaan van de juistheid van de stelling van [eiseres].

2.4. In het vierde lid van artikel 2:19 BW is bepaald dat indien de rechtspersoon op het tijdstip van zijn ontbinding geen baten meer heeft, hij alsdan ophoudt te bestaan, in welk geval het bestuur daarvan opgaaf doet aan het handelsregister. In het vijfde lid is voorts bepaald dat de rechtspersoon na ontbinding blijft voortbestaan, voor zover dit voor de vereffening van zijn vermogen nodig is. Uit de onderlinge samenhang van die artikelleden volgt dat indien op het tijdstip van ontbinding geen baten zijn, geen vereffening plaatsvindt en de rechtspersoon dadelijk ophoudt te bestaan.

2.5. Anders dan [eiseres] heeft gesteld is het enkele feit dat zij haar vordering jegens [gedaagde] reeds aanhangig had gemaakt voordat de Kamer van Koophandel [gedaagde] (op 24 maart 2010) in kennis stelde van haar voornemen om [gedaagde] te ontbinden, in deze niet relevant. De afwezigheid van bekende baten is in deze het enige leidende criterium.

[eiseres] heeft er met recht op gewezen dat de constatering van de Kamer van Koophandel dat geen bekende baten meer aanwezig zijn, niet zonder meer betekent dat [gedaagde] daadwerkelijk geen baten heeft. Er moet immers in deze van worden uitgegaan dat de Kamer van Koophandel geen diepgaand onderzoek naar eventuele aanwezigheid van baten instelt en dat de Kamer van Koophandel veelal zal afgaan op de mededeling van het bestuur van de betreffende rechtspersoon. Echter, nu [eiseres] niet met zoveel woorden heeft gesteld dat er -anders dan [gedaagde] heeft gesteld- toch nog een of meerdere baten aanwezig zijn, dient er in deze van worden uitgegaan dat [gedaagde] op het tijdstip van de ontbinding geen baten meer had en dat [gedaagde] om die reden op 20 mei 2010 is opgehouden te bestaan.

Het verzoek om schorsing van de procedure dient dan ook te worden toegewezen.

2.6. Ten overvloede wijst de rechtbank nog op het volgende. Indien de mededeling van het bestuur van [gedaagde] aan de Kamer van Koophandel dat er geen bekende baten bij [gedaagde] zijn, achteraf bezien onjuist blijkt te zijn, kan aan het bestuur van [gedaagde] worden verweten dat zij niet tot vereffening van het vermogen van [gedaagde] is overgegaan en na eventuele constatering dat de schulden de baten vermoedelijk zullen overtreffen op de voet van het bepaalde in artikel 2:23a lid 4 BW niet tot aangifte tot faillietverklaring van [gedaagde] is overgegaan, hetgeen onrechtmatig kan zijn jegens (bekende) schuldeisers.

Het oordeel van het bestuur van een ontbonden rechtspersoon dat geen baten meer aanwezig zijn en dat de rechtspersoon derhalve ingevolge het bepaalde in art. 2:19 lid 4 BW is opgehouden te bestaan, is vatbaar voor toetsing door de rechter indien een schuldeiser, stellende dat de rechtspersoon nog baten heeft, diens faillissement aanvraagt. Het wettelijk stelsel brengt niet mee dat de rechter het bedoelde oordeel uitsluitend zou kunnen toetsen in het kader van een op de voet van art. 2:23c lid 1 gevoerde procedure tot heropening van de vereffening. Komt de rechter die op de faillissementsaanvraag beslist, tot het oordeel dat summierlijk is gebleken van feiten en omstandigheden die voldoende aannemelijk maken dat er nog baten zijn, dan kan hij, indien aan de overige vereisten voor faillietverklaring is voldaan, het faillissement uitspreken en moet de rechtspersoon geacht worden ter afwikkeling van het faillissement te zijn blijven bestaan (Hoge Raad 27 januari 1995, NJ 1995,579).

2.7. De rechtbank zal de beslissing omtrent de kosten van het incident aanhouden, totdat de schorsing is opgeheven en in de hoofdzaak zal worden beslist.

3. De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1. schorst de onderhavige procedure,

3.2. verwijst de zaak naar de parkeerrol van 6 april 2011.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. Vergunst en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2010.