Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BN5155

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
24-08-2010
Datum publicatie
27-08-2010
Zaaknummer
111747 FARK 10 - 582
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep op artikel 1:160 BW restrictief uitgelegd op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (uitspraak van 13 juli 2001, LJN: ZC3603, bevestigd op 3 juni 2005, LJN: AS5961). De rechtbank acht op grond van de verklaringen van partijen en het onderzoeksrapport van het detectivebureau onvoldoende een rechtsvermoeden van wederzijdse verzorging en gemeenschappelijke huishouding aangetoond, zoals bedoeld door het gerechtshof Amsterdam van 12 januari 2010 (LJN: BL0867). De man zal, gegeven de standpunten van partijen en gelet op zijn bewijsaanbod, in de gelegenheid worden gesteld om nader bewijs daarvan te leveren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Familie

Zaaknummer: 111747 FARK 10 - 582

beschikking van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 24 augustus 2010

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [plaats],

verzoeker, verder te noemen de man,

advocaat: mr. P. Buikes te Apeldoorn,

t e g e n

[verweerster],

wonende te [plaats, gemeente],

verweerster, verder te noemen de vrouw,

advocaat: mr. R.E. Gout de Kreek te Spijkenisse.

Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

- het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 29 maart 2010;

- het verweerschrift, ingekomen op 2 juni 2010;

- de tussenbeschikking van deze rechtbank van 10 juni 2010;

- het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting op 10 augustus 2010;

- de brief met bijlagen van mr. Gout de Kreek van 16 augustus.

De feiten

Partijen zijn op [1996 te plaats] gehuwd. De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 14 november 2005 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Die beschikking is op 16 januari 2006 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Van die beschikking maakt een echtscheidingsconvenant deel uit. De man betaalt op grond van artikel 1.1. van dat convenant aan de vrouw een bruto partneralimentatie van € 300,-- per maand. In artikel 3 van het convenant hebben partijen opgenomen:

“ Indien de vrouw hertrouwt, gaat samenleven als ware zij gehuwd of een geregistreerd partnerschap aangaat, is het in artikel 1:160 BW bepaalde zonder meer van toepassing: de alimentatie eindigt definitief met ingang van de datum van hertrouwen / samenleven, respectievelijk het laten registeren van het partnerschap.”

Het verzoek

De man verzoekt dat de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bijdrage door de man in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw op nihil zal stellen, waarbij hij zich beroept op voormeld artikel 3 uit het echtscheidings-convenant, althans artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

Volgens de man woont de vrouw sinds januari 2008 samen met een nieuwe partner, [naam], althans heeft zij met [naam] samengewoond als waren zij gehuwd. De vrouw verwacht van [naam] een kind. Volgens de man wordt, althans werd, de vrouw door [naam] onderhouden. Een en ander wordt volgens hem overtuigend aangetoond door een onderzoeksrapport van 10 februari 2010 van [detectivebureau] (een gecertificeerd detectivebureau) betreffende de privésituatie van de vrouw.

Het verweer

De vrouw verzoekt dat de rechtbank de man in zijn verzoek niet-ontvankelijk zal verklaren dan wel dat verzoek zal afwijzen.

Volgens de vrouw had de man moeten stellen op welke grond sprake is van een wijziging van omstandigheden, nu hij nihilstelling van de partneralimentatie verzoekt. Voor zover de rechtbank de man toch ontvankelijk verklaart in zijn verzoek, stelt zij dat geen sprake is van een wijziging van omstandigheden. De vrouw ontkent in dat verband dat zich een situatie heeft voorgedaan op basis waarvan de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw is geëindigd. Daartoe stelt zij dat zij niet heeft samengewoond met [naam] als waren zij gehuwd, zoals bedoeld in artikel 3 van het echtscheidingsconvenant, of artikel 1:160 BW. De vrouw erkent dat [naam] op haar adres ingeschreven heeft gestaan en bij haar heeft ingewoond, maar zij stelt dat niet aan de voorwaarden van artikel 1:160 BW wordt voldaan. [Naam] heeft volgens de vrouw maandelijks aan de vrouw als huurder een vergoeding betaald.

De vrouw betwist dat sprake is van:

a. een affectieve relatie van duurzame aard,

b. wederzijdse verzorging

c. samenwoning, en

d. een gemeenschappelijke huishouding.

De vrouw verwacht weliswaar een kind van [naam], maar dat is het gevolg van “een ongelukje”.

Volgens de vrouw toont het onderzoeksrapport waarop de man zijn verzoek baseert – samengevat weergegeven – in onderzoeksfase 1 hooguit de inwoning gedurende een bepaalde periode aan, maar zijn de door het onderzoeksbureau getrokken conclusies in onderzoeksfases 2 en 3 ongefundeerd. Volgens de vrouw wordt de wederzijdse verzorging door de man niet gesteld en ook niet bewezen en toont het onderzoeksrapport evenmin aan dat een gemeenschappelijke huishouding werd gevoerd.

De beoordeling

Juridisch kader

Uit hetgeen ter onderbouwing in het verzoekschrift is aangevoerd en hetgeen ter zitting nader is toegelicht begrijpt de rechtbank dat de man bedoelt te verzoeken om beëindiging van de partneralimentatie en niet zozeer nihilstelling. Naar het oordeel van de rechtbank was dit de vrouw voldoende duidelijk, zodat het beroep op niet-ontvankelijkheid wordt gepasseerd.

Ingevolge artikel 1:160 BW eindigt de verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij, onder meer wanneer deze is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren.

Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (uitspraak van 13 juli 2001, LJN: ZC3603, bevestigd op 3 juni 2005, LJN: AS5961) is voor een geslaagd beroep op artikel 1:160 BW vereist dat tussen de samenwonenden een affectieve relatie bestaat van duurzame aard, die meebrengt dat de gescheiden echtgenoot en die ander elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. De Hoge Raad hanteert daarbij het uitgangspunt dat artikel 1:160 BW restrictief moet worden uitgelegd.

Standpunten van partijen ter zitting

De man heeft ter zitting onder verwijzing naar de beschikking van het Gerechtshof te Amsterdam van 12 januari 2010 (LJN: BL0867) gesteld dat op grond van de in onderling verband en in samenhang beschouwde feiten en omstandigheden tot een rechtsvermoeden van wederzijdse verzorging en gemeenschappelijke huishouding dient te worden geconcludeerd. Volgens de man bestond een stelselmatige affectieve relatie, waaruit inmiddels een kind is geboren en er zal volgens hem dus ook een gemeenschappelijke huishouding hebben bestaan.

De vrouw heeft ter zitting gepersisteerd in haar standpunt dat het onderzoeksrapport hooguit aantoont dat aan een van de criteria wordt voldaan, maar dat samenwonen en het hebben van een relatie niet per se samen gaan. Volgens de vrouw ontbreekt aanvullend bewijs betreffende de overige criteria.

Overwegingen rechtbank

In de onderhavige zaak staat, op grond van de verklaringen van partijen en het onderzoeksrapport van [detectivebureau] vast dat:

- [naam] gedurende de observatieperiode regelmatig in de nachten in de woning van de vrouw heeft verbleven;

- de vrouw van [naam] een kind verwachtten (dat inmiddels, naar de rechtbank begrijpt, is geboren);

- de vrouw en [naam] gezamenlijk (met buren) op vakantie zijn geweest.

De man heeft slechts in algemene bewoordingen, met verwijzing naar het rapport en het kind gesteld, en (nog) onvoldoende aangetoond dat aan de hiervoor genoemde criteria wordt voldaan. Hij zal, gegeven de standpunten van partijen en gelet op zijn bewijsaanbod, in de gelegenheid worden gesteld om nader bewijs daarvan te leveren. Daarbij wordt opgemerkt dat thans niet voldoende is aangevoerd om, in onderlinge samenhang bezien, de man voorshands in het door hem te leveren bewijs geslaagd te achten. Met name ten aanzien van de wederzijds verzorging is nog zeer weinig gebleken. Daarop zal nader bewijs zich dan ook voor een belangrijk deel dienen toe te spitsen. Wel wordt overwogen dat naarmate de man in staat is meer bewijs te leveren van de affectieve duurzame relatie tussen de vrouw en [naam], de enkele betwisting door de vrouw, die deze relatie heeft ontkend, ook op de andere aspecten (mogelijk) niet meer als voldoende zal worden beschouwd, op welk moment zij wordt toegelaten tegenbewijs te leveren.

Bij het voorgaande heeft geen rol gespeeld dat er na afloop van de zitting namens de vrouw nadere stukken zijn ingebracht, nu daarvoor geen gelegenheid was gegeven. Niettemin staat het de man vrij in het nader te leveren bewijs ook deze stukken reeds te betrekken.

De beslissing

De rechtbank:

laat de man toe zijn stelling te bewijzen dat de vrouw samenleeft, althans heeft samengeleefd, met [naam] als waren zij gehuwd, zoals bedoeld in artikel 1:160 van het BW;

bepaalt dat indien en voor zover de man bewijs wil leveren door middel van het horen van getuigen, hij uiterlijk op dinsdag 21 september 2010 schriftelijk de gegevens van die getuigen aan de rechtbank en de wederpartij kenbaar dient te maken en tevens zijdens beide partijen de verhinderdata voor oktober 2010 tot en met januari 2011 aan de rechtbank kenbaar dient te maken;

bepaalt dat getuigen zullen worden gehoord op een nader te bepalen datum in het gerechtsgebouwd aan de Martinetsingel 2 te Zutphen ten overstaan van mr. R.A. Eskes;

bepaalt dat in dat geval beide partijen aanwezig dienen te zijn bij het getuigenverhoor;

bepaalt dat, indien en voor zover de man schriftelijk bewijs wenst te leveren van zijn stellingen, hij alle stukken dienaangaande uiterlijk op voormelde pro forma datum in het geding dient te brengen;

houdt iedere (overige) beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Eskes en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 augustus 2010, in tegenwoordigheid van de griffier.