Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BN5144

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
20-07-2010
Datum publicatie
27-08-2010
Zaaknummer
109793 FARK 10-51
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partijen hebben indertijd mede met het oog op het belang van de kinderen ervoor gekozen om de partneralimentatie zo hoog mogelijk vast te stellen en daarbij geen kinderalimentatie vast te stellen. Gelet op de omstandigheden van het geval wordt deze regeling niet in strijd met het huidige artikel 1:400 BW geacht.

Artikelen: 1:400 BW

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 400
Burgerlijk Wetboek Boek 1 401
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2010/735
JPF 2011/3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Familie

Zaaknummer: 109793 FARK 10-51

beschikking van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 20 juli 2010

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [plaats, gemeente],

verzoeker, verder te noemen de man,

advocaat: mr. H.C. Kiers te Deventer,

tegen

[verweerster],

wonende te [plaats, gemeente],

verweerster, verder te noemen de vrouw,

advocaat: mr. M.M.H. Ceelen te Doetinchem.

Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

- het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 12 januari 2010;

- het verweerschrift, ingekomen op 4 maart 2010;

- de tussenbeschikking van deze rechtbank van 23 maart 2010;

- de brief met bijlagen van 22 april 2010 van mr. Ceelen;

- de brief met bijlagen van mr. Kiers van 4 juni 2010;

- de brief met bijlage van mr. Ceelen van 7 juni 2010;

- de brief met bijlagen van mr. Kiers van 10 juni 2010;

- het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting op 15 juni 2010.

De feiten

Uit het huwelijk tussen de vrouw en de man zijn geboren:

de thans meerderjarige:

[naam 1], geboren op [1992] in de [gemeente],

en de minderjarige

[naam 2], geboren op [1995] te [plaats].

Bij beschikking van deze rechtbank van 14 februari 2007 is tussen de man en de vrouw de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 5 maart 2007 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Berkelland.

Beide kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw. Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over de minderjarige.

In gemelde beschikking is voorts bepaald dat de man een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw dient te voldoen van € 1.500,-- per maand, welke onderhoudsbijdrage thans na indexering € 1.629,42 per maand bedraagt. In deze beschikking is geen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen vastgesteld.

Het verzoek

De man verzoekt dat de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van 14 februari 2007 zal wijzigen en zal bepalen dat de alimentatie voor de vrouw en de kinderen met ingang van de datum van de indiening van het verzoekschrift op een zodanig bedrag wordt gesteld dat deze in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven.

De man heeft gesteld dat sprake is van wijziging van omstandigheden. Hij voert aan dat zijn bijbanen waarmee destijds is gerekend buiten zijn schuld komen te vervallen, hetgeen ertoe leidt dat zijn draagkracht is verminderd. Vervolgens heeft de man gesteld dat de inkomsten van de vrouw zijn gestegen, zodat haar behoefte is verminderd. Hij gaat ervan uit dat de vrouw in staat is in haar eigen onderhoud te voorzien en een bijdrage in de behoefte van de kinderen te leveren. Tot slot heeft de man gesteld dat het sinds 1 maart 2009 geldende uitgangspunt dat kinderalimentatie prioriteit heeft boven partneralimentatie zich niet verhoudt met het feit dat zijn draagkracht destijds om fiscale redenen volledig is aangewend voor partneralimentatie.

Het verweer

De vrouw verzoekt dat de rechtbank het verzoek van de man zal afwijzen.

De vrouw betwist dat sprake is van een wijziging van omstandigheden die maken dat de draagkracht van de man is gewijzigd. Zij heeft aangevoerd dat partijen destijds bewust zijn afgeweken van de gebruikelijke alimentatieregels door de kinderalimentatie om te zetten in partneralimentatie en zij verzet zich tegen de stelling van de man dat deze vrije keuze van partijen op grond van nieuwe wetgeving in strijd is met de huidige wettelijke maatstaven. Tot slot heeft de vrouw aangevoerd dat zij behoefte heeft aan een bijdrage en zij, mede gelet op de zorg voor de kinderen, niet in staat is om meer inkomsten te verwerven.

De beoordeling

Ingevolge artikel 1:401 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

Artikel 1:400 BW luidt sinds 1 maart 2009 als volgt:

1. Indien een persoon verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen en

zijn draagkracht onvoldoende is om dit volledig aan allen te verschaffen, hebben zijn kinderen

en stiefkinderen die de leeftijd van een en twintig jaren nog niet hebben bereikt voorrang boven

alle andere onderhoudsgerechtigden en hebben zijn echtgenoot, zijn vroegere echtgenoot, zijn

geregistreerde partner, zijn vroegere geregistreerde partner, zijn ouders en zijn kinderen en

stiefkinderen die de leeftijd van een en twintig jaren hebben bereikt voorrang boven zijn

behuwdkinderen en zijn schoonouders.

2. Overeenkomsten waarbij van het volgens de wet verschuldigde levensonderhoud wordt

afgezien, zijn nietig.

Voldoende is komen vast te staan dat de inkomsten van de man uit zijn werkzaamheden voor

het uitzendbureau [naam] BV, met welke extra inkomsten in 2007 bij de berekening van

de bijdrage van de man rekening is gehouden, met ingang van 2007 zijn komen te vervallen. De

rechtbank verwijst daarbij naar de aangifte IB 2007 en volgende jaren, waarin uitsluitend het

inkomen van de man bij [werkgever] staat vermeld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft

de man tegenover de betwisting door de vrouw gelet daarop tevens voldoende aannemelijk

gemaakt dat hij geen structurele inkomsten meer heeft uit zijn werkzaamheden in een bar.

Deze wijziging in inkomsten van de man is een relevante wijziging van omstandigheden die

maakt dat de man ontvankelijk is in zijn verzoek tot wijziging van de alimentatie.

De rechtbank zal daarom de behoefte en de draagkracht onderzoeken.

Ten aanzien van de behoefte van de vrouw en de kinderen overweegt de rechtbank als volgt.

Partijen hebben destijds mede met het oog op het belang van de kinderen ervoor gekozen om de partneralimentatie zo hoog mogelijk vast te stellen en daarbij geen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen vast te stellen. Weliswaar is het inkomen van de man gewijzigd, maar dat neemt niet weg dat het uitgangspunt waarvoor partijen destijds bewust hebben gekozen nog steeds bestaat.

Vaststaat dat de partneralimentatie de vrouw de mogelijkheid biedt om de hypotheek van de woning die zij met de beide kinderen bewoont te betalen. De rechtbank verwijst in dat verband naar het artikel in het Echtscheidingsbulletin, afl. 11/12 van november/december 2009 van mr. A. Heida, die van mening is dat het nog steeds mogelijk is om ook onder de huidige regeling te schuiven tussen partneralimentatie en kinderalimentatie om de hypotheek voor een aan te schaffen woning rond te krijgen, hetgeen in het belang van de kinderen is. Hoewel met deze

mogelijkheid naar het oordeel van de rechtbank terughoudend dient te worden omgegaan, staat

in dit geval voldoende vast dat de overeengekomen regeling mede met het oog op de belangen

van de kinderen is gesloten. Bovendien heeft de vrouw op basis van haar huidige inkomen niet

of nauwelijks ruimte een bijdrage te leveren in de kosten van de kinderen, zodat ook feitelijk het

door de man betaalde bedrag wordt gebruikt ten behoeve van de kosten van de kinderen. Gelet

op die omstandigheden moet deze regeling dan ook niet in strijd met het huidige artikel 1:400

BW worden geacht.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank de stelling van de man dat de keuze van partijen niet meer voldoet aan de wettelijke maatstaven verwerpt. Deze opvatting past overigens ook bij de wens van de jongmeerderjarige zoon, die in zijn brief aan de rechtbank - kort samengevat - heeft aangegeven de situatie te willen laten zoals die is. De rechtbank merkt op dat zich op het moment dat een van de kinderen uit huis gaat een andere situatie zal voordoen, maar die is vooralsnog niet aan de orde.

Nu partijen op dit punt destijds bewust zijn afgeweken van de gebruikelijke berekeningen inzake behoefte en draagkracht, is het de vraag in hoeverre wordt toegekomen aan een berekening van de behoefte van de vrouw en de kinderen en een draagkrachtberekening van de vrouw.

In de stellingen van de man leest de rechtbank in dat hij van mening is dat de vrouw thans bij een lagere bijdrage van zijn zijde nog in staat zal zijn in de woning te blijven en de kosten van de kinderen te dekken. De rechtbank constateert dat het feitelijke inkomen van de vrouw thans nauwelijks hoger is dan in 2007. De man heeft echter aangevoerd dat de vrouw in staat moet worden geacht een hoger inkomen te genereren. De vrouw heeft dit betwist. Zij heeft de zorg voor de twee kinderen, die beiden extra aandacht nodig hebben. Ook acht zij het onhaalbaar naast haar huidige baan andere werkzaamheden te verrichten, terwijl het opgeven van een vaste baan voor meer uren op basis van een tijdelijk contract onwenselijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de extra zorg die de kinderen volgens de stellingen van de vrouw behoeven niet is aangetoond. Anderzijds is niet betwist dat de vrouw bij haar huidige werkgever niet meer uren kan werken. Van de vrouw kan op dit moment niet gevergd worden haar huidige baan op te geven voor een tijdelijk contract elders, terwijl niet is gebleken van de mogelijkheid haar huidige baan met een andere parttime baan te combineren. Er wordt dan ook nog steeds uitgegaan van de werkelijke verdiencapaciteit van de vrouw. Dit staat er overigens niet aan in de weg dat van de vrouw wordt verlangd dat zij in de (nabije) toekomst pogingen blijft doen het aantal werkuren uit te breiden.

Gelet op het voorgaande staat de behoefte van de vrouw en de kinderen aan de thans geldende bijdrage nog immer voldoende vast. Beoordeeld dient te worden in hoeverre de man in deze behoefte thans nog kan bijdragen. Ter beoordeling van de draagkracht van de man rekent de rechtbank aan de hand van de salarisstroken over de maanden maart, april en mei 2010 met een inkomen van € 3.664,09 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld en een eindejaarsuitkering van € 3.941,40 bruto per jaar (€ 328,45 per maand).

Rekening houdend met alles op jaarbasis -:

- de pensioenpremie ad € 4.569,--;

- de inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage inzake de Zorgverzekeringswet ad € 2.340,--;

- de algemene heffingskorting ad € 1.987,--;

- de arbeidskorting ad € 1.435,-- en

- de inkomensheffing ad € 15.677,--,

berekent de rechtbank het besteedbaar maandinkomen van de man op afgerond € 2.793,--.

Bij de bepaling van het draagkrachtloze inkomen van de man is de rechtbank uitgegaan van de bijstandsnorm voor een alleenstaande van € 909,-- per maand minus de wooncomponent van € 207,-- en van de navolgende lasten op maandbasis:

- de huur ad € 330,--, nu de man tegenover de betwisting door de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij dit bedrag maandelijks aan zijn vader betaalt en de rechtbank deze woonlasten niet onredelijk acht;

- de totale premie Zorgverzekeringswet ad € 291,82, zijnde de basis- en aanvullende premie ad € 127,07, vermeerderd met de inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage ad € 195,-- en het verplichte eigen risico van € 13,75 per maand, en verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominaal deel premie ZVW ad € 44,-- per maand;

- de rente en aflossing van € 54,34 per maand op de schuld bij de DSB, nu de man onweersproken heeft gesteld dat hij bij het uiteengaan van partijen de inboedel van de echtelijke woning bij de vrouw heeft achtergelaten en herinrichtingskosten heeft moeten maken;

- de kosten van de omgangsregeling die de rechtbank in redelijkheid aan de hand van het verblijf van de kinderen bij de man zoals partijen terechtzitting hebben aangegeven heeft berekend op € 45,--.

Anders dan de vrouw is de rechtbank van oordeel dat van de draagkrachtruimte 60% en niet 70% beschikbaar is voor een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. Partijen hebben immers gekozen voor vaststelling van partneralimentatie en het daarbij behorende fiscale voordeel enerzijds; dan behoort anderzijds ook met het daarmee corresponderende percentage te worden gerekend.

Op basis van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de man, rekening houdende met het belastingvoordeel dat de man heeft wegens alimentatiebetaling aan de vrouw, welk voordeel de rechtbank aan de vrouw toerekent, ruimte heeft voor een bedrag van € 1.417,-- per maand. Dit bedrag acht de rechtbank in overeenstemming met de wettelijke maatstaven en zal zij toewijzen.

De rechtbank ziet geen aanleiding om een andere ingangsdatum te bepalen dan de eerste dag van de maand volgend op de datum waarop het verzoekschrift is ingediend, in dit geval

1 februari 2010. De vrouw heeft eerst met ingang van die datum rekening kunnen en moeten houden met een eventuele wijziging van de door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud.

De beslissing

De rechtbank:

wijzigt de bij beschikking van deze rechtbank van 14 februari 2007 bepaalde bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw en stelt deze met ingang van 1 februari 2010 vast op een bedrag van € 1.417,-- (eenduizend vierhonderdzeventien euro) per maand;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Eskes en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 juli 2010, in tegenwoordigheid van de griffier.