Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BN4863

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
24-08-2010
Datum publicatie
24-08-2010
Zaaknummer
114626 - KG ZA 10-219
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Nakoming vaststellingsovereenkomst

Betaling vergoeding voor vertrek huisarts. De term “coulancevergoeding” dekt de lading niet, omdat het vertrek van de huisarts een bepaalde waarde vertegenwoordigt nu alle patiënten toevallen aan de twee achterblijvende huisartsen.

Geen bedrog of dwaling bij aangaan van de vaststellingsovereenkomst als later blijkt dat vertrekkende huisarts een relatie heeft gehad met een patiënte van de maatschap. Restitutierisico.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 114626 / KG ZA 10-219

Vonnis in kort geding van 24 augustus 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. A.C.H. Jansen te Wijchen,

tegen

1. [gedaagde 1],

en

2. [gedaagde 2],

beiden wonende te [plaats],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. G.J. Verduijn te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiser] respectievelijk [gedaagden] genoemd worden.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de akte wijziging eis

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiser]

- de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in (deels voorwaardelijke) reconventie van [gedaagden].

2. De feiten in conventie en in reconventie

2.1. [eiser] maakt vanaf 1 januari 2001 samen met [gedaagden] deel uit van een huisartsenmaatschap te [plaats]. [gedaagde 2] en [eiser] zijn voor 4/11 deel en [gedaagde 1] is voor 3/11 deel gerechtigd tot de praktijk. Vanaf 25 juni 2004 waren [eiser], [gedaagden] ieder voor 1/3 deel eigenaar van het praktijkpand.

2.2. Op 17 november 2004 is door de besloten vennootschap [naam] B.V. te [plaats] ten laste van [eiser] executoriaal beslag gelegd onder [gedaagden]. Verder is door de Belastingdienst op 22 oktober 2004 en later op 18 februari 2008 executoriaal beslag gelegd op het woonhuis van [eiser]. Deze beslagen betreffen dwangbevelen met betrekking tot belastingaanslagen over de jaren 2001 tot en met 2006.

2.3. In september 2009 heeft [eiser] zijn aandeel in het praktijkpand aan [gedaagden] overgedragen.

2.4. Op 12 oktober 2009 hebben [gedaagden] [eiser] te kennen gegeven dat zij de maatschap zonder hem wilden voortzetten en dat zij tot dissociatie van de maatschap wilden overgaan.

2.5. In november 2009 zijn partijen een mediationtraject ingegaan.

Op 5 maart 2010 hebben partijen een stuk ondertekend, met als opschrift “Voorlopige afspraken en bespreekpunten - onder voorbehoud van consensus over de hoogte van het `coulancebedrag` - inzake een dissociatie en vertrek van [eiser] als maatschaplid van de [huisartsenpraktijk Naam].”

Op 29 maart 2010 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten, die onder meer het volgende inhoudt:

“Vaststellingsovereenkomst

Afspraken ter aanvulling op en – na ondertekening – vervanging van de per 05 maart 2010 ondertekende `Afspraken en bespreekpunten [plaats]` inzake een dissociatie en het vertrek van [eiser] [eiser] als maatschaplid van de Huisartsenpraktijk [plaats].

(…)

2. Voor de overeengekomen coulancehalve betaling ad € 212.500,- moet in onderling overleg belastingtechnisch een goede oplossing worden gevonden. Een ieder consulteert daarvoor de eigen adviseur waarna er in onderling overleg een afspraak wordt gemaakt. Betaling door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan [eiser] gebeurt in twee termijnen: 50 % bij vertrek van [eiser] – per 01 augustus 2010 – en 50 % een half jaar later.

3. De salariskosten van hidha [naam] over de periode van 01 juni 2009 tot 01 augustus 2010, komen voor rekening van de maatschap.

4. De hoogte van de goodwill voor de apotheek wordt bepaald conform de richtlijnen van de LHV. Als basis dient het gemiddelde over de jaren 2007, 2008 en 2009.

5. De datum van ontbinding van de maatschap en vertrek van [eiser] als huisarts uit [plaats] is 01 augustus 2010.

6. Er vindt geen verrekening plaats van de door [eiser] verschuldigde huur voor het praktijkpand ad € 1.000,-/maand over de periode van 01 oktober 2009 tot 01 augustus 2010.

7. Bij vertrek van [eiser] zullen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aanwezig zijn bij de afscheidsreceptie. Afgesproken wordt dat – in ’t belang van de betrokken huisartsen, medewerkers en patiënten – de informatie die over het vertrek van [eiser] en de redenen daarvoor en de inhoud van de zakelijke afspraken naar buiten wordt gebracht ‘neutraal’ zal zijn.

(…)

10. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onderzoeken respectievelijk regelen de gevolgen van het vertrek van [eiser] voor verzekeringen van de praktijk zoals aansprakelijkheid, rechtsbijstand e.d.

[eiser] kijkt naar de gevolgen voor zijn eigen verzekerde positie, verzekeringen en registratie als huisarts.

(…)

13. De mediators zullen mr. Bart Doornbusch van VVAA namens de maatschap vragen een Overeenkomst van dissociatie op te stellen op basis van de in de mediation gemaakte en ondertekende schriftelijke afspraken en de bestaande maatschapsovereenkomst.

(…)”.

2.6. Tijdens het maatschapsoverleg van 12 april 2010 heeft [eiser] [gedaagden] medegedeeld dat de vrouw met wie hij een relatie had – een patiënte van de praktijk – de relatie met hem had beëindigd.

2.7. In april 2010 is aan de patiënten van de praktijk een brief gezonden, die tevens op de website van de praktijk is geplaatst, waarin zij op de hoogte gesteld worden van het vertrek van [eiser] per 1 augustus 2010.

2.8. Bij brief van 20 mei 2010 hebben [gedaagden] [eiser] onder meer het volgende medegedeeld:

“(…)

Tijdens het mediationtraject is expliciet aan jou de vraag gesteld of jij relaties hebt gehad met vrouwelijke patiënten van de praktijk. Op die vraag heb jij met grote stelligheid ontkennend geantwoord. Onlangs heb je evenwel in de maatschapsvergadering aan ons toegegeven dat jij wel degelijk een relatie hebt gehad met een vrouwelijke patiënt van de praktijk.

Wat ons betreft verandert dit wezenlijk de uitgangspositie van partijen bij het sluiten van een dissociatieovereenkomst. Doordat jij nu alsnog hebt toegegeven een ongeoorloofde relatie te hebben aangeknoopt met een patiënte, staat daarmee vast enerzijds dat jij een gevaar vormde en vormt voor de kwaliteit van de zorgverlening binnen onze praktijk en anderzijds dat jij in het kader van de mediation en de onderhandelingen over de uitgangspunten voor een beëindigingsovereenkomst bewust een onjuiste voorstelling van zaken hebt gegeven. Bij de onderhandelingen hebben wij ons op deze onjuiste voorstelling van zaken gebaseerd.

Naar aanleiding hiervan laten wij je weten dat wij ons niet gebonden achten aan de gezamenlijk geformuleerde uitgangspunten voor een beëindigingsovereenkomst. Een overeenkomst is overigens ook nog niet gesloten. Voor zover enige overeenkomst al geacht zou moeten worden reeds te zijn tot stand gekomen, beroepen wij ons hierbij op de vernietiging daarvan wegens dwaling dan wel wegens bedrog.

Wij zijn bereid om opnieuw met jou in overleg te treden over de mogelijkheid van een beëindigingsovereenkomst, grotendeels overeenkomstig de eerder gewisselde concepten. Daarvan zal echter in elk geval niet meer onderdeel kunnen uitmaken een onder algemene titel aan jou te betalen vergoeding. (…)”

2.9. Bij e-mailbericht van 26 mei 2010 heeft [eiser] [gedaagden] medegedeeld dat hij de inhoud en de conclusies van hun brief van 20 mei 2010 bestrijdt.

2.10. Bij brief van 28 mei 2010 heeft de advocaat van [gedaagden] [eiser] voorgesteld om alsnog een minnelijke regeling te sluiten, onder meer inhoudende dat een bedrag van € 25.000,00 door [gedaagden] aan [eiser] zal worden betaald.

2.11. Bij brief van 30 mei 2010 heeft [eiser] [gedaagden] medegedeeld dat hij de rechtsgeldigheid van de opzegging betwist en die voor zover nodig vernietigt.

2.12. Op 1 juni 2010 heeft [eiser] zich ziek gemeld.

2.13. Bij brief van 7 juni 2010 heeft de rechtsbijstandsverzekeraar van [eiser] de advocaat van [gedaagden] onder meer het volgende medegedeeld:

“(…)

Partijen bereiken vervolgens overeenstemming over de voorwaarden van ontbinding en de definitieve afspraken zijn in een vaststellingsovereenkomst vastgelegd.

Tussen partijen is derhalve sprake van een overeenkomst.

U stelt de vernietiging van de overeenkomst in te kunnen roepen op grond van dwaling cq bedrog. Cliënt betwist dit. (…) Wel merk ik op dat uw cliënten, ik citeer uit hun schrijven van 20 mei jl., “de ongepaste omgang met vrouwelijke patiënten” destijds als reden hebben aangevoerd voor de opzegging van de maatschap. De juistheid daarvan wordt door cliënt uitdrukkelijk betwist, althans suggestief bevonden. Het is u bekend dat een beroep op dwaling niet op gaat terzake hetgeen waarover juist werd getwist.

Gelet op het voorgaande is cliënt niet bereid in te gaan op uw voorstel.

Namens cliënt verzoek ik uw cliënten vriendelijk doch dringend hetgeen tussen partijen is overeengekomen aangaande de praktijkbeëindiging door cliënt, per ommegaande na te komen, althans uiterlijk 11 juni a.s. te verklaren dat zij de gemaakte afspraken zult respecteren (…).”.

2.14. Bij brief van 10 juni 2010 aan de rechtsbijstandsverzekeraar van [eiser] heeft de advocaat van [gedaagden] gereageerd op voormelde brief van 7 juni 2010 en de standpunten van [gedaagden] gemotiveerd uiteengezet. In de brief wordt aan het slot opgemerkt dat [gedaagden] niet zullen ingaan op het in de brief van 7 juni 2010 gedane verzoek en verzoeken zij [eiser] in te stemmen met het in de brief van 28 mei 2010 gedane voorstel. [eiser] heeft vervolgens de onderhavige procedure gestart.

2.15. [eiser] beheert de bankrekening van de maatschap en is als enige van de maatschap gemachtigd om over het saldo van de bankrekening te beschikken.

In de maatschapsvergadering van 19 april 2010 is besloten dat bij de bank een tweede autorisatie zou worden aangevraagd. Tot op heden is een dergelijke autorisatie niet door de bank verstrekt.

3. Het geschil in conventie

3.1. [eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagden] zal veroordelen:

primair:

het bepaalde in de vaststellingsovereenkomst d.d. 29 maart 2010 na te komen, met dien verstande dat [gedaagden] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis zullen worden veroordeeld om:

1) hun medewerking te verlenen aan de verdeling van de inventaris en roerende zaken overeenkomstig artikel 1 van de vaststellingsovereenkomst d.d. 29 maart 2010;

2) binnen twee weken na dagtekening van het te wijzen vonnis met [eiser] overleg te plegen over een belastingtechnische oplossing met betrekking tot de coulancevergoeding als bedoeld in artikel 2 van de vaststellingsovereenkomst d.d. 29 maart 2010;

3) binnen vier weken na dagtekening van het te wijzen vonnis aan [eiser] een bedrag te betalen van € 106.250,00, dat gelijk staat aan 50 % van de coulancevergoeding;

4) uiterlijk per 1 februari 2011 aan [eiser] nogmaals een bedrag te betalen van

€ 106.250,00, dat gelijk staat aan 50 % van de coulancevergoeding;

5) de afspraken als bedoeld in artikel 3 van de vaststellingsovereenkomst na te komen;

6) binnen twee weken na dagtekening van het te wijzen vonnis aan [eiser] de goodwill te betalen die wordt bepaald conform het bepaalde in artikel 4 van de vaststellingsovereenkomst d.d. 29 maart 2010;

7) de afspraken als bedoeld in artikel 5 tot en met 7 en artikel 10 uit de vaststellingsovereenkomst d.d. 29 maart 2010 na te komen;

8) binnen twee weken na dagtekening van het te wijzen vonnis de dissociatieovereenkomst te ondertekenen die door [eiser] is overgelegd als productie 24, op straffe van het verbeuren van een dwangsom van € 1.000,00 voor elke dag dat [gedaagden] daarmee in gebreke blijven, dan wel – indien de vordering om voornoemde overeenkomst te tekenen niet wordt toegewezen – met [eiser] een dissociatieovereenkomst te sluiten overeenkomstig het bepaalde in de vaststellingsovereenkomst d.d. 29 maart 2010, op straffe van het verbeuren van een dwangsom van € 1.000,00 voor elke dag dat [gedaagden] daarmee in gebreke blijven, dan wel – indien ook de vordering om een dergelijke dissociatieovereenkomst te tekenen niet kan worden toegewezen – [gedaagden] te veroordelen met [eiser] verder overleg te plegen omtrent de exacte bewoordingen van de dissociatieovereenkomst als bedoeld in de vaststellingsovereenkomst d.d. 29 maart 2010;

subsidiair:

- de huisartsenmaatschap met [eiser] voort te zetten tot het moment waarop de bevoegde rechter de maatschapsovereenkomst rechtsgeldig ontbonden heeft, dan wel tot het moment waarop partijen overeenstemming omtrent de ontbinding van de maatschap hebben bereikt, op straffe van het verbeuren van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag dat [gedaagden] daarmee in gebreke blijven;

primair en subsidiair:

- binnen twee weken na het te wijzen vonnis de buitengerechtelijke kosten te begroten conform het rapport Voorwerk II aan [eiser] te voldoen, met vermeerdering van de wettelijke rente daarover vanaf de datum van de dagvaarding;

- tot betaling aan [eiser] van de nakosten van € 131,00 zonder betekening, dan wel

€ 199,00 in het geval van betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis en – voor het geval voldoening van de nakosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

- in de kosten van dit geding.

3.2. [eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagden] ten onrechte weigeren (een onderdeel van) de vaststellingsovereenkomst na te komen. [eiser] heeft aangevoerd dat partijen na uitgebreide onderhandelingen en het tekenen van een conceptovereenkomst uiteindelijk overeenstemming hebben bereikt, waarna de afspraken zijn vastgelegd in de vaststellingsovereenkomst, die bindend is voor partijen.

3.3. [gedaagden] voeren verweer. Zij hebben ten eerste betwist dat er sprake is van een bindende overeenkomst en daartoe aangevoerd dat de vaststellingsovereenkomst slechts de vastlegging van tussentijdse afspraken behelst en niet kan worden beschouwd als de vastlegging van het resultaat van de mediation. Volgens [gedaagden] is het woord “vaststellingsovereenkomst” door de mediators in het document geplaatst, zonder dat partijen daarom hadden gevraagd of de intentie hadden om op dat moment een vaststellingsovereenkomst aan te gaan. Het ging volgens [gedaagden] slechts om het formuleren van de uitgangspunten voor de nog te sluiten dissociatieovereenkomst.

[gedaagden] stellen verder dat de vaststellingsovereenkomst geen (bepaalbare) verbintenissen inhoudt waarvan in rechte nakoming kan worden afgedwongen. Tussen partijen zijn geen definitieve afspraken gemaakt en de vordering tot nakoming van tussentijdse afspraken verdraagt zich niet met de vrijwilligheid op basis waarvan partijen aan de mediation deelnemen, aldus [gedaagden].

Voorts hebben [gedaagden] een beroep gedaan op vernietiging van de vaststellingsovereenkomst op grond van bedrog dan wel dwaling. Van bedrog is volgens [gedaagden] sprake omdat [eiser] tijdens de onderhandelingen over een coulancehalve aan hem te betalen vergoeding niet naar waarheid heeft geantwoord op een aan hem gestelde vraag, althans opzettelijk een feit heeft verzwegen, dat in dat verband voor [gedaagden] van essentieel belang was. Indien [gedaagden] de feiten hadden gekend die [eiser] tijdens de onderhandelingen heeft ontkend, althans verzwegen, zouden [gedaagden] niet meer over een beëindiging van de maatschap met wederzijds goedvinden willen onderhandelen, laat staan dat zij bereid zouden zijn geweest in het kader daarvan enige coulancevergoeding aan [eiser] te betalen.

Verder hebben [gedaagden] gesteld dat een veroordeling om een overeenkomst aan te gaan een constitutief vonnis betreft, dat gelet op de aard van de onderhavige procedure niet mogelijk is.

[gedaagden] hebben voorts aangevoerd dat de subsidiair gevorderde voortzetting van de maatschap eveneens dient te worden afgewezen, aangezien de maatschapsovereenkomst door hen is opgezegd per 1 augustus 2010 en de maatschap daardoor is geëindigd. Tevens zal een voortzetting van de maatschap leiden tot een onwerkbare situatie, aldus [gedaagden].

Tot slot hebben [gedaagden] gesteld dat sprake is van een groot restitutierisico, dat [eiser] geen spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen en dat de gevorderde dwangsommen te hoog zijn.

4. Het geschil in reconventie

4.1. [gedaagden] vorderen dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

1. [eiser] zal veroordelen om mee te werken aan het vestigen van een tweede autorisatie bij betalingen van de door de maatschap bij de ING Bank gehouden bankrekening (onder nummer [nummer]), binnen veertien dagen na dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag voor iedere dag dat [eiser] met het verlenen van de benodigde medewerking in gebreke blijft, tot een maximum van

€ 10.000,00;

en, slechts indien is voldaan aan de voorwaarde dat [gedaagden] in conventie worden veroordeeld om de maatschap met [eiser] na 1 augustus 2010 voort te zetten:

2. [eiser] zal verbieden als (apotheekhoudend) huisarts de praktijk uit te oefenen in het praktijkpand aan de [adres] te [plaats], zolang de ontbinding van de maatschap niet voor recht is verklaard dan wel alsnog in rechte is uitgesproken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000,00 per overtreding, tot een maximum van

€ 250.000,00;

3. [gedaagden] te machtigen om de naleving van het onder 2. vermelde verbod met behulp van de sterke arm van politie en justitie te bewerkstelligen;

4. subsidiair een in goede justitie te bepalen beslissing zal nemen;

alles met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

4.2. [gedaagden] hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat [eiser] op grond van een tijdens de maatschapsvergadering van 19 april 2010 genomen besluit gehouden is mee te werken aan het vestigen van een tweede autorisatie ten aanzien van de door de maatschap bij de ING Bank aangehouden rekening.

[gedaagden] hebben verder aangevoerd dat hervatting door [eiser] van zijn werkzaamheden onder de huidige omstandigheden tot een volstrekt onwerkbare situatie zal leiden.

4.3. [eiser] voert verweer. Hij heeft aangevoerd dat hij een aanvraagformulier voor een tweede autorisatie heeft ondertekend, dat kennelijk niet is verzonden dan wel is kwijtgeraakt. [eiser] stelt bereid te zijn mee te werken aan het vestigen van een tweede autorisatie, indien [gedaagden] het bepaalde in de vaststellingsovereenkomst nakomen. Gelet hierop hebben [gedaagden] volgens [eiser] onvoldoende belang bij hun vordering. Subsidiair beroept [eiser] zich ten aanzien van deze vordering op een opschortingsrecht.

Ten aanzien van de voorwaardelijke vordering in reconventie heeft [eiser] gesteld dat toewijzing van zijn subsidiaire vordering betekent dat hij nog steeds volwaardig maatschapslid is en dat dan geen gronden bestaan om hem te verbieden zijn werkzaamheden in de praktijk uit te oefenen.

5. De beoordeling in conventie

5.1. Partijen twisten in de eerste plaats over de vraag of de vaststellingsovereenkomst van 29 maart 2010 partijen bindt. Voorshands wordt geoordeeld dat dit het geval is. Partijen hebben na uitgebreide onderhandelingen en na het ondertekenen van een conceptovereenkomst de vaststellingsovereenkomst ondertekend. Verder is onbestreden dat partijen aan (onderdelen van de) vaststellingsovereenkomst reeds uitvoering hebben gegeven, zoals het opstellen van een brief aan de patiënten van de praktijk en het informeren van de postkamer van het ziekenhuis omtrent het vertrek van [eiser].

Dat partijen nog een dissociatieovereenkomst dienen te sluiten doet aan de rechtsgeldigheid van de vaststellingsovereenkomst niets af, te minder nu dit één van de afspraken is die in de overeenkomst van 29 maart 2010 is opgenomen.

5.2. [eiser] vordert veroordeling van [gedaagde 1] tot medewerking aan de verdeling van de tot de maatschap behorende inventaris en roerende zaken. [gedaagden] hebben hierover gesteld dat zij bereid zijn hieraan mee te werken en dat een veroordeling daartoe niet noodzakelijk is. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om aan het gestand doen van die toezegging te twijfelen, zodat dit onderdeel van de vordering wordt afgewezen.

5.3. Het geschil tussen partijen spitst zich vervolgens toe op de vraag of [gedaagden] gehouden zijn het coulancebedrag van € 212.500,00 aan [eiser] te voldoen. [gedaagden] beroepen zich op bedrog dan wel dwaling. Daartoe hebben zij aangevoerd dat indien [eiser] tijdens de onderhandelingen over een aan hem te betalen vergoeding de waarheid had gesproken, zij niet meer over een beëindiging van de maatschap met wederzijds goedvinden hadden willen onderhandelen, laat staan dat zij bereid zouden zijn geweest in het kader daarvan enige coulancevergoeding aan [eiser] te betalen.

5.4. Vooropgesteld wordt dat de term “coulancevergoeding” de lading niet dekt. Een coulancevergoeding veronderstelt dat de betalende partij, zonder daartoe gehouden te zijn, een vergoeding verstrekt aan de ontvangende partij. Nadat partijen aanvankelijk het vertrek van [eiser] uit de maatschap tot inzet van de onderhandelingen maakten hebben zij in het vervolgtraject onderhandeld over het vertrek van [eiser] uit [plaats]. Door dat vertrek en het in de dissociatieovereenkomst voorziene non-concurrentiebeding (gedurende 5 jaar) vallen alle patiënten van [eiser] toe aan [gedaagden], welke omstandigheid uiteraard een bepaalde waarde vertegenwoordigt, welke waarde aan [eiser] vergoed moet worden. Derhalve is sprake van een tegenprestatie van de zijde van [eiser].

5.5. Voor een geslaagd beroep op bedrog is ingevolge artikel 3:44 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) vereist dat [gedaagden] bewogen zijn tot het aangaan van de overeenkomst door enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling of door het opzettelijk verzwijgen van enig feit dat de verzwijger verplicht was mee te delen. Vast staat dat [gedaagden], naast de door [eiser] veroorzaakte ernstige financiële perikelen van de maatschap, als een van de redenen van opzegging van de maatschap hebben aangevoerd dat: “hen signalen hadden bereikt dat bij de heer [eiser] enige malen sprake is geweest van een ongepaste omgang met sommige vrouwelijke patiënten”.

[eiser] erkent dat hij eerst op 12 april 2010 heeft gemeld dat hij een relatie had met een patiënte van [gedaagde 1]. Hij heeft dit niet eerder gemeld omdat hij aan zijn (gehuwde) vriendin beloofd had met niemand over zijn relatie met haar te spreken. Daarom wordt geoordeeld dat de opzet van [eiser] niet gericht was op het bewegen van [gedaagden] tot het aangaan van de overeenkomst. Ook het beroep op dwaling strandt. [eiser] heeft ter zitting gezegd dat voor hem niet kenbaar was dat dit een cruciaal punt was voor [gedaagden]. [gedaagden] hebben ook niet gesteld dat zij dit wel hebben meegedeeld. Zij volstaan immers met een verwijzing naar algemene (gedrags-)regels die voor iedere huisarts gelden. Ten slotte wordt overwogen dat [gedaagden], terwijl zij op 12 april 2010 op de hoogte kwamen van de onjuistheid van de verklaring van [eiser], niettemin uitvoering zijn gaan geven aan (onderdelen van) de vaststellingsovereenkomst en zij pas vijf weken later het standpunt hebben ingenomen dat de overeenkomst moet worden vernietigd. Op grond van deze overwegingen acht de voorzieningenrechter het voorshands niet aannemelijk dat de bodemrechter tot een ander oordeel zal komen.

5.6. [eiser] heeft een aantal vorderingen ingesteld die zich niet lenen voor de beoordeling in een kort geding. Dit zijn met name de vorderingen genoemd onder 3.1 sub 2,5,6,7 en 8 omdat op al die punten nader overleg (tussen de adviseurs van partijen) noodzakelijk is, tot welk overleg [gedaagden] zich bereid hebben verklaard. De veroordeling tot ondertekening van de dissociatieovereenkomst acht de voorzieningenrechter niet toewijsbaar nu onvoldoende vast staat dat partijen daarover overeenstemming hebben bereikt.

Met betrekking tot de vordering tot betaling van een bedrag van € 106.250,00 per

1 februari 2011 (de vordering onder 3.1 sub 4) overweegt de voorzieningenrechter dat op dit moment niet gezegd kan worden dat [gedaagden] dit bedrag te zijner tijd niet zullen betalen. De vordering zal derhalve worden afgewezen.

5.7. Ter beoordeling resteert de vordering tot betaling van een bedrag van € 106.250,00, welk bedrag opeisbaar is. Voor de vraag of toewijzing bij voorraad van een geldvordering in kort geding geïndiceerd is (de vordering onder 3.1 sub 3) moet volgens de Hoge Raad ook onderzocht worden of sprake is van feiten en omstandigheden, welke meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van belangen van partijen dient mede te worden betrokken het door [gedaagden] gestelde risico van de onmogelijkheid van de terugbetaling door [eiser] van de toe te wijzen geldvordering. Terughoudendheid acht de Hoge Raad geboden.

[eiser] heeft weliswaar bestreden dat een restitutierisico bestaat en gewezen op zijn verdiencapaciteit, maar hij heeft niet betwist dat na de executoriale verkoop van zijn woning nog een hypotheekschuld resteert van ongeveer € 600.000,00 en daarnaast belastingschulden waarvan de omvang onbekend is. Ook voor een huisarts zal het een enorme inspanning vergen om een dergelijke schuldenlast te dragen. De financiële positie van [eiser] is daarmee dermate precair dat onzeker is of [eiser] het bedrag van € 106.250,00 aan [gedaagden] kan restitueren indien zijn vordering in een bodemprocedure dan wel in hoger beroep wordt afgewezen.

In ieder geval dient dit er toe te leiden dat zo een toewijzend vonnis al uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, daaraan door de voorzieningenrechter de voorwaarde wordt verbonden dat tot het toe te wijzen bedrag zekerheid wordt gesteld in de vorm van een bankgarantie, afkomstig van een Nederlandse bank die te goeder naam en faam bekend staat, welke bankgarantie van kracht dient te blijven totdat de gewone aan [gedaagden] toekomende rechtsmiddelen zijn uitgeput en een toewijzend vonnis/arrest in kracht van gewijsde is gegaan.

Tegen die achtergrond zal de vordering worden toegewezen tegen het stellen van een bankgarantie.

5.8. Nu de primaire vordering (ten dele) wordt toegewezen wordt niet toegekomen aan de subsidiaire vordering, wat daar overigens van zij, omdat de feitelijke samenwerking reeds per 1 augustus 2010 beëindigd is en niet denkbaar is dat [eiser], na alles wat over deze zaak gewisseld is, zijn werkzaamheden binnen de maatschap hervat.

5.9. Omdat beide partijen op een of andere wijze in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

6. De beoordeling in (voorwaardelijke) reconventie

6.1. [eiser] zal dienen mee te werken aan het vestigen van een tweede autorisatie bij betalingen van de door de maatschap bij de ING Bank gehouden bankrekening (onder nummer [nummer]). [eiser] heeft daarover aangevoerd dat hij reeds heeft meegewerkt en dat hij een aanvraagformulier heeft ondertekend, welk formulier mogelijk verloren is. Hij is daartoe nogmaals bereid als [gedaagden] de vaststellingsovereenkomst nakomen. Omdat hiervoor in conventie is overwogen dat de vaststellingsovereenkomst van kracht is tussen partijen en de feitelijke samenwerking tussen hen reeds per 1 augustus 2010 is beëindigd, hebben [gedaagden] voldoende belang bij toewijzing van de vordering. Zij zullen immers de maatschap voortzetten en betalingen namens de maatschap moeten kunnen verrichten. De vordering wordt derhalve toegewezen.

6.2. Nu de voorwaarde waaronder het verbod tot het uitoefenen van de praktijk in [plaats] is ingesteld, niet is vervuld behoeft deze vordering geen bespreking meer.

6.3. De voorzieningenrechter ziet aanleiding de proceskosten te compenseren.

7. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1. veroordeelt [gedaagden] om, binnen vier weken na dagtekening van dit vonnis, aan [eiser] te betalen een bedrag van € 106.250,00, tegen afgifte door [eiser] aan [gedaagden] van een bankgarantie voor dat bedrag van een Nederlandse te goeder naam en faam bekendstaande bank, welke bankgarantie van kracht dient te blijven totdat de gewone aan [gedaagden] toekomende rechtsmiddelen zijn uitgeput en een toewijzend vonnis/arrest in kracht van gewijsde is gegaan,

7.2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

7.3. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

7.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

in reconventie

7.5. veroordeelt [eiser] om, binnen twee weken na dagtekening van dit vonnis, mee te werken aan het vestigen van een tweede autorisatie bij betalingen van de door de maatschap bij de ING Bank gehouden bankrekening (onder nummer [nummer]), zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag voor iedere dag dat [eiser] met het verlenen van de benodigde medewerking in gebreke blijft, tot een maximum van

€ 10.000,00,

7.6. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

7.7. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

7.8. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.M. Vrendenbarg-Elsbeek en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2010.