Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BN4862

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
24-08-2010
Datum publicatie
24-08-2010
Zaaknummer
06/460354-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank verklaart niet bewezen dat verdachte op zoon en medeslachtoffer is ingereden en spreekt verdachte vrij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/460354-09

Uitspraak d.d.: 24 augustus 2010

tegenspraak / dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [adres op 1962],

wonende te [plaats, adres],

raadsman: mr. M.H. Hogeman, advocaat te Zutphen.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 augustus 2010.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij

op of omstreeks 18 september 2009,

te Ulft, gemeente Oude IJsselstreek,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer A] (zoon van verdachte) van het leven te beroven, met dat opzet met een

(personen)auto met (zeer) hoge snelheid op die [slachtoffer A] is ingereden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij

op of omstreeks 18 september 2009,

te Ulft, gemeente Oude IJsselstreek,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon

genaamd [slachtoffer A] (zoon van verdachte), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel

toe te brengen, met dat opzet met een (personen)auto met (zeer) hoge snelheid

op die [slachtoffer A] is ingereden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij

op of omstreeks 18 september 2009,

te Ulft, gemeente Oude IJsselstreek,

[slachtoffer A] (zoon van verdachte) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het

leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk

dreigend met een (personen)auto met (zeer) hoge snelheid op die [slachtoffer A]

ingereden;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij

op of omstreeks 16 september 2009

te Ulft, gemeente Oude IJsselstreek,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon

genaamd [slachtoffer B], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat

opzet met een (personen)auto met (zeer) hoge snelheid op die [slachtoffer B] is

ingereden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij

op of omstreeks 18 september 2009,

te Ulft, gemeente Oude IJsselstreek,

[slachtoffer B] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met

zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een

(personen)auto met (zeer) hoge snelheid op die [slachtoffer B] ingereden;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat aangever [slachtoffer A] bij de politie een gedetailleerde verklaring heeft afgelegd. Met name over de auto heeft aangever een duidelijke verklaring afgelegd, waarbij de omschrijving van de auto overeenkwam met de leenauto waar verdachte op dat moment ook daadwerkelijk in reed. Aangever kon niet weten dat verdachte in die leenauto reed, en dat maakt zijn verklaring ten aanzien van de herkenning van verdachte des te betrouwbaarder. Ook heeft aangever de bestuurder van de auto herkend als zijn vader. Daarnaast heeft een onafhankelijke getuige duidelijke verklaringen afgelegd.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie gesteld dat verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken. Gelet op de afgelegde verklaringen is het niet wettig en overtuigend te bewijzen dat verdachte de bestuurder is geweest van de auto. Uit de verklaringen kan niet worden afgeleid of aangever of getuige [slachtoffer A] verdachte heeft herkend als de bestuurder van de auto. Niet uitgesloten kan worden dat enkel de auto is herkend en niet de bestuurder van de auto.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van zowel het onder 1 als het onder 2 ten laste gelegde. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte een consistente en duidelijke ontkennende verklaring heeft afgelegd over de beide incidenten. Gelet op de voorgeschiedenis van deze zaak zijn de verklaringen van de aangevers onbetrouwbaar en kan hierop, gelet op de ontkennende verklaringen van verdachte, niet de overtuiging worden gebaseerd dat verdachte de ten laste gelegde delicten heeft gepleegd.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsman tevens aangevoerd dat enkel aangever heeft verklaard dat het verdachte is geweest die in de auto reed. Tevens heeft de getuige [getuige] verklaard dat zij aanvankelijk dacht dat er sprake was van een ongeluk in plaats van een opzettelijke aanrijding.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman tevens aangevoerd dat de verklaringen van de aangever [slachtoffer B] en de getuigen tegenstrijdigheden bevatten en dat daaruit niet blijkt door wie de bestuurder van de auto is herkend als zijnde verdachte.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt. Voor het bewijs van het ten laste gelegde is naast de aangifte van [slachtoffer A]2 alleen de verklaring van getuige [getuige]3 voorhanden. Echter voor het bewijs dat het verdachte is geweest, die het ten laste gelegde feit heeft gepleegd, is alleen de aangifte van [slachtoffer A] voorhanden. Op zichzelf rechtvaardigen deze omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld.

Echter, gelet op hetgeen verder uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, is de rechtbank van oordeel dat deze enkele verklaring van [slachtoffer A] onvoldoende overtuigend is voor het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. De rechtbank zal gelet hierop verdachte vrijspreken van het onder 1, primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt. Voor het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde zou hebben begaan is uitsluitend voorhanden de aangifte van [slachtoffer B]4 en de verklaring van getuige [slachtoffer A]5. Aangever geeft echter aan dat getuige [slachtoffer A] de bestuurder zou hebben herkend als verdachte, terwijl getuige [slachtoffer A] aangeeft dat aangever [slachtoffer B] de bestuurder van de auto zou hebben herkend. Beide verklaringen zijn op dit punt dan ook tegenstrijdig met elkaar. Op grond hiervan kan dan ook niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte de bestuurder is geweest van het voertuig. Uit de bewijsmiddelen blijkt evenmin op welke wijze aangever, dan wel de getuige, de bestuurder zou hebben herkend. Niet uitgesloten kan worden dat (slechts) de auto is herkend als zijnde de auto van verdachte, zonder dat daarbij daadwerkelijk is gezien wie de bestuurder was.

Nu niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de bestuurder is geweest van de auto ten tijde van het ten laste gelegde zal de rechtbank verdachte vrijspreken van zowel het onder 2 primair als subsidiair ten laste gelegde.

Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer A] zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering, nu verdachte is vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde. De benadeelde partij kan derhalve haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair en het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer A] niet-ontvankelijk in haar vordering;

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door mr. Van der Mei, voorzitter, mrs. Kleinrensink en Boerwinkel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Demmers, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 augustus 2010.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten:

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer 2009076402-19, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Achterhoek, gesloten en ondertekend op 23 oktober 2009.

2 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer A], dossierpagina's 65 t/m 67

3 Proces-verbaal van verhoor [getuige], dossierpagina's 72 t/m 75

4 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer B], dossierpagina's 93 t/m 96

5 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer A], dossierpagina's 97 t/m 99