Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2010:BN4131

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
17-08-2010
Datum publicatie
17-08-2010
Zaaknummer
06/460418-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor poging tot doodslag na het neersteken van zijn broer. Vrijspraak voor poging tot moord, voorbedachten rade niet bewezen. Slachtoffer heeft de rechtbank verzocht om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Met dit verzoek heeft de rechtbank rekening gehouden bij de strafoplegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer 06/460418-09

Uitspraak d.d. 17 augustus 2010

Tegenspraak / dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats op 1980],

wonende te [plaats, adres].

Raadsman mr. Hogerbrugge, advocaat te Ermelo.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 augustus 2010.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op 22 november 2009 te Leuvenheim, gemeente Brummen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en

al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] (zijnde zijn, verdachtes,

broer) van het leven te beroven, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad

en rustig overleg

- een mes heeft gepakt (in zijn, verdachtes, woning) en/of

- (opnieuw) naar die [slachtoffer] is toegegaan en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met een mes in de (linker) borst(kas), althans het lichaam heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op 22 november 2009 te Leuvenheim, gemeente Brummen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon

genaamd [slachtoffer] (zijnde zijn, verdachtes, broer), opzettelijk zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met een mes in de

(linker) borst(kas), althans het lichaam heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

A. Vaststaande feiten / aanleiding onderzoek

Op zondag 22 november 2009, omstreeks 2:10 uur, kregen de verbalisanten [verbalisant1] en [verbalisant2] van de Regionale Meldkamer te Apeldoorn het verzoek om naar de [adres te plaats] (gemeente Brummen) te gaan, omdat daar een man zou zijn neergestoken.2

B. Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair ten laste gelegde poging tot moord wettig en overtuigend bewezen kan worden. Het door verdachte met een mes steken van het slachtoffer kan bewezen worden verklaard op basis van de verklaringen van het slachtoffer en de vader van verdachte.

Doordat verdachte het slachtoffer heeft gestoken met een mes, heeft hij willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer hierdoor zou komen te overlijden. Er was derhalve sprake van opzet in de voorwaardelijke zin.

Voorts heeft verdachte met voorbedachten rade gehandeld. Verdachte is na een ruzie met het slachtoffer naar huis gegaan en heeft daar een mes opgehaald. In deze periode kon verdachte zich beraden.

C. Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde poging tot moord, nu niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. Bij verdachte was er in de nacht van 22 november 2009 sprake van één voortdurende heftige gemoedsbeweging. Er was derhalve geen sprake van een tijdstip van kalm overleg of bedaard nadenken.

Voorts heeft de raadsman betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde poging tot moord/doodslag, nu niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat bij verdachte de opzet op het doden van het slachtoffer bestond. Uit het steken van het slachtoffer door verdachte volgt niet zonder meer dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer hierdoor kwam te overlijden. Ook overigens kan de opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, niet worden bewezen.

D. Beoordeling door de rechtbank

[slachtoffer], broer van verdachte, heeft verklaard dat hij 's zaterdagsavond 21 november 2009 uitging met een groep mensen, waar verdachte deel van uitmaakte.3 Die avond heeft hij in en buiten de uitgaansgelegenheid [naam te plaats] ruzie gehad met verdachte. Deze ruzie mondde uit in een vechtpartij.4 Later die nacht troffen [slachtoffer] en verdachte elkaar weer in hun ouderlijk huis te Leuvenheim.5 De woning van verdachte grenst aan de woning van de ouders van [slachtoffer] en verdachte. Die nacht zijn er op meerdere momenten korte confrontaties geweest tussen [slachtoffer] en verdachte. Bij de laatste confrontatie, in de serre van de woning van de ouders , trachtte [vader] zijn zoons uit elkaar te houden door tussen hen in te gaan staan. [slachtoffer] zag dat verdachte een mes in zijn rechterhand had en met deze hand een beweging maakte in zijn richting, om hun vader heen. [slachtoffer] zag dat hij in zijn linkerzij ter hoogte van zijn long werd geraakt.

[vader verdachte en slachtoffer], vader van verdachte en [slachtoffer], heeft verklaard dat hij in de avond van 21 november 2009 wakker werd gemaakt door [slachtoffer].6 [slachtoffer] zou ruzie hebben gehad met verdachte. Na door hem gebeld te zijn heeft vader verdachte opgehaald in Dieren. In de nacht van 22 november 2009 vond er in de woning van vader gelegen aan de [adres te plaats] een confrontatie plaats tussen verdachte en [slachtoffer].7 Ze hebben over en weer geduwd en getrokken.8 Vader heeft verdachte via de buitendeur van de serre de woning uitgeduwd. Vader zag dat verdachte naar zijn eigen woning liep. Enkele seconden later zwaaide de achterdeur open en stond verdachte met een mes in zijn rechterhand in de deuropening. Vader stond tussen verdachte en [slachtoffer] in, die op elkaar afliepen. Vader zag dat verdachte met zijn rechterhand een voorwaartse beweging om hem heen maakte, in de richting van [slachtoffer].9 [slachtoffer] zei dat hij was geraakt door verdachte. Nadat [slachtoffer] in elkaar was gezakt heeft vader een ambulance gebeld.

Op 22 november 2009 is [slachtoffer] onderzocht door een arts.10 Bij [slachtoffer] werd een snijwond van ongeveer 1,5 centimeter in de linker borstkas waargenomen.

Tijdens het onderzoek in de woning gelegen aan de [adres te plaats] werd een mes aangetroffen en in beslag genomen.11 [slachtoffer] heeft verklaard12 dat het in beslag genomen mes een mes is van verdachte en dat het lijkt op het mes waarmee verdachte hem heeft gestoken. Verdachte heeft verklaard13 dat het in beslag genomen mes van hem was. Het Nederlands Forensisch Instituut heeft de bloedsporen die aangetroffen zijn op het in beslag genomen mes vergeleken met van verdachte en [slachtoffer] verkregen DNA-materiaal.14 Uit dit onderzoek blijkt dat het DNA-profiel van het bloedspoor op het mes overeenkomt met het DNA-profiel van [slachtoffer] en niet overeenkomt met het DNA-profiel van verdachte.

Verdachte heeft verklaard zich weinig te kunnen herinneren van de gebeurtenissen van de avond van 21 november 2009.15 Verdachte is die avond met onder meer zijn broer [slachtoffer] uit gegaan. Ze zijn naar de uitgaansgelegenheid [naam in plaats] gegaan. Verdachte heeft verklaard dat het volgende dat hij zich kan herinneren, is dat hij werd opgehaald door zijn vader. Van wat er verder die nacht is gebeurd herinnerde verdachte zich niets. Het eerstvolgende dat hij zich herinnerde is dat hij wakker werd naast het loopstoeltje van zijn zoontje en dat er druppels bloed uit zijn mond liepen. Verdachte heeft verklaard dat hij die avond ongeveer 30 bier had gedronken en dat hij antidepressiva en medicijnen voor ADHD had gebruikt.16 Verdachte heeft verklaard dat als [slachtoffer] heeft verklaard dat hij hem heeft gestoken, dit wel zo zal zijn.17 Bij de inverzekeringstelling heeft verdachte op de vraag of hij zijn broer met een mes heeft gestoken geantwoord dat hij denkt van wel.18

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte opzettelijk [slachtoffer] met een mes heeft gestoken. Door [slachtoffer] opzettelijk met een mes in de borstkas te steken, heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat deze [slachtoffer] zou komen te overlijden.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] met voorbedachten rade heeft gestoken met een mes. De enkele omstandigheid dat verdachte naar zijn, aangrenzende woning is gegaan om een mes te halen, kan in de gegeven omstandigheden niet tot het oordeel leiden dat verdachte na kalm beraad en rustig overleg heeft gehandeld. Met de raadsman van verdachte is de rechtbank van oordeel dat bij verdachte in de bewuste avond en nacht sprake is geweest van één voortdurende heftige, door overmatig alcoholgebruik verder aangewakkerde gemoedsbeweging welke geen ruimte liet voor rustig beraad en kalm overleg.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, te weten dat:

hij op 22 november 2009 te Leuvenheim, gemeente Brummen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] (zijnde zijn, verdachtes,

broer) van het leven te beroven, met dat opzet

- een mes heeft gepakt (in zijn, verdachtes, woning) en

- (opnieuw) naar die [slachtoffer] is toegegaan en

- (vervolgens) die [slachtoffer] eenmaal met een mes in de (linker) borst heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf:

- poging tot doodslag

Strafbaarheid van de verdachte

Over verdachte is een psychologisch onderzoeksrapport pro justitia opgesteld.19 De psycholoog heeft geconcludeerd dat verdachte ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde leed aan een ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, bestaande uit een aandachtstekortstoornis, angststoornis NAO (niet anders omschreven) en een onderliggende persoonlijkheidsstoornis NAO met narcistische en afhankelijke trekken. Op grond hiervan acht de psycholoog verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar.

Over verdachte is een psychiatrisch onderzoeksrapport pro justitia opgesteld.20 De psychiater heeft geconcludeerd dat verdachte ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde leed aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, bestaande uit ADHD, alcoholmisbruik en een angststoornis NAO. Tevens heeft de psychiater geconcludeerd dat verdachte ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde leed aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, bestaande uit een persoonlijkheidsstoornis NAO met narcistische en afhankelijke trekken. Op grond hiervan acht de psychiater verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar.

De officier van justitie heeft gerekwireerd dat de adviezen van de psycholoog en de psychiater worden overgenomen en dat het delict verdachte maar in licht verminderde mate kan worden toegerekend.

De raadsman heeft geen standpunt bepleit ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte.

De rechtbank overweegt dat de psycholoog en de psychiater hebben geconcludeerd dat het bewezen verklaarde feit verdachte kan worden toegerekend, zij het licht verminderd. Ook overigens zijn er geen feiten of omstandigheden gebleken die leiden tot de conclusie dat verdachte niet strafbaar is. De rechtbank oordeelt derhalve dat verdachte strafbaar is. De licht verminderde toerekening zal betrokken worden bij de straftoemeting.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake de ten laste gelegde poging tot moord wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaren waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het reclasseringsadvies van 6 mei 2010. De officier heeft hiertoe aangevoerd dat het ten laste gelegde een ernstig feit betreft. De enkele omstandigheid dat het letsel bij het slachtoffer relatief beperkt is gebleven, maakt dit niet anders. Voor een poging tot moord wordt in de regel een hogere straf geëist. Omdat uit de brief van het slachtoffer en uit het meest recente reclasseringsadvies blijkt dat het goed lijkt te komen met verdachte, valt de strafeis in dit geval lager uit. Tevens is bij het bepalen van de hoogte van de strafeis rekening gehouden met de rol van het slachtoffer voorafgaand aan het ten laste gelegde feit en met de verminderde toerekenbaarheid van verdachte.

De raadsman heeft ten aanzien van de strafmaat het opleggen van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, al dan niet gecombineerd met een taakstraf, bepleit. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte na de schorsing van zijn voorlopige hechtenis zich heeft gehouden aan het reclasseringstoezicht. Tevens heeft verdachte werk gemaakt van zijn alcoholmisbruik. Voorts heeft het slachtoffer de rechtbank schriftelijk verzocht om verdachte niet te straffen, juist omdat verdachte veel vooruitgang heeft geboekt sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis. Ten slotte heeft de raadsman de rechtbank verzocht rekening te houden met de door de gedragsdeskundigen geconcludeerde licht verminderde toerekenbaarheid en met de door verdachte in voorlopige hechtenis doorgebrachte periode.

De rechtbank overweegt dat verdachte blijkens het meest recente reclasseringsadvies zeer gemotiveerd is voor behandeling en begeleiding. Verder heeft verdachte werk gemaakt van zijn alcoholprobleem. De reclassering adviseert om een al dan niet gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De rechtbank overweegt voorts dat het slachtoffer de rechtbank schriftelijk heeft laten weten dat het inmiddels veel beter gaat met verdachte. Het slachtoffer heeft de rechtbank verzocht om de door en ten aanzien van verdachte ingezette vooruitgang niet te onderbreken.

Het bewezen verklaarde betreft een ernstig feit. Dat het letsel bij het slachtoffer beperkt is gebleven, is niet aan verdachte te danken en kan ook niet in zijn voordeel werken. Een dergelijk feit rechtvaardigt doorgaans een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank echter van oordeel dat verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd die de duur van de voorlopige hechtenis overschrijdt. Gezien de justitiële documentatie van verdachte en de conclusies van de gedragsdeskundige acht de rechtbank het van groot belang dat verdachte behandeld wordt. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou het nu ingezette behandeltraject doorbreken. De rechtbank is van oordeel dat het opleggen van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf op zijn plaats is.

De rechtbank acht na te melden beslissing in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken van verdachte. Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen deels voorwaardelijke gevangenisstraf en onvoorwaardelijke werkstraf heeft de rechtbank in het bijzonder rekening gehouden met de verminderde toerekenbaarheid van verdachte en met de rol van het slachtoffer, die zich ook niet onbetuigd heeft gelaten in de confrontaties met verdachte direct voorafgaande aan het bewezen verklaarde feit.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit als:

- poging tot doodslag;

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 360 (driehonderdzestig) dagen;

* bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 317 (driehonderdzeventien) dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

* stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de reclassering, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt, ook als dit inhoudt:

* een meldingsgebod;

* een behandelverplichting, inhoudende de voortzetting van de reeds gestarte ambulante psychotherapeutische behandeling bij de forensische verslavingspolikliniek JusTact;

een en ander zoals beschreven in het reclasseringsadvies van 6 mei 2010;

* beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

* veroordeelt verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten: een werkstraf gedurende 180 (honderdtachtig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 (negentig) dagen;

* heft op het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door mrs. Boerwinkel, voorzitter, Van Valderen en Feraaune, rechters, in tegenwoordigheid van Van Bun, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 augustus 2010.

Voetnoten:

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit delen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het stamproces-verbaal met het registratienummer 2009094457-45 van de regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district IJsselstreek, team Brummen, gedateerd 7 december 2009 (voor zover niet anders is vermeld).

2 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant2], dossierpagina 39.

Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant1], dossierpagina 41.

3 Verklaring getuige [slachtoffer], dossierpagina's 86 en 87

4 Verklaring getuige [slachtoffer], dossierpagina's 88 en 89

5 Verklaring getuige [slachtoffer], dossierpagina's 91 en 92

6 Verklaring getuige [vader verdachte en slachtoffer], dossierpagina 120

7 Verklaring getuige [vader verdachte en slachtoffer], dossierpagina's 123 tot en met 125

8 Verklaring getuige [vader verdachte en slachtoffer], dossierpagina 121

9 Verklaring getuige [vader verdachte en slachtoffer], dossierpagina 126

10 Geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer], ondertekend op 23 november 2009, dossierpagina 101

11 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant3], dossierpagina 47

12 Verklaring [slachtoffer], dossierpagina 94

13 Verklaring verdachte, dossierpagina 152

14 Rapport Nederlands Forensisch Instituut, "Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een steekincident in Leuvenheim op 22 maart 2009", zaaknummer 2009.12.14.025, ondertekend op 1 maart 2010 door drs. H.N. Bauer

15 Verklaring verdachte, dossierpagina 150

16 Verklaring verdachte, dossierpagina 151

17 Verklaring verdachte, dossierpagina 153

18 Proces-verbaal verhoor inverzekeringstelling verdachte, dossierpagina 22

19 Psychologisch onderzoeksrapport pro justitia betreffende [verdachte], opgesteld door drs. J.P.M. van der Leeuw, klinisch psycholoog-psychotherapeut, op 21 februari 2010

20 Psychiatrisch onderzoeksrapport pro justitia betreffende [verdachte], opgesteld door drs. H.E.M. van Beek, psychiater, op 15 februari 2010